|
|
|
| ECLI:NL:GHARL:2026:4761 | | | | | Datum uitspraak | : | 21-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 05-08-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | | Zaaknummers | : | Wahv 200.362.531/01 | | Rechtsgebied | : | Bestuursstrafrecht | | Indicatie | : | 1. Bevoegdheid kantonrechter. De stelling van de gemachtigde dat de kantonrechter als civiele rechter niet bevoegd is om over bestuursrechtelijke materie te oordelen, volgt het hof niet. In artikel 9 van de Wahv is bepaald dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie wordt behandeld en beslist door de kantonrechter. 2. Zekerheid. Uitgangspunt is dat de verplichting tot zekerheidstelling het recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie niet belemmert. Niet is gebleken dat het recht op toegang tot de rechter en daarmee de verdedigingsrechten van de betrokkene in de onderhavige zaak zijn geschonden. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.362.531/01
CJIB-nummer
: 260787512
Uitspraak d.d.
: 21 juli 2026
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank NoordNederland van 14 oktober 2025, betreffende
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is J. Reitsema, kantoorhoudende te Stroobos.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 26 juni 2026 is nog een brief van de gemachtigde ontvangen. Een kopie daarvan is toegestuurd aan de advocaat-generaal.
De zaak is behandeld op de zitting van 7 juli 2026. De gemachtigde van de betrokkene en haar gemachtigde, de heer [naam gemachtigde] , zijn verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam] .
De beoordeling
1. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie nietontvankelijk verklaard, omdat geen zekerheid is gesteld.
2. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat de beslissing van de kantonrechter onrechtmatig en absoluut nietig is, omdat de kantonrechter niet bevoegd was om over deze bestuursrechtelijke materie te oordelen. Op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) had de kantonrechter de zaak naar de bestuursrechter moeten verwijzen. De kantonrechter is een civiele rechter en mag daarom niet inhoudelijk bestuursrechtelijk oordelen. Ook is de beslissing van de kantonrechter in strijd met artikelen 3:4 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Verder stelt de gemachtigde dat de verplichting tot het stellen van zekerheid in strijd is met artikel 43 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (hierna: Statuut), artikel 2:4 van de Awb en artikel 6:248 van het Burgerlijk Wetboek. Daarnaast is het verplichten tot het stellen van zekerheid in strijd met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), nu deze verplichting een disproportionele belemmering vormt voor toegang tot de rechter en ongelijkheid wordt gecreëerd tussen betalende en nietbetalende betrokkenen. Daar komt bij dat het openbaar ministerie buiten zijn bevoegdheid treedt door zekerheidstelling te eisen, terwijl de verplichting bestuursrechtelijk van aard is en niet strafrechtelijk. Ook stelt de gemachtigde dat geen sprake is van een eerlijk proces en dat in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is gehandeld voor wat betreft de verplichting tot het stellen van zekerheid en de beslissing van de kantonrechter. Daarnaast stelt de gemachtigde dat het openbaar ministerie informatie achterhoudt en eist inzage van de volledige boekhouding van deze zaak, alle bonds en obligaties, administratieve gegevens beheer voorziening BSN en beheerder en alle processtukken en interne correspondentie op grond van artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming, artikel 6 van het EVRM, en artikelen 3:4 en 2:4 van de Awb en verzoekt het hof bij niet-naleving door het openbaar ministerie te gelasten dat het openbaar ministerie een dwangsom ter hoogte van € 500,- per dag (met een maximum van € 10.000,-) verschuldigd is, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is en dat wordt vastgesteld dat sprake is van een oneerlijk proces. Zonder de informatie van het openbaar ministerie kan de betrokkene namelijk de rechtmatigheid niet toetsen.
3. De stelling van de gemachtigde dat de kantonrechter onbevoegd was een beslissing te nemen over een bestuursrechtelijk beroep, volgt het hof niet. In artikel 9 van de Wahv is bepaald dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie wordt behandeld en beslist door de kantonrechter. In dat artikel is tevens bepaald dat hoofdstuk 8 van de Awb niet van toepassing is en derhalve ook niet het door de gemachtigde aangehaalde artikel 8:70 van de Awb. Dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de door de gemachtigde aangehaalde artikelen uit de Awb zouden zijn geschonden, blijkt niet uit de beslissing van de kantonrechter.
