Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHAMS:2026:2168 
 
Datum uitspraak:28-07-2026
Datum gepubliceerd:04-08-2026
Instantie:Gerechtshof Amsterdam
Zaaknummers:200.360.461
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Hoger beroep tegen afwijzing faillietverklaring van ontbonden vennootschap. Anders dan rechtbank heeft geoordeeld is sprake van een (potentiële) bate. Immers, niet valt uit te sluiten dat een curator een mogelijke (kansrijke) vordering op grond van artikel 2:248 BW jegens de bestuurder zal kunnen instellen aangezien de vennootschap sinds haar oprichting in 2018 in het geheel geen jaarrekeningen heeft gedeponeerd. Niet kan worden geoordeeld dat op voorhand vaststaat dat een aan te stellen curator al zijn werkzaamheden voor eigen rekening moet gaan doen. Het is zinvol dat een curator onderzoek doet naar (eventuele) vermogensbestanddelen. Dit onderzoek kan grondiger geschieden dan bij de summiere behandeling van de aanvraag als bedoeld in artikel 6 lid 3 Fw (HR 10 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8255). Voorts doet de gang van zaken rond de liquidatie van de vennootschap vragen rijzen over het handelen van de bestuurder. Zo is gebleken dat de aanvrager – en mogelijk ook andere schuldeisers - in het geheel niet is geïnformeerd over de liquidatie en dat geen enkel inzicht is geboden in de aard en hoogte van de schulden en (eventuele) vermogensbestanddelen. Door dit gebrek aan transparantie hebben de schuldeisers er belang bij dat een curator een onderzoek instelt naar de vraag of de vennootschap over meerdere baten beschikt(e) en zo ja, wat daarmee is gebeurd. Volgt vernietiging beschikking en alsnog faillietverklaring van de (ontbonden) vennootschap.
Trefwoorden:belastingrecht
burgerlijk wetboek
uitkering
 
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.370.461/01
zaaknummer rechtbank : C/13/786480 / FT RK 26/151



arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 28 juli 2026



inzake



AUTOMOTIVE CENTER OUDEWATER - SERVICE B.V.,

tevens handelend onder de naam Carelease.nl,
gevestigd te Oudewater,
appellante,
advocaat: mr. B.D. Hengstmengel te Hardinxveld-Giessendam,

tegen

de ontbonden vennootschap UBC B.V.,
die was gevestigd te Amstelveen,
geïntimeerde,
advocaat: mr. T.G.M. Houben te Utrecht.


Partijen worden hierna Carelease en UBC genoemd.






1Het geding in hoger beroep

Carelease is bij op 20 juni 2026 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 12 juni 2026, waarbij het verzoek van Carelease strekkende tot faillietverklaring van UBC is afgewezen.

Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 21 juli 2026. Namens Carelease is verschenen M. Leyte in zijn hoedanigheid van eigenaar van Carelease, bijgestaan door mr. Hengstmengel voornoemd, en mr. E.S.D. Colijn-de Jong, advocaat te Hardinxveld-Giessendam, die het beroepschrift hebben toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die aan het hof zijn overgelegd. Namens UBC is mr. Houben voornoemd verschenen, die het standpunt van UBC heeft toegelicht aan de hand van aan het hof overgelegde spreekaantekeningen. De bestuurder van UBC is niet verschenen - naar zeggen van mr. Houben - vanwege privéomstandigheden.

Het hof heeft kennisgenomen van het beroepschrift met bijlagen (producties 1 en 2) en het dossier van de rechtbank, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg. Partijen hebben desgevraagd verklaard over de genoemde stukken te beschikken.





