Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:19817 
 
Datum uitspraak:01-07-2026
Datum gepubliceerd:28-07-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:SGR 24/1295
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:BPM
Trefwoorden:belastingrecht
bpm
naheffingsaanslag
omzetbelasting
wettelijke rente
 
Uitspraak
Rechtbank den haag

Team belastingrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/1295

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2026 in de zaak tussen





[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven),

en



de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

22/442

Procesverloop


Verweerder heeft aan eiser ter zake van de registratie van een motorvoertuig met dagtekening 9 december 2022 een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm) opgelegd ter hoogte van € 4.866. Daarbij is een bedrag van € 18 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 29 november 2023 de naheffingsaanslag gehandhaafd. Verweerder heeft daarbij geen proceskosten vergoed of ambtshalve teruggaaf verleend.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Indien en voor zover partijen vóór de zitting nadere stukken hebben ingediend zijn deze stukken telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2026. Op verzoek van partijen heeft de zitting digitaal plaatsgevonden via een MS Teams-verbinding (te weten een geluidsverbinding met beeld). Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde A.F.M.J. Verhoeven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

[naam 1] , [naam 2] en [naam 3] .




Overwegingen


Feiten

1. Eiser heeft een aangifte bpm ingediend, met dagtekening 10 november 2021, met het oog op de registratie in het kentekenregister van een gebruikte Mini Clubman uit Zwitserland met een voertuigidentificatienummer eindigend op [nummer] (hierna: de auto). De registratie is op 19 november 2021 voltooid door tenaamstelling van het Nederlandse kenteken [kenteken] . De auto is op 5 november 2021 gekeurd door de Rijksdienst Wegverkeer (RDW).

2. In de aangifte bpm zijn onder meer de volgende gegevens betreffende de auto vermeld:









Datum eerste toelating



18-05-2016





CO2-uitstoot



114 gr/km NEDC





Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties



€ 26.882





Bruto bpm



€ 7.224





Historische nieuwprijs cf. taxatierapport



€ 39.752





Handelsinkoopwaarde cf. taxatierapport



€ 910





Verschuldigde bpm



€ 164






3. Bij de aangifte bpm is een taxatierapport gevoegd van [bedrijf] , door [naam 4] ondertekend. Daarin is vermeld dat auto fysiek is opgenomen op
10 november 2021 tussen 11:30 tot 12:00 uur te Waddinxveen. Verder is daarin vermeld dat auto in onbeschadigde staat een handelsinkoopwaarde heeft van € 17.283,67 (waarde herleid aan de hand van drie referentievoertuigen) en dat van die waarde een deel van de reparatiekosten is afgetrokken, die zijn bepaald op € 12.916,65 inclusief btw. Bij het taxatierapport is de inkoopfactuur of de inkoopverklaring van de auto niet gevoegd.

4. Verweerder verwerpt het door eiser gehanteerde taxatierapport. Daartoe is redengevend dat het taxatierapport niet voldoet aan hetgeen bepaald in artikel 10 Wet bpm jo. artikel 8, vierde lid, Uitvoeringsregeling bpm, aldus verweerder. Er is namelijk geen aankoopfactuur of inkoopverklaring overgelegd. Bovendien trekt verweerder het bedrag van reparatiekosten in twijfel. Ook zijn er discrepanties tussen de datum eerste toelating en de CO2-uitstoot, zo concludeert verweerder uit gegevens van de RDW. In de aangifte staat een datum eerste toelating van 18 mei 2016 en een CO2-uitstoot van 144 gr/km NEDC. Bij de RDW is de datum eerste toelating vastgesteld op 18 februari 2016 en is de CO2-uitstoot vastgesteld op 203 gr/km NEDC. Verweerder heft na op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel.

5. De aangifte van de auto is door verweerder geselecteerd voor een nadere controle. De auto is op 16 november 2021 geschouwd door Domeinen Roerende Zaken (DRZ). In het verslag van DRZ naar aanleiding van de schouw zijn onder meer de volgende gegevens vermeld die afwijken van de gegevens in de aangifte:













Datum eerste toelating



18-02-2016





CO2-uitstoot



203 gr/km NEDC





Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties



€ 30.318





Consumentenprijs (historische nieuwprijs)



€ 43.909





Laagste handelsinkoopwaarde zonder schade



€ 12.893 (koerslijst Eurotax)





