Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:8165 
 
Datum uitspraak:08-07-2026
Datum gepubliceerd:21-07-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:C/10/711532 HA ZA 25-1074
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Eiseres heeft goederen vervoerd voor gedaagde en wil daarvoor worden betaald. Een groot deel van de vorderingen was al verjaard op het moment dat eiseres voor het eerst de verjaring heeft gestuit. Artikel 32 lid 2 CMR staat niet aan de weg aan het herhaalde beroep van eiseres op stuiting van de verjaring, omdat dat artikel alleen ziet op de schorsing en stuiting van de verjaring van vorderingen jegens de vervoerder.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/711532 / HA ZA 25-1074


Vonnis van 8 juli 2026


in de zaak van


CITT B.V.,
gevestigd te Dordrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: CITT,
advocaat: mrs. J.G.M. Roijers en A.C.L. Beneder,

tegen


YUSEN LOGISTICS (DEUTSCHLAND) GMBH,
gevestigd te Düsseldorf,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Yusen,
advocaat: mr. D.R. Deveer.





1De kern van het geschil

CITT heeft in 2021 en 2022 voor Yusen goederen vervoerd van Rotterdam naar Duitsland. CITT vordert betaling van de onbetaald gebleven facturen voor in totaal een bedrag van € 159.578,94. Yusen voert het verweer dat de vorderingen van CITT zijn verjaard. Daartegen voert CITT dan weer het bevrijdende verweer dat zij die verjaring heeft gestuit. De rechtbank komt – samengevat – tot het oordeel dat de vorderingen van CITT inderdaad zijn verjaard, met uitzondering van de vorderingen van CITT tot een beloop van € 12.323,38 gelet op een erkenning daarvan door Yusen. In het navolgende licht de rechtbank dat toe.





2De procedure


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 oktober 2025;
- het herstelexploot van 5 november 2025;
- de akte houdende overlegging producties van CITT van 10 december 2025, met producties 1 tot en met 6;
- de conclusie van antwoord van 21 januari 2026, met producties 1 tot en met 8;
- de brieven van de rechtbank van 3 februari 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald op 16 april 2026;
- het bericht van de rechtbank van 12 maart 2026, met daarin een zittingsagenda;
- de brief van CITT van 3 april 2026, met producties 7 en 8;
- de brief van CITT van 8 april 2026, met producties 9 en 10;
- het bericht van Yusen van 9 april 2026;
- het bericht van de rechtbank van 10 april 2026;
- de mondelinge behandeling van 16 april 2026, en de daarbij overgelegde spreekaantekeningen van mrs. Beneder en Deveer.



2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.






3De feiten


3.1.
CITT exploiteert een transportonderneming, met name gericht op het verzorgen van vervoer van goederen over de weg.



3.2.
Yusen is een Duitse vestiging van een internationaal opererende transportonderneming die zich richt op het verzorgen van wereldwijd vervoer van goederen.



3.3.
Partijen hebben een lange samenwerking waarbij CITT voor Yusen goederen over de weg vervoert van de Rotterdamse haven naar verschillende locaties in Duitsland.



3.4.
Tussen partijen is een geschil ontstaan over de betaling van in 2021 en 2022 door CITT verrichte transporten.






4Het geschil


4.1.
CITT vordert, na eisvermindering, de rechtbank om, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Yusen te veroordelen:
I. € 159.578,94 aan CITT te betalen, vermeerderd met de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW daarover vanaf de vervaldatum van elk van de openstaande facturen;
II. € 2.370,79 aan buitengerechtelijke incassokosten aan CITT te betalen;
III. in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf het moment dat Yusen niet tijdig voldoet.



4.2.
Yusen voert verweer. Yusen concludeert tot niet-ontvankelijkheid van CITT, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van CITT, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van CITT in de kosten van deze procedure.






5De beoordeling


De rechtbank Rotterdam is (internationaal) bevoegd



5.1.
De zaak heeft een internationaal karakter omdat Yusen buiten Nederland is gevestigd. De rechtbank beoordeelt daarom ambtshalve of zij internationaal bevoegd is en, zo ja, welk recht toepasselijk is.



5.2.
In deze zaak is sprake van een overeenkomst voor het vervoer van goederen over de weg van Rotterdam naar verschillende locaties in Duitsland. Hierop is de CMR van toepassing (artikel 1 CMR). De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht om van deze vorderingen kennis te nemen omdat de plaats van inontvangstneming van de goederen in Nederland is gelegen (artikel 31 lid 1 sub b CMR), en de rechtbank Rotterdam is op grond van artikel 630 Rv relatief bevoegd omdat de plaats van inontvangstneming binnen het arrondissement Rotterdam is gelegen.


