|
|
|
| ECLI:NL:GHAMS:2026:2101 | | | | | Datum uitspraak | : | 28-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 28-07-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Amsterdam | | Zaaknummers | : | 200.349.390 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Burengeschil. Vorderingen over en weer tot verwijdering van een camera aan de woning. Door voorzieningenrechter afgewezen tegenvordering wordt alsnog toegewezen. Beide buren moeten hun camera verwijderen wegens ongerechtvaardigde inbreuk op de privacy van de ander. | | Trefwoorden | : | belastingrecht | | | perceel | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.349.390/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/758040 / KG ZA 24-854
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 28 juli 2026
in de zaak van
[appellant]
,
wonend in [plaats] ,
appellante,
advocaat: mr. D.W.E. Urbanus te Amsterdam,
tegen
1 [geïntimeerde 1] ,
2. [geïntimeerde 2],
beiden wonend in [plaats] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr. C.R. Hettema te [plaats] .
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerden] genoemd.
1De zaak in het kort
Deze procedure in kort geding betreft een geschil tussen buren die beiden een camera aan hun woning hebben gehangen. [geïntimeerden] vorderen onder andere veroordeling van [appellant] tot verwijdering van de camera aan de achterzijde van haar woning. Bij wijze van eis in reconventie vordert [appellant] verwijdering van de camera aan de voorzijde van de woning van [geïntimeerden] Bij vonnis zijn de vorderingen van [geïntimeerden] toegewezen en de gevraagde voorzieningen van [appellant] geweigerd. Het hof vernietigt dit vonnis gedeeltelijk en beveelt [geïntimeerden] alsnog hun camera te verwijderen.
2Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 17 december 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 19 november 2024 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer in kort geding gewezen tussen [geïntimeerden] als eisers in conventie, tevens verweerders in reconventie en [appellant] als gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie (hierna: het bestreden vonnis). Deze dagvaarding bevat de grieven en daaraan zijn producties gehecht. [geïntimeerden] hebben daarna een memorie van antwoord ingediend. [appellant] heeft vervolgens nog een akte met producties ingediend.
Op 11 juni 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [geïntimeerden] waren hierbij niet aanwezig. De advocaten van partijen hebben de zaak toegelicht. [appellant] heeft bij deze gelegenheid nog een productie in het geding gebracht. [appellant] en de advocaten hebben ook vragen van het hof beantwoord.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3Feiten
De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.6 de feiten opgesomd die zij bij haar beoordeling tot uitgangspunt heeft genomen. Daartegen zijn geen grieven gericht. Het hof gaat daarom ook van die feiten uit. Zij komen, aangevuld met andere feiten, op het volgende neer.
3.1.
Partijen wonen naast elkaar en zijn dus buren. [geïntimeerden] wonen in de woning aan [straat] [nummer] te [plaats] . [appellant] woont in de woning op nummer 6.
3.2.
In 2024 heeft [appellant] een camera geplaatst aan de achterzijde van haar woning, op één hoog, achter een raam. Deze camera kan bewegen. [appellant] kan deze camera handmatig bedienen met een applicatie op haar telefoon. De bedieningsknop in deze applicatie bestaat uit vier pijlen, één in elke windrichting. Door op een pijl te drukken geeft de applicatie aan de camera het signaal om in de richting van de pijl te bewegen. De camera brengt vanachter het raam op één hoog in ieder geval een groot deel van de achtertuin van [appellant] en een deel van de openbare weg in beeld.
3.3.
Bij brieven van 5 september 2024 en 30 september 2024 hebben [geïntimeerden] [appellant] gesommeerd de camera aan de achterzijde van haar woning te verwijderen. [appellant] heeft de camera toen niet verwijderd.
3.4.
Aan de voorgevel van de woning van [geïntimeerden] is een camera geplaatst die gericht is op de openbare weg. Deze camera kan naar links, naar voren of naar rechts worden gericht; de camera kan niet op afstand worden bediend. De camera is schuin gemonteerd, in de richting van de woning van [appellant] .
3.5.
Bij brief van 16 december 2024 heeft [appellant] [geïntimeerden] gesommeerd de camera aan de voorzijde van hun woning te verwijderen. [geïntimeerden] hebben aan deze sommatie niet voldaan.
