|
|
|
| ECLI:NL:GHAMS:2026:2099 | | | | | Datum uitspraak | : | 21-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 28-07-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Amsterdam | | Zaaknummers | : | 200.370.632 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Hoger beroep tegen faillietverklaring. Het hof concludeert dat summierlijk is gebleken dat ieder van de geïntimeerden uit hoofde van de boetebepaling in de vaststellingsovereenkomst een vordering op appellante heeft. Niet in geschil is dat appellante niet in staat is deze boetes te betalen. Anders dan appellante heeft betoogd ziet het hof geen gronden om te oordelen dat het faillissementsverzoek oneigenlijk is ingezet. Nu ook aan de overige vereisten voor faillietverklaring is voldaan, wordt het faillissementsvonnis bekrachtigd. | | Trefwoorden | : | belastingrecht | | | omzetbelasting | | | vaststellingsovereenkomst | | | vennootschapsbelasting | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.370.632/01
zaaknummer rechtbank : C/13/26/188 F
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 juli 2026
in de zaak van
[appellant] ,
gevestigd te [plaats 1] ,
appellante,
advocaat: mr. T.S. van Riessen te Amsterdam,
tegen
1 [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ,
wonende te [plaats 2] ,
2. [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4],
wonende te [plaats 2] ,
3. de erven van [geïntimeerde 5] ,
wonende [plaats 3] ,
4. [geïntimeerde 6] en [geïntimeerde 7],
wonende te [plaats 2]
5. [geïntimeerde 8] en [geïntimeerde 9] ,
wonende te [plaats 2] ,
6. [geïntimeerde 10] en [geïntimeerde 11] ,
wonende te [plaats 2]
7. [geïntimeerde 12] ,
gevestigd te [plaats 2] .
geïntimeerden,
advocaat: mr. J.J. de Boer te Hoorn.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerden] genoemd.
1Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij per e-mail op 23 juni 2026 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 16 juni 2026, waarbij [appellant] op verzoek van [geïntimeerden] in staat van faillissement is verklaard met benoeming van mr. A.E. de Vos tot rechter-commissaris en met aanstelling van mr. M.M. Dellebeke, advocaat te Amsterdam, als curator.
Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 14 juli 2026. Namens [appellant] is verschenen J. Kemme (bestuurder), bijgestaan door mr. Van Riessen voornoemd, die het beroepschrift heeft toegelicht aan de hand van overgelegde schriftelijke aantekeningen. Namens [geïntimeerden] zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] (erfgenaam van [name] ), bijgestaan door mr. De Boer voornoemd, die het verweer van [geïntimeerden] mondeling heeft toegelicht. Ook de curator is verschenen, die zijn bevindingen heeft toegelicht.
Het hof heeft kennisgenomen van de volgende stukken die ter griffie zijn ingediend:
voormeld beroepschrift, met bijlagen 1 tot en met 18;
het dossier van de rechtbank, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste
aanleg en het inleidende verzoekschrift van 13 april 2026;
het verweerschrift van [geïntimeerden] van 10 juli 2026;
een bericht van de curator van 13 juli 2026, met bijlagen, waaronder het eerste faillissementsverslag;
de namens [appellant] op 14 juli 2026 ingediende akte houdende reactie op het advies van
de curator, met bijlagen 1 tot en met 11.
Partijen en de curator hebben desgevraagd verklaard eveneens te beschikken over de genoemde stukken.
2Beoordeling
2.1.
