Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:OGEABES:2026:167 
 
Datum uitspraak:03-07-2026
Datum gepubliceerd:23-07-2026
Instantie:Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Zaaknummers:BON202600066
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Kort geding. De kopers van een stuk grond vorderen dat de verkopers tot levering overgaan. Uitleg van een bepaling uit de koopovereenkomst. De bepaling wordt uitgelegd dat de koopovereenkomst een voorwaardelijk karakter heeft en pas afdwingbaar is als zij wordt vastgelegd in een notariële akte. Onvoldoende aannemelijk geworden dat sprake is van een rechtens afdwingbare verplichting om tot levering over te gaan. Vorderingen afgewezen.
Trefwoorden:erfgenamen
koopovereenkomst
perceel
successiewet
testament
 
Uitspraak
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
zittingsplaats Bonaire

registratienummer: BON202600066
datum beslissing: 3 juli 2026


VONNIS IN KORT GEDING


in de zaak van:




1[eiser 1],
2. [eiser 2],
beide wonend op Bonaire,
eisende partij,
hierna samen te noemen: [eisende partij],
gemachtigde: mr. M.M.A. van Lieshout,

tegen




1[gedaagde 1],
2. [gedaagde 2],
3. [gedaagde 3],
4. [gedaagde 4],
allen wonend in Spanje,
gedaagde partij,
hierna: [gedaagde partij],
gemachtigde: mr. M.A. van der Hoeven.





1De procedure


1.1.
In het procesdossier zitten de volgende stukken:


het verzoekschrift van 11 februari 2026 met producties;


een e-mailbericht van 23 maart 2026 van [gedaagde partij] met bijlagen;


een document met de titel “Presentatie en toelichting aan Uwe Edelachtbare” van [gedaagde partij]





1.2.
Op 23 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden ten overstaan van rechter mr. R.P.P. Hoekstra. Namens [eisende partij] was mr. Van Lieshout aanwezig. Namens [gedaagde partij] waren [gedaagde 2] en [gedaagde 1] aanwezig, bijgestaan door mr. Van der Hoeven (allen via een digitale videoverbinding). Voordat de zaak inhoudelijk werd behandeld heeft mr. Van der Hoeven om uitstel van de behandeling verzocht, omdat [gedaagde partij] enkele dagen voor 23 maart 2026 het verzoekschrift hadden ontvangen. Het verzoek om uitstel is toegewezen.



1.3.
Op 23 april 2026 en 5 mei 2026 zijn aanvullende producties ontvangen van respectievelijk [eisende partij] en [gedaagde partij] Op 6 mei 2026 heeft een nieuwe mondelinge behandeling plaatsgevonden ten overstaan van rechter mr. H.L. Wattel. [eisende partij] zijn verschenen, bijgestaan door mr. Van Lieshout. [gedaagde partij] zijn verschenen, bijgestaan door mr. Van der Hoeven (allen via een digitale videoverbinding). De spreekaantekeningen die mr. Van der Hoeven heeft voorgelezen zijn aan het dossier toegevoegd.



1.4.
Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het Gerecht de zaak aangehouden om partijen de gelegenheid te geven een schikking te beproeven. Op 4 juni 2026 ontving het Gerecht een e-mailbericht van de gemachtigde van [eisende partij] met het verzoek om vonnis te wijzen. De datum voor vonnis is bepaald op 24 juni 2026.



1.5.
Op 24 juni 2026 heeft de gemachtigde van [gedaagde partij] per e-mail verzocht om nog te mogen reageren op een productie van [eisende partij] als het Gerecht die productie voor de beoordeling van de zaak relevant vindt. Het Gerecht wijst het verzoek af en zal de e-mail voor de beoordeling van deze zaak buiten beschouwing laten. De betreffende productie is op 23 april 2026 door [eisende partij] in het geding gebracht. [gedaagde partij] heeft de gelegenheid gehad om op de mondelinge behandeling van 6 mei 2026 op de productie te reageren.



1.6.
Door omstandigheden is de datum van 24 juni 2026 voor het vonnis niet gehaald. Daarom wordt vandaag uitspraak gedaan.






