|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:21978 | | | | | Datum uitspraak | : | 14-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 06-08-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | SGR 24/4073 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | BPM | | Trefwoorden | : | belastingrecht | | | bpm | | | naheffingsaanslag | | | omzetbelasting | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Team belastingrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/4073
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: A.F.M..J. Verhoeven),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiser ter zake van de registratie van een motorvoertuig met dagtekening 15 september 2023 een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm) opgelegd ter hoogte van € 6.445. Er is daarbij geen belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 maart 2024 het bezwaar ongegrond verklaard en geen proceskosten vergoed.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Indien en voor zover partijen vóór de zitting nadere stukken hebben ingediend zijn deze stukken telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2026. Op verzoek van partijen heeft de zitting digitaal plaatsgevonden via een MS Teams-verbinding (te weten een geluidsverbinding met beeld). Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde A.F.M.J. Verhoeven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] .
Overwegingen
Feiten
1. Eiser heeft een aangifte bpm ingediend met dagtekening 16 april 2023, voor de registratie van een gebruikte Jeep Wrangler uit Duitsland, waarvan het voertuigidentificatienummer eindigt op [nummer] (hierna: de auto), in het kentekenregister. De registratie is op 7 juni 2023 voltooid door tenaamstelling van het Nederlandse kenteken
[kenteken] . De auto is op 12 mei 2023 goedgekeurd door de Rijksdienst Wegverkeer (RDW).
2. In de aangifte bpm zijn onder meer de volgende gegevens betreffende de auto vermeld.
Datum eerste toelating
01-07-2016
CO2-uitstoot
289 gr/km NEDC
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 40.212
Bruto bpm
€ 68.099
Historische nieuwprijs cf. taxatierapport
€ 109.107
Handelsinkoopwaarde cf. taxatierapport
€ 8.592
Verschuldigde bpm
€ 5.359
3. Bij de aangifte bpm is een taxatierapport gevoegd van [bedrijf] en ondertekend door [naam 4] . Daarin is vermeld dat de auto fysiek is opgenomen op 11 mei 2023 tussen 11:30 en 12:00 uur te Rotterdam. Verder is daarin vermeld dat de auto in onbeschadigde staat een handelsinkoopwaarde heeft van € 13.425,33 (herleid aan de hand van drie referentievoertuigen die op internet te koop stonden ) waarvan een deel van de reparatiekosten is afgetrokken (vastgesteld op € 6.713,08, inclusief btw). Bij het taxatierapport is de inkoopfactuur of de inkoopverklaring van de auto niet gevoegd.
4. De aangifte van de auto is door verweerder geselecteerd voor een nadere controle. De auto is op 6 juni 2023 bekeken door Domeinen Roerende Zaken (DRZ). In het verslag van DRZ zijn onder meer de volgende gegevens vermeld die gedeeltelijk afwijken van de gegevens in de aangifte.
Datum eerste toelating
01-07-2016
CO2-uitstoot
289 gr/km NEDC
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 37.828
Consumentenprijs (historische nieuwprijs)
€ 106.222
Laagste handelsinkoopwaarde zonder schade
€ 29.849 (ATP koerslijst)
Bruto schadecalculatie
€ 1.921
Vastgestelde waardevermindering door schade
€ 596
Handelsinkoopwaarde
€ 29.253
5. Bij brief van 26 juli 2023 heeft verweerder aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt om bpm na te heffen. Uitgaande van de gegevens van DRZ, (zij het wel nog rekening houdend met een nadere vermindering van de handelsinkoopwaarde tot € 29.253 in verband met vastgestelde schade van € 596) heeft verweerder de verschuldigde bpm bepaald op € 11.804. Na aftrek van de voldane bpm (€ 5.359), resteert een te betalen bedrag van € 6.645. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om binnen drie weken te reageren op het voornemen. Verweerder heeft eiser op 23 augustus 2023 medegedeeld de naheffingsaanslag op te leggen. Daarop heeft verweerder de naheffingsaanslag conform zijn voornemen opgelegd op 15 september 2023.
Geschil
6. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte is opgelegd.
