|
|
|
| ECLI:NL:RBAMS:2026:7554 | | | | | Datum uitspraak | : | 22-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 29-07-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Amsterdam | | Zaaknummers | : | C/13/757662 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Personenschade, eindvonnis, begroting verlies aan verdienvermogen, schending van artikel 21 Rv. met gevolg voor de omvang van de proceskostenveroordeling | | Trefwoorden | : | aangifte inkomstenbelasting | | | burgerlijk wetboek | | | inkomstenbelasting | | | uitkering | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/757662 / HA ZA 24-1113
Vonnis van 22 juli 2026
in de zaak van
[eiseres]
,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiseres in conventie,
gedaagde in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. R. Mayer,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
wonende te [woonplaats 2] (Verenigd Koninkrijk),2. [gedaagde 2],
wonende te [woonplaats 2] (Verenigd Koninkrijk),
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden] en voor zover afzonderlijk bedoeld [gedaagde 1] respectievelijk [gedaagde 2] ,
advocaat: mr. A. Cav.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 8 april 2026 met de daarin genoemde stukken,
- de akte uitlating van 6 mei 2026, tevens overlegging producties en wijziging van eis van [eiseres] met producties,
- de antwoordakte van 3 juni 2026 van [gedaagden]
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
In conventie
2.1.
De rechtbank volhardt in hetgeen is overwogen en beslist in de eerdere tussenvonnissen die in deze zaak zijn gewezen, waaronder het tussenvonnis van 8 april 2026 (hierna: het tussenvonnis). In het tussenvonnis heeft de rechtbank onder meer de schade definitief begroot (of afgewezen) ten aanzien van de schadeonderdelen: BIG-registratie, economische kwetsbaarheid, huishoudelijke hulp, verlies aan zelfredzaamheid, medische kosten, medische hulpmiddelen, daggeld ziekenhuis/revalidatiecentrum, vervoers- en parkeerkosten en ten aanzien van de immateriële schade. Het totaalbedrag voor deze schadeonderdelen bedraagt € 22.539,10, waarvan [gedaagden] , in verband met het geslaagde beroep op eigen schuld, 60% aan [eiseres] moet vergoeden.
2.2.
Ten aanzien van het gestelde (toekomstige) verlies aan verdienvermogen en de gerezen vragen over een in het verleden door [eiseres] genoten uitkering van ASR heeft de rechtbank [eiseres] in de gelegenheid gesteld bij akte een nadere toelichting en onderbouwing te geven van haar standpunten. [gedaagden] heeft daar bij antwoordakte op kunnen reageren.
2.3.
[eiseres] heeft vervolgens de akte van 6 mei 2026 genomen en daarin een nadere toelichting gegeven en nadere bewijsstukken overgelegd. [eiseres] heeft daarbij ook haar eis gewijzigd in die zin dat zij, naar de rechtbank begrijpt (gelet op de vordering die zij bij dagvaarding instelde), thans vordert om [gedaagden] te veroordelen tot vergoeding van haar schade ten bedrage van € 83.590,- te vermeerderen met wettelijke rente en kosten.
2.4.
[gedaagden] heeft bij antwoordakte van 3 juni 2026 gereageerd.
De rechtbank komt niet terug van eerder genomen bindende eindbeslissingen
2.5.
[eiseres] heeft zich in haar akte van 6 mei 2026 niet beperkt tot de onderwerpen waarover de rechtbank nader wenste te worden voorgelicht. [eiseres] is ook opnieuw ingegaan op de schadeonderdelen: medische kosten, huishoudelijke hulp, immateriële schade en economische kwetsbaarheid. Over deze schadeposten heeft de rechtbank in het tussenvonnis echter al uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist. Deze beslissingen kwalificeren daarmee als bindende eindbeslissingen.
Van dergelijke, in een eerder tussenvonnis gegeven bindende eindbeslissing, kan niet worden teruggekomen behalve wanneer bijzondere, door de rechtbank in haar desbetreffende beslissing nauwkeurig aan te geven omstandigheden het onaanvaardbaar zouden maken dat de rechtbank aan de eindbeslissing in kwestie zou zijn gebonden. Dat kan met name het geval zijn wanneer sprake is van een overduidelijke feitelijke of juridische misslag of wanneer de desbetreffende beslissing blijkt te berusten op een, niet aan de belanghebbende partij toe te rekenen, onjuiste feitelijke grondslag. Hiervan is de rechtbank echter niet gebleken en dat stelt [eiseres] ook niet. Uit hetgeen [eiseres] over die schadeposten in haar akte van 6 mei 2026 naar voren brengt, blijkt dat zij het oneens is met de door de rechtbank genomen beslissingen. Voor een nieuw inhoudelijk debat over die schadeposten is in deze procedure echter geen plaats meer, althans niet in deze instantie. Er bestaat naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen aanleiding om terug te komen van haar eerdere in het tussenvonnis gegeven bindende eindbeslissingen.