4. De verplichting tot het stellen van zekerheid in de procedure bij de kantonrechter volgt uit artikel 11 van de Wahv. Het betreft het betalen van het bedrag van de sanctie en de administratiekosten. Anders dan de gemachtigde stelt, legt het openbaar ministerie deze verplichting niet op, maar volgt dit uit de Wahv. De officier van justitie wijst de betrokkene slechts op de verplichting tot het stellen van zekerheid. Met betrekking tot de opmerking van de gemachtigde dat de verplichting tot het stellen van zekerheid in strijd zou zijn met artikel 43 van het Statuut, merkt het hof op dat het Statuut een rijkswet betreft. Ingevolge artikel 11 van de Wet algemene bepalingen mag het hof de innerlijke waarde of billijkheid van een wet niet beoordelen.
5. Voorts merkt het hof op dat het door de gemachtigde aangehaalde artikel 6:248 van het Burgerlijk Wetboek ziet op overeenkomsten. De stelling van gemachtigde dat er in deze zaak een overeenkomst zou bestaan tussen betrokkene en de overheid vindt geen steun in het recht en is daarom in onderhavige procedure niet aan de orde.
6. De stelling van de gemachtigde dat de verplichting tot zekerheidstelling een disproportionele belemmering vormt voor de toegang tot de rechter en dat sprake is van ongelijkheid, volgt het hof niet. Artikel 6 van het EVRM waarborgt het recht op toegang tot de onafhankelijke rechter. Het hof heeft in het arrest van 5 februari 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:824) geoordeeld dat door het vereiste van zekerheidstelling geen ongerechtvaardigde beperking gesteld wordt aan het recht op toegang tot de rechter en de toegang tot de rechter niet zozeer beperkt wordt dat het betrokken recht in de kern wordt aangetast. Daarbij merkt het hof op dat de zekerheidstelling een voorwaarde is voor de ontvankelijkheid van het beroep bij de kantonrechter. Dit betekent dat de kantonrechter de bezwaren tegen de oplegging van de administratieve sanctie pas kan behandelen, wanneer een betrokkene zekerheid heeft gesteld. De verplichting om zekerheid te stellen loopt niet vooruit op de vraag of een betrokkene een gedraging heeft verricht. De verdedigingsmogelijkheden van een betrokkene worden er niet door beperkt. Ook als de betrokkene de sanctie niet terecht vindt, moet zekerheid worden gesteld. Als het beroep gegrond wordt verklaard, wordt het bedrag van de zekerheidstelling aan de betrokkene terugbetaald. Bij ongegrondverklaring van het beroep wordt het bedrag van de opgelegde sanctie met het bedrag van de zekerheid verrekend. Dit geldt voor een ieder en derhalve is geen sprake van ongelijkheid.
7. Dat de toegang tot de rechter niet onbeperkt is, is reeds bepaald door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de arresten Golder vs Verenigd Koninkrijk (EHRM 21 februari 1975, nr. 4451/70, NJ 1975, 462) en Ashindane vs Verenigd Koninkrijk (EHRM 28 mei 1985, nr. 8225/78 (series A, no. 93, pp 24-25, para. 57)). In het arrest Lithgow vs Verenigd Koninkrijk (EHRM 8 juli 1986, nr. 9405/81 (series A, vol. 102, para. 194) is daarover het volgende opgenomen:
“194. In this area, the following principles emerge from the Court’s case-law, notably its above-mentioned Ashingdane judgment (Series A no. 93, pp. 24-25, para. 57).
( a) The right of access to the courts secured by Article 6 para. 1 (art. 6-1) is not absolute but may be subject to limitations; these are permitted by implication since the right of access ‘by its very nature calls for regulation by the State, regulation which may vary in time and in place according to the needs and resources of the community and of individuals’.
( b) In laying down such regulation, the Contracting States enjoy a certain margin of appreciation, but the final decision as to observance of the Convention’s requirements rests with the Court. It must be satisfied that the limitations applied do not restrict or reduce the access left to the individual in such a way or to such an extent that the very essence of the right is impaired.
( c) Furthermore, a limitation will not be compatible with Article 6 para. 1 (art. 6-1) if it does not pursue a legitimate aim and if there is not a reasonable relationship of proportionality between the means employed and the aim sought to be achieved.”
