Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:21741 
 
Datum uitspraak:06-03-2026
Datum gepubliceerd:04-08-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:698628
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:kort geding, medewerking verkoop en levering woning
Trefwoorden:kapitaalverzekering
koopovereenkomst
 
Uitspraak
Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/698628 / KG ZA 26/101


Vonnis in kort geding van 6 maart 2026


in de zaak van



[de man] te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. M. Erkens te Den Haag,

tegen:



[de vrouw]
te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. A.F. Mandos te Rijswijk.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de man’ en ‘de vrouw’.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de door gedaagde overgelegde conclusie van antwoord;
- de op 20 februari 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de vrouw een pleitnota is overgelegd.



1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.





2De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.


2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Samen hebben zij twee kinderen waarvan de jongste nog minderjarig is.



2.2.
Begin 2007 hebben partijen een woning gekocht aan de [adres] (hierna: de woning). De vrouw is na beëindiging van de relatie met de kinderen in de woning blijven wonen. De man huurt sinds juni 2023 een woning elders in [plaats] .



2.3.
Vanaf november 2023 hebben partijen gedurende achttien maanden een mediationtraject gevolgd om onder meer tot afspraken te komen over de woning. Dit heeft niet tot resultaat geleid.



2.4.
Bij brief van 7 mei 2025 heeft de man aan de vrouw gevraagd om hem uitsluitsel te geven over de vraag of zij het aandeel van de man kan overnemen en, indien zij daartoe niet in staat is, haar medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning. De vrouw heeft vervolgens kenbaar gemaakt dat zij volledige medewerking wil verlenen aan de verkoop van de woning binnen redelijke grenzen. Tot verkoop van de woning is het echter niet gekomen.





3Het geschil


3.1.
De man vordert – zakelijk weergegeven – dat de vrouw wordt veroordeeld haar medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan een derde en aan de verdeling van de verkoopopbrengst, waarbij geldt dat op het aandeel van de vrouw in de overwaarde een gebruiksvergoeding van € 640,- per maand vanaf juni 2023 in mindering moet worden gebracht. Voor het geval de vrouw niet meewerkt vordert de man hem te machtigen om de voor de verkoop en levering benodigde feitelijke handelingen te verrichten en te bepalen dat het vonnis in de plaats treedt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de vrouw voor de in verband met de verkoop en levering te verrichten rechtshandelingen.



3.2.
Daartoe voert de man – samengevat – het volgende aan. De man wil drie jaar na het verbreken van de relatie en twee jaar na het verlaten van de gezamenlijke woning door met zijn leven. Het onverdeeld blijven van de woning weerhoudt hem daarvan. Hij kan de huidige situatie zowel financieel als emotioneel niet langer opbrengen.



3.3.
De vrouw voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.





4De beoordeling van het geschil


4.1.
De vrouw heeft betwist dat de man een spoedeisend belang heeft bij de door hem gevorderde medewerking aan verkoop en levering van de woning. De voorzieningenrechter volgt haar daarin niet. Weliswaar is tijdens de zitting gebleken dat de man vanaf begin dit jaar geen dubbele lasten meer heeft omdat de vrouw (ook) de volledige hypotheeklasten betaalt, maar dat laat onverlet dat niet van hem kan worden gevergd dat hij nog langer samen met de vrouw eigenaar blijft van de woning en samen met haar hoofdelijk aansprakelijk blijft voor de hypothecaire geldlening die aan deze woning verbonden is. Reeds daarin kan een voldoende spoedeisend belang gevonden worden.



4.2.
De vrouw betwist op zichzelf niet dat de woning verkocht moet worden aan een derde. Tijdens de zitting heeft zij nog wel gezegd dat zij nog altijd onderzoekt of zij het aandeel van de man in de woning kan overnemen, maar aanknopingspunten om aan te nemen dat zij daar daadwerkelijk toe in staat is heeft zij niet gegeven. Het verweer van de vrouw richt zich op de termijn waarop de man tot verkoop wil overgaan. De vrouw wijst er in dit verband op dat de woning sinds 2018, na hun terugkeer uit Cyprus, de stabiele thuisbasis van de minderjarige dochter van partijen (en ook van hun (jong)meerderjarige zoon) vormt. Gedwongen verkoop op korte termijn tast die stabiliteit en daarmee het welzijn van de minderjarige aan. Haar belang dient daarom zwaar te wegen. Zij voert daarnaast aan dat de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen haar en de man, als deelgenoten in een eenvoudige gemeenschap, beheersen, zich verzetten tegen toewijzing van de vorderingen van de man.