7. Eiser heeft in beroep de volgende grieven naar voren gebracht:
Verweerder heeft onvoldoende onderkend dat aanslagen als de onderhavige worden beheerst door het recht van de Europese Unie. Eiser acht de opgelegde naheffingsaanslag daarmee in strijd. In dit licht heeft eiser ook benadrukt dat de rechtbank met betrekking tot deze geschilpunten gehouden is prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie;
Uitlegging van de Hoge Raad over diverse door eiser in eerdere procedures ingenomen standpunten, zoals de mogelijkheid na te heffen na het belastbaar feit, de schending van het verdedigingsbeginsel en de bewijslastverdeling acht eiser onverbindend en rechtsongeldig, omdat de rechtmatigheid van artikel 81 lid 1 RO in geschil is door de ABRvS (13 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4632);
Alle nationale bepalingen inzake de bpm zijn volgens eiser in kennelijke strijd met het recht van de Unie;
De verplichting tot het betalen van griffierecht voorafgaande aan de behandeling van het beroep leidt tot een onevenredige belemmering van eisers rechten;
Het hoorrecht in de bezwaarfase is geschonden;
De rechten van eiser, die kunnen worden ontleend aan het verdedigingsbeginsel, zijn geschonden;
Verweerder heeft onterecht een belastingcontrole uitgevoerd;
Het opleggen van een naheffingsaanslag nadat het belastbare feit zich heeft voorgedaan is – gegeven het bepaalde in artikel 110 het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) – niet toegestaan;
Eiser is niet degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld. Hierdoor is de naheffingsaanslag aan de verkeerde belastingplichtige opgelegd waardoor de naheffingsaanslag vernietigd moet worden. Daarvoor verwijst eiser naar het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 januari 2017;
Het uitgangspunt dat slechts 72% van de schadeherstelkosten in aanmerking wordt genomen is in strijd met het Unierecht;
Verweerder had gebruik moeten maken van de Scandinavische rekenmethode. Eiser verwijst daarvoor naar de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 maart 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:1963);
De naheffingsaanslag dient te worden verminderd wegens discriminatie van soortgelijke voertuigen;
Eiser heeft recht op vergoeding van de werkelijke proceskosten in bezwaar.
Eiser concludeert daarom tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en herroeping van de naheffingsaanslag. Eiser verzoekt om vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten en om vergoeding van het griffierecht alsmede van wettelijke rente over de proceskosten en het betaalde griffierecht. Tevens verzoekt eiser om vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
8. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
9. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Beoordeling van het geschil
10. De rechtbank heeft kennis genomen van het standpunt van verweerder dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens het te laat indienen van een machtiging. Het beroep is door eiser ingediend op 12 april 2024. Bij het indienen van het beroepschrift is geen machtiging ingezonden waaruit blijkt dat hij gemachtigd is namens eiser beroep in te stellen. Vaststaat voorts dat de griffier de gemachtigde bij brief van
15 juli 2025 in de gelegenheid heeft gesteld dit verzuim te herstellen. De gemachtigde heeft naar aanleiding daarvan een document overgelegd waaruit blijkt dat hij gemachtigd is namens eiser bezwaar- en beroepsprocedures te starten. De machtiging heeft een dagtekening van 27 augustus 2025. De rechtbank concludeert dat eiser vóór de behandeling ter zitting een toereikende machtiging, inclusief kopie van het identiteitsbewijs, bij de rechtbank heeft ingediend. Het beroep wordt daarom inhoudelijk behandeld.
De toepasselijkheid van het Europees recht en de gevolgen daarvan (grief a)
11. Eiser heeft ter onderbouwing van de grieven veelvuldig een beroep gedaan op het Europees recht, met name op artikel 110 van het VWEU. Eiser heeft daarbij het standpunt ingenomen dat het de nationale rechter niet vrijstaat een uitleg te geven aan het Unierecht zonder daaromtrent prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU). Dit geldt in de optiek van eiser evenzeer indien sprake is van een zogenaamde ‘acte claire’. De rechtbank onderschrijft dit standpunt van eiser niet. Een verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen geldt ingevolge artikel 267 van het VWEU slechts voor het gerecht dat in hoogste instantie rechtspreekt, zoals ook blijkt uit het door eiser genoemde arrest Cilfit (283/81). Een dergelijke verplichting geldt in beginsel niet voor de gerechtelijke instanties op lagere niveaus. De daarop geldende uitzondering, neergelegd in het arrest Foto-Frost (314/85) ziet op de situatie waarin de verwijzende rechter van oordeel is dat een handeling van een Europese instelling nietig is. Die situatie doet zich hier niet voor.
