Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:20789 
 
Datum uitspraak:14-07-2026
Datum gepubliceerd:24-07-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:NL26.23812 en NL26.3289
Rechtsgebied:Vreemdelingenrecht
Indicatie:kortsluiting; verblijf van meerderjarige Filipijnse dochter bij moeder; niet voldoende gemotiveerd dat dochter met ernstige gezondheidsklachten en bijzondere familiegeschiedenis niet onder het jongvolwassenenbeleid valt.
Trefwoorden:levensonderhoud
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.23812 en NL26.3289


uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak in de zaak tussen


[verzoekster], V-nummer: [nummer], verzoekster
(gemachtigde: mr. S.T.C. Rebergen),

en

de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: [naam 1]).



Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een mvv-aanvraag van verzoekster voor verblijf bij haar moeder. Verzoekster is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert een aantal gronden aan. Na overleg met partijen heeft de voorzieningenrechter bepaald dat uitspraak kan worden gedaan op zowel het verzoek om een voorlopige voorziening als op het beroep.


1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Verzoekster krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter al uitspraak doet op het beroep, zal hij het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.




Procesverloop

2. Namens verzoekster is een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf voor verblijf bij haar moeder [naam 2]. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 23 mei 2025 (het primaire besluit) afgewezen. Met het besluit van 8 januari 2026 (het bestreden besluit) op het bezwaar van verzoekster is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.


2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster, de gemachtigde van verweerder, [naam 2] (moeder van verzoekster; hierna: referente) en [naam 3] (echtgenoot van referente).




(Totstandkoming van) het bestreden besluit

3. Verzoekster is geboren op 29 januari 2003 en heeft de Filipijnse nationaliteit. Zij is de oudste dochter van referente en heeft twee broertjes ([naam 4] en [naam 5]) en een zusje ([naam 6]). Vader is al jaren uit beeld. Van 2010 tot 2018 heeft referente zonder haar kinderen in Singapore gewoond en gewerkt. In die jaren zorgde verzoekster voornamelijk voor haar broertjes en zusje. Vanaf 2018 woonde referente weer bij haar kinderen in de Filippijnen. In 2022 is referente naar Nederland gereisd om bij haar echtgenoot te gaan wonen. [naam 4] is begin 2023 naar Nederland gereisd, [naam 6] begin 2025 en [naam 5] is eind 2025 in Nederland gaan wonen. Verzoekster is alleen in de Filipijnen achtergebleven. Zij lijdt aan anafylaxie, een ernstige en allergische aandoening die onder omstandigheden levensbedreigend kan zijn. Tijdens haar stage heeft verzoekster op 22 april 2025 een hevige allergische reactie gekregen, waardoor zij in het ziekenhuis moest worden opgenomen en sindsdien heeft zij meerdere lichtere aanvallen gehad.

4. Verweerder heeft de aanvraag van verzoekster bij het primaire besluit afgewezen en die beslissing bij het bestreden besluit gehandhaafd, met de volgende motivering. Niet is gebleken dat aan het zogenoemde jongvolwassenenbeleid wordt voldaan, nu niet is gebleken dat verzoekster afhankelijk is van referente en zonder haar niet zelfstandig kan functioneren. In dit kader is van belang dat verzoekster van 2010 tot 2018 en sinds het vertrek van referente naar Nederland in 2022 voor zichzelf heeft gezorgd en zichzelf staande heeft gehouden. Er is ook niet gebleken van bijkomende elementen van afhankelijkheid, waardoor er geen sprake is van beschermenswaardig gezinsleven in het kader van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) tussen referente en verzoekster. Tussen verzoekster en haar broer [naam 5] en zus [naam 6] is wel sprake van gezinsleven maar de belangen van verweerder om verzoekster geen verblijf toe te staan in Nederland wegen zwaarder dan het belang van verzoekster om in Nederland te wonen.



