|
|
|
| ECLI:NL:RBGEL:2025:12055 | | | | | Datum uitspraak | : | 10-09-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 17-07-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Gelderland | | Zaaknummers | : | C/05/447439 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Deelgeschil. Vastgelopen schaderegeling na letsel door verkeersongeval. Transitievergoeding die verzoeker heeft gekregen na beëindiging dienstverband bij twee jaar ziekte staat in causaal verband met ongeval en kan worden betrokken in berekening verlies verdienvermogen. Anderzijds is sprake van compensatie voor ontslag. Verrekening van 50% is redelijk. Onvoldoende omstandigheden aangevoerd die dit anders zouden maken. Geen sprake van onzorgvuldige handelwijze verzekeraar nu relevante actuele medische informatie ontbreekt. Overige verzoeken worden afgewezen. | | Trefwoorden | : | arbeidsovereenkomst | | | burgerlijk wetboek | | | uitkering | | | vaststellingsovereenkomst | | | | Uitspraak | RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer / rekestnummer: C/05/447439 / HA RK 25-13
Beschikking van 10 september 2025
in de zaak van
[naam verzoeker]
,
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [de verzoeker] ,
advocaat: mr. S.C. van Veldhoven,
tegen
ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
te Apeldoorn,
verwerende partij,
hierna te noemen: Achmea,
advocaat: mr. B.M. Stroetinga.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 31 januari 2025 met producties 1 tot en met 19
- het verweerschrift van 23 juni 2025
- de brief met een productie van Achmea van 30 juni 2025
- de mondelinge behandeling van 1 juli 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Verschenen zijn enerzijds [de verzoeker] , vergezeld van zijn echtgenote en bijgestaan door mr. Van Veldhoven voornoemd, en anderzijds namens Achmea mevrouw [vertegenwoordiger achmea] , juridisch adviseur, bijgestaan door mr. Stroetinga voornoemd. Mr. Van Veldhoven heeft gebruik gemaakt van spreekaantekeningen.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2De feiten
2.1.
Op 23 oktober 2016 is [de verzoeker] betrokken geraakt bij een verkeersongeval. De auto die hij bestuurde is van achteren aangereden door een andere auto, die in het kader van de WAM verzekerd is bij Achmea. Op 10 november 2016 heeft Achmea aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend.
2.2.
[de verzoeker] stelt dat hij als gevolg van het ongeval blijvend letsel heeft opgelopen, bestaande uit pijnklachten aan de nek, schouder en rug, hoofdpijnklachen, cognitieve klachten, psychische klachten en slaapproblemen.
2.3.
Ten tijde van het ongeval werkte [de verzoeker] in loondienstverband als magazijnmedewerker en als zelfstandige in de avonduren als schoonmaker van scholen en kantoren. Na het ongeval is hij voor beide werkzaamheden uitgevallen.
2.4.
In de periode na het ongeval is tussen de advocaat van [de verzoeker] en Achmea veelvuldig gecorrespondeerd. Relevante correspondentie van begin 2017 wordt hieronder als volgt samengevat.
Bij e-mailbericht van 8 februari 2017 heeft Achmea laten weten een aanvullend voorschot van € 1.500,00 te laten overmaken op materiële schade en € 750,00 op smartengeld, en de nota voor buitengerechtelijke kosten van € 4.892,06 te laten uitbetalen, waarbij zij opmerkt dat zij ervan uitgaat dat deze eerste hoge kosten een gevolg zijn van de eerste behandelingen en het bezoek en dat zij zich het recht voorbehoudt om bij de eindregeling het totale plaatje aan schade in relatie tot de bgk in ogenschouw te nemen. Bij brief van 20 maart 2017 heeft de advocaat van [de verzoeker] daarop gereageerd met de mededeling dat de toegezegde voorschotten nog niet zijn ontvangen, dat er opnieuw een tekort is ontstaan zodat aanvullende bevoorschotting op zowel de schade als de buitengerechtelijke kosten gewenst is, aangezien Achmea bij PIV-deelnemers wel structureel op toekomstige kosten bevoorschot. Bij e-mailbericht van 14 april 2017 heeft Achmea daarop gereageerd dat een aanvullend voorschot van € 3.500,00 op de schade wordt overgemaakt, maar dat een voorschot op buitengerechtelijke kosten niet gebruikelijk is en niet vergelijkbaar met deelnemers aan het PIV-convenant, zodat de advocaat haar declaraties gewoon kan indienen en deze worden vergoed mits ze redelijk zijn. Bij e-mailbericht van 12 juni 2017 heeft de advocaat van [de verzoeker] een nieuwe schadestaat opgemaakt die uitkomt op € 6.851,40 (afgezien van p.m.-posten en doorlopende schade) en meegedeeld dat onduidelijk is wat nu aan voorschotten is overgemaakt. Zij vraagt de totale bevoorschotting op de materiële schade te zetten op € 9.000,00 en het smartengeld op € 2.000,00. Verder vraagt zij de openstaande declaraties van buitengerechtelijke kosten te voldoen en steeds te zorgen dat er een voorschot van € 2.000,00 resteert.