12. Het vorenstaande betekent dat de rechtbank in het hierna volgende per grief zal beoordelen of er aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. De rechtbank zal daarbij ook meewegen of sprake is van een ‘acte claire’, dit wil zeggen een situatie waarin de betreffende Europeesrechtelijke bepaling dusdanig helder is geformuleerd dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de uitleg of het toepassingsbereik van die bepaling. Voor de visie van eiser dat ook in geval van een ‘acte claire’ het stellen van prejudiciële vragen geïndiceerd kan zijn ziet de rechtbank geen aanknopingspunten. Evenmin volgt de rechtbank eiser in diens betoog dat reeds de vraag of sprake is van een rechtsvraag die zich leent voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU er toe dient te leiden dat deze vragen moeten worden gesteld.
De stelling dat de arresten van de Hoge Raad niet kunnen worden gevolgd (grief b)
13. Het betoog van eiser, dat de Hoge Raad niet bevoegd is Unierechtelijke regelgeving te beoordelen en dat deze jurisprudentie daarom ‘onverbindend en rechtsongeldig’ is, onderschrijft de rechtbank niet. Daarbij wijst de rechtbank er op, onder verwijzing naar de conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak Minea (ECLI:EU:C:2015:74), dat in zijn algemeenheid het Hof van Justitie in het kader van een prejudiciële procedure niet beoordeelt of concrete bepalingen van het nationale recht van de lidstaten in overeenstemming zijn met het Unierecht, maar zich beperkt tot een uitlegging van het Unierecht op basis waarvan de nationale rechterlijke instanties zich vervolgens over die verenigbaarheid kunnen uitspreken. Dat de Hoge Raad in onderhavig geval buiten zijn bevoegdheden is getreden is door eiser niet of althans onvoldoende aannemelijk gemaakt.
De gestelde onverenigbaarheid van de heffing van bpm met het Unierecht (grief c)
14. In dit kader heeft eiser betoogd dat sprake is van een relevant verschil in heffingsmodaliteiten, nu de verschuldigde belasting reeds bij het doen van de aangifte bpm voldaan dient te worden, terwijl voor binnenlandse auto’s een eventuele restantbelasting, die nog drukt op binnenlandse gebruikte auto’s die voorheen op grond van de Wet bpm van de heffing waren vrijgesteld, eerst wordt voldaan bij de voltooiing van de registratie in het kentekenregister (de tenaamstelling). Volgens eiser volgt onder meer uit Grundig Italiana Spa, C-68/96 (HvJ EU 17 juni 1998, ECLI:NL:EU:C:1998:299), reeds dat een belastingstelsel een discriminerend karakter heeft, wanneer sprake is van een verschil in heffingsmodaliteiten. Verweerder betwist dat er een verschil in heffingsmodaliteiten bestaat.
15. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 maart 2021 (ECLI:NL:HR:2021:415) geoordeeld dat het systeem van de Wet bpm, namelijk dat de belasting moet worden betaald voordat het belastbare feit (de tenaamstelling) zich voordoet, niet in strijd is met artikel 110 van het VWEU. De rechtbank heeft, na bestudering van de door eiser aangehaalde jurisprudentie van het HvJ, geen aanknopingspunten kunnen vinden dat hierin anders moet worden geoordeeld dan door de Hoge Raad op 26 maart 2021 is gedaan.
16. De rechtbank acht bovenstaand oordeel in lijn met de Unierechtelijke jurisprudentie, zodat het voor het doen van uitspraak niet noodzakelijk is op dit punt het HvJ te verzoeken prejudiciële vragen te beantwoorden met betrekking tot de door eiser opgeworpen rechtsvraag. De rechtbank ziet geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de toepassing door de Hoge Raad van artikel 110 van het VWEU, gegeven de uitleg die het HvJ daaraan heeft gegeven in zijn jurisprudentie.
17. Anders dan eiser betoogt doet zich, bij de inschrijving in het kentekenregister van gebruikte uit andere lidstaten afkomstige voertuigen en de daarmee verbonden heffing van bpm, niet de situatie voor dat de bij de vaststelling van de grondslag van de berekende belasting waarderingsfactoren in aanmerking worden genomen die een waardeverschil ten opzichte van het overeenkomstige nationale product creëert of vergroot. Het heffingsmoment, de registratie in het kentekenregister, is immers bij dat overeenkomstige nationale product over het algemeen de datum van eerste toelating in Nederland. Op dat moment zijn er eenvoudigweg nog geen waarde verminderende factoren die tot een lagere heffing kunnen leiden. Dat in de spaarzame gevallen waarin een binnenlands product wel op een later moment aan de heffing wordt onderworpen – zoals bijvoorbeeld bij voormalige taxi’s - een waarderingsmethode wordt gehanteerd die afwijkt van de methode die wordt gebruikt bij geïmporteerde voertuigen is gesteld noch gebleken.