Beoordeling door de voorzieningenrechter


Spoedeisend belang

5. Als spoedeisend belang heeft verzoekster gesteld dat zij op dit moment eenzaam en geïsoleerd leeft, nu zij als enige van de familie achter is gebleven in de Filipijnen. Zij kan vanwege haar medische aandoening niet werken en is continu bang dat zij weer een hevige allergische reactie krijgt. Het is ook gevaarlijk. In haar woonplaats is geen goede medische zorg aanwezig en als een dergelijke aanval zich opnieuw zal voordoen, zal dat levensbedreigend zijn. Referente heeft ter zitting toegelicht dat zij zich vanwege de voortdurende zorgen om haar dochter niet meer kan concentreren op haar werk en als gevolg daarvan in een burn-out is geraakt. Als voorlopige voorziening heeft verzoekster primair gevraagd om haar te behandelen als ware zij in het bezit van een mvv en subsidiair om haar beroepszaak versneld te behandelen. Verweerder heeft aangevoerd dat geen spoedeisend belang aanwezig is omdat verzoekster zich sinds 2022 kan handhaven in de Filippijnen en niet is onderbouwd dat de medische situatie van verzoekster levensbedreigend is.


5.1.
De primaire voorziening die door verzoekster is gevraagd heeft geen voorlopig karakter, omdat toewijzing hiervan ertoe leidt dat verzoekster Nederland zou mogen inreizen. Door toewijzing van het verzoek ontstaat dus feitelijk de situatie die verzoekster met de aanvraag heeft beoogd. De gevolgen van de toewijzing van de voorlopige voorziening zijn in die zin onomkeerbaar, waardoor verweerder voor een voldongen feit wordt gesteld. Voor zo’n vergaande beslissing is in beginsel alleen plaats wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden. De voorzieningenrechter acht dergelijke omstandigheden in deze zaak niet aanwezig. Wel is er een spoedeisend belang bij de subsidiair gevraagde voorziening. Hiervoor is niet van belang dat sluitend bewijs bestaat voor de levensbedreigendheid van de huidige situatie. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende onderbouwd en toegelicht dat sprake is van een zwaarwegende belangen en van een toenemende hulpbehoefte van verzoekster die maken dat met spoed op het verzoek van verzoekster dient te worden beslist.


Kortsluiting

6. Op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.



6.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de feiten en omstandigheden geen nader onderzoek vergen, zodat geen beletsel bestaat voor toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb. Partijen hebben ter zitting aangegeven in te stemmen met toepassing van deze bepaling. De voorzieningenrechter doet daarom uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening en op het beroep.


Jongvolwassenenbeleid

7. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat verweerder haar ten onrechte tegenwerpt dat zij niet aan het jongvolwassenenbeleid voldoet. Zij stelt dat zij in de periode van 2010 tot 2018 onder supervisie van referente voor haar broertjes en zusje heeft gezorgd en dat die periode haar niet zelfstandig maar juist afhankelijk heeft gemaakt van referente. Zij was toen bovendien nog minderjarig en zeer jong (negen jaar op het moment van vertrek van referente). Daarnaast heeft verzoekster in de periode vanaf 2022 niet volledig zonder referente geleefd nu zij in die periode ook drie maanden bij referente in Nederland heeft verbleven en daarnaast is referente gedurende die jaren meerdere keren naar de Filippijnen gereisd om bij verzoekster en haar andere kinderen te zijn. Door haar medische aandoening is verzoekster afhankelijk van referente en kan verzoekster niet werken; zij belt referente dagelijks meerdere keren voor hulp.



7.1.
Verweerder gebruikt het jongvolwassenenbeleid om vast te stellen of tussen een meerderjarig kind en zijn ouder(s) familie- of gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van het EVRM zonder dat verweerder daarvoor bijkomende elementen van afhankelijkheid vereist. In de uitspraak van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) overwogen dat verweerder met behulp van vier cumulatieve criteria bepaalt of iemand als jongvolwassene kan worden aangemerkt. Die criteria zijn dat iemand jongvolwassen qua leeftijd moet zijn (a), met zijn ouder(s) in gezinsverband moet samenleven (b), niet in zijn eigen onderhoud mag voorzien (c) en geen zelfstandig gezin mag hebben gevormd (d). Als aan één van die vereisten van het jongvolwassenenbeleid niet is voldaan, is de betrokkene geen jongvolwassene in de zin van dat beleid. Uit Werkinstructie 2020/16 blijkt dat voor de beoordeling of de jongvolwassene met zijn ouder(s) in gezinsverband samenleeft, het moment van binnenkomst van de ouder(s) of de jongvolwassene in Nederland leidend is en de IND betrekt ook uitdrukkelijk de gezinssituatie ten tijde van het vertrek van de ouder. Daarnaast beoordeelt de IND of zich na binnenkomst van de ouder(s) of de jongvolwassene in Nederland omstandigheden hebben voorgedaan waardoor kan worden aangenomen dat van samenleving in gezinsverband niet langer sprake is.



