Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHDHA:2026:2304 
 
Datum uitspraak:09-06-2026
Datum gepubliceerd:16-07-2026
Instantie:Gerechtshof Den Haag
Zaaknummers:200.336.873/01
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Geen onrechtmatig handelen overheid bij totstandkoming buitenlandse adoptie; ook geen onrechtmatig handelen bij screening adoptiegezin en in periode erna
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
erfenis
wettelijke rente
 
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel

Zaaknummer hof : 200.336.873/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/621726 / HA ZA 21-1065



Arrest van 9 juni 2026


in de zaak van



[appellante]
,
wonend in [plaats] ,
appellante,
advocaat: voorheen mr. S.S. van Gijn, kantoorhoudend in Amsterdam (onttrokken),

tegen


De Staat der Nederlanden,
gevestigd in Den Haag,
geïntimeerde,
advocaat: mr. G.J. Harryvan, kantoorhoudend in Den Haag.

Het hof noemt partijen hierna [appellante] en de Staat.



1De zaak in het kort

1.1

[appellante] is in 1984 samen met haar achternichtje [achternicht] vanuit Haïti in Nederland aangekomen. Zij is gaan wonen bij een Nederlands echtpaar en is in 1986 door hen geadopteerd. In de Haïtiaanse stukken stond dat [appellante] 6 jaar was toen zij in Nederland aankwam en dat [achternicht] haar zusje was. Vaststaat dat dit niet klopt: zij was toen al 9 jaar en [achternicht] was haar achternichtje. Volgens [appellante] ontbrak bovendien de instemming van haar biologische moeder. [appellante] stelt dat de Staat dit alles wist, althans dat de Staat dit had moeten weten, en dat haar adoptie daarom nooit had mogen plaatsvinden. Ook verwijt zij de Staat dat hij het adoptiegezin onvoldoende heeft gescreend en dat hij haar niet heeft geholpen toen zij in dat gezin en tijdens haar latere verblijf in een instituut werd mishandeld en misbruikt. Zij stelt hierdoor schade te hebben geleden en wil dat de Staat die schade vergoedt.



1.2
De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. Het hof is het met die beslissing eens.





2Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:


de dagvaarding van 15 december 2023, waarmee [appellante] in hoger beroep is gekomen van de vonnissen van 12 april 2023 en 20 september 2023 van de rechtbank Den Haag;


de memorie van grieven van [appellante] , met bijlage;


de memorie van antwoord van de Staat;


het stuk dat [appellante] ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd, te weten de “memorie van grieven en mensenrechtelijke onderbouwing” van 22 december 2025, met bijlagen, waaronder een “juridisch memorandum over de schendingen van het familierecht in de zaak [appellante] ”.




2.2
Aanvankelijk stond de mondelinge behandeling in deze zaak gepland op 7 oktober 2025. De toenmalige advocaat van [appellante] heeft zich vóór die datum onttrokken. [appellante] heeft destijds het hof per mail laten weten graag te willen dat de zitting zou doorgaan, desnoods zonder advocaat. Het hof heeft ervoor gekozen om de behandeling aan te houden om af te wachten of de door [appellante] ingezette rechtsgang bij de Deken van Advocaten en het Hof van Discipline tot resultaat zou leiden en [appellante] de kans te geven om (langs die weg of op een andere manier) een nieuwe advocaat te vinden. Dat is [appellante] helaas niet gelukt. Omdat zij had laten weten wel prijs te stellen op voortzetting van de zaak en er ook geen concreet vooruitzicht bestond dat [appellante] er binnen afzienbare termijn wel in zou slagen een advocaat te vinden, heeft het hof de mondelinge behandeling vervolgens bepaald op 30 maart 2026. Op die dag heeft [appellante] haar standpunt mondeling bepleit, mede aan de hand van het op voorhand toegestuurde, hiervoor vermelde stuk van december 2025. De advocaten van de Staat hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.




3Feitelijke achtergrond
De adoptie van [appellante]

3.1
is op [geboortedatum] 1975 geboren te [geboorteplaats] op Haïti. In november 1984 kwam [appellante] samen met haar achternichtje [achternicht] aan op Brussel International Airport. Zij zijn daar opgehaald door hun (toekomstige) Nederlandse adoptieouders, de heer en mevrouw [pleegouders] (hierna: het echtpaar [pleegouders] ). De adoptie van [appellante] en [achternicht] door het echtpaar [pleegouders] is op 29 oktober 1986 uitgesproken door de arrondissementsrechtbank te Zutphen.


3.2
Het echtpaar [pleegouders] had daaraan voorafgaand, in 1980, toestemming aan de minister van Justitie gevraagd voor opname van een derde buitenlands pleegkind in hun gezin, dat destijds bestond uit drie biologische kinderen en twee buitenlandse adoptiekinderen.


3.3
Op 21 januari 1981 heeft de staatssecretaris van Justitie aan het echtpaar [pleegouders] een zogeheten beginseltoestemming verleend voor de verzochte opneming van een derde buitenlands pleegkind. Deze toestemming was gegrond op een positief advies van de Raad voor de Kinderbescherming te Zutphen (hierna: Raad) van 12 januari 1981. Daarin werd verwezen naar een rapport betreffende een op 12 december 1980 afgesloten onderzoek naar (het gezin van) het echtpaar [pleegouders] . In dit rapport uit 1980 is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“In april 1974 werd het gezinsonderzoek afgesloten. De pleegouders kwamen naar voren als bewust levende, integere en plezierig optredende mensen. Beiden hadden een goede jeugd (…). Pleegvader was werkzaam als computerprogrammeur bij de belastingen. Pleegmoeder volgde de opleiding tot huishoudkundige, ze werkte tot aan haar huwelijk. De drie kinderen hebben nu alle aandacht en verzorging van pleegmoeder. In zijn vrije tijd is pleegvader ook veel met de kinderen bezig. De pleegouders kamperen regelmatig met de kinderen, ze trekken de natuur in. De kinderen treden op een plezierige, spontane wijze op. [Beide pleegouders] wilden wel een groot gezin, maar vonden het niet verantwoord nog meer eigen kinderen te krijgen.


Via bemiddeling (...) konden de pleegouders al vrij snel [hun eerste buitenlandse adoptiekind] in hun gezin opnemen. Hij was ondervoed en verwaarloosd, hij knapte in het gezin al snel op (...).


In september 1979 haalden de pleegouders zelf [hun tweede buitenlandse adoptiekind] op in (…) Bogota. De pleegouders vonden het fijn ook iets te weten over het land waar hun twee adoptiekinderen vandaan kwamen (…). Het moeilijkste vonden de pleegouders dat hij in het begin emotioneel totaal niet reageerde (...) De pleegouders vingen het op een rustige, adekwate manier op, zodat er al snel een positieve ontwikkeling was (...).


De pleegouders bewonen nog dezelfde woning, maar willen graag verhuizen naar een huis wat helemaal vrij ligt. Zij willen hun eigen groente gaan verbouwen, bovendien is het gezond voor de kinderen (…).