Bruto schadecalculatie



€ 1.581





Vastgestelde waardevermindering door schade



€ 1.138





Handelsinkoopwaarde



€ 11.755






6. Bij brief van 12 oktober 2022 heeft verweerder aan eiser zijn voornemen kenbaar gemaakt om bpm na te heffen voor de auto. Uitgaande van de gegevens van DRZ, zij het wel nog rekening houdend met een nadere vermindering van de handelsinkoopwaarde tot
€ 11.755 in verband met vastgestelde schade, heeft verweerder de verschuldigde bpm bepaald op € 5.030. Na aftrek van de bpm die op aangifte is voldaan (€ 164), resteert een te betalen bedrag van € 4.866. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om binnen drie weken te reageren op het voornemen. Op 23 november 2022 heeft verweerder eiser medegedeeld de naheffingsaanslag op te zullen gaan leggen. Daarop heeft verweerder de naheffingsaanslag conform zijn voornemen opgelegd en heeft hij € 18 aan belastingrente in rekening gebracht.



Geschil 7.In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte is opgelegd.
8. Eiser heeft in beroep de volgende grieven naar voren gebracht:


De rechten van eiser, die kunnen worden ontleend aan het verdedigingsbeginsel, zijn geschonden;


Het opleggen van een naheffingsaanslag nadat het belastbare feit zich heeft voorgedaan is – gegeven het bepaalde in artikel 110 het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) – niet toegestaan;


Verweerder heeft gerekend met een te hoge CO2-uitstoot;


Verweerder heeft onterecht een belastingcontrole uitgevoerd



Eiser concludeert daarom tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en herroeping van de naheffingsaanslag. Subsidiair concludeert eiser tot vermindering van de naheffingsaanslag. Eiser verzoekt om vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten en om vergoeding van het griffierecht alsmede van wettelijke rente over de proceskosten en het betaalde griffierecht. Tevens verzoekt eiser om vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting.

9. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

10. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.


Beoordeling van het geschil



De gestelde schendingen van het verdedigingsbeginsel (grief a)

11. Eiser stelt dat verweerder de naheffingsaanslagen in strijd met artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (HGEU) heeft opgelegd, nu eiser daaraan voorafgaand niet in de gelegenheid is gesteld mondeling te reageren. Het door eiser bedoelde recht om te worden ‘gehoord’ voordat een voor eiser nadelig besluit wordt genomen houdt in dat de betrokkene de gelegenheid wordt geboden het standpunt over een voorgenomen bezwarend besluit naar behoren kenbaar te maken. Uit het Unierecht vloeit niet voort dat het bij een bestuursorgaan naar voren brengen van een zienswijze over een voorgenomen bezwarend besluit, alleen naar behoren kan plaatsvinden indien dit mondeling geschiedt. Het Unierecht schrijft immers niet voor in welke vorm (mondeling of schriftelijk) de belanghebbende deze zienswijze aan het bestuursorgaan kenbaar moet kunnen maken mits de vorm waarvoor het bestuursorgaan kiest geen hindernis vormt van het recht gebruik te maken. Dit betekent dat indien eiser is uitgenodigd om schriftelijk een standpunt kenbaar te maken en eiser in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid aan de eisen van het Unierecht is voldaan.

12. In het onderhavige geval heeft eiser met dagtekening 12 oktober 2022, respectievelijk 23 november 2022, een zogenaamde ‘Kennisgeving naheffingsaanslag bpm’ en een ‘Mededeling naheffingsaanslag bpm’ gekregen en is eiser in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid gebruik kunnen maken van die mogelijkheid. Dat eiser kennelijk ervoor heeft gekozen om dit niet te doen, blijft voor eisers rekening. De conclusie dat sprake is van een schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (artikel 47 HGEU) kan nier niet aan worden ontleend. De verwijzing van eiser naar artikel 47 HGEU maakt vorenstaande niet anders. Deze bepaling waarborgt het recht op een eerlijk proces en een onpartijdig gerecht en niet het recht op een mondelinge toelichting voorafgaand aan het opleggen van een naheffingsaanslag. De verwijzing van eiser naar artikel 7:2 van de Awb biedt voor een dergelijke verplichting ook geen grondslag. Deze nationaalrechtelijke bepaling heeft betrekking op de bezwaarfase en niet op de periode voorafgaande aan de besluitvorming. In laatstgenoemde fase gaat het erom dat een bestuursorgaan de nodige zorgvuldigheid in acht neemt bij de voorbereiding van zijn besluit. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:2 van de Awb. Vormvereisten zijn daarin – anders dan voor de bezwaarfase – niet gegeven. Een tweemaal gegeven mogelijkheid om schriftelijk te reageren acht de rechtbank niet in strijd met dat zorgvuldigheidvereiste. Voor het stellen van prejudiciële vragen op dit punt bestaat, gegeven de hierboven weergegeven gang van zaken, geen aanleiding


