Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHDHA:2026:2396 
 
Datum uitspraak:08-07-2026
Datum gepubliceerd:10-08-2026
Instantie:Gerechtshof Den Haag
Zaaknummers:BK-25/385
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Art. 30a Wet WOZ, Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en bpm. Beoordelingsmoment bijzonder geval. Geen no cure no pay op het moment van instellen beroep. Tussenuitspraak. De gemachtigde wordt in de gelegenheid gesteld om voor de hogerberoepsfase het bewijs te leveren dat sprake is van een bijzonder geval.
Trefwoorden:belastingrecht
bpm
naheffingsaanslag
omzetbelasting
 
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/385

Tussenuitspraak van 8 juli 2026

in het geding tussen:


[X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: A. Oosters)

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, de Heffingsambtenaar,
(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 3 april 2025, nummer SGR 24/6588.




Procesverloop


1.1.
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2023 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2024 vastgesteld op € 255.000. Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2024 opgelegde aanslag onroerendezaakbelasting van de gemeente Den Haag (de aanslag).



1.2.
De Heffingsambtenaar heeft het tegen de beschikking en aanslag gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.



1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 51. De Rechtbank heeft geoordeeld:

“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- wijzigt de beschikking aldus dat de vastgestelde waarde wordt verminderd tot € 218.000;
- vermindert de aanslag onroerende-zaakbelastingen tot een berekend naar een waarde van € 218.000;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 453,50;
- draagt de heffingsambtenaar op om de toegekende vergoeding te betalen op een bankrekening die op naam staat van belanghebbende;
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 51 aan belanghebbende te vergoeden.”



1.4
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 143. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend, ingekomen op 6 april 2026.



1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 15 april 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.





Feiten

2. Het in hoger beroep ingediende nader stuk van belanghebbende omvat een uitgebreide onderbouwing met diverse bijlagen ter ondersteuning van het standpunt van belanghebbende dat in zijn geval sprake is van een “bijzonder geval” zoals bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46. De bijlagen bestaan onder meer uit de overeenkomst zoals die door de gemachtigde van belanghebbende wordt gebruikt sinds oktober 2024, een aantal overeenkomsten en facturen uit 2024, overeenkomsten uit 2026, een Excel-overzicht met winstcijfers en de winst- en verliesrekeningen van de onderneming van de gemachtigde over de jaren 2012 tot en met 2023.




Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld:

“2. Gemachtigde van belanghebbende heeft voor de zitting schriftelijk verzocht om een vergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het besluit).

3. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 januari 2025[1] geoordeeld dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wet WOZ het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay. (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.
Aanwijzingen dat dit laatste het geval is, kunnen bijvoorbeeld worden gevonden in de omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak. Gevallen die kennelijk niet deze kenmerken hebben, moeten in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm[2] worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 30a, leden 1 en 2, van de Wet WOZ, met als gevolg dat in die gevallen geen aanleiding bestaat tot vermenigvuldiging van de op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) berekende forfaitaire vergoeding.[3]

4. Het is aan de gemachtigde om feiten te stellen en aannemelijk te maken dat sprake is van zo’n bijzonder geval. Gemachtigde stelt dat er sprake is van een gemengd bedrijf, waarbij gemachtigde diensten verleent zowel op basis van no cure no pay als op basis van uurtarief. Gemachtigde heeft een factuur van € 640 exclusief btw overgelegd die ziet op het opstellen van het beroepschrift en een taxatierapport. Niet gebleken is dat er naast de overgelegde factuur nog andere kosten in rekening kunnen worden gebracht. Daarmee heeft de gemachtigde niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan. Een toe te kennen proceskostenvergoeding naar een bijzonder geval zou immers de kennelijk in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Daarnaast kan de rechtbank op een enkele factuur niet oordelen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde een bijzonder geval is. Nog daargelaten dat het doel van de proceskostenvergoeding niet eruit bestaat de werkelijke kosten te vergoeden, maar het bieden van een tegemoetkoming in die kosten. Gelet hierop past de rechtbank de vermenigvuldigingsfactor 0,25 toe.