De pleegouders willen nu [een derde adoptiekind] adopteren. Volgens mij is daar geen enkel bezwaar tegen. Aanvankelijk dienden de pleegouders bewust een verzoek in tot opname van een blind (te opereren) jongetje in hun gezin. Deze opname gaat niet door [besloten werd dat het kind naar een gezin in Zweden zou gaan dat al een blind kind had], maar ze menen genoeg liefde en mogelijkheden te hebben om nog een pleegkind in hun gezin op te nemen. Gezien de gezinssituatie is daartegen volgens mij geen enkel bezwaar aanwezig."



3.4
Op 9 oktober 1984 heeft de staatssecretaris opnieuw beginseltoestemming verleend aan het echtpaar [pleegouders] tot opneming van een derde buitenlands pleegkind. Deze beginseltoestemming, die ook was gebaseerd op het onder 3.3. genoemde advies van de Raad van 12 januari 1981, strekte in beginsel tot opneming van één kind, tenzij het daarnaast een broer en/of een zus betrof dan wel zou gaan om kinderen die geruime tijd in hetzelfde gezin of tehuis zijn verzorgd en opgevoed. In de beginseltoestemming is ook opgenomen dat het adoptiekind op het moment van opname in het gezin jonger moest zijn dan zes jaar.


3.5
In oktober 1984 informeerde de staatssecretaris het hoofd van de plaatselijke politie in Twello, met afschrift aan de Raad, dat voor [appellante] en [achternicht] door de Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) was verstrekt. Zoals gezegd kwamen [appellante] en [achternicht] in november 1984 aan in Nederland. Sindsdien verbleven zij bij het echtpaar [pleegouders] .


3.6
Uit dossieraantekeningen van de Raad blijkt dat de Raad op 4 december 1984 en 15 februari 1985 een gesprek heeft gevoerd met mevrouw [pleegouders] over [appellante] en [achternicht] . Uit de aantekeningen blijkt dat de beide kinderen zich volgens het echtpaar [pleegouders] goed ontwikkelden.


3.7
Op 24 maart 1986 heeft het echtpaar [pleegouders] bij de arrondissementsrechtbank te Zutphen een verzoek ingediend tot (samengevat) de adoptie van [appellante] en [achternicht] (hierna: het adoptieverzoek). Bij het verzoekschrift zijn onder meer de volgende bijlagen gevoegd:
a. gelegaliseerde geboorteakten van [appellante] (“le 15 novembre 1978”) en [achternicht] , waarop in beide gevallen [naam 2] als moeder wordt aangeduid;
b. kopieën van de Haïtiaanse paspoorten van [appellante] en [achternicht] ;
c. in tweevoud een proces-verbaal van een op 9 augustus 1984 gehouden zitting van de Juge de Paix van Cap-Haitien, Section Sud, waarin onder meer is opgenomen:

“La dame [naam 2] , mère de la mineure [achternicht] présente en notre Tribunal, déclare consentir sans réserve à ce que sa fille soit adoptee par les époux [pleegvader] , Madame née [pleegmoeder] , de nationalité hollandaise et accepte en outre qu'elle soit légitimée par les sus dits époux.”

d. Haïtiaanse adoptie-beschikkingen van het Tribunal Civil du Ressort du Cap-Haïtien van 11 augustus 1984, waarin de adoptie van [appellante] en [achternicht] door het echtpaar [pleegouders] is uitgesproken.


3.8
De arrondissementsrechtbank Zutphen heeft het adoptieverzoek met bijlagen gestuurd aan de Raad met het verzoek advies uit te brengen. De Raad heeft op 10 september 1986 geadviseerd het verzoek van het echtpaar [pleegouders] tot adoptie van [appellante] en [achternicht] in te willigen. Aan dit advies lag een rapport van augustus 1986 van de Raad ten grondslag waarin, voor zover van belang, het volgende is opgenomen:


"D.d. 26 april 1974 bracht de Raad een gezinsrapport uit in verband met het verzoek tot opname van een buitenlands adoptief-kind. Het gezin werd goedgekeurd.


Nadien werden in 1975, 1977, 1980 en 1986 rapporten door de raad Zutphen uitgebracht voor adoptie en opname van totaal 5 buitenlandse adoptief-kinderen. Uit de rapporten en kontakten komen de pleegouders naar voren als bewust levende, integere en plezierige mensen.


Vanaf het begin waren de pleegouders gericht op het verzorgen van kinderen uit de derde wereld. In de leefwijze en leefhouding van de pleegouders neemt de derde wereldproblematiek een duidelijke plaats in. De pleegouders zijn aktief in sponsorprojekten e.d.. De pleegouders gaan hier op een reële wijze mee om. Zij kunnen afstand nemen.


Uit de opvang van de verschillende bij hen geplaatste kinderen blijkt dat de pleegouders in staat zijn tot opvang van diverse problemen. Pleegvader neemt hierin een rustige plaats in, pleegmoeder reageert wat emotioneler en direkter. Pleegouders laten aan elkaar ruimte en hun verhouding blijkt stabiel te zijn.


(…)


De pleegouders bewonen een verbouwde boerderij en in en om de woning is veel ruimte. De ontwikkeling en persoonlijke vorming van de aanwezige kinderen verlopen goed. Opmerkelijk is dat de oudere kinderen meer hun eigen gangetje gaan, er is sprake van onderlinge betrokkenheid op elkaar. De verhouding naar de ouders toe krijgt meer de inhoud van een vriendschapsrelatie.


(…)


De pleegouders zijn hierdoor niet meer overwegend bezig met de ge- en verboden in het gezin. Voor de pleegouders is er zodoende meer sprake van een harmonieus gezinsleven waarin ieder zijn eigen ruimte en weg duidelijk vindt. Vanuit een bewogenheid hebben de pleegouders een vijfde buitenlands adoptiefkind (…) opgenomen, dat gehandicapt is (…).


De ontwikkeling van [appellante] en [achternicht] is goed verlopen. Zowel [appellante] als [achternicht] heeft zich op school goed kunnen aanpassen (…) Het ingroeien en het hechten in het gezin is voor ieder kind verschillend verlopen (...) Bij [appellante] is nu merkbaar dat ze zich hecht in het gezin, [appellante] heeft op school blijvende kontakten met leeftijdsgenootjes (…)


Statusvoorlichting is in dit gezin zeer vanzelfsprekend, er is ruimte voor ieders eigen achtergrond. [appellante] en [achternicht] praten wel over wat ze hebben meegemaakt e.d. en de meisjes krijgen de ruimte om dit te vertellen. Bij ziekenhuisopname van pleegmoeder raakte vooral [appellante] erg nerveus omdat [appellante] wist dat haar natuurlijke moeder in een ziekenhuis was overleden. Na de terugkeer van pleegmoeder was alles weer goed.