2.5.
Op 7 juli 2017 heeft een huisbezoek bij [de verzoeker] plaatsgevonden. In het door de schade-expert van Achmea opgemaakte bezoekverslag is opgenomen dat [de verzoeker] is gestopt met fysiotherapiebehandelingen en in augustus 2017 zal starten met een revalidatietraject dat is geïnitieerd door de bedrijfsarts van de werkgever van [de verzoeker] . Verder is opgenomen dat [de verzoeker] sinds het ongeval 100% arbeidsongeschikt is, dat de medische causaliteit is besproken en dat [de verzoeker] aan de hand van medische stukken en schadestukken dient aan te tonen wat zijn schade als gevolg van het ongeval is. De schade-expert heeft opgemerkt dat Achmea op grond van haar ‘niet-objectiveerbare klachtenbeleid’ ervan uitgaat dat een herstel zonder beperkingen zal zijn. Ten slotte is afgesproken dat Achmea zal worden geadviseerd een voorschot onder algemene titel over te maken van € 2.500,00.
2.6.
Op 21 december 2018 heeft arbeidsdeskundig bureau Heling & Partners een bedrijfseconomisch rapport opgemaakt ten aanzien van de schade van [de verzoeker] . Daarin is het verlies aan verdienvermogen van [de verzoeker] berekend, zowel ten aanzien van zijn werkzaamheden in loondienstverband als zijn werkzaamheden als zelfstandige.
2.7.
In het jaar 2018 heeft de schaderegeling verder voortgang gevonden. Bij brief van 19 december 2018 heeft de advocaat van [de verzoeker] aan Achmea medische informatie van [de verzoeker] gezonden en haar verzocht een aanvullend voorschot te verstrekken. Bij brief van 20 maart 2019 heeft zij opnieuw aandacht gevraagd voor de genoemde brief, informatie verschaft over de psychiatrische behandelingen die [de verzoeker] ondergaat bij I-Psy, een schadestaat verstrekt en opnieuw gevraagd te bevoorschotten op de buitengerechtelijke kosten. Op 6 juni 2019 heeft Achmea per e-mail aan de advocaat van [de verzoeker] laten weten dat een aanvullend voorschot zal worden betaald en dat buitengerechtelijke kosten zullen worden voldaan. Verder heeft zij verzocht om ontbrekende stukken inzake het verlies aan verdienvermogen en aanvullende medische informatie op werkgebied en de voortgang bij I-Psy. Verder heeft Achmea de advocaat van [de verzoeker] laten weten dat aan Achmea verzonden brieven en medische informatie door een onjuiste adressering niet bij Achmea is aangekomen. Daarop heeft de advocaat bij brief van 21 juni 2019 bezwaar gemaakt tegen de gang van zaken en betwist dat zij stukken onjuist heeft geadresseerd. Zij heeft gevraagd om een reactie op de in haar eerdere brieven gestelde vragen en deze oproep nog eens herhaald bij brief van 30 augustus 2019. Bij brief van 30 september 2019 heeft de advocaat van [de verzoeker] een actuele schadestaat verstrekt aan Achmea en meegedeeld dat I-Psy en de bedrijfsarts van [de verzoeker] niet voldoen aan de verzoeken om het verstrekken van medische informatie.
2.8.
Eind 2019 heeft Achmea letselschadebureau Raasveld Expertise ingeschakeld om de schade met [de verzoeker] verder te regelen.
2.9.
In november 2019 heeft de werkgever van [de verzoeker] hem meegedeeld het dienstverband middels een vaststellingsovereenkomst te willen beëindigen en hem een transitievergoeding van € 20.866,37 bruto aangeboden. [de verzoeker] heeft de vaststellingsovereenkomst ondertekend. In de tekst van de vaststellingsovereenkomst staat, voor zover relevant, het volgende:
“De ondergetekenden (...) overwegen het volgende:
(...)
B. Werkgever het initiatief heeft genomen tot overleg met werknemer over de beëindiging van diens dienstverband, omdat de medewerker per 24 oktober 2018 langer dan 2 jaar niet heeft kunnen werken wegens arbeidsongeschiktheid. Het is de werkgever in die periode niet gelukt om de werknemer te reïntegreren in de eigen functie of in ander passend werk in de onderneming van de werkgever;
(...)
E. Werkgever heeft moeten constateren dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen daarom op korte termijn dient te eindigen op de wijze en onder de voorwaarden van deze overeenkomst (...).”
2.10.