8. Uitgangspunt is dat de verplichting tot zekerheidstelling het recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie niet belemmert. Als echter blijkt dat de toegang tot de rechter door de financiële situatie van de betrokkene wel zou worden belemmerd, is de verplichting tot zekerheidstelling een ontoelaatbare beperking van het in artikel 6 van het EVRM gegarandeerde recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie. In een dergelijke situatie dient de betrokkene in de procedure bij de kantonrechter aan te voeren dat hij om financiële redenen niet of niet binnen de termijn zekerheid kan stellen tot het totale verlangde bedrag. Indien de kantonrechter aannemelijk acht dat de betrokkene niet in staat is om zekerheid te stellen, stelt hij de zekerheid op nihil en behandelt hij de zaak inhoudelijk of nodigt hij de betrokkene uit op een openbare zitting om te worden gehoord over de financiële draagkracht. In het laatste geval kan de kantonrechter, naargelang hetgeen op zitting is aangevoerd, aannemelijk achten dat de betrokkene niet (volledig) in staat is zekerheid te stellen en stelt een bedrag van de zekerheid vast dat in overeenstemming is met de draagkracht van de betrokkene. Zo nodig moet hij de betrokkene een nadere termijn geven om het eventueel verlaagde bedrag aan zekerheid te stellen. De kantonrechter kan ook bepalen dat de betrokkene in staat is volledig zekerheid te stellen. Ook dan moet de kantonrechter de betrokkene een nadere termijn geven om alsnog het volledige bedrag van de zekerheid te betalen. Gelet hierop is het recht op toegang tot de rechter dan ook voldoende gewaarborgd.
9. Het dossier bevat kopieën van twee brieven van de officier van justitie van 5 september 2024 en 23 september 2024, waarin aan de betrokkene mededeling is gedaan van de verplichting om zekerheid te stellen en dat aan deze verplichting binnen twee weken na de dag van verzending van de brief moet zijn voldaan. De officier van justitie heeft de betrokkene op juiste wijze geïnformeerd over deze verplichting. De betrokkene heeft niet binnen de gestelde termijn zekerheid gesteld en ook niet, in reactie op de zekerheidsbrieven van de officier van justitie, aangegeven dat wegens onvoldoende financiële draagkracht geen zekerheid kon worden gesteld. In dit geval kan dus niet worden geoordeeld dat het niet voldoen aan de verplichting tot zekerheidstelling niet aan de betrokkene kan worden toegerekend. Niet is gebleken dat het recht op toegang tot de rechter en daarmee de verdedigingsrechten van de betrokkene in de onderhavige zaak zijn geschonden.
10. Ten aanzien van de eis van de gemachtigde tot overlegging van een aantal stukken, overweegt het hof het volgende. Het is vaste rechtspraak van het hof dat de officier van justitie op grond van artikel 7:18, vierde lid, van de Awb in de fase van het administratief beroep is gehouden op het verzoek aan de indiener van het beroepschrift de op de zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken. In ieder geval moeten als de op de zaak betrekking hebbende stukken worden aangemerkt het zaakoverzicht en (als die is gemaakt) een foto van de gedraging.
11. Het hof is van oordeel dat de stukken, die de gemachtigde opeist, geen op de zaak betrekking hebbende stukken zijn. Voor zover deze stukken bestaan, is de officier van justitie niet gehouden deze stukken te verstrekken. Van strijd met het verdedigingsbeginsel is niet gebleken.
12. De aangevoerde gronden treffen geen doel. Het hof stelt ambtshalve vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM in eerste aanleg is overschreden. Het is vaste rechtspraak dat in zaken als de onderhavige de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg ten hoogste twee jaar bedraagt. In onderhavige zaak is de inleidende beschikking op 14 september 2023 naar de betrokkene verzonden. De redelijke termijn is op 14 september 2025 geëindigd. De kantonrechter heeft op 14 oktober 2025 een beslissing genomen. Deze termijnoverschrijding leidt in dit geval echter niet tot matiging van het sanctiebedrag, nu de kantonrechter niet is toegekomen aan de beoordeling van de sanctie die aan de betrokkene is of had moet worden opgelegd. Dat betekent dat het hof in dit geval zal volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden.
13. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Dit brengt mee dat het hof de overige gronden namens de betrokkene niet kan beoordelen. Er is geen aanleiding om een proceskostenvergoeding toe te kennen, nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld.
De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Postma als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|