Ten aanzien van het geleden en nog te lijden inkomensverlies
2.6.
[eiseres] heeft in haar akte van 6 mei 2026 voor het eerst toegelicht dat zij in de jaren 2019-2022 een tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering van ASR heeft ontvangen in verband met stress gerelateerde mentale beperkingen op basis van een arbeidsongeschiktheid van (aanvankelijk) 80%-100%. Verder heeft [eiseres] toegelicht dat in die periode van fluctuerende arbeidsongeschiktheid PTSS bij haar is vastgesteld. Omdat er geen sprake meer was van een medisch objectiveerbare aandoening of stoornis is de uitkering die [eiseres] ontving eerst afgebouwd en op 1 oktober 2022 volledig gestopt.
Het arbeidsdeskundig rapport van 21 april 2022 vermeldt verder dat [eiseres] niet zal terugkeren in haar oude beroep en dat zij waarschijnlijk als zelfstandige zal doorgaan.
[eiseres] stelt dat zij ten tijde van het incident op 3 februari 2023 volledig was hersteld van haar eerdere arbeidsongeschiktheid en dat er geen pre-existente klachten zijn die relevant zijn voor de vaststelling van de ten gevolge van het incident geleden inkomensderving.
2.7.
[gedaagden] wijzen erop dat [eiseres] slechts “polistechnisch” niet langer in aanmerking komt voor een uitkering van ASR, maar dat dat niet per definitie betekent dat [eiseres] ook weer volledig kan functioneren in haar oude beroep. Sterker nog, sinds deze eerdere arbeidsongeschiktheid is een substantiële kernactiviteit van een verloskundige, de bevallingsbegeleiding, voor de toekomst juist weggevallen. Het wegvallen van deze kernwerkzaamheden reduceert haar verdiencapaciteit (voor de toekomst) fundamenteel. Haar takenpakket is sindsdien beperkter en het daarvoor geldende uurtarief lager.
2.8.
Dat standpunt is op zichzelf genomen juist. [eiseres] baseert haar berekening van hetgeen zij zou hebben verdiend indien het ongeval wordt weggedacht dan ook niet op het inkomen van een verloskundige die bevallingsbegeleiding doet, maar op hetgeen zij zou hebben verdiend met – kort gezegd – praktijkondersteunende werkzaamheden bij Terra Verloskundigen en verloskundigenpraktijk [naam] en het geven van online voorlichting bij SAG.
2.9.
De rechtbank stelt vast dat [eiseres] eerder in deze procedure niet heeft vermeld dat zij gedurende een aantal jaren voorafgaand aan het incident van 3 februari 2023 (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt was en om die reden een arbeidsongeschiktheidsuitkering van ASR ontving in de jaren 2019-2022. Dat deze uitkering drie à vier maanden voorafgaand aan het incident was beëindigd en dat zij formeel op de datum van het incident niet langer arbeidsongeschikt werd geacht in de zin van de polis en geen arbeidsongeschiktheidsuitkering meer ontving, maakt niet dat zij hierover geen mededeling had moeten doen. De eerdere arbeidsongeschiktheid kan en is nog steeds relevant voor de te beantwoorden vraag welk verdienvermogen [eiseres] zou hebben gehad in de hypothetische situatie zonder ongeval. Uit de thans overgelegde stukken blijkt verder dat [eiseres] sinds haar eerdere arbeidsongeschiktheid geen bevallingen meer kon begeleiden maar wel, tegen een mogelijk lager uurtarief, allerlei andere werkzaamheden die zich voordoen binnen een verloskundigen praktijk, zoals bijvoorbeeld het doen van spreekuur, kraamvisites, assistenten werkzaamheden en het geven van voorlichting.
Bovendien wekte [eiseres] de indruk, door geen mededelingen te doen over deze eerdere arbeidsongeschiktheid, dat zij het gehele jaar 2022 gemiddeld twee dagen per week 15 á 20 uur werkte bij Terra tegen een uurtarief van € 30,-, terwijl zij in werkelijkheid pas weer voor Terra is gaan werken nadat de arbeidsongeschiktheidsuitkering per 1 oktober 2022 was geëindigd. Volgens haar aangifte inkomstenbelasting heeft zij over 2022 in totaal slechts
€ 2.907,- bij Terra verdiend.