(…)


Konklusie


Zowel [appellante] als [achternicht] neemt bij de pleegouders een eigen plaatsje in en adoptie is een vanzelfsprekende zaak. De ontwikkeling van de beide meisjes verloopt goed, het hechtingsproces van elk op een verschillende wijze.


De pleegouders zijn in hun verwachtingen reëel en accepteren de mogelijkheden en onmogelijkheden van ieder kind.”




3.9
Bij beschikking van 29 oktober 1986 heeft de arrondissementsrechtbank te Zutphen (hierna ook wel: de adoptierechter), onder verwijzing naar het rapport van de Raad, de adoptie van [appellante] en [achternicht] uitgesproken. Daarbij zijn de namen van [appellante] gewijzigd in [appellante] . In de beschikking is onder meer opgenomen:


"uit een afschrift van het “registre des proces-verbaux d’adoption" ter griffie van het Tribunal de Paix van Le Cap-Haïtien van 9 augustus 1984 blijkt dat de moeder van de minderjarigen heeft ingestemd met de adoptie door verzoekers"




3.10
De adoptie is op 2 december 1986 ingeschreven in het daarvoor bestemde register van de burgerlijke stand.


De periode na de adoptie




3.11

[appellante] is in december 1990 weggelopen van huis. Omdat de verstandhouding tussen [appellante] en het echtpaar [pleegouders] was verstoord, verliepen de contacten tussen hen vanaf dat moment via het RIAGG. Omdat de instanties die zich over [appellante] hadden ontfermd geen beslissingen over en voor haar konden nemen, heeft het RIAGG het echtpaar [pleegouders] in overweging gegeven afstand te doen van de ouderlijke macht over [appellante] . Daartoe heeft het echtpaar [pleegouders] (en hun overige (adoptie)kinderen) bij brief van 22 maart 1993 verzocht.



3.12
De Raad heeft naar aanleiding van het verzoek van het echtpaar [pleegouders] een onderzoek ingesteld en daarover in december 1993 gerapporteerd. [appellante] verbleef op dat
moment in het Orthopedagogisch Centrum Jan Pieter Heije in Oosterbeek. In dit rapport van december 1993 is voor zover van belang het navolgende opgenomen:


“In 1984 is [appellante] als 3e adoptief-kind in het gezin [pleegouders] gekomen. Aanvankelijk liet alles zich goed aanzien volgens de ouders, op fysieke problemen na. Na enkele jaren begonnen zich emotionele problemen af te tekenen. De lagere school werd verwisseld voor M.L.K.-onderwijs, gevolgd door het V.S.O. (voortgezet speciaal onderwijs).


De problemen in het gezin werden sterker. [appellante] terroriseerde volgens de gezinsleden de situatie. De kontakten werden steeds slechter (...)


Volgens [appellante] werd ze achtergesteld in het gezin, ze zou veel nare opmerkingen over bv. haar uiterlijk hebben moeten incasseren en ervaart met name vader [en twee van haar broers] als onplezierig en afstandelijk.


Na een konflikt met vader is [appellante] weggelopen in december 1990. Voor ieder was dit “definitief”.


Door de Riagg. die inmiddels ingeschakeld was door de ouders in oktober 1990 werd ze in Deventer en Zwolle geplaatst en later op Jonkerbosch te Nijmegen (nu opgegaan in de J.P. Heye-Stichting).



[appellante] geeft te kennen dat zij tegen haar zin in als adoptief-kind geplaatst is bij de familie [pleegouders] . Volgens [appellante] had zij in Haïti een goede band met haar vader die de naam [naam 1] draagt en is zij met haar nichtje (in plaats van haar zusje, zoals beweerd wordt) [achternicht] als het ware ontvoerd in 1984.



[appellante] heeft niet kunnen wennen bij de familie [pleegouders] . Ze noemt met name vader en [twee van haar broers] als degenen tegen wie zij wrok voelt. Ze heeft zich gekleineerd gevoeld door hen, ze voelde zich niet begrepen en werd gepest met haar uiterlijk. [appellante] noemt hiervan verschillende voorbeelden. Ze benadrukt dat ze beslist geen gemakkelijk kind was, maar dat ze daarvoor haar redenen had en die ook wilde vertellen. Ze zegt dat er echter niet naar haar geluisterd werd, voelde zich niet serieus genomen en dat terwijl ze ook nog problemen had met leren en met haar achtergrond in Haïti.


(…) Zij heeft afstand genomen en wenst deze te houden. Ze wil absoluut geen kontakt meer op dit ogenblik, er zou teveel gebeurd zijn. [appellante] wenst daarover niet te veel te spreken, ze noemt dat ze later een boek wil schrijven over haar verleden en dan misschien nog eens kontakt zal zoeken. In dat kader noemt [appellante] ook haar grote wens om haar naam te veranderen. Ze aksepteert echter meteen dat dat dit momenteel niet mogelijk is en dat nu eerst de voogdij geregeld moet worden. Ook heeft ze teveel problemen met haar leeftijd (zie verslag J.P. Heye-Stichting).


Gesproken is over haar toekomst (...) Naast de grote zorgen die [appellante] kent, noemt ze ook dat zij het op de J.P. Heye-Stichting goed naar haar zin heeft. Ze heeft diverse hobby’s: zingen, dansen, schilderen. [appellante] bezit een gezellige ruime kamer, waar ze veel vertoeft.


Van de toekomstige voogdes heeft ze positieve verwachtingen. Ze hoopt te zijner tijd haar naam te kunnen veranderen en haar leeftijd formeel te kunnen wijzigen.


Visie ouders ten aanzien van de problematiek:



[appellante] kwam op ± 6-jarige leeftijd met haar zusje [achternicht] uit Haïti bij de familie [pleegouders] . Bij medisch onderzoek bleek zij enkele jaren ouder te zijn (...).


Konklusie


(…)


Een ontheffing van de ouderlijke macht is de aangewezen maatregel, zodat het gezag door een 'neutrale persoon’ kan worden uitgeoefend.


Zowel de ouders als [appellante] staan achter de ontheffing. Een voogdijvereniging zal belast moeten worden met de voogdij.”




3.13
Het rapport van de Raad van december 1993 was, naast gesprekken met alle betrokkenen, gebaseerd op een overzichtsrapport van het RIAGG van 27 juli 1993 betreffende de mogelijke overdracht van de ouderlijke macht over [appellante] en het behandelingsplan van de J.P. Heije Stichting van 1 november 1993.



3.14
In dat overzichtsrapport van het RIAGG van 27 juli 1993 is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:


"Kerstmis 1990 is [appellante] thuis weggelopen na een aanvaring met vader (...). [appellante] , officieel 14 jaar, is duidelijk veel ouder. Tijdens haar verblijf in Jonkerbosch is ze medisch en psychologisch onderzocht, waarbij bleek, dat haar echte leeftijd ongeveer drie jaar hoger is (...). In het tehuis wordt ze behandeld als een bijna 18 jarige qua voorrechten en zakgeld (…).