7.2.
De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat verzoekster op moment dat referente naar Nederland vertrok 19 jaar oud was, en dat zij hiermee zonder meer binnen de leeftijdsgrenzen van het jongvolwassenenbeleid viel. Evenmin is in geschil dat verzoekster met referente samenwoonde op het moment dat referente naar Nederland vertrok, dat verzoekster niet in haar eigen levensonderhoud voorziet en dat zij geen eigen gezin heeft gevormd. Daarmee is in beginsel gegeven dat verzoekster onder het jongvolwassenbeleid valt.



7.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder onvoldoende gemotiveerd heeft aangenomen dat desondanks niet aan het jongvolwassenenbeleid wordt voldaan. Het is juist dat referente in de periode van 2010-2018 zonder haar kinderen in Singapore heeft gewoond, maar uit de stukken en de toelichting daarop ter zitting komt volgens de voorzieningenrechter genoegzaam naar voren dat deze stap door referente is gezet uit financiële noodzaak. Ook is over die periode overtuigend verklaard dat de band tussen referente en haar kinderen altijd heel sterk is gebleven en dat dit zeker geldt voor de band tussen referente en verzoekster, nu verzoekster, als oudste dochter, een zware verantwoordelijkheid kreeg om te zorgen voor haar broertjes en zusje en dit deed onder intensieve begeleiding van referente. Verzoekster was in die periode bovendien een jong meisje (negen jaar ten tijde van het vertrek van referente naar Singapore) en naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder uit de enkele omstandigheid dat referente in die periode zonder haar kinderen in Singapore woonde dan ook niet kunnen afleiden dat niet aan het zogenoemde samenwoonvereiste werd voldaan nadat referente weer naar de Filipijnen was teruggekeerd en opnieuw met verzoekster samenwoonde.



7.4.
Wat betreft de periode na het vertrek van referente naar Nederland in 2022, heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat dit vertrek vrijwillig was, dat verzoekster een bepaalde mate van zelfstandigheid heeft laten zien en zich in zekere zin heeft kunnen handhaven. Uit de geschetste feiten en omstandigheden kan echter niet worden geconcludeerd dat verzoekster in die periode een zodanige mate van zelfstandigheid heeft bereikt dat zij niet meer als jongvolwassene in de zin van het beleid kan worden beschouwd. Daarbij is van belang dat uit de gronden van het verzoek maar ook uit de toelichting daarop ter zitting volgt dat in deze periode nog steeds sprake is geweest van een sterke afhankelijkheid van verzoekster van referente. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat verzoekster dagelijks meermaals contact zoekt met referente over van alles en nog wat. De overgelegde stukken die zien op verzoeksters medische situatie en de toelichting daarop versterken dit beeld. Hieruit volgt dat verzoekster door haar medische aandoening niet kan werken, dat zij geïsoleerd leeft, dat zij erg gespannen is, dat zij veel allergische reacties heeft en dat zij hiervoor veel steun zoekt bij referente die daardoor overspannen is geraakt. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder deze omstandigheden in onderlinge samenhang heeft gewogen en dat verweerder aan de verschillende elementen voldoende gewicht heeft toegekend. Dit klemt temeer nu uit de overgelegde verklaring van de arts van 11 februari 2026 volgt dat het wonen zonder huisgenoten, het reizen en het werken in een omgeving zonder snelle en adequate toegang tot medische voorzieningen een substantieel risico vormen voor mensen die lijden aan anafylaxie. Bovendien is door verzoekster voldoende toegelicht dat zij op dit moment volledig financieel en materieel afhankelijk is van referente.
Nu dit allemaal niet of niet voldoende is meegewogen bij de beoordeling of verzoekster onder het jongvolwassenenbeleid valt, acht de voorzieningenrechter het bestreden besluit op dit punt ontoereikend gemotiveerd. Verweerder zal een nieuwe beoordeling moeten maken op basis van het jongvolwassenenbeleid zoals dat gold op het tijdstip van de aanvraag. Dit laatste volgt uit artikel 1.27 van het Vreemdelingenbesluit.