18. Ook het betoog van eiser dat sprake is van een ‘exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap’, waardoor elk optreden van een lidstaat op hetzelfde domein a priori in strijd is met het Verdrag, snijdt geen hout. De heffing van belastingen betreft immers geen exclusieve bevoegdheid van enig Unierechtelijk orgaan.
De heffing van griffierecht (grief d)
19. Eiser stelt onder verwijzing naar het arrest Kantarev dat het griffierecht in ieder geval niet meer mag bedragen dan 4% van het in geschil zijnde bedrag. Ook het vooraf heffen van griffierecht is in strijd met het Unierecht, aldus eiser.
20. Uit het arrest Kantarev kan niet de algemene regel worden afgeleid dat de toegang tot de nationale rechter alleen dan wordt gewaarborgd indien niet meer dan 4% van de in geding zijnde vordering aan griffierechten wordt geheven. Verder geldt dat de Nederlandse regeling inzake griffierecht in het bestuursrecht niet van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter wordt ontnomen. De rechtbank betrekt in het oordeel dat ter zake van het griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan kan worden indien de heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het onmogelijk, althans uiterst moeilijk maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. De klachten van eiser over het griffierecht, mede omvattend het vooraf betalen daarvan, treffen daarom geen doel.
De hoorplicht in de bezwaarfase (grief e)
21. Eiser stelt dat verweerder in bezwaar de hoorplicht heeft geschonden. De rechtbank leidt uit de stukken in het dossier af dat eiser voorafgaand aan het doen van uitspraak op bezwaar twee keer is uitgenodigd voor een hoorgesprek op 19 december 2023, namelijk bij brieven van 21 november 2023 en 29 november 2023. Deze brieven zijn per aangetekende post aan de gemachtigde van eiser gezonden. Deze aangetekende poststukken zijn door gemachtigde geweigerd en vervolgens retour ontvangen door verweerder. De brieven zijn ook per gewone post aan gemachtigde gezonden. Verweerder heeft de dossiers ook digitaal aan gemachtigde aangeboden. Verweerder heeft ook per e-mail een uitnodiging gestuurd voor het hoorgesprek via WebEx. Gemachtigde van eiser heeft niet ingelogd via WebEx om deel te nemen aan het hoorgesprek.
22. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser voldoende gelegenheid geboden om te worden gehoord. Gemachtigde heeft hier geen gehoor aan gegeven. Dat gedurende de bezwaarfase geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden komt dan ook voor rekening en risico van eiser. Van schending van de hoorplicht is daarom geen sprake.
De gestelde schendingen van het verdedigingsbeginsel (grief f)
23. Eiser stelt dat verweerder de naheffingsaanslagen in strijd met artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (HGEU) heeft opgelegd, nu eiser daaraan voorafgaand niet in de gelegenheid is gesteld mondeling te reageren. Het door eiser bedoelde recht om te worden ‘gehoord’ voordat een voor eiser nadelig besluit wordt genomen houdt in dat de betrokkene de gelegenheid wordt geboden het standpunt over een voorgenomen bezwarend besluit naar behoren kenbaar te maken. Uit het Unierecht vloeit niet voort dat het bij een bestuursorgaan naar voren brengen van een zienswijze over een voorgenomen bezwarend besluit, alleen naar behoren kan plaatsvinden indien dit mondeling geschiedt. Het Unierecht schrijft immers niet voor in welke vorm (mondeling of schriftelijk) de belanghebbende deze zienswijze aan het bestuursorgaan kenbaar moet kunnen maken mits de vorm waarvoor het bestuursorgaan kiest geen hindernis vormt van het recht gebruik te maken. Dit betekent dat indien eiser is uitgenodigd om schriftelijk een standpunt kenbaar te maken en eiser in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid aan de eisen van het Unierecht is voldaan.