4.3.
Dat de man geen waarde hecht aan het belang van zijn kinderen is allesbehalve gebleken. Hij meent echter dat dit belang niet in de weg staat aan verkoop van de woning op korte termijn. De voorzieningenrechter is het daarmee eens. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat de kinderen zo nodig ook bij hun vader kunnen wonen. Zwaarwegende bezwaren daartegen doen zich in dit geval niet voor. De dochter van partijen heeft, zo is onbetwist gesteld, recent ook al enkele maanden bij haar vader gewoond. Daarnaast geldt dat de man er geen blijk van heeft gegeven dat hij van de vrouw verlangt dat zij en de kinderen op stel en sprong de woning verlaten. Naar de voorzieningenrechter begrijpt gaat het hem erom dat hij een stok achter de deur heeft om het verkoopproces in gang te zetten, omdat de vrouw tot op heden haar toezeggingen om medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning stelselmatig niet nakomt. De vrouw heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die zich daartegen verzetten. Aan de gang van zaken sinds hun terugkeer uit Cyprus, kan de vrouw in dit verband geen rechten ontlenen. Een en ander brengt mee dat de op verkoop en levering van de woning gerichte vorderingen van de man zullen worden toegewezen, op de wijze zoals in het dictum vermeld en met dien verstande dat de voorzieningenrechter in de omstandigheden van het geval aanleiding ziet om de leverdatum te bepalen op 2 januari 2027. Daarmee krijgt de vrouw voldoende tijd om zich samen met de kinderen voor te bereiden op het vertrek uit de woning en om vervangende woonruimte te vinden. Onvoldoende aannemelijk is dat het belang van de man zo spoedeisend is dat niet van hem kan worden gevergd dat hij die termijn van levering afwacht.



4.4.
De voorzieningenrechter zal een voorziening treffen ex artikel 3:300 lid 2 BW zodat, net als bij de door de man gevorderde machtiging, de man de verkoop en levering kan bewerkstelligen in het geval de vrouw niet voldoet aan hetgeen waartoe zij in dit vonnis wordt veroordeeld. Voor zover de man ook nog een machtiging vordert voor het geval de vrouw nalaat een aantal feitelijke handelingen te verrichten wordt die vordering afgewezen, omdat niet duidelijk is welke bevoegdheid een machtiging de man zou bieden.