Bijkomende elementen van afhankelijkheid

8. Uit de overwegingen in de besluiten of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid volgt dat de elementen die hiervoor in randnummers 7.3 en 7.4 in het kader van het jongvolwassenenbeleid zijn besproken, ook in dit kader van de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn, onvoldoende uitgebreid en niet in voldoende samenhang met elkaar zijn gewogen, waardoor er op dat punt ook sprake is van een motiveringsgebrek.
De enkele tegenwerping van verweerder dat verzoekster niet meer beschikt over de schriftelijke medische verklaring waarin is vastgesteld dat inzet in een werksituatie voor verzoekster een reëel en ernstig gezondheidsrisico vormt, is gelet op hetgeen hiervoor is besproken, onvoldoende om aan te nemen dat het voor verzoekster op dit moment mogelijk is om te gaan werken. Het is niet in geschil dat verzoekster al maanden niet werkt en dat zij verschillende allergische reacties heeft gekregen na haar ziekenhuisopname. De stelling van verzoekster dat de medische voorzieningen in haar woonplaats tekortschieten is niet betwist door verweerder en verder heeft verzoekster gemotiveerd gesteld dat (nog) niet duidelijk is waardoor de allergische reacties worden veroorzaakt. De enkele stelling van verweerder ter zitting dat in het medisch rapport enkele voedingsmiddelen zijn genoemd die moeten worden vermeden, is onvoldoende om aan te nemen dat die onduidelijkheid niet meer bestaat. De voorzieningenrechter verwijst ook naar de overgelegde medische verklaring waarin staat dat vanwege de onvoorspelbare aard van allergische triggers, personen met anafylaxie een verhoogd risico lopen in omgevingen waar blootstelling aan onbekende stoffen niet kan worden gecontroleerd en waar medische noodhulp niet direct beschikbaar is. Onder die omstandigheden acht de voorzieningenrechter de stelling van verweerder dat verzoekster zich desondanks in Manila kan vestigen onvoldoende gemotiveerd. Verweerder zal het voorgaande dienen mee te wegen in de nieuwe beoordeling van het bezwaarschrift van verzoekster.


De belangenafweging

9. Uit de uitspraak van de Afdeling van 27 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3048 volgt dat de individuele situatie van een jongvolwassene in aanmerking moet worden genomen bij het maken van de belangenafweging als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Uit de belangenafweging in het primaire besluit, die gehandhaafd is in het bestreden besluit, blijkt niet dat de elementen die hiervoor zijn besproken (voldoende) zijn meegewogen. Ook om die reden bevat het bestreden besluit een motiveringsgebrek.
De enkele tegenwerpingen van verweerder dat referente de biologische moeder is van [naam 5], dat de primaire verantwoordelijkheid voor de opvoeding bij referente ligt en dat de verzorgende rol die verzoekster verrichtte met de komst van [naam 5] naar Nederland is komen te vervallen, doet onvoldoende recht aan de bijzondere familiegeschiedenis van het gezin waarin verzoekster gedurende vele jaren tot aan het vertrek van [naam 5] naar Nederland (slechts enkele maanden voor het bestreden besluit) een zeer grote rol in de opvoeding van [naam 5] heeft gespeeld. Verweerder zal dit element ook moeten betrekken bij de nieuwe beoordeling van het bezwaarschrift van verzoekster.




Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met 3:2 en 7:12, eerste lid van de Awb. Dit betekent dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit. Het is niet mogelijk om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten en de voorzieningenrechter kan ook niet zelf in de zaak voorzien omdat het eerst aan verweerder is om een zorgvuldig onderzoek te verrichten en een goed gemotiveerd besluit te nemen op het bezwaar van verzoekster. Verweerder dient dus opnieuw op het bezwaar te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

11. Gelet op het voorgaande is een voorlopige voorziening niet meer nodig. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening daarom afwijzen.

12. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan verzoekster vergoeden en krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).



Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 400,- (2x € 200,-) aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan verzoekster.


Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Rademakers - Heins, griffier.


Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Link naar deze uitspraak