5. De rechtbank stelt de te vergoeden kosten met inachtneming van de Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en bpm, het Besluit proceskosten bestuursrecht en het bovenstaande voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van een zitting, met een waarde per punt van € 907 (tarief 2025), wegingfactor 1 en een vermenigvuldigingsfactor 0,25).

(…)

[1] ECLI:NL:HR:2025:46.[2] Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, Stb. 2023, 507.
[3] ECLI:NL:HR:2025:46, rechtsoverweging 5.3.1. en 5.3.2.”




Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen


4.1.
In hoger beroep is in geschil of in het geval van belanghebbende sprake is van een “bijzonder geval” als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46.



4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en vaststelling van de proceskostenvergoeding zonder toepassing van artikel 30a Wet WOZ en terugbetaling van het betaalde griffierecht.



4.3.
De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.





Beoordeling van het geschil


Beroepsfase


5.1.1. Op het beroep, dat is ingesteld tegen de in 2024 gedane uitspraak op bezwaar is artikel 30a, lid 2, Wet WOZ van toepassing. De gemachtigde van belanghebbende heeft zich in dat verband op het standpunt gesteld dat zijn bedrijfsmodel meebrengt dat sprake is van een “bijzonder geval" als bedoeld in artikel 30a, lid 1 en lid 2, Wet WOZ (r.o. 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46) en heeft daartoe in hoger beroep financiële en andere informatie over zijn bedrijf in het geding gebracht.

5.1.2. Uit die informatie blijkt volgens de gemachtigde van belanghebbende dat in de onderhavige zaak werkzaamheden zijn verricht op basis van afspraken die zijn gemaakt ruim vóór de inwerkingtreding van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (WHpkv) op 1 januari 2024.

5.2.1. Sinds 1 januari 2024 werkt de gemachtigde van belanghebbende ook in nieuw op te starten procedures niet langer op basis van no cure no pay, zo heeft hij verklaard. Tot de gedingstukken behoort een overeenkomst van opdracht van oktober 2024 waarin onder andere het volgende is bepaald:



“Artikel 3.1: Kosten controle voor bezwaarfase
De kosten voor het beoordelen bedragen € 99,- inclusief BTW per aanslagbiljet. Het bezwaarschrift en het taxatierapport zullen worden opgesteld voor een bedrag van € 250,- inclusief BTW per gemotiveerd aanslagbiljet. Staan er meer dan 3 objecten op een aanslagbiljet moeten er aanvullende maatwerkafspraken gemaakt worden.

Als het bezwaar gegrond wordt verklaard kent de gemeente, op grond van het wettelijk stelsel, een proceskostenvergoeding toe. De proceskostenvergoeding in de bezwaarfase zal voor 75% aan [naam kantoor] toekomen, de overige 25% komt toe aan opdrachtgever.


[naam kantoor] behoudt zich het recht voor om, indien de wettelijke proceskostenvergoeding naar het oordeel van [naam kantoor] op een te laag bedrag is vastgesteld, namens belanghebbende bij de rechtbank beroep in te stellen. In dat geval
ontvangt u geen extra factuur van [naam kantoor] .



Artikel 3.2: Kosten controle voor beroep, hoger beroep- of cassatiefase
De kosten voor het beoordelen van een uitspraak bedragen € 99,- inclusief BTW per uitspraak. Het beroepschrift en het taxatierapport zullen worden opgesteld voor een bedrag van € 395,- inclusief BTW per procedure. Indien we voor u de bezwaarprocedure gevoerd hebben, dan bedragen de kosten voor beroep alleen € 395,- want de beoordelingskosten van € 99,- worden dan niet in rekening gebracht.