2Beoordeling


2.1.
Carelease heeft op 16 april 2026 een verzoekschrift strekkende tot faillietverklaring van UBC bij de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) ingediend. Carelease heeft aan dat verzoek ten grondslag gelegd dat zij een opeisbare vordering heeft op UBC die in totaal
€ 63.297,86 bedraagt. Daartoe heeft Carelease het volgende aangevoerd. De vordering vloeit voort uit de op 15 augustus 2023 tussen partijen gesloten leaseovereenkomst met betrekking tot een voertuig, te weten een Mercedes-Benz, type GLC 300E. UBC heeft in de periode van september 2024 tot en met juni 2025 een betalingsachterstand laten ontstaan. Uit de publicatie in de Staatscourant 2025, nr. 10282 blijkt dat UBC op 17 maart 2025 door de Kamer van Koophandel is ontbonden. UBC heeft Carelease daarvan niet op de hoogte gesteld. Daarnaast laat UBC vorderingen van andere schuldeisers onbetaald. Zo blijkt uit een brief van 7 april 2026 dat de Belastingdienst een vordering op UBC heeft van € 31.115,42. In het geval van UBC zijn sinds de oprichting in 2018 in het geheel geen jaarrekeningen gedeponeerd. Dat betekent dat de bestuurder van UBC, M.C. Uiterloo (hierna: Uiterloo), zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Volgens Carelease vormt een eventuele vordering van de curator op de bestuurder op grond van artikel 2:248 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een potentiële bate, zodat het faillissement van de ontbonden vennootschap alsnog kan worden uitgesproken.



2.2.
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking - kort weergegeven - geoordeeld dat niet summierlijk is gebleken van feiten en omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat UBC nog baten heeft. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat er onvoldoende belang is bij het uitspreken van het faillissement van UBC omdat op voorhand vaststaat dat een curator al zijn werkzaamheden voor eigen rekening moet gaan doen en niet tot een uitkering aan de schuldeisers zal komen. De rechtbank heeft het verzoek tot faillietverklaring op die gronden afgewezen.



2.3.
Carelease heeft in het beroepschrift - onder aanvoering van vier grieven - verzocht om de bestreden beschikking te vernietigen en UBC alsnog in staat van faillissement te verklaren. Daartoe heeft Carelease - samengevat en voor zover voor de beslissing van belang - het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft het wettelijk bewijsvermoeden van artikel 2:248 lid 2 BW miskend. Dit artikel bepaalt immers dat indien niet is voldaan aan de verplichtingen van artikel 2:394 BW, het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld (grief 1). Daarnaast heeft de rechtbank het begrip “bate” te eng uitgelegd gezien de geldende jurisprudentie. Een potentiële vordering op grond van artikel 2:248 BW vormt een bate en aan de stelplicht van Carelease worden in dit verband geen hoge eisen gesteld (grief 2). Voorts heeft de rechtbank bij de overwegingen ten aanzien van het ‘belang’ een onjuiste maatstaf gehanteerd. Voor afwijzing van een faillissementsaanvraag is vereist dat sprake is van misbruik van bevoegdheid. Daarvan kan slechts sprake zijn indien de aanvrager op het moment van de aanvraag weet dan wel behoort te weten dat de boedel op het moment van de aanvraag leeg is en geen voldoende gerechtvaardigd belang heeft bij de aanvraag. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. Het is juist het ontbreken van transparantie dat een faillissementsonderzoek door de curator noodzakelijk maakt (grief 3). Tot slot kent de rechtbank ten onrechte doorslaggevende betekenis toe aan het gestelde gebrek aan verhaal op de bestuurder. Allereerst omdat de stelling van UBC in dit verband niet met stukken is onderbouwd. De enkele verklaring van Uiterloo dat hij schulden heeft en in een schuldhulpverleningstraject zit, is onvoldoende. Uiterloo is niet toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling en zolang dat het geval is, is verhaal op hem juridisch mogelijk. Of een vordering op hem daadwerkelijk kan worden geïnd, staat los van de vraag of sprake is van een potentiële bate. Tot slot wijst Carelease erop dat Uiterloo ter zitting in eerste aanleg heeft verklaard dat hij af en toe wordt ingehuurd voor administratieve klussen waarmee hij inkomen genereert dat bij toewijzing van een vordering uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid zou kunnen worden uitgewonnen (grief 4).