4Procedure bij de rechtbank
4.1.
In conventie hebben [geïntimeerden] samengevat gevorderd om bij vonnis [appellant] te bevelen de camera aan de achterzijde van haar woning te verwijderen en haar te verbieden camera’s aan haar woning te bevestigen of op haar erf aanwezig te hebben op een zodanige plaats dat daarmee zicht wordt verschaft op hun perceel of woning, een en ander op straffe van een dwangsom (hierna ook: het bevel en verbod). Ook hebben zij gevorderd [appellant] te veroordelen in de proceskosten.
4.2.
Voor zover in hoger beroep nog van belang, heeft [appellant] in reconventie samengevat gevorderd om bij vonnis [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen tot het verwijderen en verwijderd houden van de camera aan de voorgevel van de woning, dan wel hen te verbieden deze camera te richten op haar woning, op straffe van een dwangsom, en hen hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.
4.3.
De voorzieningenrechter heeft in conventie het bevel en verbod toegewezen, elk op straffe van een dwangsom, en [appellant] veroordeeld in de proceskosten. In reconventie heeft de voorzieningenrechter de door [appellant] gevraagde voorzieningen geweigerd en [appellant] veroordeeld in de proceskosten (begroot op nihil).
5Procedure in hoger beroep
5.1.
[appellant] vordert in hoger beroep vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerden] en toewijzing van haar onder 4.2 genoemde vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten in beide instanties met rente.
5.2.
[geïntimeerden] concluderen tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in hoger beroep.
6Beoordeling
Grieven en beoordelingskader
6.1.
[appellant] heeft vier grieven tegen het bestreden vonnis gericht. De grieven I en II zijn gericht tegen de beslissingen in conventie tot het kort gezegd verwijderen en verwijderd houden van de camera door [appellant] . Grief III bestrijdt de weigering van de voorzieningen in reconventie die erop gericht waren dat [geïntimeerden] hun camera moeten verwijderen en verwijderd houden. Grief IV komt op tegen de proceskostenveroordeling in conventie en reconventie.
6.2.
Bij de beoordeling van de grieven stelt het hof het volgende voorop. Het staat [appellant] en [geïntimeerden] in beginsel vrij om een camera te plaatsen voor het beschermen van het eigen perceel, de eigen woning of aan hun toebehorende goederen op de openbare weg. Dit vindt echter zijn begrenzing in de privacy van anderen zoals buren, in dit geval van de wederpartij. Een camera van de een mag in beginsel niet tevens het perceel of de woning van de ander in beeld (kunnen) brengen, dan wel de ander in persoon in beeld (kunnen) brengen. Naar vaste rechtspraak levert een inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer immers in beginsel een onrechtmatige daad op. De aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond kan aan een inbreuk het onrechtmatige karakter ontnemen. Of een dergelijke rechtvaardigingsgrond zich voordoet, kan slechts worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden van het geval door tegen elkaar af te wegen enerzijds de ernst van de inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en anderzijds de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend (HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:942, r.o. 5.2.1). Dit beoordelingskader heeft de voorzieningenrechter ook tot uitgangspunt genomen. Daartegen is (terecht) geen grief gericht.
De camera van [appellant]
6.3.
De grieven I en II zijn gericht tegen het bevel de camera aan de achterzijde van haar woning te verwijderen en het verbod camera’s aan haar woning te bevestigen of op haar erf aanwezig te hebben op een zodanige plaats dat daarmee zicht wordt verschaft op het perceel of de woning van [geïntimeerden] De strekking van deze grieven is dat de camera volgens [appellant] mag hangen op de plaats waar zij die ophing en dat zij belang heeft om die daar op te hangen.
6.4.