CMR en aanvullend Nederlands recht van toepassing




5.3.
Zoals hierboven is geoordeeld, is de CMR in deze zaak van toepassing. Op grond van artikel 32 lid 3 CMR wordt de schorsing en de stuiting van de verjaring, met inachtneming van hetgeen in artikel 32 lid 2 CMR is bepaald, aanvullend geregeld door het Nederlandse recht, omdat de zaak voor een Nederlands gerecht aanhangig is. Op grond van artikel 5 lid 1 Rome I is voorts Nederlands recht aanvullend van toepassing op de aspecten van de rechtsverhouding tussen CITT en Yusen, voor zover die niet door de CMR worden geregeld (artikel 25 Rome I), omdat CITT is gevestigd in Nederland en de goederen eveneens in Nederland in ontvangst zijn genomen.


Er is een betalingsverplichting




5.4.
De rechtbank begrijpt de vordering van CITT als een vordering tot nakoming van een betalingsverplichting van € 159.578,94. Yusen heeft in algemene zin niet betwist dat er voor haar een betalingsverplichting jegens CITT is ontstaan doordat CITT transporten voor haar heeft verricht. De rechtbank stelt daarom vast dat er een verbintenis bestaat op grond waarvan Yusen aan CITT behoort te betalen.



5.5.
Ten aanzien van de hoogte van het op grond van die verbintenis te betalen bedrag, kan de rechtbank in deze procedure geen exacte vaststelling doen. Yusen heeft de hoogte daarvan namelijk niet erkend. Daarbij heeft Yusen bij conclusie van antwoord het terechte verweer gevoerd dat CITT haar vordering in de dagvaarding onvoldoende heeft gesteld en gesubstantieerd. CITT heeft daarop met het indienen van haar zeer uitvoerige productie 9 en de tijdens de mondelinge behandeling ingenomen stellingen daarover alsnog aan haar stel- en substantiëringsplicht willen voldoen. Gelet op het navolgende behoeft de rechtbank niet vast te stellen of de onderliggende vorderingen inmiddels voldoende zijn toegelicht en onderbouwd. Op de door Yusen gemaakte bezwaren tegen de producties 9 en 10 gaat de rechtbank later in, te weten in overweging 5.41.


Yusen voert verweer dat betaling niet meer kan worden gevorderd wegens verjaring




5.6.
Yusen voert het verweer dat de vorderingen van CITT zijn verjaard. Het gaat om transporten verricht in 2021 en 2022. De dagvaarding in deze procedure is van 2025. Daarmee is de verjaringstermijn volgende uit artikel 32 lid 1 aanhef en onder c CMR al lange tijd verstreken.



5.7.
Op grond van artikel 32 lid 1 aanhef en onder c CMR verjaren vorderingen die voortvloeien uit vervoer waarop de CMR van toepassing is, door verloop van één jaar, na afloop van een termijn van drie maanden nadat de vervoersovereenkomst is gesloten.



5.8.
Tussen partijen is niet in geschil dat deze verjaringstermijn van toepassing is op de vorderingen van CITT.


Bevrijdende verweer van CITT dat zij de verjaringstermijn heeft gestuit; stuiting in het Nederlands BW




5.9.
CITT voert daartegen dan weer het bevrijdende verweer dat zij de verjaringstermijn heeft gestuit. Of CITT de verjaringstermijn met succes heeft gestuit, is wel in geschil tussen partijen.



5.10.
Op grond van artikel 32 lid 3 CMR moet betreffende het stuitingsverweer van CITT worden teruggevallen op de lex fori, te weten het Nederlands BW, een en ander met in achtneming van hetgeen is bepaald in artikel 32 lid 2 CMR. Op dat laatste komt de rechtbank terug vanaf overweging 5.31.



5.11.
De verjaring van een vordering wordt gestuit door:


het instellen van een eis, alsmede door iedere andere daad van rechtsvervolging van de zijde van de gerechtigde (artikel 3:316 BW);


een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (artikel 3:317 BW); of


erkenning van het recht tot welks bescherming van een rechtsvordering dient (artikel 3:318 BW).


Bij stuitingen op grond van artikel 3:317 en 3:318 BW, begint een nieuwe verjaringstermijn die (in beginsel) gelijk is aan de oorspronkelijke termijn (artikel 3:319 lid 1 en 2 BW). In dit geval een termijn van één jaar (artikel 32 lid 1 CMR).