24. In het onderhavige geval heeft eiser met dagtekening 26 juli 2023, respectievelijk 23 augustus 2023, een zogenaamde ‘Kennisgeving naheffingsaanslag bpm en een ‘Mededeling naheffingsaanslag bpm’ gekregen en is eiser in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid gebruik kunnen maken van die mogelijkheid. Dat eiser kennelijk ervoor heeft gekozen om dit niet te doen, blijft voor eisers rekening. De conclusie dat sprake is van een schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (artikel 47 HGEU) kan hier niet aan worden ontleend. De verwijzing van eiser naar artikel 47 HGEU maakt vorenstaande niet anders. Deze bepaling waarborgt het recht op een eerlijk proces en een onpartijdig gerecht en niet het recht op een mondelinge toelichting voorafgaand aan het opleggen van een naheffingsaanslag. De verwijzing van eiser naar artikel 7:2 van de Awb biedt voor een dergelijke verplichting ook geen grondslag. Deze nationaal rechtelijke bepaling heeft betrekking op de bezwaarfase en niet op de periode voorafgaande aan de besluitvorming. In laatstgenoemde fase gaat het erom dat een bestuursorgaan de nodige zorgvuldigheid in acht neemt bij de voorbereiding van zijn besluit. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:2 van de Awb. Vormvereisten zijn daarin – anders dan voor de bezwaarfase – niet gegeven. Een tweemaal gegeven mogelijkheid om schriftelijk te reageren acht de rechtbank niet in strijd met dat zorgvuldigheidvereiste. Voor het stellen van prejudiciële vragen op dit punt bestaat, gegeven de hierboven weergegeven gang van zaken, geen aanleiding.
De belastingcontrole door verweerder (grief g)
25. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder een belastingcontrole heeft uitgevoerd, waarvan binnenlandse voertuigen a priori zijn uitgezonderd. Dat is in flagrante strijd met het recht van de Unie, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie in zijn arrest van 10 oktober 1978, Hansen en Balle, EU:C:1978:173, r.o. 17 en 18. De aanslag moet vernietigd worden. De rechtbank is, aldus eiser, kennelijk niet bevoegd uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie en dus van de uitlegging in het arrest Hansen en Balle.
26. De stelling van eiser dat te weinig geheven bpm niet kan worden nageheven nadat voor een gebruikt, vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht, motorvoertuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister, na 1 januari 2022 goedkeuring door de RDW) zich heeft voorgedaan, faalt op de gronden vermeld in overweging 2.2 van het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:393). Voor zover het standpunt van eisers aldus moet worden verstaan dat bij voldoening op aangifte er voor in Nederland reeds aanwezig voertuigen geen controles plaatsvinden overweegt de rechtbank aanvullend als volgt. Indien belasting die op aangifte moet worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur op grond van artikel 20 van de AWR de te weinig geheven belasting naheffen. Daartoe mag de inspecteur een concrete aangifte aan een controle onderwerpen. Dat geldt zowel voor de registratie van zogenoemde binnenlandse voertuigen als voor de registratie van voertuigen afkomstig uit een andere lidstaat. Van schending van artikel 110 VWEU is dan ook geen sprake. Het is niet in strijd met het Unierecht om belastingplichtigen te verplichten het juiste bedrag aan registratiebelasting te voldoen voordat de registratie plaatsvindt. De rechtbank merkt in dit verband ook op dat de vergaande interpretatie van eiser van artikel 110 VWEU ook tot gevolg zou hebben dat een belastingheffend orgaan dat een onjuiste aangifte ontvangt geen gebruik zou kunnen maken van de wettelijke mogelijkheid dat door middel van een corrigerende (naheffings)aanslag recht te trekken. Het heffingssysteem van aangifte en voldoening dat ook bij bijvoorbeeld de – veelvuldig aan het Unierecht getoetste - omzetbelasting wordt gebruikt, brengt immers met zich dat het belastbare feit, gevolgd door het in de aangifte neer te leggen standpunt van de belastingplichtige daaromtrent, het startpunt van de heffing is.
27. Het hierboven weergegeven antwoord op deze rechtsvraag ziet de rechtbank als een zogenaamde ‘acte claire’, zodat er geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen met betrekking tot dit onderdeel van het beroep. Het beroep dat eiser in dit verband heeft gedaan op het arrest Hansen en Balle gaat naar het oordeel van de rechtbank over een juridisch en feitelijk andere situatie. Voor de algemene conclusie van eiser dat de controle na het doen van aangifte in strijd is met het Unierecht kan in dat arrest geen steun worden gevonden.
