|
|
|
| ECLI:NL:OGEAC:2026:108 | | | | | Datum uitspraak | : | 22-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 23-07-2026 | | Instantie | : | Gerecht in eerste aanleg van Curaçao | | Zaaknummers | : | CUR202504544 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | Invoerrechten. Verhuisboedelvrijstelling. Het Gerecht komt tot het oordeel dat sprake is van een personenvoertuig, waarop de verhuisboedelvrijstelling van toepassing is. | | Trefwoorden | : | belastingrecht | | | formeel belastingrecht | | | vrijstelling | | | | Uitspraak | Uitspraak van 22 juli 2026
BBZ nr. CUR202504544
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening beroep in belastingzaken van:
[Belanghebbende], wonende te Curaçao,
belanghebbende,
gericht tegen:
DE INSPECTEUR DER INVOERRECHTEN EN ACCIJNZEN, zetelend te Curaçao,
de Inspecteur.
1PROCESVERLOOP
1.1
Belanghebbende heeft op 9 april 2024 het “registratieformulier personenauto verhuisboedel” ingediend en daarbij verzocht om toepassing van de verhuisboedelvrijstelling ex artikel 35, lid 5 van de Landsverordening tarief van invoerrechten (hierna: LVTI) voor een voertuig “Ford, model Transit Connect, bouwjaar 2019” (hierna: het voertuig).
1.2
De Inspecteur heeft het hierboven vermelde verzoek afgewezen.
1.3
Belanghebbende heeft bij brief van 16 mei 2024 bewaar gemaakt tegen de afwijzing van het verzoek.
1.4
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 30 september 2025 het bezwaar ontvankelijk verklaard en bepaald dat de verhuisboedelvrijstelling niet op het voertuig van toepassing is.
1.5
Belanghebbende is op 7 november 2025 tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van Cg 50.
1.6
De zitting heeft plaatsgevonden op 6 mei 2026 te Willemstad. Belanghebbende is verschenen vergezeld van [A] en [B]. Namens de Inspecteur zijn verschenen [C], [D] en [E]. De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota met bijlage overgelegd en de pleitnota voorgedragen.
2FEITEN
2.1
Belanghebbende is geboren in Curaçao. Zij is nadien verhuisd naar Nederland. Tot 29 maart 2024 stond belanghebbende ingeschreven bij de gemeente Rotterdam. Met ingang van 12 april 2024 staat belanghebbende ingeschreven in Curaçao.
2.2
Belanghebbende heeft het voertuig in Nederland aangeschaft. Het voertuig staat sinds 24 augustus 2022 op naam van belanghebbende. Voor het voertuig heeft belanghebbende in Nederland een particuliere autoverzekering bij de ANWB afgesloten.
2.3
Belanghebbende is op 6 februari 2025 gehoord.
3GESCHIL
3.1
Tussen partijen is in geschil of de verhuisboedelvrijstelling op het voertuig van toepassing is. Meer specifiek is in geschil of het voertuig is aan te merken als personenvoertuig in de zin van artikel 35, lid 5 in combinatie met artikel 28, onderdeel g van de LVTI.
3.2
Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend. Het voertuig dat zij tot camper heeft omgebouwd, is in Nederland onder meer gebruikt om te kamperen en naar festivals te gaan. In verband met de zorg voor haar moeder die lijdt aan dementie en in een rolstoel zit, is belanghebbende terugverhuisd naar Curaçao. In Curaçao gebruikt zij het voertuig om haar moeder mee naar het strand te kunnen nemen. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van haar stelling dat sprake is van een personenauto verder verwezen naar een uitspraak van de Raad van 3 september 2010, ECLI:NL:ORBBNAA:2010:BQ8887.
3.3
De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een personenvoertuig, maar van een bestelwagen waarop de verhuisboedelvrijstelling niet van toepassing is.
4OVERWEGINGEN
4.1
Artikel 35 van de LVTI bepaalt – voor zover hier van belang – als volgt:
“1. Vrijstelling van invoerrechten wordt verleend voor de invoer van persoonlijke goederen door natuurlijke personen, die hun normale verblijfplaats naar het binnenland overbrengen.
(…)
5. In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, wordt voor de invoer van personenvoertuigen die deel uitmaken van de persoonlijke goederen van de belanghebbende vrijstelling verleend, indien het personenvoertuig ten minste één jaar voorafgaande aan de datum van inscheping in het land van herkomst, aantoonbaar en onafgebroken in bezit en in gebruik was van de belanghebbende, waarbij:
a. de vrijstelling is beperkt tot één personenvoertuig per gezin of huishouding, en
b. in daartoe aanleiding gevende gevallen de douaneautoriteiten de belanghebbende zekerheid kunnen laten stellen.
6. Van de vrijstelling zijn uitgesloten alcoholische producten en tabak en tabaksproducten, voor zover deze niet als normale huisvoorraad zijn te beschouwen, alsmede vervoermiddelen zijnde geen personenvoertuigen.”