Bij e-mailbericht van 25 mei 2020 heeft schade-expert [schade-expert] de advocaat van [de verzoeker] bericht dat de toegezonden actuele schadestaat, waarover nog geen akkoord bestaat, is ontvangen, maar dat hij nog in afwachting is van een medisch advies en recente medische informatie van I-Psy, zodat de advocaat wordt verzocht dit toe te sturen.
Verder wordt meegedeeld dat tot dan toe aan [de verzoeker] voorschotten op de materiële schade zijn betaald van in totaal € 55.000,00, exclusief de autoschade, en dat Achmea zal worden geadviseerd het voorschot op de buitengerechtelijke kosten aan te vullen tot in totaal € 30.000,00.
2.11.
Bij de stukken bevindt zich een brief van 8 juni 2020 waarin de advocaat van [de verzoeker] heeft gereageerd op het e-mailbericht van 25 mei 2020 van de heer [schade-expert]. Zij heeft daarin onder meer verwezen naar een bijgevoegd medisch advies uit 2017 en een brief van de huisarts van 18 januari 2018. Zij heeft verder, kort samengevat, bezwaar gemaakt tegen verrekening door Achmea met de transitievergoeding die [de verzoeker] heeft ontvangen, Achmea gevraagd haar afwijzing van (posten uit) de schadestaat te onderbouwen, een berekening voorgelegd omtrent het verlies aan arbeidsvermogen en Achmea verzocht openstaande buitengerechtelijke kosten te betalen en verdere voorschotten daarvoor te voldoen.
2.12.
Bij brief van 10 december 2020 heeft de advocaat van [de verzoeker] [schade-expert] gevraagd te reageren op haar brief van 8 juni 2020. Verder heeft zij verzocht om een aanvullend voorschot van € 40.000,00 op de materiële schade en € 4.000,00 op smartengeld aan [de verzoeker] te verstrekken en het openstaande bedrag van € 7.000,00 aan buitengerechtelijke kosten te voldoen.
2.13.
Op 17 december 2020 heeft [schade-expert] daarop gereageerd dat hij de brief van 8 juni 2020 waaraan de advocaat refereert nooit heeft ontvangen. Verder heeft hij opgemerkt dat hij nog steeds in afwachting is van medische informatie en dan pas een medisch advies kan laten uitbrengen. Na een reactie van de advocaat van [de verzoeker] heeft [schade-expert] bij
e-mailbericht van 24 december 2020, onder meer, opgemerkt dat hij het redelijk acht een deel van de netto verkregen transitievergoeding niet te verrekenen en het voorstel gedaan om 50% van de vergoeding in de verrekening te betrekken.
2.14.
In de periode daaropvolgend hebben de advocaat van [de verzoeker] , de schadebehandelaar van Achmea en schade-experts van Raasveld opnieuw vele berichten uitgewisseld. Kort samengevat heeft de advocaat van [de verzoeker] herhaaldelijk gevraagd om nadere bevoorschotting, zich verzet tegen verrekening door Achmea met de transitievergoeding van [de verzoeker] en bezwaar gemaakt tegen de werkwijze van Achmea en Raasveld. [schade-expert] heeft zich op het standpunt gesteld dat de brief van 8 juni 2020 waaraan de advocaat van [de verzoeker] refereert pas ondanks herhaaldelijke verzoeken op 21 december 2020 opnieuw aan hem is toegezonden en dat de advocaat van [de verzoeker] ook niet voldoet aan de eveneens herhaaldelijk gedane verzoeken om actuele medische informatie. Bij brieven van (onder meer) 24 maart 2021 en 20 juli 2021 heeft de advocaat van [de verzoeker] Raasveld en Achmea verweten dat haar werkwijze in het schaderegelingstraject onfatsoenlijk is en tekort schiet. Ook heeft de advocaat van [de verzoeker] bij zowel Raasveld als Achmea klachten ingediend. Er is ook nog gecorrespondeerd over een af te leggen huisbezoek bij [de verzoeker] in mei dan wel juli 2023, maar een afspraak daarover is niet tot stand gekomen.
2.15.
Bij het verzoekschrift heeft [de verzoeker] een actuele schadestaat gevoegd, die uitkomt op een totaalbedrag van € 164.470,70, waarbij het tekort na aftrek van het reeds betaalde bedrag door Achmea van € 56.000,00 neerkomt op € 108.470,70. Ook is een overzicht van de openstaande buitengerechtelijke kosten overgelegd, dat neerkomt op een tekort van € 34.894,13.
2.16.
Op 24 juni 2025 heeft de medisch adviseur van Achmea een medisch advies uitgebracht. Daarin is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
Weging en conclusies
(...)
De klachten die betrokkene ervaart lijken een combinatie te zijn, zoals de verzekeringsarts van het UWV dit ook omschrijft: een combinatie tussen whiplashklachten gecombineerd met
verwerkingsproblematiek en PTSS. (...)