Als het (hoger)beroep gegrond wordt verklaard kent de rechtbank/gerechtshof, op grond van het wettelijk stelsel, een proceskostenvergoeding toe. De proceskostenvergoeding in de (hoger)beroepsfase zal voor 75% aan [naam kantoor] toekomen, de overige 25% komt toe aan opdrachtgever. Indien we voor u in hoger beroep of cassatie gaan nadat we voor u in de voorgaande fase geprocedeerd hebben, dan gelden dezelfde voorwaarden als voor die voorgaande fase.


[naam kantoor] behoudt zich het recht voor om, indien de wettelijke proceskostenvergoeding naar het oordeel van [naam kantoor] op een te laag bedrag is vastgesteld, namens belanghebbende bij de rechtbank, het gerechtshof en/of de Hoge Raad daartegen (hoger)beroep, verzet en/of cassatie in te stellen. In dit geval ontvangt u geen extra
factuur van [naam kantoor] .



Artikel 3.3: Verbod op winst
Opdrachtgever kan nooit meer vergoeding ontvangen dan de gemaakte kosten. In dat geval
vervalt het meerdere aan [naam kantoor] .
(…)”


5.2.2.
De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting van het Hof bevestigd dat hij voor zijn diensten bij een hoger beroep op verzoek van de cliënt wederom de in artikel 3.2 genoemde bedragen (zie 5.2.1) aan de cliënt in rekening brengt.



5.2.3.
De gemachtigde heeft individuele overeenkomsten en facturen overgelegd die het jaar 2024 betreffen. De gemachtigde van belanghebbende heeft toegelicht dat de bedragen volgens de eerder in 2024 gesloten overeenkomsten variëren als gevolg van de ontwikkeling van het nieuwe bedrijfsmodel. Overgelegde facturen voor een bezwaar- dan wel een beroepsprocedure op basis van in april tot en met december 2024 gesloten overeenkomsten variëren in kosten (inclusief btw) van € 80 tot € 1.343. Volgens een op 18 juli 2024 gesloten overeenkomst bedragen de kosten van een beroepschrift en een taxatierapport € 774,40 inclusief btw.



5.3.
In zijn arrest van 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1383, heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:

“2.3.2 In het arrest van 17 januari 2025 [Hof: ECLI:NL:HR:2025:46] heeft de Hoge Raad onder verwijzing naar het doel van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (hierna: de WHpkv) overwogen dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in de WHpkv het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.


2.3.3
Gevallen die kennelijk niet de drie hiervoor in 2.3.2 bedoelde kenmerken hebben, zijn aan te merken als een bijzonder geval als hiervoor in 2.1 bedoeld. De vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, kennelijk niet deze drie kenmerken heeft, moet worden beoordeeld naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend. Het is aan de belanghebbende om daarvan het bewijs te leveren. Aangezien het door de belanghebbende te leveren bewijs moet inhouden dat het bedrijfsmodel van (het kantoor van) diens gemachtigde “kennelijk niet” alle hiervoor bedoelde drie kenmerken heeft, moet buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat een of meer van deze kenmerken ontbreken.


De door belanghebbende verstrekte gegevens



2.4.1
Belanghebbende heeft in zijn bericht van 13 mei 2025 betoogd dat met de door hem verstrekte gegevens wordt bewezen dat op het moment waarop in deze zaak beroep in cassatie werd ingesteld (4 september 2024), het bedrijfsmodel van zijn gemachtigde (hierna: de gemachtigde) noch het eerste kenmerk van optreden op basis van no cure no pay, noch het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft. De gemachtigde is een in 2018 opgerichte besloten vennootschap, [A B.V.] , met een advies- en procespraktijk, gespecialiseerd in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm).