In het Crisis Centrum in Zwolle heeft ze een heel moeilijke tijd gehad. Ze was erg claimend, ook daar heel nadrukkelijk aanwezig, egocentrisch ingesteld, prikkelbaar en ze had angstaanvallen.


Dit alles heeft bij de toch al wat onrustige bevolking van een crisiscentrum tot heftige incidenten geleid. (...)


Ontheffing.


Het initiatief is genomen door Jonkerbosch, waarde staf van mening was, dat er iemand moest komen, die ook juridisch gezag had over [appellante] . Misschien kon toch een procedure worden gestart om haar geboortedatum te wijzigen; er moet ook e.e.a. worden geregeld rond uitkeringen, verdere opvang. Verstandelijk zagen ouders meteen in, dat dit wenselijk was (...) Ze schreven dan ook hun verzoek tot ontheffing aan de Raad. Gevoelsmatig bleef het moeilijk liggen.



[appellante] vond het een prima voorstel. Ofschoon ze waardering heeft voor de zorg van ouders voor hun adoptiefkinderen, wil ze zelf geen " [pleegouders] " meer zijn en door de ontheffing voelt ze zich meer los van ouders.


(...)


Conclusie.



[appellante] . bijna vijftien jaar, maar in feite waarschijnlijk bijna 18 jaar is als adoptiefkind


vermoedelijk te laat naar Nederland gekomen om zich nog echt te hechten in het adoptief gezin."




3.15
Het hierboven genoemde behandelingsplan van de J.P. Heije Stichting van 1 november 1993 verwijst naar een eerder behandelplan van 21 juni 1993 waarin onder meer staat dat [appellante] heeft aangegeven geen contact meer te willen met het adoptiegezin door de dingen die gebeurd zijn en dat zij geen aangifte wil doen van de ‘onheuse bejegening’ op seksueel gebied door haar broers omdat zij het alleen wil verwerken. Verder vermeldt het behandelplan van 1 november 1993, voor zover van belang, het volgende:

“Dachten we (...) een goede weg in te slaan door haar te plaatsen op de interne school, na ongeveer een maand geeft [appellante] in gesprekken aan dat ze depressief wordt van school, dat ze erg moe is. vaak slap en duizelig, en regelmatig misselijk wordt van de 'gore' verhalen van klasgenoten, van het schelden en vloeken in de klas; ze zitten aan haar lichaam, aan haar spullen, en houden niet op als ze het vraagt; bij doorvragen erkent ze dat ze zelf ook aanleiding geeft (...)


21 september heeft (…) een gesprek met [de adjunct-directeur van de school] plaatsgevonden, waarin afgesproken wordt dat het mogelijke gedaan zal worden om [appellante] steun en veiligheid te bieden (...)


1 oktober geeft [appellante] opnieuw aan op school in een hel te leven. Het maakt haar niet uit wie er voor de klas staat, het zijn de jongens waar ze letterlijk niet goed van wordt. Zo is ze misselijk naar huis gegaan na het moeten aanhoren van een bandje met 'sex-geluiden'; bij navraag blijkt ze te zijn beetgenomen door een klasgenoot.


(…)


Wat nu ook speelt: de aanvraag tot voogdijwijziging. [appellante] heeft moeten aangeven waarom ze dhr. en mevr. [pleegouders] niet meer als voogden aksepteert.


De geestelijke en lichamelijke beschadigingen door pleegvader en pleegbroers noemt [appellante] als redenen. Over mevr. [pleegouders] is ze zeer positief. Toch wil ze los van de hele familie.”



3.16
Nadat de Raad daarom bij verzoekschrift van 25 januari 1994 had verzocht, heeft de arrondissementsrechtbank te Zutphen bij beschikking van 23 maart 1994 het echtpaar [pleegouders] ontheven van de ouderlijke macht over [appellante] . De rechtbank heeft daarbij Stichting Jeugd en Gezin te Arnhem (hierna: SJG) als voogdes over [appellante] benoemd en een ambtenaar van de Raad als toeziend voogd.


3.17
Op 28 april 1994 is het dossier dat de Raad over [appellante] onderhield overgedragen aan de SJG.

Juridische procedures; herroeping adoptie en wijziging geboortedatum



3.18
Op verzoek van [appellante] heeft de arrondissementsrechtbank te Amsterdam bij beschikking van 26 januari 2000 de adoptie van [appellante] herroepen. Hierdoor verloot [appellante] haar Nederlandse nationaliteit maar dit is in 2002 hersteld.


3.19
De arrondissementsrechtbank Den Haag heeft op verzoek van [appellante] bij beschikking van 17 september 2001 de voornamen van [appellante] gewijzigd in " [appellante] ”. In diezelfde beschikking zijn de geboortegegevens van [appellante] vastgesteld, die inhielden dat [appellante] op [geboortedatum] 1978 was geboren in [geboorteplaats] , Haïti. Anderhalf jaar later heeft de rechtbank bij beschikking van 10 maart 2003 een verbetering in de geboorteakte van [appellante] gelast, in die zin dat als geboortedatum [geboortedatum] 1975 wordt vermeld.




4Procedure bij de rechtbank

4.1

[appellante] heeft de Staat gedagvaard en gevorderd dat de rechtbank, bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, voor recht zal verklaren dat de Staat verplicht is de schade te vergoeden die [appellante] geleden heeft, welke schade dient te worden opgemaakt bij staat en in een afzonderlijke schadestaatprocedure dient te worden vastgesteld.



4.2

[appellante] heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de Staat onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Voor zover in hoger beroep nog relevant heeft zij de Staat kort gezegd de volgende verwijten gemaakt:


De Staat heeft de door een louche Haïtiaans adoptiebureau verstrekte, onjuiste gegevens ten onrechte zonder controle overgenomen zonder de fouten te herstellen. [appellante] was geen zes jaar, maar negen jaar toen zij naar Nederland kwam. [achternicht] was niet haar zusje maar haar achternichtje. De Staat had moeten weten dat deze gegevens niet juist waren. Ook had de Staat moeten weten dat [naam 2] , degene die toestemming zou hebben gegeven voor de adoptie, niet haar biologische moeder was. In elk geval was nader onderzoek op dat punt geïndiceerd.



[appellante] is in het adoptiegezin psychisch en fysiek mishandeld en seksueel misbruikt. De Staat had dit gezin beter moeten screenen en de Raad heeft het adoptiegezin ook niet of onvoldoende begeleid toen [appellante] daar verbleef. Ook heeft de Raad niets gedaan om het misbruik te laten stoppen; zelfs niet nadat [appellante] zelf het initiatief had genomen om de adoptie te laten vernietigen.


Ook tijdens haar verblijf in het internaat van de J.P. Heije Stichting heeft [appellante] verbaal en fysiek geweld ondervonden.