In het geval er herstelbelemmerende factoren een rol spelen, dienen deze aangepakt te worden om zo het herstel zoveel mogelijk te kunnen stroomlijnen. In deze casus spelen de
verwerkingsproblematiek alsmede de PTSS-klachten duidelijk een rol bij het onderhouden van de fysieke klachten. Behandeling van deze herstelbelemmerende factoren is tot op heden nog niet gelukt. Mijns inziens is hier nog maar te weinig aandacht aan gegeven om deze factoren adequaat te kunnen oplossen. Voor zover bekend heeft betrokkene slechts een aantal EMDR-behandelingen ondergaan in de zomer van 2017. Nadien is er - naar mijn weten - nooit meer behandeld hiervoor. Na het multidisciplinaire revalidatietraject via Libris zou betrokkene verwezen zijn naar l-psy voor psychologische begeleiding die meer zou aansluiten op de behoeften van betrokkene (taalbarrière, culturele achtergrond), maar hier is betrokkene voor zover bij mij bekend nooit begonnen. De laatste berichtgeving hierover was dat betrokkene in oktober 2018 pas net de intake hiervoor had gehad. Zonder de juiste aanpak van de onderliggende herstelbelemmerende factoren zullen de klachten vaak
een langdurig probleem vormen. (...)
Aanvullende gegevens zijn gewenst om een beter beeld te kunnen krijgen van het verdere verloop van de behandeling sinds 2018. Daarnaast kan daarmee de effectiviteit van de aangeboden zorg en de inzet vanuit betrokkene zelf beoordeeld worden. (...)
Beantwoording vraagstelling en advies
(...)
d. Beschikt u over voldoende medische informatie om ons te kunnen adviseren? Zo nee, welke aanvullende informatie dient nog beschikbaar te komen?
Nee, er ontbreekt nog duidelijk informatie in deze casus om het effect van de behandeling
adequaat te kunnen beoordelen:
- Er is geen eindverslag beschikbaar gesteld t.a.v. het revalidatietraject bij Libra, enkel
een voortgangsrapportage. Volledige verslaglegging is wenselijk hierover.
- Er is geen documentatie beschikbaar gesteld over de behandeling bij de verschillende
psychologen (de eerste die de EMDR-therapie heeft gegeven, de tweede die
ondersteuning heeft gegeven bij de huisartsenpraktijk, noch de derde vanuit I-psy).
Ook volledige verslagging is wenselijk hierover.
- Gegevens over het verloop van de klachten over de afgelopen 6,5 jaar zijn gewenst.
Dan gaat het om de gegevens vanuit de huisarts, paramedici en evt. specialisten.
2.17.
Achmea heeft in de periode vanaf het ongeval tot medio 2020 in totaal een bedrag van € 56.000,00 op de materiële schade bevoorschot. Ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten heeft zij € 30.000,00 bevoorschot.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
[de verzoeker] verzoekt de rechtbank – zakelijk weergegeven – bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv):
I. voor recht te verklaren dat verrekening van de transitievergoeding in de gegeven omstandigheden niet redelijk is;
II. te bevelen dat de onderhandelingen inzake de schadeberekening verder – op een zorgvuldige, respectvolle, schadebeperkende en voortvarende wijze – dienen te worden opgepakt en in dat kader evenzeer te bevelen:
A. dat Achmea op haar kosten dient mee te werken aan een aanvullende bedrijfseconomische analyse en een berekening van een rekenmeester om het verlies aan verdienvermogen vast te kunnen stellen, inclusief de pensioenschade;
B. dat Achmea gehouden is tot (aanvullende) bevoorschotting op materiële schade (daarvan uitgezonderd de buitengerechtelijke kosten), waarvan een bedrag van tenminste € 110.000,00,
C. dat Achmea gehouden is tijdig en adequaat aanvullend te bevoorschotten ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten, waaronder tot uitbetaling van de openstaande kosten van € 34.894,13 en de te verwachten toekomstige kosten van € 2.500,00;
III. voor recht te verklaren dat sprake is geweest van een handelen in strijd met de gedragsregels en/of er sprake is van een onzorgvuldige c.q. onrechtmatige schaderegeling door of vanwege Raasveld Expertise en/of medewerkers van Achmea, waarvoor Achmea aansprakelijk is uit hoofde van artikel 6:76 jo. 6:162 jo. 6:170 BW;
IV. de kosten van deze procedure te begroten op € 5.890,00, te vermeerderen met 21% btw, en Achmea te veroordelen tot betaling daarvan.
3.2.