2.4.2
Over het eerste kenmerk stelt belanghebbende dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde in het algemeen nooit gebaseerd is geweest op het principe van no cure no pay en dit in elk geval niet meer zo is met ingang van 20 september 2023. Volgens belanghebbende brengt de gemachtigde sindsdien haar klanten voor iedere procedure, dat wil zeggen voor elk bezwaar tegen een betaling op aangifte of elk bezwaar tegen een naheffingsaanslag, inclusief eventuele opvolgende procedures, een instapvergoeding per betrokken auto in rekening. Die instapvergoeding blijft de klant verschuldigd aan de gemachtigde, ook als de procedure wordt verloren.Tussen 1 januari 2020 en 20 september 2023 bedroeg de instapvergoeding tussen de € 125 en € 265, exclusief omzetbelasting. Vanaf 20 september 2023, het moment waarop de gemachtigde kennisnam van het wetsvoorstel van de WHpkv, rekent de gemachtigde een instapvergoeding van € 750 exclusief omzetbelasting, behoudens in een verwaarloosbaar aantal uitzonderingsgevallen. Volgens belanghebbende kan van zo’n hoog bedrag niet worden gezegd dat de klant géén risico loopt bij het geven van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand.

(…)


Beoordeling optreden op basis van no cure no pay



2.6.1
Volgens de totstandkomingsgeschiedenis van de WHpkv moet bij optreden op basis van no cure no pay worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan. Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure.Voor de verder strekkende opvatting van de Staatssecretaris (neergelegd in de hiervoor in 2.2 bedoelde reactie) dat wanneer het bedrijfsmodel van de gemachtigde zo is vormgegeven dat de winstgevendheid of het voortbestaan van het bedrijf volledig afhankelijk is van bedragen aan proceskostenvergoedingen en vergoedingen van immateriële schade, dat bedrijfsmodel op één lijn moet worden gesteld met optreden op basis van no cure no pay, valt geen steun te ontlenen aan de totstandkomingsgeschiedenis van de WHpkv.



2.6.2
De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener in het kader van de WHpkv worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. In dat kader wordt namelijk onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.



2.7.1
Met de overlegging van de hiervoor in 2.4.3 en 2.5 bedoelde gegevens heeft belanghebbende naar het oordeel van de Hoge Raad buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde, beoordeeld naar de situatie op het moment waarop beroep in cassatie is ingesteld, niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft. Met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde vanaf 20 september 2023 voor elke op te starten procedure een instapvergoeding van € 750 exclusief omzetbelasting per betrokken auto in rekening brengt, ongeacht de uitkomst van die procedure.Een instapvergoeding van € 750 exclusief omzetbelasting per betrokken auto is niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Bij een instapvergoeding ter hoogte van dit bedrag staat vast dat klanten van de gemachtigde financieel risico lopen bij het inschakelen van de gemachtigde voor het voeren van een procedure. Daaraan staat niet in de weg dat de klant van de gemachtigde – de belanghebbende in een bpm-procedure – vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt.



2.7.2
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.7.1 is overwogen, is belanghebbende geslaagd in de op hem rustende last te bewijzen dat zijn geval is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025. De Hoge Raad berekent de vergoeding van de proceskosten van deze cassatieprocedure daarom zonder inachtneming van de WHpkv.”




5.4.
Uit de hiervoor aangehaalde overwegingen van de Hoge Raad (in het bijzonder r.o. 2.7.1) volgt dat het bedrijfsmodel van de beroepsmatig optredende gemachtigde moet worden beoordeeld naar het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is ingesteld en dat voor de toets of wordt opgetreden op basis van no cure no pay moet worden gekeken naar hetgeen volgens dat bedrijfsmodel voor elke op te starten procedure in rekening wordt gebracht. Hierbij heeft de Hoge Raad klaarblijkelijk niet van belang geacht dat de desbetreffende procedure reeds vóór ingang van het nieuwe door de Hoge Raad in aanmerking genomen bedrijfsmodel werd opgestart (de uitspraak van de rechtbank in die procedure is van 26 juni 2023 terwijl het nieuwe bedrijfsmodel startte per 20 september 2023).