De bevoegdheid van verweerder een naheffingsaanslag op te leggen (grief h)
28. De stelling van eiser dat te weinig geheven bpm niet kan worden nageheven nadat voor een gebruikt (vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht) motorvoertuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister) zich heeft voorgedaan, faalt op de gronden vermeld in overweging 2.2 van het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:393. Het is evenmin in strijd met het Unierecht om belastingplichtigen te verplichten het juiste bedrag aan registratiebelasting te voldoen voordat de registratie plaatsvindt. Het hierboven weergegeven antwoord op deze rechtsvraag ziet de rechtbank als een zogenaamde ‘acte claire’, zodat er geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen met betrekking tot dit onderdeel van het beroep. De rechtbank merkt in dit verband ook op dat de vergaande interpretatie van eiser van artikel 110 VWEU ook tot gevolg zou hebben dat een belastingheffend orgaan dat een onjuiste aangifte ontvangt geen gebruik zou kunnen maken van de wettelijke mogelijkheid dat middels een corrigerende (naheffings-)aanslag recht te trekken. Het heffingssysteem van aangifte en voldoening – dat ook bij bijvoorbeeld de veelvuldig aan het Unierecht getoetste omzetbelasting wordt gebruikt - brengt immers met zich mee dat het belastbare feit, gevolgd door het in de aangifte neer te leggen standpunt van de belastingplichtige daaromtrent, het startpunt van de heffing is.
De tenaamstelling van de aanslag (grief i)
29. De rechtbank stelt vast dat de aanslag is opgelegd aan eiser, zijnde degene die de inschrijving in het kentekenregister heeft aangevraagd. Dit is in overeenstemming met artikel 20, tweede lid, van de AWR in samenhang met artikel 7 van de Wet bpm.
De hoogte van de in aanmerking te nemen schade (grief j)
30. Het door eiser bestreden en door verweerder gehanteerde percentage berust op de (Bijlage bij de) Uitvoeringsregeling bpm (tekst 2020, nadien gewijzigd per 1 januari 2022). Deze regeling is volgens vaste jurisprudentie aanvaardbaar. Verwezen is naar bijvoorbeeld de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14 juli 2016 (ECLI:NL:GHSHE:2016:2998). Van doorslaggevende betekenis is daarbij geacht dat de regeling een tegenbewijsregeling kent, zodat onder omstandigheden, ook de volledige schade in aanmerking kan worden genomen. In verband met deze tegenbewijsmogelijkheid is volgens deze jurisprudentie ook geen sprake van strijd met artikel 110 VWEU. De rechtbank sluit zich bij dit oordeel aan. In het onderhavige geval is van de mogelijkheid van tegenbewijs geen gebruik gemaakt. Ook zijn de gestelde schadeposten niet inzichtelijk en aannemelijk gemaakt. Ook de beperkte tijdsduur waarin de controle heeft plaatsgevonden komt de rechtbank onaannemelijk voor. Daarnaast ontbreken de aankoopnota, de nota van herstel en de reparatienota’s, waardoor de rechtbank geen ruimte ziet om het taxatierapport van eiser te volgen. Bijgevolg sluit de rechtbank aan bij het standpunt van verweerder.
31. Verweerder heeft het hierboven weergegeven standpunt van eiser betwist. De rechtbank overweegt ten oordeelt als volgt. Op grond van artikel 3.5 van bijlage I bij de Uitvoeringsregeling bpm geldt als uitgangspunt dat de waardevermindering als gevolg van schade wordt vastgesteld op 31 dan wel 72% van het schadebedrag. Op eiser rust de last de waardevermindering als gevolg van schade aannemelijk te maken. Hiertoe verwijst de rechtbank naar achtereenvolgens de arresten HvJ ECLI:EU:C:2001:109, overweging 39 (Gomes Valante) en HvJ ECLI:EU:C:2003:228, overweging 60, waaruit volgt dat die bewijslastverdeling niet in strijd is met het Unierecht. Het percentage van 72 of, sinds 1 januari 2022, 31 is een gedeeltelijke tegemoetkoming in die bewijslast en kan dus evenmin in strijd zijn met het Unierecht. Daarom slaagt de beroepsgrond niet. De vraag hoe het percentage tot stand is gekomen is daarmee niet relevant.
De Scandinavische rekenmethode (grief k)
32. Eiser heeft betoogd dat verweerder bij de vaststelling van de omvang van de CO²-uitstoot van de auto gebruik had moeten maken van de zogenaamde ‘Scandinavische berekeningsmethode’. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uitgangspunt bij de bepaling van de CO²-uitstoot vormt artikel 6a van de Uitvoeringsregeling bpm. Het eerste en tweede lid van dit artikel luiden als volgt (tekst 2025).
1 Voor de toepassing van artikel 9, dertiende en veertiende lid, van de wet blijkt de CO2-uitstoot van een personenauto of een bestelauto in gram per kilometer uit het kentekenregister.