Aan het verzoek heeft [de verzoeker] , kort samengevat, ten grondslag gelegd dat Achmea de letselschadezaak van [de verzoeker] feitelijk al maanden onbehandeld gelaten heeft en ook lange tijd niet meer heeft bevoorschot. Daardoor heeft Achmea aanzienlijke (financiële) schade berokkend aan [de verzoeker] en handelt zij in strijd met de voor haar geldende gedrags- en keurmerkregels. Achmea is gehouden om zich in te spannen om met [de verzoeker] tot een respectvolle afwikkeling van de schade te komen. Daarmee is het verrekenen van de door [de verzoeker] ontvangen transitievergoeding niet in overeenstemming. Dat is in deze zaak niet redelijk, zo stelt [de verzoeker] . Achmea is gehouden om het ontstane tekort in voorschotten op de schade aan te zuiveren en de openstaande nota’s voor buitengerechtelijke kosten te voldoen. Verder dient zij mee te werken aan een aanvullende bedrijfseconomische analyse om het verlies aan verdienvermogen en de pensioenschade van [de verzoeker] vast te stellen en tot een afwikkeling van de schade te komen, aldus [de verzoeker] .
3.3.
Achmea verzet zich tegen toewijzing van de verzoeken en voert aan dat bij [de verzoeker] geen medisch objectiveerbaar letsel is vastgesteld. Gelet op het tijdsverloop sinds het ongeval en het feit dat geen recente of actuele medische informatie bekend is, stelt zij zich op het standpunt dat het van onvoldoende toegevoegde waarde is om een actuele schadeberekening te laten maken. De vraag naar de medische causaliteit zal eerst moeten worden beantwoord, aldus Achmea.
4De beoordeling
4.1.
[de verzoeker] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De rechtbank moet beoordelen of er sprake is van schade die wordt geleden door dood of letsel. Ook moet de rechtbank beoordelen of er sprake is van een geschil omtrent een deel van wat partijen verdeeld houdt.
4.2.
De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).
4.3.
In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening over, onder meer, de omvang van de schade, de wijze van schaderegeling en de bevoorschotting op de schade. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Achmea heeft hiertegen ook geen verweer gevoerd. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek inhoudelijk zal bespreken.
Inhoudelijke beoordeling
4.4.
Tussen partijen staat in deze procedure vast dat Achmea aansprakelijk is voor de schade die [de verzoeker] lijdt als gevolg van het verkeersongeval op 23 oktober 2016. In dat kader zijn partijen een schaderegelingstraject aangegaan, maar dit heeft een moeizaam verloop en is nu, bijna negen jaar na het ongeval, vastgelopen. [de verzoeker] wil met deze deelgeschilprocedure voortgang in de behandeling van de schaderegeling door Achmea bewerkstelligen. Hij heeft in dit verband verschillende verzoeken gedaan, die de rechtbank hierna zal bespreken.
4.5.
Het verzoek onder I. ziet op de transitievergoeding van € 20.866,37 bruto die de voormalige werkgever van [de verzoeker] aan hem heeft uitgekeerd bij beëindiging van het dienstverband in 2019 (zie r.ov. 2.9). Partijen twisten over de vraag of dit bedrag in mindering strekt op de door Achmea uit te keren schade. Achmea stelt zich op het standpunt dat de dienstbetrekking van [de verzoeker] is geëindigd omdat hij door zijn klachten als gevolg van het ongeval niet in staat was zijn werkzaamheden uit te voeren. Daarmee is de vereiste connexiteit voor verrekening van voordeel gegeven, aldus Achmea. Zij voert aan dat de transitievergoeding strekt ter delging van verlies van inkomen uit arbeid. Het is volgens haar irrelevant of dat voordeel al dan niet door toedoen van Achmea tot stand is gekomen. [de verzoeker] verzet zich tegen verrekening en voert aan dat Achmea geen enkele juridische hulp en/of financiële bijstand heeft verleend in het proces omtrent de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en nu wel de vruchten daarvan wil plukken. Ook voert [de verzoeker] aan dat er bij later ontslag, dus niet vanwege de arbeidsongeschiktheid, ook een hogere transitievergoeding zou zijn verkregen. Ten slotte is verrekening onredelijk omdat Achmea al in gebreke is met het bevoorschotten van de reeds verschenen schade, aldus [de verzoeker] .
4.6.