5.5.
Het bedrijfsmodel van de gemachtigde van belanghebbende (zie 5.2) ten tijde van het instellen van beroep op 24 juli 2024 heeft niet het kenmerk van no cure no pay. Anders dan in de uitspraak van dit Hof van 18 februari 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:227, heeft belanghebbende met hetgeen hij in deze zaak in hoger beroep heeft aangevoerd buiten redelijke twijfel bewezen dat hij vanaf 1 januari 2024 voor elke op te starten procedure bedragen in rekening brengt die niet dusdanig laag zijn dat kan worden gezegd dat sprake is van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Het Hof leidt uit de door de gemachtigde overgelegde stukken af dat in de systematiek die de gemachtigde vanaf 1 januari 2024 als bedrijfsmodel hanteert bij het berekenen van de vergoedingen voor het voeren van procedures in bezwaar, beroep en hoger beroep, anders dan de Heffingsambtenaar meent, dat de klanten die de gemachtigde inschakelen voor het voeren van een procedure financieel risico lopen.



5.6.
Gelet op hetgeen hiervoor in 5.5 is overwogen, is belanghebbende geslaagd in de op hem rustende last te bewijzen dat in zijn geval op het moment van het instellen van het beroep op 24 juli 2024 is aan te merken als een “bijzonder geval”. Het hiervoor overwogene brengt mee dat de vergoeding van de proceskosten in de fase van het beroep moet worden berekend zonder inachtneming van de vermenigvuldigingsfactoren van artikel 30a, lid 2, Wet WOZ.


Hoger beroepsfase




5.7.
Gelet op r.o. 2.3.3 van het hiervoor in 5.3 aangehaalde arrest van de Hoge Raad volgt het Hof de stelling van de Heffingsambtenaar dat het instellen van het hoger beroep leidt tot een tweede toetsingsmoment voor de toepassing van artikel 30a Wet WOZ (namelijk voor de hogerberoepsfase). Van belanghebbende wordt verlangd dat hij buiten redelijke twijfel bewijst dat in het geval van belanghebbende ten tijde van het instellen van het hoger beroep, op 1 mei 2025, sprake is van een “bijzonder geval” als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025.



5.8.
Het Hof is in dit stadium van het geding niet in staat een beslissing te nemen over de hoogte van de vergoeding van kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de hogerberoepsprocedure. De stukken van het geding bieden namelijk onvoldoende aanknopingspunten om te beoordelen of in het geval van belanghebbende met het oog op die proceskostenvergoeding ten tijde van het instellen van het hoger beroep, sprake is van een “bijzonder geval”.



5.9.
Aangezien het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1383 is gewezen nadat belanghebbende hoger beroep had ingesteld hoefde belanghebbende niet bedacht te zijn op de in rechtsoverweging 2.3.3 van dat arrest geformuleerde regel inhoudende dat de vraag of in het geval van belanghebbende sprake is van een “bijzonder geval” moet worden beoordeeld naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend. Daarom zal het Hof het onderzoek in zoverre heropenen en zal het alvorens een beslissing te nemen over de omvang van de vergoeding van de kosten in hoger beroep, belanghebbende in de gelegenheid stellen om nadere gegevens te verstrekken ter voldoening aan de op dit punt op hem rustende bewijslast. De Heffingsambtenaar zal daarna in de gelegenheid worden gesteld daarop schriftelijk te reageren.




Beslissing

Het Gerechtshof
- houdt iedere verdere beslissing aan totdat de in 5.9 beschreven procedure is gevolgd.

Deze uitspraak is vastgesteld door W. de Wit , Chr.Th.P.M. Zandhuis en L.D.M.A. Reijs in tegenwoordigheid van de griffier D.W. Renes.


De griffier, de voorzitter,










D.W. Renes W. de Wit




De beslissing is op 8 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.


Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.


Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie in stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.


Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl
).



Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;


b. de dagtekening;


c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


d. de gronden van het beroep in cassatie.



Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Link naar deze uitspraak