Geen algemene erkenning van de (alle) vorderingen door Yusen




5.12.
CITT stelt bij dagvaarding dat Yusen haar vorderingen heeft erkend en dat dit zou blijken uit e-mail en WhatsApp-correspondentie tussen CITT en Yusen, alsmede uit het intern accorderen van de betreffende facturen in het administratiesysteem van Yusen.



5.13.
Bij conclusie van antwoord heeft Yusen dit gemotiveerd betwist. Daarbij is Yusen specifiek ingegaan op de correspondentie waarnaar CITT slechts in algemene zin heeft verwezen, te weten dat deze slechts is gevoerd met een voormalig werknemer van Yusen die niet bevoegd was en ten tijde van bepaalde berichten niet meer werkzaam was bij Yusen. Het administratiesysteem waarnaar in de correspondentie met deze werknemer wordt verwezen is Yusen onbekend, nog los ervan dat de betreffende werknemer op het moment van die communicatie al een aantal maanden niet meer werkzaam was bij Yusen. Yusen betwist dan ook dat de facturen zouden zijn geaccordeerd.



5.14.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft CITT niet meer gedaan dan herhaald wijzen op een eerder gedaan algemeen bewijsaanbod ten aanzien van de erkenning. Dat is echter te algemeen in het licht van de gemotiveerde betwisting van Yusen. Het bewijsaanbod is daarbij niet voldoende concreet. Ten aanzien van haar stelling dat haar vorderingen zouden zijn erkend door Yusen, heeft CITT haar stellingen zodoende onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd. Van algemene erkenning van de vorderingen door Yusen is daarom, voor zover in deze procedure kan worden vastgesteld, geen sprake.


Wel stuiting door een meer specifieke erkenning van Yusen




5.15.
CITT stelt dat zij de verjaringstermijn schriftelijk heeft gestuit. Bij dagvaarding heeft CITT ook op dit punt slechts verwezen naar producties. CITT heeft echter geen stellingen ingenomen omtrent het moment waarop de vervoersopdrachten zijn gegeven en wanneer zij met welk schrijven ondubbelzinnig nog betaling van welke specifieke facturen wilde en daarmee de verjaringstermijn ten aanzien van die betalingsverplichting heeft willen stuiten. Desalniettemin heeft Yusen (bij conclusie van antwoord) gereageerd op alle stukken in productie 3 bij dagvaarding. Yusen is daarom niet in haar belang geschaad.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn de volgende stukken, uit de na de conclusie van antwoord ingediende productie 7, besproken.



5.16.
Op 23 november 2023 heeft Yusen aan CITT geschreven € 103.861,18 te betalen. CITT reageert daar gelijk op met onder meer de vraag of er verdere betalingen staan gepland.



5.17.
Nadat CITT haar vraag op 28 november 2023 herhaalt, antwoordt Yusen dat zij nog ongeveer € 27.000 aan betalingen aan CITT heeft openstaan. CITT reageert dat zij nog minimaal € 150.000 tot € 200.000 verwacht te ontvangen.



5.18.
Op 30 november 2023 schrijft Yusen aan CITT dat zij op dat moment slechts € 27.000 kunnen betalen, omdat de rest van de vorderingen nog moet worden geaccordeerd.



5.19.
Op grond van deze stukken stelt de rechtbank vast dat CITT op 28 november 2023 aanspraak maakt op minimaal € 150.000,00 en dat Yusen erkent nog € 27.000,00 verschuldigd te zijn.



5.20.
Zodoende heeft CITT op 28 november 2023 gestuit. Gelet op hetgeen hiervoor onder 5.7 is overwogen is het gevolg daarvan dat de verjaringstermijn van de betalingsverplichtingen voor transporten waarvan de opdracht op 28 augustus 2022 of later is gegeven zijn gestuit. De betalingsverplichtingen waarvan de opdracht eerder dan 28 augustus 2022 is gegeven, zijn wel verjaard omdat de erkenning daarvoor te laat is.



5.21.
De transporten waarvoor CITT betaling vordert zijn de in haar productie 2 bij dagvaarding opgesomde transporten, met uitzondering van de transporten met factuurnummers 75709 en 79477 die inmiddels betaald zijn. Yusen heeft een eigen lijst met onbetaalde transporten overgelegd in haar productie 7 bij conclusie van antwoord. Daarop staan alle transporten waarvoor CITT blijkens productie 2 na eisvermindering betaling vordert. Hieruit blijkt dat Yusen de transporten op zichzelf niet betwist.