De rechtbank overweegt als volgt. Bij een beroep op verrekening in de zin van artikel 6:100 BW moet een vergelijking plaatsvinden tussen de toestand zoals deze in werkelijkheid is en de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien de normschending niet zou hebben plaatsgevonden en moet beoordeeld worden welke nadelen en welke voordelen in zodaznig verband staan met het ongeval, dat zij redelijkerwijs als een gevolg van het ongeval aan de aansprakelijke partij kunnen worden toegerekend. Tussen partijen is niet in geschil dat [de verzoeker] als gevolg van het ongeval arbeidsongeschikt is geraakt, dat zijn dienstverband om die reden is beëindigd en dat [de verzoeker] vanwege die beëindiging recht had op een transitievergoeding, die aan hem is uitgekeerd. Dit alles staat ook met zoveel woorden in de vaststellingsovereenkomst. In zoverre is dus sprake van causaal verband met het ongeval. Dat bij een later ontslag de transitievergoeding hoger zou zijn geweest, is geen omstandigheid die dit anders maakt. Indien [de verzoeker] in dienst zou zijn gebleven, staat immers niet vast dat zijn dienstverband uiteindelijk zou zijn beëindigd door middel van een vaststellingsovereenkomst en het uitkeren van een transitievergoeding of door, bijvoorbeeld, het zelf opzeggen van de arbeidsovereenkomst.
4.7.
De vraag is vervolgens of sprake is van een verkregen voordeel. De rechtbank acht van belang dat de transitievergoeding naar haar aard strekt tot compensatie voor het ontslag en de kosten voor de transitie naar een andere baan (vgl. Kamerstukken II 2013/2014, 33818, nr. 3, p. 38 e.v.). De vergoeding dekt dus deels eventuele schade bestaande uit verlies aan inkomen na het ontslag. Naar het oordeel van de rechtbank is er daarmee voldoende aanleiding deze te betrekken in de berekening van het verlies aan verdienvermogen bij de schadeafwikkeling (vgl. ook Rechtbank Den Haag 16 april 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:3830). Anderzijds acht de rechtbank van belang dat de vergoeding
wordt berekend op basis van de duur van het dienstverband en daarmee ook een tegemoetkoming is om de gevolgen van het ontslag voor de werknemer te verzachten. In die zin heeft de vergoeding, naar het oordeel van de rechtbank, ook iets in zich van een compensatie voor het verlies van een baan in bredere zin dan enkel in financieel opzicht. De rechtbank acht dan ook redelijk om, zoals [schade-expert] namens Achmea ook in correspondentie met de advocaat van [de verzoeker] heeft voorgesteld, over te gaan tot verrekening van 50% van de netto verkregen transitievergoeding. [de verzoeker] heeft in zijn verzoek de nadruk gelegd op de ‘gegeven omstandigheden’, die verrekening in dit geval niet redelijk zouden maken. Hetgeen [de verzoeker] in dit verband heeft aangevoerd is echter niet voldoende. Dat niet Achmea, maar de rechtsbijstandverzekeraar van [de verzoeker] kosten heeft gemaakt vanwege de voorgestelde beëindiging door de werkgever, is een omstandigheid die enkel de verhouding tussen de twee verzekeraars raakt. Dat de transitievergoeding bij een later ontslag hoger zou zijn geweest, is hiervoor reeds besproken en staat niet vast. Dat Achmea achterblijft in de bevoorschotting, zoals [de verzoeker] aanvoert, is tussen partijen in geschil en maakt in dit geval niet dat Achmea niet een deel van de transitievergoeding, die aan [de verzoeker] reeds volledig is uitgekeerd, mag betrekken in de uiteindelijke uitkering van de geleden schade. De overige algemene argumenten tegen verrekening die [de verzoeker] in zijn verzoekschrift heeft aangevoerd zijn niet nader toegepast op de concrete situatie van [de verzoeker] en kunnen het oordeel niet anders maken. De rechtbank zal de gevraagde verklaring voor recht dan ook enigszins gewijzigd toewijzen, in die zin dat voor recht zal worden verklaard dat verrekening van meer dan 50% van de netto verkregen transitievergoeding niet redelijk is.
4.8.
[de verzoeker] vordert onder II. dat de rechtbank zal bevelen dat de onderhandelingen inzake de schadeberekening verder – op een zorgvuldige, respectvolle, schadebeperkende en voortvarende wijze – dienen te worden opgepakt. In dat verzoek zijn drie deelverzoeken begrepen, namelijk het meewerken door Achmea aan een aanvullende bedrijfseconomische analyse en een berekening van een rekenmeester (A) en twee verzoeken om aanvullende bevoorschotting (B en C). Achmea betwist dat zij onzorgvuldig, dan wel anderszins verwijtbaar, heeft gehandeld door haar opstelling in het schadetraject. Zij heeft uiteengezet dat zij het gebruikelijke schaderegelingstraject ter hand heeft genomen. Zij heeft een schaderegelaar besprekingen laten arrangeren met [de verzoeker] en zijn advocaat. Aan de hand van de haar bekende informatie heeft zij op de schade bevoorschot in die mate die zij redelijk acht in relatie tot het letsel en de overige omstandigheden van het geval. Dat de bevoorschotting in 2021 is gestaakt vindt zijn oorzaak in de discussie tussen de externe schaderegelaar Raasveld en [de verzoeker] , waarin namens Achmea steeds tevergeefs werd verzocht om medische informatie. Omdat deze uitbleef, heeft Raasveld geadviseerd geen nadere voorschotten meer te voldoen. Volgens Achmea is het niet nader verstrekken van de voorschotten geen pressiemiddel, maar gelegen in het gebrek aan enige onderbouwing van de huidige klachten van [de verzoeker] .