2De kern van de zaak


2.1. [
eisende partij] hebben een koopovereenkomst gesloten met de heer [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) en mevrouw [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) voor twee percelen grond op Bonaire. Eén van die percelen bleek op naam te staan van [betrokkene 1] en (de inmiddels overleden heer) [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3]). [gedaagde partij] zijn de erfgenamen van [betrokkene 3]. [eisende partij] hebben een aanvullende overeenkomst gesloten met [gedaagde partij] voor de levering van het betreffende perceel. [eisende partij] vorderen dat [gedaagde partij] die overeenkomst nakomen en tot levering van het perceel overgaan. De vorderingen worden afgewezen. Dat wordt hierna uitgelegd.






3De beoordeling


De achtergrond van het geschil



3.1.
Op 12 mei 2023 hebben [eisende partij], [betrokkene 1] en [betrokkene 2] een koopovereenkomst gesloten voor twee aan elkaar grenzende percelen grond met de kadastrale aanduidingen [kadastrale aanduiding perceel 1] en [kadastrale aanduiding perceel 2], plaatselijk bekend als [adres] op Bonaire. Perceel [kadastrale aanduiding perceel 1] is een perceel grond van 270 m² met daarop een woning. Perceel [kadastrale aanduiding perceel 2] is een strook grond van 219 m² zonder bebouwing (kadastraal aangeduid als ‘geprojecteerde weg’).



3.2.
Perceel [kadastrale aanduiding perceel 1] is door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] aan [eisende partij] geleverd. Perceel [kadastrale aanduiding perceel 2] kon niet aan [eisende partij] geleverd worden, omdat het perceel slechts voor 50% op naam staat van [betrokkene 1] en voor 50% op naam van [betrokkene 3].



3.3. [
betrokkene 3] was in gemeenschap van goederen gehuwd met [betrokkene 2]. [betrokkene 3] heeft bij testament zijn kinderen [gedaagde partij] benoemd tot erfgenamen en een recht van vruchtgebruik over zijn gehele nalatenschap toegekend aan [betrokkene 2]. Dit betekent dat na het overlijden van [betrokkene 3] de eigendomssituatie van perceel [kadastrale aanduiding perceel 2] er als volgt uit ziet:


50% [betrokkene 1];


25% [betrokkene 2], met een recht van vruchtgebruik ten aanzien van het aandeel van [gedaagde partij];


25% [gedaagde partij]





3.4.
Op 3 juli 2023 hebben [eisende partij], [betrokkene 1] en [betrokkene 2] een addendum op de koopovereenkomst van 12 mei 2023 gesloten. In het addendum is afgesproken dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zich zullen inspannen om binnen twaalf maanden de eigendom van perceel [kadastrale aanduiding perceel 2] te verkrijgen van de erfgenamen van [betrokkene 3], zodat het perceel alsnog aan [eisende partij] geleverd kan worden.



3.5.
Op 3 oktober 2025 hebben [eisende partij] een overeenkomst van koop en verkoop gesloten met [gedaagde partij], [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als verkopers. In de (Spaanstalige) overeenkomst staat dat perceel [kadastrale aanduiding perceel 2] door de verkopers wordt verkocht aan [eisende partij] voor een koopprijs van € 20.000. Voorts staat in de overeenkomst dat van de koopprijs een bedrag van € 10.000 aan [betrokkene 1] uitbetaald zal worden en dat het resterende bedrag van € 10.000 in gelijke delen van € 2.000 verdeeld wordt onder [betrokkene 2] en [gedaagde partij]



3.6.
In de concept akte van levering van perceel [kadastrale aanduiding perceel 2] staat dat [betrokkene 2] om baat afstand doet van haar recht van vruchtgebruik op perceel [kadastrale aanduiding perceel 2]. Voorts staat in de akte dat de grootte van het bedrag dat [betrokkene 2] voor deze afstand ontvangt overeenkomstig de waarderingsvoorschriften van de Successiewet 1956 is vastgesteld. In de door de notaris opgestelde nota van afrekening staat wat dit concreet voor partijen betekent: van de koopsom van € 20.000,00 ontvangt [betrokkene 1] 50%, [betrokkene 2] 35,5% en [gedaagde partij] ieder 3,625%.