5.22.
Gelet op de lijst in productie 7 bij conclusie van antwoord betwist Yusen in ieder geval wel de in productie 2 bij dagvaarding genoemde (factuur)data. In productie 7 bij conclusie van antwoord noemt Yusen zelf data waarop opdracht voor het transport is gegeven en bij gebrek daaraan in ieder geval een datum waarop de lading is afgeleverd. Die data zijn allen ouder dan de in productie 2 bij dagvaarding genoemde (factuur)data. CITT heeft de juistheid van deze gecorrigeerde data niet gemotiveerd betwist. De rechtbank neemt die data daarom in het navolgende tot uitgangspunt.



5.23.
De transporten waarvan de opdracht, gelet op productie 7 bij conclusie van antwoord, is gegeven op of na 28 augustus 2022 en die ook door CITT zijn gevorderd, zijn de transporten met factuurnummers 68469 tot en met 68472, 68541, 68558, 68563, 68468, en 68474 tot en met 69476. Het totaalbedrag daarvan is € 12.323,38.



5.24.
Hoewel Yusen op 28 november 2023 heeft erkend een hoger bedrag aan CITT verschuldigd te zijn (zie 5.21), komt de rechtbank tot de conclusie dat het verschil tussen € 27.000,00 en € 12.323,38 ziet op vorderingen die op de dag van de erkenning reeds waren verjaard.



5.25.
Met de erkenning is voor de resterende vorderingen een nieuwe verjaringstermijn aangevangen die loopt tot en met 28 november 2024.


Verdere stuiting van de erkende vordering door schriftelijke aanmaningen van CITT




5.26.
Op 20 januari 2024 heeft de (voormalige) Duitse advocaat van CITT Yusen per brief aangemaand tot betaling. Tussen partijen is niet in geschil dat dit een stuitingshandeling betreft. Dit is ook geweest binnen de verjaringstermijn lopende vanaf de erkenning. Zodoende is met die brief de verjaringstermijn opnieuw succesvol gestuit. De verjaringstermijn is hiermee opgeschoven naar 20 januari 2025.



5.27.
De door diezelfde advocaat op 5 maart 2024 verstuurde brief haakt aan op de schriftelijke aanmaning van 20 januari 2024. In dat licht kan deze brief niet anders worden begrepen dan dat CITT nog steeds betaling wil zien. Dat dat niet expliciet is genoemd, doet er niet aan af dat CITT met deze brief wederom heeft gestuit. De nieuwe verjaringstermijn verloopt dan op 5 maart 2025.



5.28.
Ten slotte, op 23 januari 2025 stuurt CITT aan Yusen een e-mail met als onderwerp “URGENT check please oustanding invoices what are not paid, thanks”. In de bijlage zitten drie bestanden, alle drie genaamd “Openstaande_posten.pdf”. Tijdens de mondelinge behandeling heeft CITT gesteld dat dit gaat om de drie overzichten die in productie 2 bij dagvaarding zijn overgelegd en die ook al eerder door de Duitse advocaat aan Yusen zijn toegestuurd. Yusen heeft dat niet betwist.



5.29.
Yusen stelt dat het toesturen van slechts een factuur niet voldoende is om de verjaring te stuiten. Naar het oordeel van de rechtbank is hier echter geen sprake van alleen het toesturen van een factuur, gelet op het onderwerp van de e-mail. Daarmee maakt CITT schriftelijk en ondubbelzinnig duidelijk dat zij nog steeds betaald wil worden (artikel 3:317 lid 1 BW). De rechtbank oordeelt daarom dat CITT hiermee wederom heeft gestuit, en dat de verjaringstermijn is opgeschoven naar 23 januari 2026.



5.30.
De dagvaarding van CITT is van 13 oktober 2025. Zodoende heeft CITT haar door Yusen erkende vordering van € 12.323,38 gestuit voor in ieder geval de duur van de onderhavige procedure (artikel 3:316 lid 1 BW).


Artikel 32 lid 2 CMR staat niet in de weg aan het door CITT aangevoerde bevrijdende verweer dat zij de verjaringstermijn meermalen heeft gestuit




5.31.
Yusen stelt nog dat CITT zich niet op de herhaalde stuiting van de verjaring kan beroepen gelet op het bepaalde in artikel 32 lid 2 CMR en de daarop gebaseerde strikte rechtspraak van de Hoge Raad van 20 december 2013. Yusen heeft namelijk per brief aan CITT kenbaar gemaakt dat zij de vorderingen van CITT van de hand wijst.