[appellante] heeft door dit onrechtmatig handelen materiële en immateriële schade geleden. Zij heeft zich vanwege de trauma’s die zij door haar adoptie en de gebeurtenissen daarna heeft opgelopen niet ten volle kunnen ontplooien en geen normaal leven kunnen opbouwen.


4.3
De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen en [appellante] in de proceskosten veroordeeld.




5Vorderingen in hoger beroep

5.1

[appellante] vordert hetzelfde als bij de rechtbank.


5.2
De bezwaren (grieven) van [appellante] tegen de vonnissen houden het volgende in.
Grief 1 is gericht tegen “het afwijzen van de vordering in het geheel, en afgezien van de onrechtmatige rechtspraak”. De Staat heeft in diverse hoedanigheden en instanties onrechtmatig gehandeld, waarbij het zwaartepunt ligt bij de Raad. [appellante] heeft verschillende keren aangegeven dat zij in het adoptiegezin werd mishandeld en zelfs verkracht. De Raad heeft niets gedaan om haar te helpen, en heeft haar zelfs tegengewerkt.
Met grieven 2 tot en met 6 (in samenhang met de inleiding op haar grieven) voert [appellante] samengevat aan dat de Staat (de Raad en de adoptierechter) wel concrete aanwijzingen had dat de gegevens in de Haïtiaanse geboorteakte niet klopten. Volgens [appellante] was bekend of had bekend moeten zijn dat zij niet de dochter was van [naam 2] , dat de in de geboorteakte vermelde leeftijd niet klopte en dat zij en [achternicht] geen zusjes waren. Zij heeft ook tegen de adoptierechter gezegd dat zij ouder was en dat zij geen zusje was van [achternicht] , en zij heeft daarbij aangegeven dat zij niet geadopteerd wilde worden. De adoptierechter heeft daarop geantwoord dat hij geen keuze had omdat zij al niet langer de Haïtiaanse nationaliteit had. Van [appellante] kan niet worden verwacht dat zij stukken overlegt met betrekking tot de adoptiezaak. Daardoor kan zij niet het bestaan en de inhoud van het gesprek bewijzen. De kantonrechter had ook op basis van haar uiterlijk en intellectuele ontwikkeling moeten zien dat zij ouder was. Omdat de leeftijdsgrens 6 jaar was, was er bovendien al reden voor nader onderzoek als er maar enige aanwijzing was dat zij ouder was dan dat. Uit het proces-verbaal van de zitting in Haïti blijkt alleen dat [naam 2] aanwezig was en zich niet verzette, maar niet blijkt van haar instemming. Daarbij komt dat bij het proces-verbaal geen stukken zitten waaruit blijkt dat de aanwezige vrouw inderdaad [naam 2] was én de moeder van [appellante] . Uit DNA-bewijs is inmiddels gebleken dat [appellante] familie is van de familie [naam 3] (van [Amerikaanse popster 1] ) en de familie [naam 4] (van [Amerikaanse popster 2] ). Dat de adoptieouders en de Raad wisten dat [naam 2] niet haar moeder was en waarschijnlijk niet eens bestaat blijkt ook uit een brief van het instituut Jonkerbosch uit januari 1992 waarin staat: “De ouders [pleegouders] denken dat dit [de op de geboorteakte vermelde [naam 2] ] niet de natuurlijke moeder is, maar een mevrouw die zich daarvoor uitgaf. Een ander adoptiefkind blijkt dezelfde naam op de geboorte-akte te hebben staan en het is onwaarschijnlijk dat beide meisjes dezelfde moeder hebben.” Ook van belang is een specifieke passage uit het adviesrapport van de Raad Zutphen van augustus 1986 (zie hierboven onder 3.8.), die luidt: "Bij ziekenhuisopname van pleegmoeder raakte vooral [appellante] erg nerveus omdat [appellante] wist dat haar natuurlijke moeder in een ziekenhuis was overleden. Na de terugkeer van pleegmoeder was alles weer goed". Het is zeer onwaarschijnlijk dat [appellante] de dood van [naam 2] , bij wie zij niet eens verbleef en die zij niet kende, als traumatisch zou hebben ervaren. Het is dus uitgesloten dat dit overlijden heeft plaatsgevonden in de periode dat [appellante] in een kindertehuis wachtte op vertrek naar Nederland, zoals de rechtbank als optie heeft aangenomen. Het ging ook niet om het overlijden van haar biologische moeder – die heeft zij niet echt gekend – maar om de vrouw die als haar moeder fungeerde. De conclusie is dat aan de criteria voor onrechtmatige rechtspraak is voldaan.


5.3
In de nadere “memorie van grieven en mensenrechtelijke onderbouwing” van december 2025 herhaalt [appellante] deze stellingen en gaat zij nader in op (onder meer) artikel 8 EVRM en de uitspraak van de Hoge Raad in een Sri Lankaanse adoptiezaak. Voor zover dit stuk nieuwe grieven bevat laat het hof die buiten beschouwing.




6Beoordeling in hoger beroep
Inleiding – juridisch kader in 1984-1986

6.1
De adoptie is in het Nederlandse recht geïntroduceerd als een maatregel van kinderbescherming die wordt genomen in het belang van het kind dat bescherming nodig heeft, en niet als een instelling in het belang van de adoptanten. De mogelijkheid van adoptie is in 1956 wettelijk ingevoerd en sinds 1 januari 1970 geregeld in de artikelen 1:227-1:229 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Een verzoek om adoptie kon op grond van artikel 1:227 BW (oud) alleen worden toegewezen als de adoptie zowel uit het oogpunt van verbreking van de banden met de ouders als dat van bevestiging van de banden met de adoptanten, in het kennelijk belang van het kind was en aan de overige voorwaarden was voldaan. Daarbij vereiste artikel 1:228 BW (oud) onder meer dat de biologische ouders zich niet tegen het verzoek verzetten en dat de aspirant-adoptieouders het adoptiekind al ten minste een jaar feitelijk hadden verzorgd en opgevoed. De adoptie kwam tot stand door een uitspraak van de rechtbank op verzoek van een echtpaar dat een kind wil adopteren.



6.2
Na 1965 richtten adoptieouders zich voor het vinden van een pleegkind in steeds meer gevallen op het buitenland, vanaf 1967 meer in het bijzonder op niet-Europese landen. Een buitenlandse adoptie werd aanvankelijk in Nederland niet erkend, vandaar dat het kind in Nederland opnieuw moest worden geadopteerd, na de voorgeschreven periode als pleegkind in het aspirant-adoptiegezin te hebben verbleven.



6.3
Ten tijde van de adoptie van [appellante] was de aan de adoptie voorafgaande procedure niet in de wet geregeld. Destijds waren de regels voor deze procedure vervat in de ‘Nota over de praktische gang van zaken rond adoptie en adoptievoorbereiding’ die op 9 mei 1980 aan de Tweede Kamer is gezonden. In deze nota werd ook ingegaan op de problemen die de toenemende belangstelling voor buitenlandse pleegkinderen met zich bracht en wordt de daaruit voortvloeiende behoefte aan ordenende maatregelen genoemd. Die behoefte heeft geleid tot een procedure tot verkrijging van een zogeheten beginseltoestemming die aspirant-pleegouders moesten volgen voorafgaand aan de opneming van een buitenlands pleegkind. Deze procedure was vastgelegd in het toenmalige vreemdelingenbeleid.