[geïntimeerden] hebben op 13 april 2026 bij de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) een verzoekschrift tot faillietverklaring van [appellant] ingediend. Aan dit verzoek hebben zij ten grondslag gelegd dat zij ieder een opeisbare vordering van € 50.000,00 op [appellant] hebben. Volgens [geïntimeerden] vloeit deze vordering voort uit de op 2 september 2024 tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst, waarin is bepaald dat de resterende werkzaamheden met betrekking tot het nieuwbouwproject “ [plaats 4] ” (hierna: het Project) uiterlijk op 18 januari 2025, welke termijn nadien is verlengd tot 7 februari 2025, moesten zijn voltooid, bij gebreke waarvan [appellant] een bedrag van € 50.000,00 per woning zou verbeuren (in de vaststellingsovereenkomst aangeduid als een “dwangsom”, waarmee kennelijk een boete in de zin van artikel 6:91 BW is bedoeld). Bij alle woningen waren de werkzaamheden op 7 februari 2025 verre van voltooid, zodat de boetes verbeurd zijn. [geïntimeerden] hebben via hun advocaat aanspraak gemaakt op betaling van de boetes, maar [appellant] heeft niet betaald. Volgens [geïntimeerden] laat [appellant] zodoende vorderingen van meerdere schuldeisers onbetaald, zodat zij verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen.
2.2.
Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank het verzoek toegewezen. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van [geïntimeerden] en dat voldoende is gebleken van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat [appellant] verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen.
2.3.
[appellant] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank het faillissement ten onrechte heeft uitgesproken en dat het faillissementsvonnis in hoger beroep dient te worden vernietigd. Daartoe heeft zij negen grieven aangevoerd. Volgens [appellant] heeft de rechtbank de vaststellingsovereenkomst onjuist en te simplistisch uitgelegd (grief 1), heeft zij miskend dat de heer Lakeman niet zonder meer kan worden aangemerkt als de in de vaststellingsovereenkomst bedoelde deskundige (grief 2) en heeft zij miskend dat de contractuele keuringsroute door toedoen van [geïntimeerden] niet is gevolgd (grief 3). Voorts stelt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte geen gewicht heeft toegekend aan de reeds lang bestaande betwisting van de vordering inzake de boetes (grief 4), terwijl zij ook de feitelijke stand van het Project en het doorwerken van [appellant] onvoldoende heeft meegewogen (grief 5), een en ander zonder de positie en opstelling van [geïntimeerden] voldoende kritisch te beoordelen (grief 6). Daarnaast voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat sprake is van een toestand van te hebben opgehouden te betalen (grief 7) en dat het faillissementsverzoek geen praktisch nut dient en oneigenlijk is ingezet (grief 8). Ten slotte betoogt [appellant] dat, indien het hof het faillissementsvonnis vernietigt, de faillissementskosten en het salaris van de curator ten laste van [geïntimeerden] dienen te worden gebracht (grief 9).
2.4.
[geïntimeerden] hebben in hun verweerschrift het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de contractuele boetes op 7 februari 2025 zijn verbeurd, omdat [appellant] de overeengekomen werkzaamheden niet tijdig heeft afgerond. Volgens [geïntimeerden] bevat de vaststellingsovereenkomst een duidelijke bepaling omtrent de planning, de keuring door de deskundige en de gevolgen van niet-tijdige nakoming. De door [appellant] in hoger beroep aangevoerde bezwaren tegen de deskundige zijn volgens [geïntimeerden] pas na het verstrijken van de overeengekomen termijn opgeworpen. Al bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst was Lakeman in beeld en was hij de beoogd deskundige. De bezwaren die nu tegen hem worden gemaakt, kunnen daarom niet afdoen aan het verbeuren van de boetes. Daarnaast voeren [geïntimeerden] aan dat de boetevorderingen summierlijk vaststaan, dat sprake is van pluraliteit van schuldeisers en dat de rechtbank het faillissementsverzoek terecht heeft toegewezen. De grieven van [appellant] kunnen volgens [geïntimeerden] daarom niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden.
2.5.