2.4.
UBC heeft ter zitting in hoger beroep de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden beschikking. UBC heeft daartoe - voor zover van belang - het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft het bewijsvermoeden van artikel 2:248 lid 2 BW niet miskend, nu dit bewijsvermoeden uitsluitend een rol speelt in de aansprakelijkheids-procedure en niet bij de summiere beoordeling of sprake is van een bate. Voorts meent UBC dat de rechtbank het begrip 'bate' niet te beperkt heeft uitgelegd, maar terecht heeft geoordeeld dat niet summierlijk is gebleken van een reële bate. Een louter theoretisch vorderingsrecht zonder enig reëel perspectief op verhaal is geen bate in die zin, aldus UBC. Ten slotte heeft de rechtbank volgens UBC het gebrek aan verhaal niet geïsoleerd toegepast, maar meegewogen in een integrale beoordeling of er reëel perspectief op enige bate bestaat.



2.5.
Het hof stelt voorop dat het faillissement van een ontbonden rechtspersoon kan worden uitgesproken, indien summierlijk is gebleken van feiten en omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat er nog baten zijn en aan de overige vereisten voor faillietverklaring is voldaan. Zie Hoge Raad 27 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1631, NJ 1995/579 en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 februari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:593. De rechtspersoon wordt dan geacht ter afwikkeling van het faillissement te blijven bestaan. Dit houdt in dat de faillietverklaring van UBC kan worden uitgesproken als summierlijk is gebleken van de door Carelease gestelde bate, van een ten tijde van de aanvraag bestaand vorderingsrecht van Carelease en van het bestaan van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat UBC verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. Bij zijn beslissingen daarover dient de rechter in hoger beroep uit te gaan van de toestand ten tijde van zijn uitspraak en moet hij dus de op dat moment bestaande omstandigheden in aanmerking nemen. Het hiervoor overwogene brengt mee dat naast de (opeisbare) vordering van de aanvrager dient te blijken van ten minste nog een (opeisbare) vordering van een andere schuldeiser, oftewel dat sprake is van pluraliteit van schuldeisers met dien verstande dat in ieder geval één van de vorderingen opeisbaar is.



2.6.
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is naar het oordeel van het hof summierlijk gebleken van feiten en omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat er nog een bate is. Daartoe is het volgende redengevend. Vaststaat dat UBC sinds haar oprichting geen jaarrekeningen heeft gedeponeerd en daarmee de publicatieplicht van artikel 2:394 BW heeft geschonden. Ingevolge artikel 2:248 lid 2 BW betekent deze schending dat het bestuur van de vennootschap zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en wordt vermoed dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is. Behoudens tegenbewijs is de bestuurder in dat geval aansprakelijk voor het boedeltekort. Reeds hierom valt niet uit te sluiten dat een curator een mogelijke (kansrijke) vordering op grond van artikel 2:248 BW jegens Uiterloo zal kunnen instellen. In dit kader merkt het hof op dat een vordering op grond van artikel 2:248 BW - hoewel deze vordering dogmatisch gezien van de gezamenlijke schuldeisers (de boedel) is en niet van de vennootschap - mede gelet op de toegelaten ruime uitleg van het begrip ‘bate’ en ook op het belang van het voorkomen van misbruik van de ‘turbo-liquidatie’, als (potentiële) bate in de zin van artikel 2:19 lid 4 BW kan worden gezien. Ook de advocaat van UBC heeft dit ter zitting in hoger beroep erkend. Anders dan de rechtbank kan niet worden geoordeeld dat op voorhand vaststaat dat een aan te stellen curator al zijn werkzaamheden voor eigen rekening moet gaan doen omdat Uiterloo geen verhaal zou bieden. Het is zinvol dat een curator onderzoek doet naar (eventuele) vermogensbestanddelen. Dit onderzoek kan grondiger geschieden dan bij de summiere behandeling van de aanvraag als bedoeld in artikel 6 lid 3 Fw (HR 10 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8255). Dit klemt te meer nu de stelling van UBC dat Uiterloo geen verhaal biedt niet met stukken is onderbouwd en de enkele omstandigheid dat Uiterloo zich bevindt in een schuldhulpverleningstraject onvoldoende is aangezien geen informatie is overgelegd met betrekking tot dat traject en niet is gebleken dat in dat kader een onderzoek heeft plaatsgevonden naar mogelijke verhaalsobjecten. Daarbij komt dat Uiterloo ter zitting in eerste aanleg heeft verklaard dat hij zo nu en dan inkomsten genereert met het verrichten van financieel administratieve diensten voor derden. Voorts doet de gang van zaken rond de liquidatie van UBC vragen rijzen over het handelen van Uiterloo als bestuurder tegenover (bepaal)de schuldeisers van de vennootschap. Zo is gebleken dat Carelease - en mogelijk ook andere schuldeisers - in het geheel niet is geïnformeerd over de liquidatie en dat geen enkel inzicht is geboden in de aard en hoogte van de schulden en (eventuele) vermogensbestanddelen. Door dit gebrek aan transparantie hebben de schuldeisers er belang bij dat een curator een onderzoek instelt naar de vraag of de vennootschap over meerdere baten beschikt(e) en zo ja, wat daarmee is gebeurd.



