Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHARL:2026:4756 
 
Datum uitspraak:21-07-2026
Datum gepubliceerd:05-08-2026
Instantie:Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zaaknummers:Wahv 200.361.888/01
Rechtsgebied:Bestuursstrafrecht
Indicatie:Voor een bromfiets niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden. Dat de betrokkene in verband met zijn geestelijke gesteldheid niet in staat was de tenaamstelling tijdig te schorsen acht het hof niet aannemelijk. Indien hij hiertoe niet in staat was, had het op zijn weg gelegen om hulp van derden in te schakelen. De gedraging kan de betrokkene dan ook worden verweten. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene matigt het hof het sanctiebedrag tot € 0,-.
Trefwoorden:bijstandsuitkering
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden








Zaaknummer


: Wahv 200.361.888/01




CJIB-nummer


: 258904157




Uitspraak d.d.


: 21 juli 2026








Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank MiddenNederland van 23 september 2025, betreffende



[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats].

De gemachtigde van de betrokkene is mr. A.E.M.C. Koudijs, advocaat, kantoorhoudende te Utrecht.


De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 315,-. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 907,-.




Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 7 juli 2026. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam].




De beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie van € 420,- opgelegd voor: “voor een bromfiets niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden”. Volgens een registercontrole van de RDW zou deze gedraging op 16 mei 2023 zijn verricht met het voertuig met het kenteken [kenteken]. De kantonrechter heeft het sanctiebedrag met 25 procent gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg.

2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de in administratief beroep en beroep bij de kantonrechter aangevoerde gronden als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd. Verder stelt de gemachtigde dat de geestelijke gesteldheid c.q. de geestelijke stoornis zodanig was dat de gedraging niet aan de betrokkene kan worden toegerekend. De gemachtigde heeft de op 20 januari 2020 opgelegde crisismaatregel van de burgemeester, tezamen met de daaropvolgende zorgmachtigingen in het kader van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) aan het hoger beroepschrift gevoegd. De gemachtigde verzoekt het hof het sanctiebedrag te matigen tot nihil dan wel € 50,- (dan wel een nader te bepalen significant lager bedrag) nu dit recht doet aan de feiten en de persoonlijke (geestelijke/medische) omstandigheden van de betrokkene. De gemachtigde heeft zich voorts uitgelaten over de financiële situatie van de betrokkene. Hij leeft van een bijstandsuitkering, heeft financiële verplichtingen en ook zodanige schulden dat het betalen van de sanctie opnieuw tot grote problemen zal leiden. Hij heeft nog meerdere verplichtingen aan het CJIB en voor meerdere sancties is een betalingsregeling getroffen.

3. De betreffende gedraging is een overtreding van artikel 30, tweede lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM). Deze bepaling brengt mee dat voor een motorrijtuig waarvoor een kentekenbewijs is afgegeven, degene aan wie het kenteken is opgegeven een verzekering overeenkomstig deze wet moet afsluiten en in stand houden. Uit artikel 67, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 blijkt dat de betrokkene als kentekenhouder van het motorrijtuig er verantwoordelijk voor is om, indien met het voertuig geen gebruik wordt gemaakt, de Dienst Wegverweer (RDW) te verzoeken de tenaamstelling in het kentekenregister te schorsen. Deze schorsing brengt mee dat de verzekeringsplicht gedurende de periode van schorsing niet geldt (artikel 2, derde lid, WAM) en de betrokkene dus niet strafbaar is wanneer er dan geen verzekering van kracht is (artikel 30, derde lid, WAM).

4. Dat de gedraging is verricht, wordt niet betwist en staat dan ook vast. Ten tijde van de registercontrole was het op naam van de betrokkene gestelde voertuig niet verzekerd en de tenaamstelling in het kentekenregister evenmin geschorst. Aan de mededeling dat de eerder aangevoerde gronden als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd gaat het hof voorbij, nu dit geen beroepsgronden zijn tegen de beslissing van de kantonrechter. Ten aanzien van hetgeen namens de betrokkene voor het overige is aangevoerd, overweegt het hof het volgende.