6.4
Al in 1967 was voor de toelating tot Nederland van een buitenlands pleegkind bij richtlijn onder meer bepaald dat de pleegouders moesten aantonen dat de opneming van het kind in hun gezin in het belang van het kind was. In 1974 is deze richtlijn aangevuld en opgenomen in de Vreemdelingencirculaire. Als algemene regel gold dat opneming van een buitenlands pleegkind in het belang van dat kind moest zijn en dat voor het kind in de omstandigheden in het land van herkomst geen aanvaardbare toekomst zou zijn weggelegd. De aanvulling hield verder onder meer in dat de pleegouders moesten beschikken over de hiervoor al vermelde beginseltoestemming voor opneming van het kind. Die beginseltoestemming werd door de Minister van Justitie slechts verleend nadat de Raad een onderzoek had ingesteld naar de geschiktheid van de ouders als pleeg- en adoptieouders.



6.5
Ook was in de Vreemdelingencirculaire bepaald dat de overkomst van het kind op verantwoorde wijze moest zijn geregeld. Voor zover vereist moest een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) worden afgegeven door de Nederlandse vertegenwoordiging in het desbetreffende land. De aspirant-pleegouders moesten met het oog op de toelating van het kind in Nederland door middel van stukken aantonen (onder meer) dat:
a. a) de ouder(s) en/of wettelijk vertegenwoordiger van het kind afstand had(den) gedaan op ter plaatse geldige en naar Nederlandse normen acceptabele wijze;
b) de autoriteiten in het land van herkomst instemden met adoptie door de pleegouders.


6.6
In de Vreemdelingencirculaire was ook vermeld dat het Ministerie van Justitie niet bemiddelde bij het zoeken en plaatsen van pleegkinderen. Dit was al een particulier initiatief, ook bij binnenlandse adoptie, en dat bleef het dus. Pas in 1989, enkele jaren ná de adoptie van [appellante] , werd door de inwerkingtreding van de Wet opneming buitenlandse pleegkinderen in 1989 (Wobp) een vergunningstelsel ingevoerd, met het oog op regulering van de particuliere bemiddeling en toezicht en controle door de overheid.


6.7
De rol van de Staat voorafgaand aan de adoptie was in de voor deze zaak relevante periode dus nog beperkt tot twee aspecten namelijk:
(i) het beoordelen van de geschiktheid van aspirant adoptieouders door de Raad en het afgeven van een beginseltoestemming door de Minister van Justitie;
(ii) de toelating en de regeling van het verblijf van buitenlandse (adoptie)pleegkinderen (afgifte mvv door de Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland).
Daarnaast had de Staat een rol bij de totstandkoming van de Nederlandse adoptie:
(iii) de rechter moest uitspraak doen op een verzoek tot adoptie van de adoptieouders en (iv) de Raad moest de rechter hierover adviseren (artikel 971 Rv (oud)).


6.8
Toen [appellante] werd opgenomen in het gezin van haar adoptieouders en door hen werd geadopteerd, was er nog geen verdrag dat die opneming en adoptie regelde. Aangenomen werd dat het Nederlandse commune ongeschreven internationaal privaatrecht inhield dat een adoptie alleen door de Nederlandse rechter kon worden uitgesproken als die zowel naar het nationale recht van de aspirant-adoptieouders, als naar het nationale recht van het te adopteren kind mogelijk was. Daarbij was gangbaar uitgangspunt dat het nationale recht van de aspirant-adoptieouders (in dit geval dus het Nederlandse recht) de voor hen geldende voorwaarden voor adoptie bepaalde, en dat het nationale recht van het te adopteren kind (in dit geval dus het Haïtiaanse recht) de voor het kind geldende voorwaarden bepaalde. De vraag of de adoptie in het belang was van het kind en of de (biologische) ouders op de vereiste wijze afstand hadden gedaan en zich niet tegen de adoptie verzetten, moest dus worden beoordeeld naar het nationale recht van en door de bevoegde instanties van het land van herkomst van het te adopteren kind. Uit het in het geding gebrachte Nederlandse adoptievonnis ten aanzien van [appellante] blijkt dat de adoptierechter in haar geval hiervan ook is uitgegaan; dat vonnis verwijst immers naar het Haïtiaanse adoptievonnis uit 1984.


6.9
Tot slot zijn de criteria voor onrechtmatige rechtspraak van belang. In beginsel staat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen eraan in de weg dat een partij de gelegenheid zou hebben om langs de weg van een vordering tegen de Staat op grond van onrechtmatig handelen de juistheid van een onherroepelijke rechterlijke beslissing nogmaals tot onderwerp van een procedure te maken. Alleen als bij de voorbereiding van die rechterlijke beslissing zulke fundamentele rechtsbeginselen zijn veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken én tegen die beslissing geen rechtsmiddel openstaat of heeft opengestaan kan een vordering worden ingesteld op grond van onrechtmatige rechtspraak. In beginsel kunnen klachten inhoudende dat de rechter op bepaalde processtukken geen acht heeft geslagen of zijn uitspraak onvoldoende heeft gemotiveerd slechts in het kader van een rechtsmiddel zoals hoger beroep aan de orde worden gesteld.

Totstandkoming adoptie: onrechtmatig handelen valse papieren



6.10
Over de vraag of de biologische moeder van [appellante] nu wel of niet op rechtsgeldige wijze afstand heeft gedaan bestaat tussen partijen geen overeenstemming. Wel staat inmiddels vast dat de in de papieren vermelde geboortedatum niet klopte en dat [appellante] niet een zusje was van [achternicht] , maar een achternichtje. Als gevolg hiervan is [appellante] op te hoge leeftijd geadopteerd. Uit de stukken en de verklaring van [appellante] ter zitting blijkt een levensloop met veel (diepe) dalen, wat zonder meer tragisch is te noemen. Dat betekent echter niet dat de verwijten die [appellante] de Staat in dat verband maakt terecht zijn.


6.11

[appellante] stelt dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door op de juistheid van de Haïtiaanse adoptiepapieren te vertrouwen, terwijl hij wist of moest weten dat die papieren niet klopten. Volgens haar had de Staat in elk geval nader onderzoek moeten doen en had de adoptie nooit door mogen gaan. [appellante] heeft in dat verband een beroep gedaan op haar door artikel 8 EVRM beschermde recht op privé-, familie- en gezinsleven, waaronder ook het recht valt van een kind om te weten waar het vandaan komt en van wie het afstamt. De rechtbank heeft geoordeeld dat op de Staat, en dus ook de adoptierechter, op grond van dat artikel de plicht rust nader onderzoek te doen naar de juistheid van cruciale (afstammings)gegevens als de Staat bekend is of zou moeten zijn met feiten of omstandigheden van algemene of bijzondere aard die twijfel over de juistheid van die gegevens rechtvaardigen.