2.7.
Voorts is ter zitting in hoger beroep gebleken dat UBC, opgericht in 2018, - naar zeggen van haar advocaat - inmiddels ruim een jaar betrokken is bij een strafrechtelijk onderzoek naar omzetbelastingfraude waarvan de feiten teruggaan tot 2019. Hoewel de uitkomst daarvan op dit moment nog onzeker is, is ter zitting in hoger beroep gebleken dat het een omvangrijke fraudezaak betreft met meerdere verdachten. Ook deze omstandigheid vormt aanleiding voor de aanstelling van een curator die - al dan niet in samenwerking met de opsporingsinstanties - onderzoek kan verrichten naar de gang van zaken binnen de vennootschap en naar de eventuele aanwezigheid van vermogensbestanddelen en verhaalsmogelijkheden ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers.



2.8.
Verder is tussen partijen niet in geschil dat Carelease een opeisbare vordering op UBC heeft van in totaal € 63.297,86 en dat deze vordering reeds geruime tijd onbetaald wordt gelaten. Daarmee is summierlijk gebleken van een vorderingsrecht van de aanvrager van het faillissement. Tevens is summierlijk gebleken van een steunvordering van de Belastingdienst. Blijkens een brief van de Belastingdienst van 7 april 2026 bedroeg de belastingschuld op dat moment € 31.115,42. UBC heeft deze vordering ter zitting in hoger beroep erkend. Gelet erop dat deze vorderingen al langere tijd onbetaald worden gelaten en UBC op de voet van artikel 2:19 lid 4 BW reeds is ontbonden zonder dat uitzicht bestaat op betaling van de hiervoor genoemde vorderingen binnen afzienbare termijn, moet worden geoordeeld dat summierlijk is gebleken van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat UBC verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen.



2.9.
De slotsom is dat aan de vereisten voor faillietverklaring als onder 2.5 vermeld is voldaan. De grieven slagen derhalve. Dit leidt ertoe dat de bestreden beschikking zal worden vernietigd en dat UBC (alsnog) in staat van faillissement zal worden verklaard.






3Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking, en doet opnieuw recht:

- verklaart de ontbonden vennootschap UBC B.V. in staat van faillissement;

- benoemt tot rechter-commissaris mr. V.G.T. van Emstede, rechter in de rechtbank Amsterdam;

- stelt als curator aan mr. K.H. van Boekel-Burg, p/a Houthoff, Gustav Mahlerplein 501082 MA Amsterdam, telefoonnummer 020-605 60 00;

- geeft last aan de curator tot het openen van de aan de schuldenaar gerichte brieven en telegrammen.


Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, D.L.M.T. Dankers-Hagenaars en N.J. Huurdeman en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

























Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.
Link naar deze uitspraak