2 Indien de CO2-uitstoot van een personenauto of een bestelauto in gram per kilometer niet blijkt uit het kentekenregister blijkt de CO2-uitstoot in gram per kilometer uit:
a. de voor de auto verleende typegoedkeuring, bedoeld in artikel 22 van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel het door de fabrikant ter zake afgegeven certificaat van overeenstemming;
b. indien voor de auto geen typegoedkeuring is verleend, en ter zake evenmin een certificaat van overeenstemming is afgegeven: de voor de auto verleende individuele goedkeuring, bedoeld in artikel 26 van de Wegenverkeerswet 1994;
c. indien voor de auto geen typegoedkeuring is verleend, geen certificaat van overeenstemming is afgegeven en ook geen individuele goedkeuring is verleend: een testrapport van een individuele keuring van de auto, waarbij de CO2-uitstoot is gemeten overeenkomstig de ter zake in het kader van de Europese Unie tot stand gekomen geldende voorschriften;
d. in andere gevallen dan bedoeld in de onderdelen a, b en c: een goedkeuring van de auto waaruit de CO2-uitstoot van de auto blijkt, gemeten overeenkomstig de voorschriften van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties, dan wel een gelijkwaardig internationaal reglement.
33. Uit de redactie van deze bepaling blijkt dat voor de vaststelling van de uitstoot sprake is van een rangorde, waarbij aan een methode eerst wordt toegekomen indien de eerdergenoemdemethodes niet tot een vaststelling hebben kunnen leiden.
34. In het onderhavige geval dient daarom met toepassing van het eerste lid het kentekenregister in het land van de eerste toelating als leidend te worden beschouwd. Bij gebreke aan de gegevens uit het kentekenregister dient in eerste instantie te worden teruggevallen aan een typegoedkeuring te ontlenen gegevens en daarna indien nodig op het zogenaamde ‘Certificaat van overeenstemming’. Voorts dient te worden bezien of een testrapport van de betreffende auto soelaas biedt. Indien dat allemaal niet het geval is, zijn de onder d genoemde metingen aan de orde. Niet valt uit te sluiten dat de door eiser verdedigde Scandinavische rekenmethode voldoet aan de onder d vermelde voorwaarden, maar dat is eerst aan de orde indien toetsing aan de bronnen, genoemd onder a, b en c, geen resultaat heeft opgeleverd. Daarnaast bestaat natuurlijk de mogelijkheid dat de uitstootwaardes die in de eerste drie bronnen zijn weergegeven zijn gebaseerd op deze berekeningsmethode. Ook dan kan de Scandinavische rekenmethode leiden tot de voor de vaststelling van de bpm te hanteren CO²-uitstoot van de auto. Voor de door eiser gewenste toepassing van de methode in alle gevallen wanneer dit tot een voor de belastingplichtige gunstiger is, biedt de wet echter geen ruimte. Voor de conclusie dat deze bewijsregels kunnen leiden tot een uitkomst die onverenigbaar is met artikel 110 VWEU ziet de rechtbank geen aanknopingspunten.
Bewijslast en soortgelijke voertuigen (grief l).
35. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder dient te waarborgen dat niet meer belasting wordt geheven dan nog rust op soortgelijke, reeds in het binnenland geregistreerde, soortgelijke voertuigen. De rechtbank overweegt als volgt. De belasting voor de bpm dient op aangifte te worden voldaan (artikel 6 van de Wet bpm). Bij het doen van aangifte voor de bpm dient eiser de daartoe van belang zijnde gegevens aan te leveren voor de bepaling van de verschuldigde bpm. Indien belanghebbende wil afwijken van de door hem gehanteerde afschrijving, rust op hem in beginsel de plicht om feiten te stellen en, bij betwisting, aannemelijk te maken waaruit volgt dat en in hoeverre de afschrijving te laag is (ECLI:NL:HR:2017:847, r.o. 2.4). Artikel 110 VWEU verzet zich niet tegen deze bewijslastverdeling (ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3). De grief slaagt niet.
De proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase (grief m)
36. Eiser heeft betoogd dat verweerder in gevallen als deze, indien een aangevochten aanslag niet volledig in stand blijft omdat deze niet in overeenstemming met het Unierecht is opgelegd, gehouden is de ‘werkelijke’ proceskosten van de bezwaarmaker te vergoeden. Daargelaten de vraag of die situatie zich hier voordoet, hetgeen verweerder betwist, brengt de omstandigheid dat de gemachtigde van eiser voor hem optreedt op basis van een zogenaamde ‘no-cure-no-pay-overeenkomst’ met zich dat dergelijke ‘werkelijke’ proceskosten bij gebrek aan facturen en/of betaalbewijzen niet kunnen worden vastgesteld. De grief slaagt dan ook niet.