4.9.
De rechtbank overweegt dat uit de correspondentie in het procesdossier (waarvan slechts een klein deel is weergegeven bij de feiten in deze beschikking) blijkt dat deze zaak geen voortvarend schaderegelingstraject kent. Sinds het jaar 2019 lijkt de verwijdering tussen partijen juist steeds groter te worden en ten tijde van deze procedure, negen jaar na het ongeval, is er nog geen enkel zicht op afwikkeling van de schade. Dat deze stagnatie echter enkel aan Achmea te wijten is en dat zij de onderhandelingen niet op zorgvuldige, respectvolle, schadebeperkende en voortvarende wijze heeft gevoerd, blijkt naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende uit de overgelegde stukken. De advocaat van [de verzoeker] heeft weliswaar de afgelopen jaren steeds Achmea erop gewezen dat de bevoorschotting achter liep en heeft uitvoerige uiteenzettingen gewijd aan de handelwijze van Achmea, maar haar standpunt komt erop neer dat de schade van [de verzoeker] vaststaat en dat Achmea al jaren ten onrechte de afwikkeling vertraagt en weigert afdoende te bevoorschotten. De rechtbank is echter met Achmea eens dat zich in het dossier geen enkel relevant actueel medisch stuk bevindt. Tijdens het huisbezoek in juli 2017 (zie r.ov. 2.5) is reeds benoemd dat [de verzoeker] met actuele medische stukken zijn schade dient aan te tonen. In de jaren daarna is die oproep steeds herhaald. Achmea heeft de afgelopen jaren, ook middels de schade-expert van Raasveld, herhaaldelijk gevraagd om informatie uit de behandelend sector, maar deze is niet overgelegd. Ook het voor de zitting uitgebrachte medisch advies geeft geen blijk van nieuwe medische informatie of de huidige stand van zaken in behandelingen die [de verzoeker] ondergaat. Dat betekent dat op dit moment niet kan worden vastgesteld wat het beloop van de klachten en beperkingen van [de verzoeker] is geweest. Duidelijk is dat het ongeval tot letsel heeft geleid en dat de daaruit volgende persisterende klachten hebben geleid tot arbeidsongeschiktheid, maar voor de periode daarna (in ieder geval vanaf eind 2019) ontbreekt iedere relevante medische informatie. Uit de overgelegde correspondentie blijkt ook niet dat [de verzoeker] deze wel heeft willen aanleveren of verkrijgen, maar dat hij zich veeleer op het standpunt stelt dat de schade voldoende is aangetoond en door Achmea moet worden afgewikkeld. Dat laatste staat echter, zoals hiervoor is overwogen, niet vast. Bij die stand van zaken kan Achmea dan ook geen onzorgvuldige of anderszins schadetoebrengende handelwijze worden verweten.
4.10.
Nu niet kan worden vastgesteld of er nog altijd sprake is van ongevalsgevolgen die voor rekening van Achmea komen, is niet alleen het inleidende deel van het verzoek onder II. niet toewijsbaar, maar is ook onderdeel A. van het verzoek prematuur. De rechtbank is met Achmea eens dat eerst aan de hand van beschikbare medische informatie moet worden vastgesteld dat bijna negen jaar na het ongeval nog altijd sprake is van ongevalsgerelateerde
klachten en beperkingen bij [de verzoeker] . Ter zitting is in dit verband aangeboden dat actuele medische informatie via de advocaten van partijen zal worden verstrekt aan de medisch adviseur van Achmea. Een nadere berekening van het verlies aan verdienvermogen is pas in een later stadium aan de orde. Het verzoek onder A. is dan ook niet toewijsbaar.
4.11.
Ten aanzien van de verzoeken om nadere bevoorschotting geldt het volgende. Ter zitting hebben partijen voor het verzoek onder B. overeenstemming bereikt over een voorschot van € 10.000,00 op de materiële schade. Ten aanzien van het verzoek onder C., eerste deel, de openstaande buitengerechtelijke kosten, heeft Achmea toegezegd een bedrag van € 15.000,00 als voorschot te betalen. [de verzoeker] heeft met deze beide bedragen ingestemd, zonder afstand te doen van van eventuele aanspraken op het meerdere, en heeft beide verzoeken ingetrokken. De rechtbank gaat dan ook verder voorbij aan hetgeen partijen in dat verband hebben aangevoerd.
4.12.