Artikel 28, onderdeel d van de LVTI omschrijft persoonlijke goederen als:
“goederen, bestemd voor persoonlijk gebruik door de belanghebbende bij de invoer of de leden van zijn gezin”
Artikel 28, onderdeel g van de LVTI omschrijft personenvoertuigen als:
“motorvoertuigen, zijnde geen sportvoertuigen of voertuigen voor het bedrijven van een hobby, op twee of meer wielen, met inbegrip van aanhangwagens voor andere dan bedrijfsmatig vervoer van personen of goederen en geschikt voor de openbare weg”.
4.2
Belanghebbende heeft onbetwist verklaard dat het voertuig naast de bestuurder plaats biedt om nog twee personen te vervoeren. Tussen partijen is daarnaast niet in geschil dat met het voertuig ook goederen vervoerd kunnen worden. Het voertuig is aldus geschikt om personen en/of goederen te vervoeren.
4.3
De Inspecteur heeft verder niet betwist dat sprake is van een persoonlijk goed dat geschikt is voor de openbare weg, dat geen sprake is van een sport- of hobbyvoertuig en dat het voertuig niet bedrijfsmatig gebruikt wordt. Daarmee is het voertuig naar het oordeel van het Gerecht, gelet op de ruime omschrijving van artikel 28, onderdeel g, van de LVTI aan te merken als personenvoertuig.
4.4
De Inspecteur heeft betoogd dat het voertuig een bestelauto (en geen personenauto) is en dat bestelauto’s conform de GS-toelichting onder post 8704, automobielen voor goederenvervoer, vallen waarop een heffing van 17% aan invoerrechten hoort en waarop dus de inboedelvrijstelling niet van toepassing is. Het Gerecht verwerpt dit betoog. Voor de berekening van het tarief aan invoerrechten is de bijlage bij de LVTI van toepassing (artikel 1, lid 2 onder c LVTI). In die bijlage is per afzonderlijk goed een percentage aan invoerrechten vastgesteld. De indeling van die goederen in posten (voor het voertuig in post 8704) is gebaseerd op het wereldwijd gehanteerde Geharmoniseerd Systeem (GS) waarnaar de Inspecteur heeft verwezen. Echter, deze indeling is uitdrukkelijk niet van belang voor het antwoord op de vraag of sprake is van een personenvoertuig, waarop de inboedelvrijstelling van toepassing is. Voor dat begrip is immers in de Landsverordening een aparte definitie met een aanzienlijk ruimere omschrijving opgenomen. Zoals eerder overwogen voldoet het voertuig aan die ruime omschrijving.
4.5
Er is dus sprake van een personenvoertuig in de zin van artikel 35, lid 5 in samenhang met artikel 28, onder g LVTI. Voor dat geval is niet in geschil dat aan de overige voorwaarden van artikel 35, lid 5 van de LVTI is voldaan, zodat de verhuisboedelvrijstelling op het voertuig van toepassing is.
4.6
Gelet op het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.
5PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT
5.1
Belanghebbende heeft verzocht om een (proces)kostenvergoeding voor de bezwaar- en beroepsfase.
Kosten bezwaarfase
5.2
Ingevolge artikel 32a, lid 1 van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (ALL) worden, op verzoek van de belastingplichtige, de kosten die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, vergoed voor zover de aanslag door ernstige onzorgvuldigheid in strijd met het recht is opgelegd. Het verzoek moet worden gedaan voordat de Inspecteur op het bezwaar heeft beslist. De regels over de (hoogte van de) vergoeding zijn neergelegd in de Ministeriële regeling formeel belastingrecht (hierna: de Regeling).
5.3
Ingevolge artikel 6.1 van de Regeling kan een vergoeding van de kosten bedoeld in artikel 32a, lid 1 van de ALL uitsluitend betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voor zover al sprake zou zijn van voor vergoeding in aanmerking komende kosten, ziet het Gerecht geen aanleiding voor een kostenvergoeding reeds omdat niet gebleken is dat belanghebbende voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar heeft verzocht om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.
Kosten beroepsfase
5.4
Ingevolge artikel 15, lid 1, Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
5.5
In artikel 15, lid 2, LBB is bepaald dat de regels over de (hoogte van de) proceskostenvergoeding bij of krachtens landsbesluit worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (vgl. GHvJ 21 juni 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54).
5.6
In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op Cg 700 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, waarde per punt Cg 700, wegingsfactor 1). Het Gerecht merkt hierbij op dat belanghebbende ter zitting niet is bijgestaan door een professionele rechtsbijstandsverlener.
Griffierecht
5.7
Verder dient de op grond van artikel 18, lid 5 LBB het betaalde griffierecht van Cg 50 aan belanghebbende te vergoeden.
6DE BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar:
verleent vrijstelling van invoerrechten bij invoer voor het onderhavige voertuig;
veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van Cg 700; en
draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van Cg 50 te vergoeden.
Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. M.M. de Werd, rechter, en is uitgesproken op 22 juli 2026, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.M. de Leeuw van Weenen.
De griffier, De rechter,
Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………….. aan partijen verzonden.
HOGER BEROEP
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)
Emancipatie Boulevard Dominico “Don” Martina 18
Willemstad
Curaçao
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener,
b. de dagtekening,
c. waartegen u in beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:
belastinggriffie@caribjustitia.org.
Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:
- natuurlijke personen: Cg 200
- personenvennootschappen en rechtspersonen: Cg 500 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|