4.5.
De man vordert daarnaast de vrouw te veroordelen mee te werken aan verdeling van de verkoopopbrengst en stelt in dit verband recht te hebben op een gebruiksvergoeding van € 640,- per maand vanaf juni 2023 tot en met de maand van levering van de woning, omdat de vrouw de woning uitsluitend gebruikt. Dat bedrag moet volgens hem vanuit het aandeel van de vrouw in de overwaarde aan hem worden betaald. De vrouw betwist dat zij die gebruiksvergoeding verschuldigd is. Zij voert daartoe aan dat zo’n vergoeding niet redelijk en billijk is, onder meer omdat zij alle kosten van de kinderen draagt en de man geen kinderalimentatie betaalt. Ook stelt zij dat schulden van de man zijn afgelost met geld dat van haar familie is geleend en dat die lening nog steeds een financiële last is. Het komt er dus op neer dat partijen over en weer stellen dat zij nog geld van elkaar tegoed hebben. Of dat juist is en in hoeverre dat leidt tot – met het aandeel in de overwaarde te verrekenen – vorderingen over en weer vraagt, gelet op de betwisting daarvan, nader onderzoek en/of nadere bewijslevering. Daarvoor is in dit kort geding geen plaats. Los daarvan is niet gebleken dat de man een spoedeisend belang heeft bij vaststelling van een gebruiksvergoeding.
Voor wat betreft de onderdelen vii. en ix. van de in d. van het petitum van de dagvaarding opgenomen vordering merkt de voorzieningenrechter op dat er geen grond bestaat om de vrouw tot het verlenen van medewerking daaraan te veroordelen. Het ligt voor de hand dat bij verkoop en levering van de woning de verkoop- en leveringskosten in mindering worden gebracht op de verkoopopbrengst en ook dat voor aflossing van de hypothecaire lening eerst de daaraan gekoppelde kapitaalverzekering wordt gebruikt voordat het uit de verkoop verkregen bedrag wordt aangesproken. Ook geldt dat partijen in beginsel aanspraak hebben op de helft van het bedrag dat alsdan resteert. Niet gesteld of gebleken is dat de vrouw deze uitgangspunten niet onderschrijft. Of er vervolgens nog onderlinge verrekeningen moeten plaatsvinden kan als gezegd niet in deze procedure worden vastgesteld. Dit betekent dat de vordering van de man die gericht is op de verdeling van de verkoopopbrengst volledig zal worden afgewezen.



4.6.
In de omstandigheid dat partijen een affectieve relatie hebben gehad, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.





5De beslissing

De voorzieningenrechter:


5.1.
veroordeelt de vrouw om haar medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan (een) derde(n), waartoe zij in ieder geval:


binnen twee weken na een schriftelijk verzoek van de man drie makelaars (aangesloten bij (de) NVM, VBO of Vastgoed Pro voorstelt waaruit de man een makelaar kiest (of als de vrouw niet tijdig een voorstel doet: een NVM, VBO of VastgoedPro makelaar door de man gekozen) en binnen twee weken na de door de man gemaakte keuze met de gekozen makelaar tezamen met de man een verkoopbemiddelingsovereenkomst sluit onder de voor een NVM-/VBO-/Vastgoed Pro-makelaar gebruikelijke voorwaarden;


de verkoopadviezen van de makelaar op eerste verzoek van de makelaar op zal volgen, waaronder de adviezen ten aanzien van de te hanteren marktconforme vraag- en laatprijs, en alle medewerking zal verlenen aan die werkzaamheden die nodig zijn voor een gunstig verkoopproces, waaronder het gelegenheid bieden voor het maken van foto’s en bezichtigingen door de makelaar met potentiële kopers, waarbij de woning in een zoveel mogelijk presentabele staat dient te verkeren;


op eerste verzoek van de makelaar meewerkt aan de ondertekening van een schriftelijke koopovereenkomst voor zover:- de verkoop plaatsvindt tegen minimaal de door de makelaar bepaalde laatprijs, dan wel een door partijen overeengekomen andere laatprijs, en waarbij- een opleverdatum van de woning is vastgesteld niet vroeger dan op 2 januari 2027, of korter dan wel langer indien partijen dat schriftelijk overeenkomen, en- de koopovereenkomst – voor een woning als deze – gebruikelijke condities bevat;


dient mee te werken aan de levering van de woning op de dag bepaald in de koopovereenkomst of een in afwijking daarvan nader met de koper overeen te komen dag;


alle noodzakelijke handelingen verricht die nodig zijn voor het beëindigen en aflossen van de hypothecaire lening zodat partijen worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, waaronder ondertekening van de noodzakelijke akte(s) op eerste verzoek van de notaris;





5.2.
bepaalt dat, indien de vrouw niet tijdig voldoet aan hetgeen is bepaald in 5.1 onder a., c, d. en e., dit vonnis op de voet van het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van het deel van de schriftelijke bemiddelingsovereenkomst, de schriftelijke koopovereenkomst of de notariële akte van levering en andere ten behoeve van de levering benodigde notariële aktes (bijvoorbeeld een akte van verdeling), waaruit moet blijken van de benodigde wilsverklaring van de vrouw;



5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



5.4.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;



5.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.


Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026.

EI
Link naar deze uitspraak