Deze omstandigheden zijn relevant en dienen mede in ogenschouw te worden genomen bij het hierna vast te stellen inkomensverlies per werkgever/opdracht.
De rechtbank concludeert dat [eiseres] , door over het voorgaande niet eerder openheid van zaken te geven, in strijd heeft gehandeld met haar waarheids- en substantieringsplicht (zie artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).
2.10.
Uit de thans overgelegde stukken rondom de eerdere arbeidsongeschiktheid maakt de rechtbank verder op dat die eerdere arbeidsongeschiktheid was gebaseerd op mentale en stress gerelateerde klachten. Dat zij daarnaast ook pre-existente klachten/beperkingen had aan haar been/knie is niet gebleken. Ook uit de overgelegde gegevens van de huisarts komen dergelijke pre-existente klachten aan haar been niet naar voren.
Ten aanzien van Terra
2.11.
Uit de nadere door [eiseres] in haar akte van 6 mei 2026 gegeven toelichting blijkt dat zij vanwege haar eerdere arbeidsongeschiktheid pas vanaf 1 oktober 2022 bij Terra is gaan werken. De door haar opgegeven gemiddeld gewerkte 15 à 20 uur per week tegen een uurtarief van € 30 gedurende de laatste drie maanden van het jaar 2022 strookt nog steeds niet met het bij de belastingdienst voor 2022 opgegeven loon van Terra van € 2.907,-. Immers, een loon van € 2.907,- leidt bij € 30,- per uur tot (afgerond) 97 gewerkte uren in de laatste drie maanden van 2022 en dus tot circa 8 uur per week, hetgeen beduidend minder is dan 15 à 20 uur per week die [eiseres] stelt te hebben gewerkt in dat laatste kwartaal van 2022, terwijl zij evenmin heeft gesteld dat zij ook voor Terra (net als bij Verloskundigenpraktijk [naam] ) de overige uren zwart heeft gewerkt. Deze in de laatste maanden van 2022 verrichte werkzaamheden worden door [eiseres] gebruikt ter onderbouwing van haar verdiencapaciteit en hetgeen zij in 2023 is misgelopen ten gevolge van het incident op 3 februari 2023. Wel is duidelijk dat zij verdiencapaciteit had die zij niet heeft kunnen benutten als gevolg van het ongeval dat haar is overkomen. De rechtbank sluit aan bij het loon dat voor 2022 bij de belastingdienst is opgegeven en gaat ervan uit dat [eiseres] deze € 2.907,- heeft verdiend in ongeveer 12 weken tijd in het laatste kwartaal van 2022, hetgeen neerkomt op € 242,25 gemiddeld per week. In de periode direct na het incident, te weten van 3 februari 2023 tot en met 20 november 2023, heeft [eiseres] helemaal niet kunnen werken. De rechtbank begroot de door haar gemiste inkomsten voor die periode schattenderwijs dan ook op 41 weken x € 242,25 bruto, derhalve op € 9.932,25 bruto.
2.12.
In de periode vanaf 21 november 2023 tot aan 29 januari 2024 heeft [eiseres] haar werkzaamheden voor Terra weer opgestart maar heeft zij, ten gevolge van het incident, minder kunnen werken dan zij zou hebben gedaan indien het incident niet zou hebben plaatsgevonden. [eiseres] stelt in die periode vijf uur per week te hebben gewerkt in plaats van 15-20 uur. Dat komt de rechtbank niet onaannemelijk voor. De rechtbank begroot de gederfde inkomsten over die periode (hierna ook wel periode 2a (6 weken in 2023) en periode 2b (4 weken in 2024) op 75% van € 242,25 bruto per week, wat neerkomt op
€ 1.090,13 bruto (6 weken x € 242,25 per week x 0.75) voor periode 2a en € 726,75 bruto (4 weken x € 242,25 per week x 0.75) voor periode 2b.
Dat zij in 2022 en/of in 2023 een grotere verdiencapaciteit had (die neerkomt op 15 à 20 uur tegen een uurtarief van € 30) en/of mogelijk meer zou zijn gaan werken in 2023 indien het incident niet zou hebben plaatsgevonden, is onvoldoende door [eiseres] onderbouwd zodat de rechtbank daar niet vanuit gaat.