Conclusie
37. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Beoordeling van het verzoek om immateriële schadevergoeding
38. De gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade als gevolg van de lange afhandelingsduur van deze zaak.
39. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek om een schadevergoeding uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van onder meer 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252) en 14 juni 2024 (ECLI:NL:HR:2024:853). Anders dan eiser betoogt, is deze jurisprudentie van de Hoge Raad niet in strijd met het Unierecht.
40. Op grond van het aan artikel 6 van het EVRM ten grondslag liggende en algemeen aanvaarde rechtszekerheidsbeginsel moeten belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden berecht. Een redelijke termijn is in beginsel een termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen. In genoemd arrest van 14 juni 2024 heeft de Hoge Raad vervolgens beslist dat voor zaken waarin het financieel belang minder dan € 1.000 bedraagt (zogenoemde ‘bagatelzaken’), en waarin de redelijke termijn met minder dan twaalf maanden is overschreden, niet langer recht bestaat op vergoeding van immateriële schade. Indien het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, beslist de belastingrechter op een verzoek om vergoeding van immateriële schade naar bevind van zaken. Het staat de belastingrechter vrij om – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – ook in die gevallen te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Ten slotte heeft de Hoge Raad bepaald dat deze nieuwe regel niet geldt voor zaken waarin (i) belanghebbende voorafgaand aan de datum van het arrest om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verzocht, en (ii) de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure (bezwaar en beroep, hoger beroep, cassatieberoep) op de datum van het arrest is overschreden.
41. Vast staat dat de gemachtigde in zijn nadere stuk van 10 oktober 2025 voor het eerst verzoekt om een vergoeding van immateriële schade, zodat het hiervoor genoemde overgangsrecht niet van toepassing is. De rechtbank stelt verder vast dat de redelijke termijn is overschreden, omdat het bezwaarschrift langer dan twee jaar geleden is ingediend, teruggerekend vanaf het moment dat de rechtbank uitspraak doet. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om een immateriële schadevergoeding toe te kennen en sluit zich aan bij overweging 39 van de uitspraak van rechtbank Gelderland van 9 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:5453:
“39. (…) Belanghebbende heeft zijn stelling met betrekking tot het door hem voorgestane bedrag aan terug te geven BPM niet cijfermatig onderbouwd en op grond van de stukken van het geding is niet te beoordelen of sprake is van een financieel belang van € 1.000. In dit geval ligt het op de weg van de belanghebbende die om een vergoeding van immateriële schade heeft verzocht, de feiten te stellen, en in geval van betwisting aannemelijk te maken, op grond waarvan de omvang van dit financiële belang kan worden vastgesteld, zo nodig door middel van schatting (Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.5.). Belanghebbende heeft hiervoor niets gesteld. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat geen sprake is van financieel belang van € 1.000 of meer. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat de gemachtigde van belanghebbende diverse stellingen heeft ingenomen waarbij de feitelijke grondslag ontbreekt of de stelling op geen enkele wijze concreet is onderbouwd. Dat in een aantal zaken de redelijke termijn met meer dan 12 maanden is overschreden leidt niet tot een ander oordeel. Zoals hiervoor reeds opgemerkt heeft de gemachtigde grote hoeveelheden zaken met veelal gelijkluidende beroepsgronden aangebracht. Bovendien hebben deze beroepsgronden veelal een algemeen karakter. Zij zijn dus vaak niet van toepassing op zaak waarin zij worden aangevoerd. Daar komt dan bij dat belanghebbende niets heeft aangevoerd om aannemelijk te maken dat sprake is van een financieel belang van € 1.000 of meer. Laat staan dat hij heeft onderbouwd dat en zo ja, tot welk bedrag, zij immateriële schade heeft geleden. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank, ook al is de redelijke termijn met meer dan 12 maanden overschreden, niet of nauwelijks sprake van spanning en frustratie. Zij volstaat daarom met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.”
42. Nu de overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot een toe te kennen vergoeding voor immateriële schade, is een (integrale) vergoeding van proceskosten niet aan de orde. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 (ECLI:NL:HR:2024:567) bestaat in dit geval ook geen recht op vergoeding van het griffierecht.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond, en
wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van T.T Langeveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag (belastingkamer) waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
Bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
Het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden.
a. De naam en het adres van de indiener;
b. De datum van verzending;
c. Een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. De redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep). | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|