De bevoegdheid van verweerder een naheffingsaanslag op te leggen (grief b)
13. De stelling van eiser dat te weinig geheven bpm niet kan worden nageheven nadat voor een gebruikt (vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht) motorvoertuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister) zich heeft voorgedaan, faalt op de gronden vermeld in overweging 2.2 van het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:393. Het is evenmin in strijd met het Unierecht om belastingplichtigen te verplichten het juiste bedrag aan registratiebelasting te voldoen voordat de registratie plaatsvindt. Het hierboven weergegeven antwoord op deze rechtsvraag ziet de rechtbank als een zogenaamde ‘acte claire’, zodat er geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen met betrekking tot dit onderdeel van het beroep. De rechtbank merkt in dit verband ook op dat de vergaande interpretatie van eiser van artikel 110 VWEU ook tot gevolg zou hebben dat een belastingheffend orgaan dat een onjuiste aangifte ontvangt geen gebruik zou kunnen maken van de wettelijke mogelijkheid dat middels een corrigerende (naheffings-)aanslag recht te trekken. Het heffingssysteem van aangifte en voldoening – dat ook bij bijvoorbeeld de veelvuldig aan het Unierecht getoetste omzetbelasting wordt gebruikt - brengt immers met zich mee dat het belastbare feit, gevolgd door het in de aangifte neer te leggen standpunt van de belastingplichtige daaromtrent, het startpunt van de heffing is.


De CO2-uitstoot (grief c)

14. Verweerder heeft de naheffingsaanslag gebaseerd op een CO2-uitstoot van de auto van 203 gram per kilometer, volgens de NEDC-methode. Eiser stelt dat verweerder uit had moeten gaan van een CO2-uitstoot van 144 gram per kilometer (NEDC). Daartoe verwijst eiser naar het bij het beroepschrift gevoegde Certificaat van Overeenstemming (CVO). Daaruit volgt een uitstoot van 144 gram. Eiser stelt dat de te betalen bpm neerkomt op
€ 1.430. Gezien het feit dat er € 164 op aangifte betaald is, moet de naheffingsaanslag verminderd worden tot een bedrag van € 1.266, aldus eiser.

15. Ter zitting verklaart verweerder uit te zijn gegaan van een uitstoot van 203 gram, aangezien die uitstoot ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag bij de RDW bekend was. Verweerder stelt dat de berekening van eiser juist is, maar benadrukt dat eiser de correcte gegevens eerder bij de RDW had moeten indienen.

16. De rechtbank stelt vast dat de correcte CO2-uitstoot van de auto in openbare bronnen inmiddels is bijgesteld van 203 gram naar 144 gram. De grief slaagt. De rechtbank concludeert dat de naheffingsaanslag verminderd moet worden en dat de belastingrente overeenkomstig verminderd dient te worden.


De belastingcontrole door verweerder (grief d)

17. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder een belastingcontrole heeft uitgevoerd, waarvan binnenlandse voertuigen a priori zijn uitgezonderd. Dat is in flagrante strijd met het recht van de Unie, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie in zijn arrest van 10 oktober 1978, Hansen en Balle, EU:C:1978:173, r.o. 17 en 18. De aanslag moet vernietigd worden. De rechtbank is, aldus eiser, kennelijk niet bevoegd uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie en dus van de uitlegging in het arrest Hansen en Balle.

18. De stelling van eiser dat te weinig geheven bpm niet kan worden nageheven nadat voor een gebruikt, vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht, motorvoertuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister, na 1 januari 2022 goedkeuring door de RDW) zich heeft voorgedaan, faalt op de gronden vermeld in overweging 2.2 van het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:393). Voor zover het standpunt van eisers aldus moet worden verstaan dat bij voldoening op aangifte er voor in Nederland reeds aanwezig voertuigen geen controles plaatsvinden overweegt de rechtbank aanvullend als volgt. Indien belasting die op aangifte moet worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur op grond van artikel 20 van de AWR de te weinig geheven belasting naheffen. Daartoe mag de inspecteur een concrete aangifte aan een controle onderwerpen. Dat geldt zowel voor de registratie van zogenoemde binnenlandse voertuigen als voor de registratie van voertuigen afkomstig uit een andere lidstaat. Van schending van artikel 110 VWEU is dan ook geen sprake. Het is niet in strijd met het Unierecht om belastingplichtigen te verplichten het juiste bedrag aan registratiebelasting te voldoen voordat de registratie plaatsvindt. De rechtbank merkt in dit verband ook op dat de vergaande interpretatie van eiser van artikel 110 VWEU ook tot gevolg zou hebben dat een belastingheffend orgaan dat een onjuiste aangifte ontvangt geen gebruik zou kunnen maken van de wettelijke mogelijkheid dat door middel van een corrigerende (naheffings)aanslag recht te trekken. Het heffingssysteem van aangifte en voldoening dat ook bij bijvoorbeeld de – veelvuldig aan het Unierecht getoetste - omzetbelasting wordt gebruikt, brengt immers met zich dat het belastbare feit, gevolgd door het in de aangifte neer te leggen standpunt van de belastingplichtige daaromtrent, het startpunt van de heffing is.