2.13.
[eiseres] heeft daarnaast wel voldoende toegelicht en onderbouwd, onder meer aan de hand van productie 50, dat zij op dit moment in 2026 nog steeds werkzaamheden verricht voor Terra en dat zij vanaf 1 juni 2026 16 uur per week voor Terra werkzaam is tegen een bruto uurtarief van € 23,89. Het gaat daarbij om een drie maanden contract met mogelijkheid tot verlenging. Naar verwachting zal de binnenkort nog te ondergane operatie ter verwijdering van het osteosynthesemateriaal plaatsvinden binnen de (verlengde) periode waarop zij voor Terra werkzaamheden verricht. De hiermee gemoeide toekomstig te lijden schade, volgens [eiseres] € 2.293,44 (6 weken x 16 uur x € 23,89 per uur) wordt bovendien ook niet langer door [gedaagden] betwist. De toekomstig te lijden schade in verband met haar werkzaamheden voor Terra wordt daarom ook door de rechtbank begroot op dit bedrag van € 2.293,44 bruto.
[naam]
2.14.
Voorop wordt gesteld dat ook inkomsten die buiten het zicht van de fiscus zijn gehouden en die ten gevolge van het incident worden gemist voor vergoeding in aanmerking kunnen komen, mits de omvang ervan voldoende wordt onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] voldoende aangetoond dat zij vlak voor het incident € 260,- per week bij [naam] verdiende (twee dagen per week, € 130,- per dag). Daarnaast volgt afdoende uit de als productie 26 overlegde verklaring van [naam] in combinatie bezien met de overgelegde producties 27 en 41 waaruit blijkt dat [eiseres] ook na het incident nog werkzaamheden voor [naam] heeft verricht, dat het daarbij niet ging om een één- of tweemalige invalbeurt. De rechtbank acht het voldoende aangetoond dat [eiseres] , het incident weggedacht, gedurende de periode 3 februari 2023 tot 29 september 2023 de werkzaamheden bij [naam] zou hebben voortgezet indien het incident niet zou hebben plaatsgevonden. Daarom begroot de rechtbank de door [eiseres] bij [naam] ten gevolge van het incident misgelopen inkomsten op € 8.840,- zwart (34 weken x € 260,-). Ook ten aanzien van deze zwarte misgelopen inkomsten dient een omslag naar (fictieve) netto gemiste inkomsten te worden gemaakt, waardoor de rechtbank uitgaat van misgelopen inkomsten ter hoogte van € 8.840,- bruto welk bedrag nog naar netto moet worden omgerekend.
Stichting Amsterdamse Gezondheidscentra (SAG)
2.15.
De rechtbank acht voldoende aangetoond dat [eiseres] € 650,- bruto aan inkomen van SAG is misgelopen ten gevolge van het incident wegens het niet kunnen geven van voorlichting. [gedaagden] voeren hiertegen geen verweer meer. De gemiste inkomsten van SAG worden daarmee definitief begroot op € 650,- bruto. Desgevraagd heeft [eiseres] in haar akte nader onderbouwd met stukken (producties 51a-51d) dat zij deze voorlichting nog altijd geeft in 2026 en dat zij deze voorlichting tijdelijk niet zal kunnen verzorgen vlak na het moeten ondergaan van de operatie ter verwijdering van het osteosynthesemateriaal. De toekomstige inkomensschade bij SAG wordt daarom begroot op € 1.125,- bruto
(6x € 187,50).
Bruto-netto berekening
2.16.
De verder niet (concreet) inhoudelijk door [gedaagden] betwiste bruto – netto berekening van [eiseres] , die de rechtbank niet onaannemelijk voorkomt, zal de rechtbank volgen, waarmee het voor vergoeding in aanmerking komende verlies aan verdienvermogen als volgt, schattenderwijs, netto wordt begroot:
bruto (belasting %) netto
Terra periode 1 € 9.932,25 38,6% € 6.098,40
Terra periode 2a € 1.090,13 38,6% € 669,34
Terra periode 2b € 726,75 5,32% € 688,09
[naam] € 8.840,00 38,6% € 5.427,43
SAG € 650,00 38,6% € 399,08
SAG toekomstig € 1.125,- 42,25% € 649,69
Terra toekomstig € 2.293,44 36,93% € 1.446,47
Totaal €24.657,57 €15.378,50.
Totale schade
2.17.
