|
|
|
| ECLI:NL:CRVB:2026:922 | | | | | Datum uitspraak | : | 08-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 06-08-2026 | | Instantie | : | Centrale Raad van Beroep | | Zaaknummers | : | 25/685 Wajong | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Weigering om terug te komen van het besluit van 10 augustus 2022 waarbij geweigerd is om aan appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden. Zorgvuldig medisch onderzoek. | | Trefwoorden | : | ingezetene | | | uitkering | | | | Uitspraak | Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/685 WAJONG
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 maart 2025, 24/6156 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 8 juli 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft beslist dat geen aanleiding bestaat om terug te komen van het besluit van 10 augustus 2022 waarbij geweigerd is om aan appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Volgens appellante heeft zij nieuwe feiten aangevoerd die voor het Uwv aanleiding hadden moeten zijn terug te komen van het besluit van 10 augustus 2022. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht is gebleven bij de weigering een Wajong-uitkering toe te kennen.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.W. de Gruijl, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 27 mei 2026. Namens appellante is mr. J. Koenen, kantoorgenoot van mr. De Gruijl, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.W. Beers.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren op [geboortedatum] 1998, heeft met een door het Uwv op 7 juni 2022 ontvangen formulier een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Daarbij is vermeld dat zij vaak angstig is en veel geholpen moet worden. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellante weliswaar nu geen arbeidsvermogen heeft, maar dat deze situatie niet duurzaam is. Met een besluit van 10 augustus 2022 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Appellante heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt.
1.2.
Op 5 september 2023 heeft appellante opnieuw een aanvraag voor een Wajonguitkering ingediend. Het Uwv heeft deze aanvraag opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 10 augustus 2022. Na onderzoek door een verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 26 september 2023 de aanvraag afgewezen omdat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden.
1.3.
Bij besluit van 29 mei 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft, voor zover van belang, geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, die maken dat appellante recht heeft op een Wajong-uitkering bij het terugkomen van het besluit van 10 augustus 2022 of op basis van een duuraanspraak.
2.1.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De aanvraag en de door appellante ingebrachte informatie zijn door de verzekeringsarts bezwaar en beroep beoordeeld. De rechtbank volgt niet dat fysiek onderzoek of een huisbezoek had moeten plaatsvinden. Het is aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep om de onderzoeksmethoden te kiezen. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellante heeft afgezien van de mogelijkheid om in bezwaar te worden gehoord.
2.2.
Verder heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beschikbare informatie op kenbare wijze bij de oordeelsvorming heeft betrokken en op inzichtelijke wijze heeft geconcludeerd dat nog steeds sprake is van een situatie dat appellante arbeidsvermogen kan ontwikkelen als zij een behandeltraject volgt. De informatie die appellante in beroep heeft ingebracht, welke ziet op de huidige situatie van appellante, is niet beoordeeld door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en kan niet door de rechtbank worden betrokken bij de beoordeling van het verzoek om terug te komen van de besluitvorming voor het verleden. Voor de beoordeling naar de toekomst leidt deze informatie niet tot een ander oordeel omdat deze niet ziet op de situatie van appellante op haar achttiende verjaardag. De rechtbank volgt appellante niet in het standpunt dat uit de informatie van de psycholoog van 19 juli 2023 volgt dat zij uitbehandeld is. Appellante heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden, of dat het besluit evident onredelijk is. Ook heeft appellante met deze stukken het beroep op de duuraanspraak niet deugdelijk onderbouwd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op kenbare wijze onderbouwd dat appellante op basis van de duuraanspraak niet in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onzorgvuldig is omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen huisbezoek heeft verricht, zodat niet alle relevante feiten en omstandigheden zijn betrokken bij de beoordeling. Appellante heeft gesteld dat onduidelijk is waarom de informatie die in beroep is ingebracht, ziet op de huidige situatie en niet door de verzekeringsarts bezwaar en beroep kon worden beoordeeld, waardoor deze informatie niet bij de beoordeling voor het verleden kon worden betrokken. Verder heeft appellante aangevoerd dat de uitspraak van de rechtbank tegenstrijdigheden bevat. Onduidelijk is hoe de informatie kan zien op de huidige situatie van appellante en dus nieuw is, maar daarna is overwogen dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden waardoor het besluit evident onredelijk is. Uit de informatie van de psycholoog van 19 juli 2023 blijkt hoe de situatie van appellante is verslechterd en dat zij is uitbehandeld, zodat twijfel over het medisch oordeel is gezaaid. Dit werpt een ander licht op de situatie op haar achttiende verjaardag, want nu blijkt de ernst van de situatie.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1.
Het Uwv heeft op het verzoek van appellante om terug te komen van het besluit van 10 januari 2014 beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.
5.2.
Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
5.3.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van de gronden in beroep. De rechtbank heeft deze gronden gemotiveerd besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank. Daaraan voegt de Raad het volgende toe.
5.4.
Voor zover appellante in hoger beroep heeft betoogd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep fysiek onderzoek had moeten verrichten, volgt uit vaste rechtspraak van de Raad dat een (persoonlijk) onderzoek in de zin van een spreekuurcontact door een verzekeringsarts niet noodzakelijk is als met toepassing van artikel 4:6 van de Awb is besloten op een herhaalde aanvraag.
5.5.
Verder ziet de door appellante ingebrachte informatie niet op de te beoordelen periode, zodat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6, van de Awb. Er bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat bij de beoordeling in 2022 door het Uwv relevante aspecten in de belastbaarheid van appellante op haar achttiende zijn gemist, zodat ook voor de toekomst geen aanleiding bestaat om terug te komen van de Wajong-weigering. Daaruit volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat om voor het verleden of voor de toekomst van het besluit van 10 augustus 2022 terug te komen. Het besluit van 10 augustus 2022 is niet onmiskenbaar onjuist en daarmee ook niet evident onredelijk.
Conclusie en gevolgen
5.6.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) D. Semiz
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Artikel 4:6 van de Awb
1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
Artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong
Jonggehandicapte is de ingezetene die:
a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;
b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.
Artikel 1a:1, vierde lid, van de Wajong
Onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben wordt in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.
Beoordelingskader uit Bijlage 1 van het ‘Compendium Participatiewet’
“Stap 1 - voor de verzekeringsarts
De verzekeringsarts stelt vast of er sprake is van een progressief ziektebeeld.
Als het antwoord bevestigend is, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.
Stap 2 - voor de verzekeringsarts
De verzekeringsarts stelt vast of de situatie van cliënt aan beide volgende voorwaarden voldoet:
* er is sprake van een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden;
* de aandoening is zodanig ernstig dat geen enkele toename van bekwaamheden mag worden verwacht.
Als aan deze beide voorwaarden wordt voldaan, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.
Stap 3 - voor de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige samen
De verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige stellen in gezamenlijk overleg vast of het ontbreken van arbeidsvermogen van de cliënt duurzaam is. Zij betrekken daarbij ten minste de volgende aspecten in onderlinge samenhang:
* het al dan niet ontbreken van mogelijkheden ter verbetering van de belastbaarheid;
* het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot verdere ontwikkeling;
* het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot toename van bekwaamheden.
Op grond van hun gezamenlijk overleg concluderen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige of het arbeidsvermogen al dan niet duurzaam ontbreekt. De beoordeling is afgerond.
Zie de uitspraken van de Raad van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115.
Zie de uitspraak van de Raad van 17 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:750. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|