De eerste vraag die het hof moet beantwoorden is of [geïntimeerden] voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de camera van [appellant] inbreuk maakt of kan maken op hun privacy. Deze vraag beantwoordt het hof bevestigend. Uit de door [appellant] overgelegde screenshots van de camerabeelden kan worden afgeleid dat haar camera op die positie meer in beeld brengt dan haar achtertuin. Op deze screenshots is een deel van de openbare weg achter haar achtertuin zichtbaar en is rechts naast deze achtertuin het perceel van haar (andere) buren deels zichtbaar. Links naast haar achtertuin lijkt het perceel van [geïntimeerden] deels zichtbaar. [appellant] heeft verder erkend dat haar camera kan bewegen. Ook heeft zij erkend dat haar camera eens per maand reset en dan daadwerkelijk beweegt. Verder heeft zij laten zien (door overlegging van een video) dat zij haar camera kan bedienen met een applicatie op haar telefoon en dat zij technisch de mogelijkheid heeft om haar camera daarmee in alle windrichtingen te bewegen. Weliswaar heeft zij ter zitting aangevoerd dat de wijze waarop haar camera is gemonteerd het, anders dan [geïntimeerden] gemotiveerd stellen, onmogelijk zou maken om de camera verder in de richting van het perceel van [geïntimeerden] te bewegen, maar zij heeft dit onvoldoende toegelicht. De genoemde screenshots kunnen evenmin weerleggen dat de camera van [appellant] op andere momenten wel (meer) op het perceel van [geïntimeerden] gericht zou kunnen zijn. Op basis van deze omstandigheden is voldoende aannemelijk geworden dat de camera van [appellant] het perceel van [geïntimeerden] (deels) in beeld brengt of kan brengen door in die richting te bewegen. Het hof is daarom voorlopig van oordeel dat de camera van [appellant] inbreuk maakt of kan maken op de persoonlijke levenssfeer van [geïntimeerden] en daarom in beginsel een onrechtmatige daad van [appellant] oplevert.
6.5.
Vervolgens is de vraag aan de orde of de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond het onrechtmatige karakter aan die inbreuk ontneemt. [appellant] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt er belang bij te hebben dat haar camera op één hoog hangt, op zodanige wijze dat meer in beeld gebracht wordt of kan worden dan haar achtertuin. Zij heeft in dit verband aangevoerd de camera op te hangen ter bescherming van haar perceel, eigendommen en katten. Bij haar perceel heeft zij met name het oog op haar achtertuin en erfafscheiding aan de achterzijde. Daarmee heeft zij onvoldoende toegelicht dat zij belang heeft bij een camera die in plaats van op de begane grond op één hoog is geplaatst. In het bijzonder heeft zij onvoldoende toegelicht waarom zij de camera niet ter hoogte van de begane grond, onder het niveau van de schutting kan hangen, zoals de voorzieningenrechter heeft overwogen. Wegens gebrek aan belang bij [appellant] is het hof voorshands van oordeel dat zich geen rechtvaardigingsgrond voordoet die aan de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [geïntimeerden] het onrechtmatige karakter kan ontnemen.
6.6.
Net als de voorzieningenrechter is het hof van oordeel dat het voorgaande voldoende is om [appellant] te bevelen haar camera te verwijderen en haar te verbieden camera’s aan haar woning te bevestigen of op haar erf aanwezig te hebben op een zodanige plaats dat daarmee zicht wordt verschaft op het perceel of de woning van [geïntimeerden] De grieven I en II falen dus.
De camera van [geïntimeerden]
6.7.
Grief III komt op tegen de afwijzing in reconventie van de vordering van [appellant] tot verwijdering en het verwijderd houden van de camera van [geïntimeerden] De grief is erop gericht dat het hof deze vordering alsnog zal toewijzen, omdat de camera onrechtmatig inbreuk maakt op de privacy van [appellant] . Deze vordering is naar haar aard spoedeisend. Het hof merkt deze tegenvordering niet als rauwelijks ingesteld aan. Dat geldt te minder omdat [geïntimeerden] (in hoger beroep) niet hebben gesteld dat zij door het instellen van die tegenvordering in enig (proces)belang zijn geschaad.
6.8.