3.7. [
gedaagde partij] hebben hun medewerking niet verleend aan de levering van perceel [kadastrale aanduiding perceel 2] aan [eisende partij]


[eisende partij] hebben een spoedeisend belang bij hun vorderingen




3.8.
In een kortgedingprocedure wordt gevraagd om een spoedmaatregel te nemen. De wet gaat ervan uit dat na de kortgedingprocedure een gewone rechtszaak zal komen, dit heet een ‘bodemprocedure’. Deze kortgedingprocedure loopt op die bodemprocedure vooruit. De rechter in kort geding moet inschatten of de bodemrechter de vordering waarschijnlijk zal toewijzen. Tegen deze achtergrond moet het Gerecht eerst beoordelen of [eisende partij] een spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen.



3.9.
Het verweer van [gedaagde partij] dat [eisende partij] geen spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen wordt verworpen. [eisende partij] hebben op 3 oktober 2025 een overeenkomst met [gedaagde partij] gesloten over de aankoop van perceel [kadastrale aanduiding perceel 2]. De koopprijs is door [eisende partij] betaald op de derdengeldrekening van de notaris. Als voldoende aannemelijk is dat [gedaagde partij] het perceel [kadastrale aanduiding perceel 2] aan [eisende partij] moeten leveren, hebben [eisende partij] er belang bij dat dit snel gebeurt zodat zij over het perceel kunnen beschikken.


Deze zaak is geschikt om te behandelen in kort geding




3.10.
Anders dan [gedaagde partij] menen, is deze zaak geschikt om in kort geding te behandelen. Het enkele feit dat een uitspraak in kort geding onomkeerbare gevolgen heeft, staat het geven van een voorlopige voorziening niet in de weg. Dat partijen fundamenteel van inzicht verschillen over de betekenis van de overeenkomsten in kwestie evenmin. Ook in een geval waarbij partijen van mening verschillen over de uitleg van een overeenkomst zal de rechter in kort geding een voorlopig oordeel moeten geven over hoe de desbetreffende overeenkomst uitgelegd moeten worden. De vorderingen van [eisende partij] zullen hierna inhoudelijk besproken worden.


[gedaagde partij] kunnen niet verplicht worden om het perceel te leveren




3.11.
In de overeenkomst van 3 oktober 2025 staat in artikel 8 het volgende:


“8. Condición suspensiva



Este Acuerdo tendrá carácter condicional y no exigible hasta que se eleve a escritura pública notarial en Bonaire y, en su caso, se inscriba en el Registro Inmobiliario (Kadaster). Una vez se efectúe la citada escritura pública notarial en Bonaire, la firma de los vendedores con residencia en España se efectuará ante notario español para su ulterior remisión al notario de Bonaire y conclusion del trámite procesal.”




3.12.
In de spreekaantekeningen hebben [gedaagde partij] de volgende Nederlandse vertaling van artikel 8 gegeven. Deze vertaling is niet door [eisende partij] betwist:


“8. Opschortende voorwaarde



Deze overeenkomst heeft een voorwaardelijk karakter en is niet afdwingbaar totdat zij wordt vastgelegd in een notariële akte in Bonaire en, voor zover van toepassing, wordt ingeschreven in het Kadaster. Eerst nadat de genoemde notariële akte in Bonaire is verleden, zal de ondertekening door de verkopers die in Spanje woonachtig zijn plaatsvinden ten overstaan van een Spaanse notaris, teneinde deze vervolgens aan de notaris in Bonaire te doen toekomen en de procedurele afwikkeling te voltooien.”




3.13.
Partijen verschillen van mening hoe artikel 8 uit de overeenkomst van 3 oktober 2025 uitgelegd moet worden. [eisende partij] stellen zich op het standpunt dat de verbintenissen uit die overeenkomst afdwingbaar zijn en dat artikel 8 alleen ziet op de wijze waarop de juridische levering moet plaatsvinden. Volgens [gedaagde partij] is de overeenkomst niet afdwingbaar totdat een notariële akte verleden is.



3.14.
Om vast te stellen waartoe de overeenkomst van 3 oktober 2025 verplicht, is uitleg van die overeenkomst en in het bijzonder artikel 8 nodig. Het is vaste rechtspraak dat daarvoor niet alleen moet worden gekeken naar de tekst van de overeenkomst. Het is ook belangrijk wat partijen verder nog gezegd en gedaan hebben, en wat zij op grond daarvan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.