6.12
De Staat is het daar niet mee eens. Hij stelt dat een dergelijke onderzoekplicht niet uit artikel 8 EVRM volgt. Hij voert in dat verband aan dat de norm voor onrechtmatige rechtspraak (zie hierboven 6.9.) is ontleend aan artikel 6 EVRM en beoogt te waarborgen dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak sprake is geweest.


6.13
Het hof merkt op dat de Staat bij dit verweer er in elk geval aan voorbij ziet dat [appellante] zich niet alleen op onrechtmatige rechtspraak beroept, maar dat zij de Staat ook in diens andere hoedanigheden verwijten maakt. [appellante] stelt immers ook dat de Raad onrechtmatig heeft gehandeld bij zijn advisering van de adoptierechter (op de andere verwijten aan de Raad komt het hof hierna terug) en met enige goede wil valt in haar stellingen ook te lezen dat de Staat volgens haar geen mvv had mogen afgeven. Deze constatering leidt echter niet tot het door [appellante] gewenste resultaat.


6.14
Net als de rechtbank neemt het hof bij zijn beoordeling tot uitgangspunt dat op grond van het destijds geldende internationaal privaatrecht in beginsel zowel buitenlandse aktes als buitenlandse rechterlijke uitspraken als rechtsgeldig moesten worden aangemerkt en moesten worden erkend, als deze aktes of uitspraken - kort gezegd - volgens de ter plaatse geldende regels tot stand waren gekomen. Dat neemt niet weg dat ook destijds op de Staat een onderzoeksplicht rustte indien hij voldoende duidelijke en concrete aanwijzingen had of moest hebben dat er aan deze aktes of uitspraken iets niet klopte. Dat zelfde geldt voor het bestaan van een eventuele onderzoeksplicht op grond van art. 8 EVRM. Het gaat er in alle gevallen dus om of de Staat destijds dergelijke aanwijzingen had of moest hebben. Voor zover [appellante] verwijten richt tot de adoptierechter, komt daar nog bij dat ook moet zijn voldaan aan de in 6.9 bedoelde criteria voor onrechtmatige rechtspraak.


6.15
Uit het Haïtiaanse adoptievonnis en het Haïtiaanse proces-verbaal (zie 3.7. hierboven) blijkt dat de Haïtiaanse rechter van oordeel was dat de adoptie voldeed aan de daaraan in Haïti gestelde eisen en dat hij zich daarbij heeft gebaseerd op de geboorteakte van [appellante] (waarin een geboortedatum uit 1975 stond en waarin [naam 2] als moeder was vermeld). Ook blijkt uit de van deze procedure overgelegde stukken afdoende dat de Haïtiaanse rechter de identiteit van [naam 2] en haar wens om [appellante] voor adoptie af te staan heeft geverifieerd, alvorens uitspraak te doen. Zoals hierboven overwogen mocht de Staat in beginsel op de juistheid van de Haïtiaanse adoptiepapieren (waaronder de geboorteakte en het Haïtiaanse vonnis) vertrouwen. Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] onvoldoende onderbouwd dat sprake was van zodanige duidelijke en concrete aanwijzingen dat dit vertrouwen niet op zijn plaats was en dat de Staat nader onderzoek had moeten doen. Het hof overweegt in dit verband als volgt.



[appellante] heeft verwezen naar het rapport van de Commissie onderzoek interlandelijke adoptie (COIA). Deze commissie heeft op verzoek van de toenmalige minister voor Rechtsbescherming onderzoek gedaan naar mogelijke misstanden die in het verleden bij interlandelijke adopties hebben plaatsgevonden. De COIA heeft zich daarbij geconcentreerd op adopties vanuit Bangladesh, Brazilië, Colombia, Indonesië en Sri Lanka in de periode 1967-1998. In haar rapport van 8 februari 2021 heeft de COIA (samengevat) geconcludeerd dat in deze landen en in deze jaren sprake was van ernstige misstanden rondom interlandelijke adoptie, zoals het vervalsen van documenten en dat de Staat daarvan vanaf het eind van de jaren zestig op de hoogte was. Op zich is juist dat het feit dat Haïti niet was betrokken bij het onderzoek onverlet laat dat de Staat wel in algemene zin op de hoogte was van ernstige misstanden bij interlandelijke adopties, ook in andere landen. Dat is echter onvoldoende basis om aan te nemen dat de Staat in het specifieke geval van [appellante] niet op de juistheid van de papieren mocht vertrouwen.



[appellante] heeft niet onderbouwd dat de Staat in 1984-1986 wist of had moeten weten dat het bij haar adoptie betrokken adoptiebureau dermate “louche” was, dat daarom niet kon worden uitgegaan van de juistheid van de in de papieren vermelde gegevens.


Wat betreft de passage uit het Raadsrapport van augustus 1986 (zie citaat hierboven onder 5.2.) is het allereerst de vraag of de daarin vervatte informatie (biologische moeder is overleden in het ziekenhuis terwijl [appellante] nog in Haïti was) inhoudelijk wel juist is; volgens de eigen verklaring van [appellante] klopt het in elk geval niet. Voor zover het al wel juist zou zijn, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het niet uitgesloten is dat [naam 2] is overleden nadat zij op de adoptiezitting was verschenen. Ook heeft de rechtbank terecht overwogen dat het mogelijk is dat de adoptierechter op dit punt vragen heeft gesteld en dat deze naar tevredenheid zijn beantwoord. In elk geval is deze enkele zinsnede naar het oordeel van het hof van onvoldoende gewicht om aan te nemen dat de adoptierechter niet mocht afgaan op de juistheid van de Haïtiaanse papieren, waaronder dus het proces-verbaal van de Haïtiaanse rechter waarin is vermeld dat deze heeft vastgesteld dat de biologische moeder van [appellante] aanwezig was en instemde met de adoptie.


De brief van het instituut Jonkerbosch uit januari 1992 waarin staat dat de adoptieouders dachten dat [naam 2] niet de natuurlijke moeder was en dat deze naam ook op andere geboorteakten staat (zie 5.2. hierboven) is niet relevant. Wat daar immers ook van zij, deze brief was in de periode 1984-1986 niet bekend.