Ook bij deze beoordeling dient het hof eerst de vraag te beantwoorden of [appellant] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de camera van [geïntimeerden] inbreuk maakt of kan maken op haar privacy. Dat is zo, naar het oordeel van het hof. De camera is gericht op de openbare weg en schuin aan de voorgevel gemonteerd, in de richting van de woning van [appellant] . Deze camera kan in drie richtingen worden gericht. Hoewel het onmogelijk lijkt om met deze camera in de woning of op het perceel van [appellant] te kijken, zoals [geïntimeerden] hebben aangevoerd, hebben zij onvoldoende toegelicht dat het blikveld van hun camera zodanig beperkt is afgesteld dat alleen hun beide auto’s in beeld zijn. Het had op hun weg gelegen om dit nader te onderbouwen, omdat enkel zij de mogelijkheid hebben om te laten zien wat hun camera in beeld brengt. Het hof acht het bovendien onaannemelijk dat hun camera alleen die auto’s in beeld brengt, omdat [geïntimeerden] zelf hebben gesteld dat de camera hen helpt bepaalde situaties met [appellant] te voorkomen en verklaringen van haar te ontkrachten. Daarbij hebben zij kennelijk niet uitsluitend het oog op gevallen waarin hun auto’s betrokken zijn. Wat hiervan ook zij, als dergelijke gevallen in beeld kunnen worden gebracht, ziet hun camera meer dan hun beide auto’s. Op grond van deze omstandigheden is voldoende aannemelijk geworden dat de camera van [geïntimeerden] ook de openbare weg en stoep voor de woning van [appellant] in beeld brengt en dat op die beelden onder andere zichtbaar is dat [appellant] haar woning of auto in- en uitgaat. Het hof is daarom vooralsnog van oordeel dat de camera van [geïntimeerden] inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van [appellant] en daarom in beginsel een onrechtmatige daad van [geïntimeerden] oplevert.
6.9.
De volgende vraag is ook hier of de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond het onrechtmatige karakter aan die inbreuk ontneemt. [geïntimeerden] hebben gesteld dat de camera bedoeld is om hun auto’s te beschermen (tegen beschadiging door [appellant] ). Daarvoor is het niet nodig dat zij méér dan die auto’s in beeld brengen, wat zij – naar hof aanneemt (zie hiervoor) – wel doen. Verder hebben zij gesteld belang te hebben bij hun camera om valse verklaringen van [appellant] te weerleggen. Dit belang hebben zij echter onvoldoende onderbouwd. Het hof is daarom voorlopig van oordeel dat zich geen rechtvaardigingsgrond voordoet die aan de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [appellant] het onrechtmatige karakter kan ontnemen.
6.10.
Het voorgaande acht het hof voldoende om de vordering tot verwijdering en het verwijderd houden van de camera toe te wijzen, op straffe van een dwangsom. Grief III slaagt dus.
Slotsom ten aanzien van de camera’s
6.11.
De slotsom is dat zowel de camera van [appellant] als van [geïntimeerden] onrechtmatige inbreuk maakt op de privacy van de ander en dat zij die camera’s – voor zover zij dat nog niet hebben gedaan – moeten verwijderen en verwijderd houden. Aan eventuele bewijslevering komt het hof vanwege de aard van deze kortgedingprocedure niet toe.
Proceskosten
6.12.
Het hoger beroep heeft gedeeltelijk succes. Het bestreden vonnis wordt in conventie bekrachtigd. Daarentegen slaagt de grief tegen de afwijzing van de vordering in reconventie. Daarom slaagt ook grief IV, voor zover deze grief opkomt tegen de veroordeling van [appellant] in de proceskosten in reconventie in eerste aanleg. In reconventie wordt het vonnis vernietigd, met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten in eerste aanleg. Aldus zijn partijen in het hoger beroep over en weer in het gelijk gesteld. Het hof ziet daarin aanleiding de proceskosten in hoger beroep te compenseren. Het hof stelt de proceskosten in reconventie in eerste aanleg als volgt vast:
- salaris advocaat € 715,00
Totaal € 715,00
7Beslissing
Het hof:
7.1.
bekrachtigt het bestreden vonnis in conventie;
7.2.
vernietigt het bestreden vonnis in reconventie en doet opnieuw recht:
7.3.
veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk de beveiligingscamera aan de voorzijde van de woning aan [straat] [nummer] te ( [postcode] ) [plaats] te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag, met een maximum van € 1.000,00;
7.4.
veroordeelt [geïntimeerden] in de proceskosten in reconventie in eerste aanleg, tot nu vastgesteld op € 715,00 te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
7.5.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
7.6.
bepaalt dat partijen hun eigen proceskosten in dit hoger beroep dragen;
7.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Boeve, J.C. Toorman en E.J. Bellaart en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|