5.32.
De rechtbank oordeelt dat artikel 32 lid 2 CMR niet in de weg staat aan het herhaalde beroep van CITT op stuiting van de verjaring. Artikel 32 lid 2 CMR gaat namelijk alleen over de schriftelijke schorsing en stuiting van de verjaring van vorderingen jegens de vervoerder: “Een schriftelijke vordering schorst de verjaring tot aan de dag, waarop de vervoerder de vordering schriftelijk afwijst en de daarbij gevoegde stukken terugzendt.” (Onderstreping door de rechtbank.) In dit geval gaat het niet om vorderingen tegen de vervoerder, maar om vorderingen van de vervoerder zelf.


Geen sprake van rechtsverwerking




5.33.
Yusen stelt subsidiair dat sprake is van rechtsverwerking van de vorderingen van CITT en dat CITT haar vorderingen daarom niet meer geldend kan maken. CITT heeft namelijk voor de werkzaamheden gefactureerd pas jaren nadat die werkzaamheden hebben plaatsgevonden. Daardoor heeft CITT dermate lang stilgezeten dat van Yusen niet meer kan worden verwacht dat die facturen nog worden voldaan, aldus Yusen.



5.34.
De rechtbank gaat aan dit verweer van Yusen voorbij. De vordering van CITT komt gelet op het voorgaande alleen voor toewijzing in aanmerking voor zover het vorderingen betreft die Yusen zelf heeft erkend en ten aanzien waarvan CITT de verjaring daarna ook steeds heeft gestuit. Van stilzitten is dan ook geen sprake. Ten aanzien van de overige vorderingen van CITT is het rechtsverwerkingsverweer niet meer relevant omdat die vorderingen zijn verjaard.


Beroep van CITT op redelijkheid en billijkheid slaagt niet




5.35.
CITT stelt zich subsidiair op het standpunt dat als wordt geoordeeld dat haar vorderingen zouden zijn verjaard op grond van artikel 32 CMR, dat een beroep van Yusen op die bepalingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Yusen is namelijk een professioneel bedrijf en een grote speler in de transportbranche. Van haar mag daarom worden verwacht dat zij haar financiële administratie op orde heeft en dat zij tijdig tot betaling overgaat. Daartegenover staat dat CITT, zoals zij tijdens de mondelinge behandeling heeft aangevoerd, tijdens de Corona-periode als kleine speler in de branche administratieve onvolkomenheden bij transporten voor Yusen steeds heeft opgelost op zo’n manier dat de grote klant van Yusen voor wie de transporten werden georganiseerd tevreden bleef. Dat heeft CITT echter wel zo veel tijd en moeite gekost, dat haar bestuurders vele uren van hun ‘vrije tijd’ daarvoor hebben opgeofferd. Informatie over de transporten volgde in verschillende berichten en met vele wijzigingen. Daardoor heeft CITT haar facturen pas laat kunnen opmaken en ook pas laat aan Yusen kunnen sturen. Dat die grote klant van Yusen inmiddels (ten dele) is overgestapt naar CITT als directe contractspartij zegt hierover voldoende, aldus CITT. Dat de vestiging van Yusen waarmee CITT contact had na de Corona-periode is gesloten, dat de interne administratie bij Yusen niet goed is overgedragen en dat er intussen een nieuw bestuur is bij Yusen, neemt niet weg dat CITT de transporten deugdelijk heeft uitgevoerd en dat zij het verdient daarvoor betaald te worden, aldus nog steeds CITT.



5.36.
De rechtbank passeert de stelling van CITT dat een beroep van Yusen op de verjaringstermijn zoals neergelegd in artikel 32 CMR naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Bij de toepassing van deze norm op overeenkomsten op grond van artikel 6:248 lid 2 BW geldt al dat een zekere mate van terughoudend dient te worden betracht. In deze zaak gaat het daarbij om de toepassing van een verdragsbepaling met een dwingendrechtelijk karakter. Aan een dergelijk beroep als dat van CITT op grond van algemene bepalingen over redelijkheid en billijkheid als artikel 6:2 BW wordt dan al helemaal niet snel of mogelijk zelfs geheel niet toegekomen. Daarbij geldt ten aanzien van de CMR voorts ook dat de Hoge Raad eerder al heeft geoordeeld dat de verdragsluitende Staten met de CMR hebben beoogd de voorwaarden van de overeenkomsten tot internationaal vervoer van goederen over de weg ‘op eenvormige wijze te regelen’ en dat met de verkorte verjaringstermijn van artikel 32 CMR onder meer is beoogd partijen in de transportsector rechtszekerheid te verschaffen.



