|
|
|
| ECLI:NL:RBAMS:2020:5732 | | | | | Datum uitspraak | : | 20-11-2020 | | Datum gepubliceerd | : | 23-07-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Amsterdam | | Zaaknummers | : | C/13/691327 / KG ZA 20-92 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | executiegeschil tussen ex-geliefden. beslag op woning van ruim € 9 ton voor vordering € 30.000. hoger beroep loopt. verbod executie afgewezen | | Trefwoorden | : | uitkering | | | wettelijke rente | | | woz waarde | | | woz-waarde | | | | Uitspraak | vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel
zaaknummer / rolnummer: C/13/691327 / KG ZA 20-924 AB/MAH
Vonnis in kort geding van 20 november 2020
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser bij dagvaarding van 22 oktober 2020,
advocaat mr. J.E. van Rossem te Amsterdam,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
advocaat mr. G.J. Wilts te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.
1De procedure
1.1.
Bij de zitting van 5 november 2020 waren aanwezig:
[eiser] met mr. Van Rossem en mr. Wilts met zijn kantoorgenoot mr. G.J. van Oosten.
1.2.
Namens [eiser] is de dagvaarding toegelicht en namens [gedaagde] de tevoren ingediende conclusie van antwoord. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Aan het slot van de zitting is afgesproken dat partijen zouden proberen te schikken en dat de zaak daartoe pro forma zou worden aangehouden tot 12 november 2020.
1.3.
Vervolgens hebben partijen bericht dat zij er niet uit zijn gekomen. Daarbij heeft de advocaat van [gedaagde] nog iets anders gemeld, onder overlegging van een productie, maar dat kan niet meer worden meegenomen, aangezien de behandeling van de zaak al was gesloten. Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.
2De feiten
2.1.
Partijen hebben een relatie gehad, die [gedaagde] in maart 2019 heeft beëindigd.
2.2.
[eiser] stelt geldvorderingen te hebben op [gedaagde] uit hoofde van door hem verrichte werkzaamheden voor haar praktijk, voor haar voorgeschoten advocaatkosten, vergoeding woongenot en voor werkzaamheden ten behoeve van de afwikkeling van haar huwelijk. Om betaling te verkrijgen is [eiser] , al dan niet via zijn vennootschap [bedrijf] B.V., vanaf juli 2019 diverse civiele procedures gestart tegen [gedaagde] . Ook heeft [eiser] tegen de advocaten van [gedaagde] bij de tuchtrechter klachten ingediend. Tot nu toe heeft hij alle procedures verloren.
2.3.
Bij vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 9 juni 2020 is aan [eiser] op vordering van [gedaagde] een contactverbod opgelegd voor een jaar.
2.4.
In drie van de civiele procedures (kantonzaak I tot en met III) heeft de kantonrechter van deze rechtbank op 11 september 2020 drie vonnissen gewezen. In het vonnis in kantonzaak I is
- in conventie de geldvordering van [eiser] in verband met leningen van € 22.506.56 afgewezen,
- in reconventie de geldvordering van [gedaagde] in verband met leningen van € 25.160,62 toegewezen, met de wettelijke rente daarover, en is
- [eiser] in conventie en reconventie veroordeeld in de proces- en nakosten.
2.5.
In een op 3 augustus 2020 bij de rechtbank Midden-Nederland aanhangig gemaakte procedure vorderen [bedrijf] en [eiser] van [gedaagde] betaling van € 400.000,- vanwege onbetaalde facturen.
2.6.
Bij deurwaardersexploiten van 11 juni en 14 september 2020 is [eiser] onder meer gesommeerd om aan [gedaagde] overeenkomstig artikel 475g Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering opgave te doen van zijn bronnen van inkomsten. Aan deze sommaties is geen gehoor gegeven.
2.7.
Omdat [gedaagde] na sommatie geen (volledige) betaling had ontvangen, heeft zij op 21 september 2020 op grond van de drie vonnissen van 11 september 2020 en nog drie andere vonnissen executoriaal beslag laten leggen op de onroerende zaak van [eiser] aan de [adres 1] en [adres 2] waarin hij woont.
2.8.
Ook heeft zij die dag executoriaal derdenbeslag laten leggen ten laste van [eiser] onder de RABO Bank en de Ontvanger der Rijksbelastingen; deze beslagen hebben € 24,- respectievelijk € 0,- opgeleverd.
2.9.
[eiser] heeft tegen de drie vonnissen van 11 september 2020 hoger beroep ingesteld op 22 oktober 2020. Ten tijde van de kort gedingzitting waren de grieven nog niet ingediend.
2.10.
Op de vraag van de ING Bank, de hypotheekverstrekker van [eiser] , of [gedaagde] bereid was de executie van de woning uit te stellen in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep, is door de advocaat van [gedaagde] op 1 oktober 2020 afwijzend gereageerd.
2.11.
De WOZ-waarde van [adres 1] was op peildatum 1 januari 2015€ 952.000,-. Op 30 november 2009 is een hypotheek voor een bedrag van € 900.636,- ingeschreven.
2.12.