Daarmee wordt de totale door [eiseres] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het incident begroot op € 22.539,10 (zie rov. 2.38 van het tussenvonnis) + € 15.378,50 = € 37.917,60 waarvan [gedaagden] wegens het geslaagde beroep op eigen schuld uiteindelijk 60%, te weten een bedrag van € 22.750,56 aan [eiseres] moet vergoeden, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 3 februari 2023.
Slotsom ten aanzien van het gevorderde in conventie
2.18.
Dat betekent dat de gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar is met dien verstande dat [gedaagden] voor 60% aansprakelijk zijn.
2.19.
De gevorderde betalingsveroordeling is toewijsbaar tot een bedrag van € 22.750,56 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2023. Nu dat niet expliciet is gevorderd in het petitum van de dagvaarding en ook niet bij latere wijzigingen van de eis, zullen [gedaagden] wel allebei maar niet hoofdelijk worden veroordeeld.
In reconventie
Ten aanzien van het beslag
2.20.
Nu [eiseres] in conventie overwegend gelijk krijgt en [gedaagden] € 22.750,56 aan schadevergoeding aan haar moeten betalen, heeft [eiseres] terecht conservatoir beslag laten leggen ter verhaal van haar vordering.
De in reconventie gevorderde opheffing van dat beslag is niet toewijsbaar.
In conventie en in reconventie
Ten aanzien van de proceskosten
2.21.
[gedaagden] zijn zowel in conventie als in reconventie (overwegend) in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiseres] betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten dagvaarding € 152,91
- griffierecht € 2.306,00
- salaris advocaat in conventie € 3.265,00 (5 punten x tarief II)
- salaris advocaat in reconventie € 326,50 ( 1 punt x factor 0.5 x tarief II)
- taxe getuigen € 7,50
- beslagkosten € 1.259,40
- nakosten € 296,00 (plus de verhoging zoals vermeld in
de beslissing)
Totaal € 7.613,31.
Als gevolg van de omvangrijke vordering die [eiseres] bij dagvaarding heeft ingesteld, die echter maar voor een deel toewijsbaar is gebleken, is [gedaagden] desondanks belast met een substantieel bedrag aan griffierecht en wordt zij bovendien veroordeeld tot vergoeding van het navenant hoge bedrag aan griffierecht dat [eiseres] verschuldigd was. Nu het toewijsbaar gebleken bedrag bovendien in de buurt ligt van de grens tussen toepasselijkheid van tarief II en tarief III wordt met het oog op het voorgaande eerst genoemd tarief bij de kostenveroordeling gehanteerd. Bij het salaris advocaat is rekening gehouden met het gelegde beslag en ook met het gevoerde voorlopige getuigenverhoor. In conventie komen 5 punten x tarief II (ad € 653,- per punt) voor vergoeding in aanmerking, te weten 1 punt voor de dagvaarding, 1 punt voor de mondelinge behandeling, 0,5 punt voor de akte na het tussenvonnis van 26 november 2025, 1 punt voor het beslag en 1,5 punten voor de voorlopige getuigenverhoren. Voor de laatste akte van [eiseres] (van 6 mei 2026) wordt geen salarispunt toegekend, nu het nemen van deze akte is te wijten aan het eerder onvoldoende voorlichten van de rechtbank over de door [eiseres] in het verleden ontvangen arbeidsongeschiktheidsuitkering van ASR. Voor het opgeworpen incident was bij incidenteel vonnis al een proceskostenveroordeling uitgesproken.
De reconventie is berekend op halve punten grondslag en uitstuitend voor de conclusie van antwoord in reconventie komt in dit geval een salarispunt voor vergoeding in aanmerking en niet tevens ook voor de mondelinge behandeling waar de reconventie nauwelijks aan bod is gekomen.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3De beslissing
De rechtbank
In conventie
3.1.
verklaart voor recht dat [gedaagden] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor 60% van de schade die [eiseres] heeft geleden en nog zal lijden ten gevolge van het ongeval op 3 februari 2023;
3.2.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling aan [eiseres] van € 22.750,56 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek vanaf 3 februari 2023 tot aan de algehele voldoening;
In reconventie
3.3.
wijst het gevorderde af;
In conventie en in reconventie
3.4.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten van € 7.613,31 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten [gedaagde 1] en [gedaagde 2] € 98,- extra betalen, plus de kosten van betekening;
3.5.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
3.6.
wijst af het meer of anders gevorderde;
3.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. van Harmelen, rechter, bijgestaan door mr. C.L. de Rijke, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|