5.37.
Uiteindelijk lag het op de weg van CITT om tijdig te factureren en Yusen er tijdig en ondubbelzinnig op te wijzen dat zij nog steeds aanspraak maakte op betaling van facturen die onbetaald bleven. Dat CITT dat, voor zover in deze procedure kan worden vastgesteld, niet dusdanig heeft gedaan dat daardoor de verjaring werd gestuit, is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar, mede gelet op de op zijn minst zeer hoge drempel die hierbij heeft te gelden, zoals hiervoor is uiteengezet.



5.38.
CITT heeft op de zitting nog wel gesteld dat het bij dit verweer op grond van de redelijkheid en billijkheid zou gaan om de toepassing van de stuitingsbepalingen uit het Nederlandse Burgerlijk Wetboek en niet om de toepassing van de verjaringstermijn uit de CMR. Hoewel ook de rechtbank het zuur vindt dat de uitkomst van deze procedure is dat CITT geen betaling van al haar facturen krijgt omdat deze vorderingen grotendeels verjaard zijn, is door CITT onvoldoende gesteld om een stuiting van de verjaring op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid aan te nemen. Uit het onderzoek op de zitting is met name naar voren gekomen dat het tot stand komen van de afzonderlijke vervoersovereenkomsten door alle (last minute) wijzigingen van de kant van Yusen tijdrovend was, maar dat het niet tijdig factureren en rappelleren met name te maken had met onvoldoende beschikbare tijd van de directie. Dit laatste is een omstandigheid die voor rekening en risico van CITT komt.



Toewijzing € 12.323,38 met wettelijke handelsrente daarover




5.39.
Gelet op het voorgaande veroordeelt de rechtbank Yusen om aan CITT € 12.323,38 te betalen. De wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW daarover wordt als onbetwist toegewezen vanaf de vervaldatum van elk van de facturen waarop de vordering ziet,


BIK




5.40.
CITT vordert nog de buitengerechtelijke kosten. CITT heeft onbetwist gesteld buitengerechtelijke incassohandelingen te hebben verricht. Omdat de toegewezen hoofdsom lager is dan de gevorderde hoofdsom, worden de buitengerechtelijke kosten naar Nederlands recht met inachtneming van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten toegewezen tot een lager bedrag, namelijk voor € 898,23 (artikel 6:96 lid 2 onder c BW).


De bezwaren van Yusen tegen de (te) late stukken van CITT worden niet gehonoreerd




5.41.
Yusen maakt bezwaar tegen de door CITT ingediende producties 9 en 10 omdat deze volgens haar te laat in de procedure zijn ingediend en vanwege de omvang van met name productie 9. Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat als de stukken wel worden toegelaten én de rechtbank van deze producties gebruik zou maken, Yusen nog de ruimte zou krijgen daarop te reageren. Aangezien de rechtbank de producties 9 en 10 niet bij het voorgaande heeft gebruikt, worden de bezwaren van Yusen niet gehonoreerd en blijven deze stukken onderdeel van het procesdossier.


De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd




5.42.
Omdat CITT in het ongelijk wordt gesteld in de zin dat een groot deel van de vordering verjaard is en omdat Yusen tegelijkertijd het ongelijk krijgt dat dat niet geldt voor de gehele vordering, worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.


Uitvoerbaar bij voorraad




5.43.
De rechtbank verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad (artikel 233 Rv).






6De beslissing

De rechtbank


6.1.
veroordeelt Yusen om aan CITT te betalen € 12.323,38, vermeerderd met de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW vanaf de vervaldatum van elk van de facturen waarop de vordering ziet, tot aan de dag van betaling;



6.2.
veroordeelt Yusen om aan CITT te betalen € 898,23 aan buitengerechtelijke kosten;



6.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;



6.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;



6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Santema. Het vonnis is ondertekend en in het openbaar uitgesproken door de rolrechter op 8 juli 2026.3718/32



Het verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR).


Verordening (EG) Nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst.


De facturen met de nummers 68464 t/m 68466 worden in deze procedure niet door CITT gevorderd.


ECLI:NL:HR:2013:2043.


Hoge Raad 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2043, r.o. 3.10.5.


Hoge Raad 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2043, r.o. 3.10.5.
Link naar deze uitspraak