[eiser] ontvangt sinds maart 2020 een TOZO-uitkering van € 1.052,32 per maand.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert kort gezegd:
- primair:
een verbod om – totdat in hoger beroep is beslist - de executoriale verkoop van zijn woning aan te vangen of voort te zetten, danwel daaraan medewerking te (laten) verlenen, op straffe van een dwangsom,
- subsidiair:
een voorschot van € 90.000,- op de door het beslag en de executoriale verkoop geleden en te lijden schade,
- veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
[eiser] vordert een verbod op de executie van het beslag op zijn woning. De executie gaat alleen nog over de veroordeling in reconventie in het vonnis in kantonzaak I, nu [eiser] de proceskosten in de kantonzaken I tot en met III heeft voldaan. De uitvoerbaarheid bij voorraad van die veroordeling is in het vonnis niet gemotiveerd. Tegen het vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld. Dat hoger beroep loopt nog.
4.2.
Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hoger beroep, uitvoerbaar moet zijn. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand, zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van de ander bij de uitvoerbaarheid bij voorraad van de veroordeling. Daarbij moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing berust op een kennelijke misslag. (Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026)
4.3.
[gedaagde] beschikt over een titel op grond waarvan zij executoriaal beslag mocht leggen. Van een kennelijke misslag in die titel is niet gebleken. De reconventionele vordering is volgens [eiser] weliswaar slechts toegewezen omdat hij abusievelijk geen conclusie van antwoord had ingediend, maar als dit al feitelijk juist zou zijn, zou het gaan om een fout van hem en niet om een misslag van de kantonrechter. [gedaagde] heeft er overigens terecht op gewezen dat uit het vonnis onder 1.2 blijkt dat [eiser] op de comparitie mondeling in reconventie heeft geantwoord.
4.4.
Het belang van [gedaagde] is duidelijk: zij heeft een deugdelijke executoriale titel voor haar geldvordering van in totaal ongeveer € 30.000,- (inclusief rente) en wil het hoger beroep niet afwachten, omdat zij de declaraties van haar advocaten moet voldoen, die zijn veroorzaakt door de lawine aan procedures die [eiser] over haar heeft uitgestort en die zij tot dusver alle heeft gewonnen. Zij neemt daarbij het risico dat zij bij een voor haar slechte afloop in hoger beroep [eiser] zal moeten terugbetalen. Dat is haar goed recht. Ten slotte mag zij in beginsel kiezen waarop zij beslag legt en heeft zij geen reëel ander beslagobject.
4.5.
[eiser] stelt daartegenover dat hij op dit moment geen geld heeft om aan de veroordeling te voldoen. Hij is armlastig en ontvangt een TOZO-uitkering. Hij verwacht bovendien dat die veroordeling in hoger beroep van tafel gaat en dat hij deze anders kan verrekenen met zijn andere geldvorderingen op [gedaagde] , die naar verwachting in hoger beroep en in de bodemprocedure zullen worden toegewezen. [eiser] stelt groot belang te hebben bij staking van de tenuitvoerlegging hangende het hoger beroep, omdat hij bij voortzetting met zijn twee kinderen op straat komt te staan, terwijl de opbrengst bij openbare verkoop altijd laag is, zodat een enorme kapitaalvernietiging zal plaatsvinden, waardoor hij ook geen andere woning zal kunnen betalen.De wens van [gedaagde] om de executie door te zetten lijkt uitsluitend ingegeven door de vordering die haar advocaten op haar hebben.
Nu partijen nog niet tot financiële afwikkeling van hun vorderingen zijn gekomen, acht [eiser] executoriale verkoop van de woning verder voorbarig en gezien het ingestelde hoger beroep ook niet of onvoldoende zwaarwegend. Ten slotte is het volgens hem, gezien de hoogte van de hypotheek en de waarde van de woning, maar de vraag of de executie wel iets gaat opleveren.
4.6.
Om met het laatste te beginnen: aannemelijk is dat de woning inmiddels veel meer waard is dan de door [eiser] opgegeven WOZ-waarde van vijf jaar geleden. Allereerst is de marktwaarde doorgaans hoger dan de WOZ-waarde. Verder gaat het om een appartement van 240 m2 in de binnenstad van [woonplaats 1] en is algemeen bekend dat de gemiddelde huizenprijzen daar sinds 2015 aanzienlijk zijn gestegen.
Dit betekent enerzijds dat de voorgenomen executie niet zinloos is en anderzijds dat, als het al niet mogelijk zou zijn aan de veroordeling te voldoen door de hypotheek te verhogen, de woning naar mag worden aangenomen voldoende zal opbrengen om een andere woning te betalen, zodat van op straat belanden geen sprake hoeft te zijn.
Daar komt bij dat [eiser] nog in een e-mail van 23 maart 2019 aan [gedaagde] schreef dat zijn woning en kunstcollectie vele miljoenen vertegenwoordigen. Het is dan ook aannemelijk dat hij alsnog verdere executie van de woning kan voorkomen door bijvoorbeeld schilderijen of andere roerende goederen te verkopen.
4.7.
Al met al weegt het belang van [eiser] bij behoud van de bestaande toestand niet zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij tenuitvoerlegging.
4.8.
Dit betekent dat de gevraagde voorzieningen zullen worden geweigerd. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht € 937,00
- salaris advocaat 980,00
Totaal € 1.917,00
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
weigert de gevraagde voorzieningen,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.917,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
5.3.
veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met € 82,00 en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit vonnis plaatsvindt, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,
5.4.
verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Beukenhorst, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.A.H. Verburgh, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2020.
type: MAH
coll: MA | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|