Het hof volgt [appellante] ook niet in haar stelling dat het de adoptierechter op basis van haar uiterlijk, presentatie en geestelijke ontwikkeling al zodanig duidelijk moet zijn geweest dat zij ouder was dan 6 jaar, dat dit voldoende reden was om niet langer uit te gaan van de juistheid van de Haïtiaanse papieren. De stellingen van [appellante] over haar gesprek met de adoptierechter (zie wederom 5.2. hierboven) vinden geen nadere steun in de stukken. Als dat gesprek bovendien al zo heeft plaatsgevonden, betekent dat ook nog niet dat de adoptierechter op grond van wat [appellante] tegen hem had gezegd niet meer had mogen afgaan op de juistheid van de Haïtiaanse adoptiepapieren of had moeten beslissen dat de adoptie niet in het belang van [appellante] was en dus niet door mocht gaan (dit nog afgezien van de strenge criteria voor onrechtmatige rechtspraak). Het is de vraag wat er dan wel met [appellante] had moeten gebeuren, mede gelet op het feit dat zij al 2 jaar in het gezin [pleegouders] verbleef en dat dit gezin als geschikt was beoordeeld (zie ook hierna). Ter zitting heeft [appellante] verklaard dat zij naar de VS had moeten worden teruggestuurd, naar haar familie [naam 2] , maar daarvoor bestond geen enkel aanknopingspunt.




6.16
Ook als alle argumenten in onderlinge samenhang worden beschouwd, levert dit onvoldoende basis op om te kunnen concluderen dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door (zonder nader onderzoek) op de juistheid van de Haïtiaanse papieren te vertrouwen en de adoptie door te laten gaan. Nu de stellingen van [appellante] van onvoldoende onderbouwing zijn voorzien, komt het hof ook niet toen aan bewijslevering.

Onrechtmatig handelen Raad bij screening adoptiegezin en in de periode daarna?



6.17

[appellante] heeft aangevoerd dat zij in het adoptiegezin psychisch en fysiek is mishandeld en seksueel is misbruikt. Ook heeft zij aangevoerd dat zij tijdens haar verblijf in het internaat van de J.P. Heije Stichting verbaal en fysiek geweld heeft ondervonden. Volgens haar heeft de Staat (de Raad) fouten gemaakt bij de screening van het adoptiegezin en heeft hij niets gedaan om de mishandelingen en het misbruik te stoppen. De rechtbank heeft deze verwijten gemotiveerd verworpen en heeft daarbij samengevat en zakelijk weergegeven het volgende overwogen (tussenvonnis 12 april 2023, r.o. 5.12.-5.15 en 5.27):


uit de stukken blijkt van een voldoende uitgebreid en voldoende indringend onderzoek door de Raad naar het adoptiegezin en er zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat de Raad in de periode tot medio 1986 op de hoogte was of had moeten zijn van zodanige signalen van geweld in het adoptiegezin dat nader onderzoek of negatieve advisering geboden was;


uit de stellingen volgt dat de Raad pas in 1993, dus ongeveer drie jaar nadat [appellante] het adoptiegezin had verlaten, op de hoogte raakte van de beschuldigingen van mishandeling en misbruik en dat de Raad toen onderzoek heeft gedaan en heeft geadviseerd dat vanwege de problematische relatie tussen [appellante] en haar adoptief ouders ontheffing van de ouderlijke macht aangewezen was; die ontheffing heeft hierna ook plaatsgevonden;


niet kan worden aangenomen dat de Staat bij de screening een wettelijke plicht of maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden of jegens [appellante] heeft gehandeld in strijd met de artikelen 3 en 8 EVRM;


voor zover moet worden aangenomen dat het door [appellante] gestelde (seksuele) geweld binnen het adoptiegezin daadwerkelijk heeft plaatsgevonden (dit is niet door een rechter vastgesteld), geldt dat vanwege het ontbreken van een wettelijke (controlerende) taak en van bevoegdheid van de Raad, de rechtbank ook niet kan concluderen dat de Staat een ‘failure to take reasonably avaible measures’ en dus een schending van artikel 3 EVRM kan worden verweten;


voor zover in het internaat al sprake was van verbaal en fysiek geweld kan niet worden vastgesteld dat de Raad op de hoogte was of had moeten zijn van zodanig geweld dat (drastische) maatregelen geboden waren; de wel bekende signalen waren niet van dien aard dat interventie of nader onderzoek geboden was.




6.18
Hof is het met deze overwegingen eens. [appellante] heeft daar ook geen concrete klachten tegen gericht, maar heeft volstaan met de stelling dat haar oudere adoptiebroers haar mishandelden en misbruikten, respectievelijk dat zij verschillende keren heeft aangegeven dat zij in het adoptiegezin werd mishandeld en zelfs verkracht, en dat de Staat (de Raad) niets heeft gedaan om haar te helpen en haar zelfs heeft tegengewerkt. Ook in hoger beroep heeft zij deze stellingen echter niet nader onderbouwd. Het hof ziet dan ook geen grond om te concluderen dat de Raad niet positief had mogen adviseren ten aanzien van het gezin of dat hij in de periode daarna zijn zorgplicht heeft geschonden. Het beroep op verjaring van de Staat ten aanzien van de verwijten ná de adoptie kan bij deze stand van zaken onbesproken blijven.

Conclusie en proceskosten



6.19
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellante] niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.


6.20
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van de Staat op:
griffierecht € 798,-
salaris advocaat € 2.580,- (2 punten × tarief II)

nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.567,-
Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.




7Beslissing
Het hof:



bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Den Haag van 12 april 2023 en van 20 september 2023;


veroordeelt [appellante] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de Staat begroot op € 3.567,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellante] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;


bepaalt dat als [appellante] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellante] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellante] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald.


verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.



Dit arrest is gewezen door mr. E.M. Dousma-Valk, mr. S.A. Boele en mr. E. Bauw en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.



Ook de behandeling van de een andere zaak van [appellante] tegen (onder meer) de Staat (met nummer 200.336.656/01), die gepland stond op 25 september 2025, is destijds aangehouden. Vandaag wordt in die zaak ook uitspraak gedaan.


Enkele verwijten uit de eerste aanleg die de rechtbank heeft besproken en verworpen, komen niet terug in de memorie van grieven en behandelt het hof dus ook niet, namelijk de verwijten die zien op het gesteld mislopen van een erfenis, het gestelde statenloos worden als gevolg van het verlies van het Nederlanderschap, de gestelde scheiding van [appellante] en [achternicht] (niet in hetzelfde internaat) en het verwijt dat betrekking heeft op het contact tussen [appellante] en de dochter van [achternicht] .


HR 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:622.



Kamerstukken II 1979/80, 16194, nrs. 1 en 2.


Wobp, Stb. 1988, 566. Deze wet is met ingang van 1 oktober 1998 de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (Wobka) gaan heten.


Vergelijk de conclusie van de AG voor de uitspraak van de Hoge Raad in de hiervoor genoemde Sri Lankaanse adoptiezaak (zie voetnoot 2), onder 4.6. en 4.10.


HR 11 april 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC1936


O.a. HR 3 december 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB6788.


Memorie van grieven 12, 13 en 58. Het later ten behoeve van de zitting toegezonden stuk ‘memorie van grieven en mensenrechtelijke onderbouwing’ bevat een vergelijkbare stelling, met een verwijzing naar artikel 8 EVRM.
Link naar deze uitspraak