Ten aanzien van het verzoek onder C., tweede deel, geldt het volgende. [de verzoeker] verzoekt een voorschot op de te verwachten toekomstige buitengerechtelijke kosten van € 2.500,00. Voor de vraag of buitengerechtelijke kosten door een verzekeraar moeten worden vergoed geldt de redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 BW: het moet redelijk zijn dat deze kosten gemaakt zijn en de hoogte moet eveneens redelijk zijn. Of dat het geval is, is echter niet vast te stellen bij te verwachten toekomstige kosten. Bij werkzaamheden die nog moeten worden uitgevoerd, valt niet te beoordelen of de kosten daarvoor redelijkerwijs zijn gemaakt en aan de aansprakelijke partij, in dit geval Achmea, kunnen worden toegerekend. [de verzoeker] heeft geen andere grondslag aangevoerd op grond waarvan Achmea gehouden zou zijn om voorschotten te voldoen voor buitengerechtelijke kosten die nog gemaakt moeten worden. Gelet op het voorgaande bestaat voor een veroordeling tot betaling van het gevraagde bedrag van € 2.500,00 geen aanleiding.
4.13.
[de verzoeker] heeft onder III. een verklaring voor recht gevorderd dat sprake is geweest van een handelen in strijd met de gedragsregels en/of er sprake is van een onzorgvuldige c.q. onrechtmatige schaderegeling door of vanwege Raasveld Expertise en/of medewerkers van Achmea, waarvoor Achmea aansprakelijk is uit hoofde van artikel 6:76 jo. 6:162 jo. 6:170 BW. Nog afgezien van de betwisting door Achmea dat zij onzorgvuldig of onrechtmatig heeft gehandeld, en hetgeen over haar handelwijze reeds is overwogen in r.ov. 4.9, geldt dat toewijzing van dit verzoek partijen niet dichter bij een vaststellingsovereenkomst zal brengen. [de verzoeker] heeft niet toegelicht welke concrete gevolgen hij verbindt aan een vaststelling van onrechtmatig handelen en niet valt in te zien hoe partijen bij toewijzing hiervan dichterbij een regeling zouden kunnen komen. Daarmee voldoet het verzoek niet aan de eisen van artikel 1019z Rv en zal het reeds om die reden worden afgewezen.
Kosten deelgeschil
4.14.
De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als de verzoek in deelgeschil (grotendeels) worden afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake, zo is ook door Achmea niet betwist.
Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarvoor geldt de reeds in r.ov. 4.12 genoemde dubbele redelijkheidstoets: zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.
4.15.
[de verzoeker] maakt aanspraak op € 5.890,00 (19 uur tegen een uurtarief van € 310,00), te vermeerderen met 21% btw en het griffierecht. Achmea heeft geen (afzonderlijk) verweer gevoerd tegen het uurtarief. Met betrekking tot het aantal uren heeft Achmea aangevoerd dat 19 uur bovenmatig is. Volgens Achmea wordt het aantal bestede uren grotendeels veroorzaakt door onnodig uitvoerige uiteenzettingen van de advocaat van [de verzoeker] over de opstelling van Achmea in het schaderegelingstraject en herhalingen daarvan in het verzoekschrift. Gelet op het gehanteerde uurtarief zou van de advocaat van [de verzoeker] mogen worden verwacht dat de zaak efficiënter wordt behandeld, aldus Achmea.
4.16.
De rechtbank is met Achmea van oordeel dat het verzoekschrift uitvoerig is. Gelet echter op het tijdsverloop sinds het ongeval, het weergeven van de omvangrijke hoeveelheid correspondentie en het feit dat in het deelgeschil in eerste instantie meerdere verzoeken zijn gedaan en toegelicht, acht de rechtbank 19 uur niet onredelijk.
De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook worden begroot op 19 uren × € 310,00, vermeerderd met 21% btw, dus op € 7.126,90 inclusief btw, te vermeerderen met het door [de verzoeker] betaalde griffierecht van € 90,00. Achmea zal als aansprakelijke partij tot betaling daarvan aan [de verzoeker] worden veroordeeld.
4.17.
De rechtbank zal deze uitspraak niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals [de verzoeker] vraagt, omdat niet rechtstreeks tegen een beschikking in een deelgeschilprocedure kan worden opgekomen. Dit volgt uit artikel 1019bb Rv.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
verklaart voor recht dat verrekening door Achmea van meer dan 50% van de netto door [de verzoeker] verkregen transitievergoeding in de gegeven omstandigheden niet redelijk is,
5.2.
begroot de kosten van dit deelgeschil op € 7.126,90 inclusief btw, te vermeerderen met het door [de verzoeker] betaalde griffierecht van € 90,00, en veroordeelt Achmea tot betaling daarvan aan [de verzoeker] ,
5.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. K. van Vlimmeren-van Ommen en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2025.
167 / 1327 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|