De curator heeft in zijn verslag van 13 juli 2026 bericht dat naar zijn oordeel [appellant] verkeert in de faillissementstoestand. Er is sprake van pluraliteit van schuldeisers. Anders dan [appellant] in haar beroepschrift lijkt te betogen, speelt er meer dan alleen het geschil met [geïntimeerden] . In totaal hebben zich inmiddels 13 schuldeisers bij de curator gemeld. Zij hebben tot een bedrag van in totaal bijna € 345.000,00 vorderingen ingediend. De vorderingen van [geïntimeerden] zijn daarin nog niet begrepen. Wel maakt daarvan deel uit een preferente vordering van de Belastingdienst van bijna € 220.000,00 in verband met omzetbelasting en vennootschapsbelasting. Die schuld, bestaande uit ambtshalve opgelegde aanslagen, lijkt samen te hangen met het feit dat de curator geen deugdelijke boekhouding en administratie heeft aangetroffen, terwijl [appellant] sinds haar oprichting in 2015 ook nooit jaarrekeningen heeft gepubliceerd. Tegenover de schulden staat een banksaldo van circa € 10.000,00, een debiteurensaldo van circa € 74.000,00 (exclusief btw) en een onderhandenwerkpositie van ruim € 55.000,00 (exclusief btw). De opeisbare schulden kunnen zodoende niet worden voldaan, aldus de curator.
2.6.
Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 6, derde lid, Faillissementswet (Fw) de faillietverklaring wordt uitgesproken indien summierlijk blijkt van feiten en omstandigheden welke aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, en, zo een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Indien de stellingen van partijen daartoe aanleiding geven, dient de rechter in hoger beroep opnieuw te onderzoeken of aan de vereisten voor faillietverklaring is voldaan. Bij zijn beslissingen daarover dient de rechter in hoger beroep uit te gaan van de toestand ten tijde van zijn uitspraak en moet hij dus de op dat moment bestaande omstandigheden in aanmerking nemen. Het hiervoor overwogene brengt mee dat tenminste één van de schuldeisers een opeisbaar vorderingsrecht dient te hebben en dat er daarnaast ook andere schuldeisers dienen te zijn die niet betaald zullen kunnen worden.
2.7.
[appellant] betwist in de kern dat [geïntimeerden] een opeisbare vordering hebben vanwege het verbeuren van boetes. [geïntimeerden] hebben in 2021 een aannemingsovereenkomst met [appellant] gesloten voor de bouw van het project [plaats 4] . De bouw is kennelijk in 2023 afgerond, maar sindsdien speelt er nog een grote hoeveelheid opleveringskwesties. De laatste termijnen van de aanneemsom zijn door [geïntimeerden] ook nog niet betaald. Nadat [geïntimeerden] in het voorjaar van 2024 in verband met de opleveringskwesties tegen [appellant] een kort geding aanhangig hadden gemaakt, zijn partijen in onderhandeling getreden. Dat heeft uiteindelijk geleid tot de in een door de voorzieningenrechter in een proces-verbaal vastgelegde vaststellingsovereenkomst van 2 september 2024. Daarin hebben [appellant] en [geïntimeerden] afspraken gemaakt over de uitvoering en afronding van de nog resterende werkzaamheden aan de woningen en de betaling van de nog openstaande termijnen van de aanneemsom. De werkzaamheden zijn opgedeeld in tien delen, een deskundige zal de werkzaamheden keuren. In artikel 1.3 van de vaststellingsovereenkomst is daarnaast het volgende bepaald:
Indien de resterende werkzaamheden aan het Project niet uiterlijk 18 januari 2025 geheel zijn afgerond door een omstandigheid die voor rekening van [appellant] komen verbeurt [appellant] een eenmalige dwangsom van EUR 50,000,- aan iedere bewoner ten aanzien van wie de werkzaamheden niet zijn afgerond, zulks behoudens het geval dat de niet afgeronde werkzaamheden, kenbaar voor één ieder, een bedrag vertegenwoordigen van minder dan
€ 2.500,- (per woning). [Hof: met deze “dwangsom” is, zoals hiervoor vermeld, een boete in de zin van artikel 6:91 BW bedoeld.]
2.8.