3.15.
Op de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat de overeenkomst van 3 oktober 2025 door [eiser 2] is opgesteld. Tussen partijen zijn gesprekken gevoerd en artikel 8 is op verzoek van [gedaagde partij] door [eiser 2] in de overeenkomst opgenomen.



3.16.
Uit de tekst van artikel 8 volgt expliciet dat de overeenkomst een voorwaardelijk karakter heeft en pas afdwingbaar is nadat deze wordt vastgelegd in een notariële akte. [gedaagde partij] hebben uitgelegd dat zij het artikel in de overeenkomst wilden opnemen, omdat er nog veel onduidelijk was over de feitelijke situatie en de financiële aspecten. Mede in verband met een procedure in het verleden met [betrokkene 2] die nadelig voor [gedaagde partij] had uitgepakt, was het hun bedoeling om niet eerder gebonden te zijn aan de verplichtingen uit de overeenkomst van 3 oktober 2025 totdat de verbintenissen zijn vastgelegd in een notariële akte. Daarbij speelde mee dat zij onbekend waren met Bonaire en zonder lokale rechtsbijstand handelden; zij zijn particuliere erfgenamen, woonachtig in Spanje, terwijl [eisende partij] een professionele vastgoedpartij zijn.



3.17.
De vraag is vervolgens of [eisende partij] de bedoeling die [gedaagde partij] aan artikel 8 hebben willen geven ook zo hebben moeten begrijpen. Daarbij is van belang dat [eiser 2] Spaans spreekt en dat hij het artikel in de overeenkomst heeft opgenomen. Partijen hebben op de mondelinge behandeling geen duidelijkheid kunnen geven of [gedaagde partij] hun bedoeling aan [eisende partij] kenbaar hebben gemaakt. Daarom moet gekeken worden hoe [eisende partij] de tekst van het artikel uit de overeenkomst hebben moeten begrijpen. Weliswaar is artikel 8 een ongebruikelijke bepaling in een (koop)overeenkomst, maar [eisende partij] hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij artikel 8 op een andere manier hebben moeten begrijpen dan dat de overeenkomst een voorwaardelijk karakter heeft en pas afdwingbaar is als deze in een notariële akte is vastgelegd. Dat artikel 8 alleen ziet op de wijze waarop de juridische levering moet plaatsvinden, volgt niet uit de tekst van het artikel. Volgens [eisende partij] moet ook gekeken worden naar artikel 9 en 10 van de overeenkomst. Maar ook als wordt gekeken naar die artikelen wordt de uitleg die [eisende partij] aan artikel 8 geven niet gevolgd. In artikel 9 staat dat voor wijziging van de overeenkomst schriftelijke instemming van partijen nodig is en in artikel 10 staat dat een digitale en handgeschreven handtekening voor de ondertekening van de overeenkomst geldig is. Zonder nadere toelichting – die ontbreekt – valt niet in te zien waarom deze artikelen met zich zouden brengen dat artikel 8 op een andere manier uitgelegd zou moeten worden en dat de overeenkomst geen voorwaardelijk karakter zou hebben en direct afdwingbaar is.



3.18.
Het voorgaande brengt met zich dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat sprake is van een rechtens afdwingbare verplichting van [gedaagde partij] tot levering van perceel [kadastrale aanduiding perceel 2] aan [eisende partij] Dat betekent dat de grondslag voor de vorderingen van [eisende partij] ontbreekt. Daarom worden de gevraagde voorzieningen geweigerd.


[eisende partij] moeten de proceskosten betalen




3.19. [
eisende partij] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Deze kosten worden aan de zijde van [gedaagde partij] begroot op USD 838,00 (liquidatietarief voor salaris gemachtigde in kort geding) en USD 140,00 aan nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing).






4De beslissing

Het Gerecht, rechtdoende in kort geding:


4.1.
weigert de gevraagde voorzieningen;






4.2.
veroordeelt [eisende partij] tot betaling van de proceskosten aan [gedaagde partij], begroot op USD 978,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met USD 84,00 als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.L. Wattel, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.



Zie bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:499.


Het vonnis in die procedure is door [eisende partij] overgelegd als productie 14 bij het verzoekschrift.
Link naar deze uitspraak