5. De advocaat-generaal heeft in het verweerschrift aangevoerd dat uit stukken van de RDW blijkt dat het betrokken voertuig op 22 maart 2021 op naam van de betrokkene is gesteld. Vervolgens is het voertuig verzekerd geweest van 26 maart 2021 tot 23 februari 2022. De tenaamstelling was geschorst van 7 april 2022 tot 7 april 2023. Nadat de schorsing afliep, was het voertuig niet verzekerd tot 12 september 2023, het moment dat het voertuig niet meer bij de RDW was geregistreerd.

6. Op grond van de wettelijke bepalingen met betrekking tot de verzekeringsplicht bestaat er een zorgplicht voor kentekenhouders om een verzekering voor hun voertuig af te sluiten en in stand te houden. In het geval men hiertoe niet wil of kan overgaan (gedurende een bepaalde periode) kan men de tenaamstelling in het kentekenregister schorsen. Deze verplichting geldt ongeacht of het voertuig op de openbare weg wordt of kan worden gebruikt. De betrokkene had geen vereiste verzekering ten tijde van de constatering van de gedraging en heeft de tenaamstelling evenmin geschorst. Dat de betrokkene niet in staat was de tenaamstelling tijdig te schorsen, omdat de geestelijke gesteldheid c.q. geestelijke stoornis van de betrokkene sinds de opgelegde crisismaatregel en de daaropvolgende zorgmachtigingen zodanig slecht was dat de verweten gedraging niet aan hem kan worden toegerekend, acht het hof niet aannemelijk. De crisismaatregel dateert van 20 januari 2020. Vervolgens is ieder jaar een zorgmachtiging afgegeven. De betrokkene heeft in diezelfde periode het voertuig op zijn naam kunnen overschrijven en verzekeren en de tenaamstelling kunnen schorsen. Indien de betrokkene tijdelijk niet in staat was de schorsing te regelen, had het op zijn weg gelegen om hulp van derden in te schakelen om zijn zaken namens hem te behartigen. Niet gebleken is dat dit niet mogelijk was voor de betrokkene. Te meer nu de betrokkene de gemachtigde heeft ingeschakeld om hem in onderhavige procedure te vertegenwoordigen, waaruit het hof afleidt dat de betrokkene in staat is om hulp van derden in te schakelen. Naar het oordeel van het hof kan de betrokkene de gedraging dan ook worden verweten.




7. Ter zitting heeft de gemachtigde van de betrokkene - zoals hiervoor is weergegeven - een schets van de financiële positie van de betrokkene gegeven. Daarnaast is het hof in het bezit van een overzicht van de openstaande sancties, die aan de betrokkene zijn opgelegd. Het hof constateert dat, gelet op de financiële positie van de betrokkene, de betaling van de sanctie een te zware belasting op de financiën van de betrokkene oplevert. Het hof is dan ook van oordeel dat, gelet op deze persoonlijke omstandigheden, in onderhavige zaak het sanctiebedrag op grond van artikel 9, lid 2 onder b tot € 0,- dient te worden gematigd.

8. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. De ambtenaar kan het bedrag van de sanctie niet matigen in verband met de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht of de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert zodat niet sprake is van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid (zie het arrest van de Hoge Raad van 9 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1012). Dit brengt mee dat de proceskosten gemaakt in de fase van het administratief beroep niet voor vergoeding in aanmerking komen.

9. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift en het bijwonen van de zittingen van de kantonrechter en van het hof dienen in totaal vier punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 934,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.868,- (4 x € 934,- x 0,5).

10. Het hof zal beslissen als hierna vermeld.




De beslissing
Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond en wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie worden gewijzigd in € 0,-;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.868,-.

Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Postma als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Link naar deze uitspraak