Niet is in geschil dat de datum van 18 januari 2025 is verlengd tot 7 februari 2025. [geïntimeerden] hebben onweersproken gesteld dat [appellant] , nadat in september 2024 de vaststellingsovereenkomst was gesloten, zich pas eind november 2024 bij hen meldde. Alleen de werkzaamheden van deel 1 waren – volgens [appellant] – in januari 2025 afgerond. [geïntimeerden] waren echter niet tevreden over de kwaliteit en hebben in samenspraak met Lakeman - die volgens hen van meet af aan als deskundige is aangewezen - geweigerd de werkzaamheden die [appellant] wenste op te leveren, goed te keuren. Niet is in geschil dat in ieder geval de andere negen delen niet zijn opgeleverd door [appellant] . Dat betekent dat [appellant] hoe dan ook de voor het verbeuren van de boetes fatale termijn die eindigde op 7 februari 2025 ten aanzien van elk van de woningen heeft overschreden. Dat het nog openstaande werk per woning minder dan € 2.500,00 zou hebben bedragen is door [appellant] niet betwist en is ook bepaald niet aannemelijk, gezien de grote hoeveelheid werkzaamheden die volgens artikel 1 van de door [appellant] geaccordeerde vaststellingsovereenkomst nog verricht moest worden. Dat de vertragingen voor rekening van [appellant] zijn te brengen, is eveneens aannemelijk. In dit verband wijst [appellant] weliswaar op problemen met bestellingen en leveringen, maar bij gebreke van concrete toelichtingen waarom zij die problemen niet heeft kunnen ondervangen, heeft te gelden dat dergelijke vertragingen voor haar risico komen. Dat er overigens sprake is geweest van vertragende omstandigheden die niet voor rekening van [appellant] komen, is door [appellant] niet althans niet afdoende gesteld. Het kan daarom ervoor worden gehouden dat [appellant] ten aanzien van elk van de woningen er geen beroep op kan doen dat de vertragingen niet voor haar rekening komen. Het feit dat [appellant] na februari 2025 in samenspraak met [geïntimeerden] nog wel werkzaamheden heeft uitgevoerd, maakt dit niet anders. Uit de tekst van de vaststellingsovereenkomst volgt namelijk niet dat indien [appellant] de boete zou verbeuren, zij zou worden van bevrijd van haar verplichting de overeenkomst van aanneming correct na te komen. De boete is kennelijk bedoeld als prikkel tijdig na te komen. Dat heeft [appellant] verzaakt. Omdat zij het werk van de delen 2 tot en met 10 niet vóór 7 februari 2025 ter oplevering en keuring heeft aangeboden, behoeft de discussie over de vraag of Lakeman nu wel of niet door partijen is aangewezen als deskundige, zijn rol bij de keuring van het werk en de in dit verband afgesproken “keuringsroute” geen beoordeling. Het hof concludeert uit het voorgaand summier onderzoek dat blijkt dat ieder van [geïntimeerden] uit hoofde van de boetebepaling in de vaststellingsovereenkomst een vordering op [appellant] heeft. Niet in geschil is dat [appellant] niet in staat is deze boetes te betalen.
2.9.
Uit de mededelingen van de curator volgt bovendien dat er nog meer schuldeisers zijn en dat [appellant] niet de middelen heeft deze schuldeisers te betalen. Het gegeven dat zij bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslagen van de Belastingdienst, maakt dit niet anders. Waar zij kennelijk al een hele tijd wel omzetbelasting in vooraftrek heeft genomen, maar ter zake geen aangifte heeft gedaan en zij bovendien ook nooit jaarrekeningen heeft gepubliceerd, kan ervan worden uitgegaan dat in ieder geval een forse fiscale schuld bestaat, die niet betaald kan worden. Daarmee is summierlijk gebleken dat [appellant] verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen. Dat het faillissementsverzoek geen praktisch nut dient en oneigenlijk is ingezet volgt het hof niet. Het kan zijn, zoals [appellant] stelt, dat haar faillissement meebrengt dat de werkzaamheden niet zullen worden voltooid en dat een faillissement in dat opzicht [geïntimeerden] niet helpt, maar het faillissement heeft meer ten doel, ook in het belang van de overige crediteuren. Het hof ziet dan ook geen gronden om te oordelen dat het verzoek oneigenlijk is ingezet.
2.10.
Het voorgaande betekent dat ook in hoger beroep is voldaan aan de vereisten voor faillietverklaring en dat een faillietverklaring in de rede ligt. De slotsom is dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.
3Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.M. Vaessen, D.J. Oranje en N.J. Huurdeman en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|