19. Het hierboven weergegeven antwoord op deze rechtsvraag ziet de rechtbank als een zogenaamde ‘acte claire’, zodat er geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen met betrekking tot dit onderdeel van het beroep. Het beroep dat eiser in dit verband heeft gedaan op het arrest Hansen en Balle gaat naar het oordeel van de rechtbank over een juridisch en feitelijk andere situatie. Voor de algemene conclusie van eiser dat de controle na het doen van aangifte in strijd is met het Unierecht kan in dat arrest geen steun worden gevonden.


Conclusie
20. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.


Beoordeling van het verzoek om immateriële schadevergoeding

21. Eiser heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding in verband met de lange afhandelingsduur van de bezwaar- en beroepsprocedure tegen de opgelegde naheffingsaanslag.

22. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt als regel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond.

23. Het bezwaarschrift is binnengekomen op 27 december 2022, de uitspraak op bezwaar is gedaan op 29 november 2023 en de rechtbank doet uitspraak op 1 juli 2026, zodat in deze zaak de redelijke termijn is overschreden met afgerond 16 maanden waarvan 6 maanden zijn toe te rekenen aan de bezwaarfase en 12 maanden aan de beroepsfase.

24. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de redelijke termijn verlengd moet worden dan wel dat de termijn op een later moment dan het indienen van het bezwaar aanvangt.

25. Gelet hierop bedraagt de immateriële schadevergoeding in deze zaak € 2.000 waarvan € 632 door verweerder en € 1.368 door de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) vergoed dient te worden.



Proceskosten en griffierecht

26. Omdat het beroep gegrond is, heeft eiser recht op vergoeding van proceskosten.

27. Eiser verzoekt om vergoeding van de werkelijke kosten die hij ter zake van het bezwaar en het beroep heeft moeten maken. Verweerder is het met dit laatste niet eens. Voor een integrale proceskostenvergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. Een hogere dan forfaitaire vergoeding kan slechts worden toegepast indien sprake is van bijzondere omstandigheden. Dergelijke omstandigheden zijn gesteld noch gebleken. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt dat aan artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie een hogere vergoeding kan worden ontleend, omdat een forfaitaire vergoeding volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) niet passend zou zijn. Derhalve is er geen aanleiding een hogere vergoeding toe te kennen dan de vergoeding van de forfaitaire proceskosten als bedoeld in het Bpb.

28. De proceskosten stelt de rechtbank daarom op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.534. De rechtbank gaat hierbij uit van 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1.

29. Verweerder moet ook het door eiser betaalde griffierecht van € 187 vergoeden. Eiser heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van rente ter zake van het griffierecht. De rechtbank honoreert die aanspraak in zoverre dat recht bestaat op een vergoeding van wettelijke rente indien het griffierecht niet aan eiser wordt uitbetaald binnen vier weken na de datum van deze uitspraak.


Beslissing

De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt de uitspraak op bezwaar;


vermindert de naheffingsaanslag tot € 1.266;


draagt verweerder op de in rekening gebrachte belastingrente overeenkomstig te verminderen;


veroordeelt verweerder tot vergoeding van de immateriële schade van eiser tot een bedrag van € 632, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;


veroordeelt de Minister van Justitie en Veiligheid tot betaling van een immateriële schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.368, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;


veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.534, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;


draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 187 aan eiser te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening.



Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.W. van de Griend, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
1 juli 2026.







griffier rechter


Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag (belastingkamer) waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:


Bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.


Het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden.


a. De naam en het adres van de indiener;
b. De datum van verzending;
c. Een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. De redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Link naar deze uitspraak