|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:21260 | | | | | Datum uitspraak | : | 30-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 30-07-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | NL25.1609 | | Rechtsgebied | : | Vreemdelingenrecht | | Indicatie | : | Visum kort verblijf. Schending hoorplicht en motiveringsgebrek. Beroep gegrond. | | Trefwoorden | : | levensonderhoud | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.1609
V-nummer: [V nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedatum] 1971, van Turkse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. Š. Petković),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Hambarsumian).
Inleiding
1. Met het primaire besluit van 13 juni 2024 heeft verweerder de aanvraag van eiser om de afgifte van een visum kort verblijf afgewezen.
1.1.
Met het bestreden besluit van 17 december 2024 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referente, mr. L. Hu als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Eiser heeft een aanvraag voor een visum kort verblijf ingediend. Eiser wil namelijk zijn partner [referente] (hierna: referente) in Nederland bezoeken en kennismaken met haar familie en de Nederlandse cultuur.
3. In het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen op de gronden dat (i) het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond en (ii) er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser het grondgebied van de lidstaten vóór het verstrijken van het visum te verlaten.
4. Met het bestreden besluit heeft verweerder deze afwijzingsgronden gehandhaafd. Omdat het bezwaar kennelijk ongegrond is, heeft verweerder afgezien van het horen van eiser in de bezwaarfase.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag voor een visum kort verblijf op goede gronden heeft afgewezen. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Doel en omstandigheden van het voorgenomen verblijf
6. Eiser stelt dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf wel degelijk zijn aangetoond. Referente is namelijk de partner van eiser en hij wil haar in Nederland bezoeken en kennismaken met haar familie en de Nederlandse cultuur. Zij hebben elkaar tot nu toe alleen in Turkije of Bosnië kunnen zien. Het is voor referente moeilijk om voor langere tijd naar het buitenland te gaan omdat zij de zorg draagt voor haar zoon die het Downsyndroom heeft. Het is daarom voor de relatie goed als eiser haar ook in Nederland kan bezoeken.
7. De gemachtigde van verweerder heeft op de zitting toegelicht dat eiser zijn sociale en economische binding met Turkije onvoldoende heeft onderbouwd en dat verweerder daarom twijfelt over zijn tijdige terugkeer. In het verlengde hiervan twijfelt verweerder daarom ook aan het doel en de omstandigheden van de voorgenomen reis van eiser. Het standpunt van verweerder over het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf vloeit dus voort uit het standpunt van verweerder over de redelijke twijfel omtrent een tijdige terugkeer van eiser. Deze afwijzingsgrond is in het bestreden besluit niet nader gemotiveerd omdat de aanvraag volgens verweerder al kan worden afgewezen op grond van de twijfel aan de tijdige terugkeer.
8. De rechtbank overweegt dat redelijke twijfel over een tijdige terugkeer enerzijds en het niet aannemelijk maken van het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf anderzijds ieder zelfstandige afwijzingsgronden zijn. Deze moeten dan ook als zodanig worden behandeld. Verweerder kan dus niet stellen dat de motivering voor de ene afwijzingsgrond voortvloeit uit de andere, maar moet voor elke afwijzingsgrond een zelfstandige motivering geven. Dat heeft verweerder in het geval van eiser niet gedaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser het doel en de omstandigheden van zijn verblijf niet aannemelijk heeft gemaakt. Het bestreden besluit bevat op dat punt dus een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet met de aangevoerde stukken en de toelichting van referente op zitting geen reden om te twijfelen aan de relatie russen eiser en referente zodat eiser het doel van zijn verblijf aannemelijk heeft gemaakt.
Economische en sociale binding met Turkije
9. Een visumaanvraag voor kort verblijf wordt onder andere afgewezen als er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten. Bij het onderzoek of daar twijfel over bestaat, komt verweerder een ruime beoordelingsruimte toe. Verweerder kent bij zijn beoordeling een bijzonder gewicht toe aan de vaststelling of is gebleken van zodanige economische en/of sociale binding van de aanvrager met het land van herkomst dat een tijdige terugkeer daarmee voldoende gewaarborgd is.
10. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat geen sprake is van economische binding met Turkije. Eiser heeft bewijs overgelegd waaruit blijkt dat hij gepensioneerd is en dat hij over een regelmatig en substantieel inkomen beschikt, waarmee hij zelfstandig in zijn levensonderhoud kan voorzien. Ook heeft eiser een inwonende meerderjarige dochter waar hij verantwoordelijk voor is. De tegenwerping dat eiser in bezwaar een (nieuw) niet-gelegaliseerd garantstellersformulier heeft overgelegd volgt eiser niet, aangezien op één antwoord na, alle antwoorden gelijk waren aan de eerder ingediende gelegaliseerde versie.
11. Volgens verweerder blijkt uit de overgelegde stukken niet dat (tijdige) terugkeer vereist is om het pensioen te blijven ontvangen. Daarom vormt het pensioen niet een zodanige economische binding dat de tijdige terugkeer hiermee is gewaarborgd. De zorgtaken en verantwoordelijkheden voor de meerderjarige dochter zijn niet geconcretiseerd of onderbouwd. Verweerder vindt niet dat er herstelverzuim geboden had moeten worden voor het legaliseren van de garantstelling, aangezien dit de uitkomst niet anders had kunnen maken.
12. De rechtbank is met eiser van oordeel dat het standpunt van verweerder met zich mee brengt dat gepensioneerden met meerderjarige kinderen nooit een partner of familielid zouden kunnen bezoeken in Nederland. Over het algemeen hebben pensionado’s namelijk geen zorgtaken voor minderjarige kinderen, maar daar staat tegenover dat zij vaak hun hele leven in het land van herkomst hebben gewoond en daar geworteld zijn. Dat eiser zijn hele leven in Turkije heeft gewoond en een inwonende dochter heeft moet naar het oordeel van de rechtbank meegewogen worden in de besluitvorming. Ook is de rechtbank van oordeel dat verweerder een herstelverzuim had moeten bieden voor het legaliseren van de garantstelling en dat deze meegewogen had moeten worden.
Hoorplicht
13. Volgens eiser is sprake van een schending van de hoorplicht. Het lag op de weg van verweerder om eiser tijdens een hoorzitting nader te bevragen over de in bezwaar overgelegde stukken en de naar voren gebrachte informatie. Gelet op de inhoud en onderbouwing van het bezwaar, was de uitkomst van het bezwaar niet evident. Door eiser en referente niet te horen, heeft verweerder hen de mogelijkheid ontnomen om een nadere toelichting te geven op eventuele vragen die bij verweerder speelden. Een hoorzitting had de gelegenheid geboden om hun standpunten nader uiteen te zetten en aanvullende feiten en omstandigheden toe te lichten.
14. De rechtbank overweegt als volgt. Het is vaste rechtspraak dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. Het horen in de bezwaarfase vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat wat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een ander standpunt kan leiden dan het standpunt in het primaire besluit. Een bezwaar kan dan kennelijk ongegrond worden verklaard. Met deze uitzondering op de hoorplicht moet terughoudend worden omgegaan. Een relevante omstandigheid is onder meer de mate waarin een vreemdeling bereidwillig en actief de inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden bij het verkrijgen en tijdig aanleveren van de verzochte informatie. De vuistregel is dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting.
15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet kunnen afzien van het horen van eiser en referente in de bezwaarfase. In bezwaar zijn nadere stukken overgelegd die de relatie en het pensioen van eiser onderbouwen. Hierdoor kan niet worden gesteld dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat wat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een ander standpunt kan leiden dan het standpunt in het primaire besluit. Verweerder zal eiser en referente daarom alsnog moeten horen voordat opnieuw op het bezwaar van eiser wordt beslist.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep is gegrond omdat de hoorplicht is geschonden en het bestreden besluit motiveringsgebreken bevat. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van acht weken.
16.1.
Omdat eiser geen griffierecht heeft betaald, hoeft verweerder geen griffierecht aan hem te vergoeden. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 17 december 2024;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak El Idrissi, rechter, in aanwezigheid van mr.M.A.H. Gonera, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 32, eerste lid, onder b, van de Visumcode.
Dit volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013 in de zaak Koushkaki tegen Duitsland, ECLI:EU:C:2013:862.
Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1137. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|