Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBZWB:2026:6377 
 
Datum uitspraak:09-07-2026
Datum gepubliceerd:10-08-2026
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:12098596/AZ VERZ 26-16 (E 12098596/AZ VERZ 26-16 (E
Rechtsgebied:Arbeidsrecht
Indicatie:Overheidswerkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met werknemer. Werkgever voert aan dat er sprake is van verwijtbaar handelen van werknemer of van een verstoorde arbeidsverhouding, die maken dat de arbeidsovereenkomst moet eindigen. Werknemer heeft volgens werkgever niet gepast geweld gebruikt tegen een jeugdige gedetineerde en niet de waarheid gesproken over zijn handelen. De kantonrechter wijst het ontbindingsverzoek af. Wedertewerkstelling op straffe van een dwangsom toegewezen.
Trefwoorden:arbeidsovereenkomst
burgerlijk wetboek
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT


Civiel recht
Kantonrechter

Zittingsplaats Breda

Zaaknummer / rekestnummer: 12098596 \ AZ VERZ 26-16


Beschikking van 9 juli 2026


in de zaak van


DE STAAT DER NEDERLANDEN,

Namens deze de Minister van Justitie, vertegenwoordigd door de algemeen directeur van de Dienst Justitiële Inrichtingen, Rijks Justitiële Jeugdinrichting [locatie 1] ,

te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: DJI,
gemachtigde: mr. M.E.L.U. Janssen,

tegen



[de werknemer]
,
te [plaats 2] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [de werknemer] ,
gemachtigde: mr. M.P.W. Steuten.




1De zaak in het kort


1.1.
DJI verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [de werknemer] . DJI voert aan dat er sprake is van verwijtbaar handelen van [de werknemer] of van een verstoorde arbeidsverhouding, die maken dat de arbeidsovereenkomst moet eindigen. [de werknemer] heeft volgens DJI niet gepast geweld gebruikt tegen een jeugdige gedetineerde en niet de waarheid gesproken over zijn handelen. [de werknemer] voert verweer en stelt tegenverzoeken in.



1.2.
De kantonrechter wijst het ontbindingsverzoek af nu er geen redelijke grond voor ontbinding is. De tegenverzoeken tot wedertewerkstelling en het plaatsen van een rectificatie worden toegewezen.





2De procedure


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
 het verzoekschrift van 12 februari 2026 met producties 1 tot en met 19,
 het verweerschrift met producties 1 tot en met 11, met tegenverzoeken,
 de op 11 juni 2026 nagezonden productie 12 van [de werknemer] ,
 de op 12 juni 2026 door DJI nagezonden ‘handreiking bij onderbezetting’,
 de op 12 juni 2026 door DJI nagezonden contactmomenten tussen de inrichting en [de werknemer] ,
 de mondelinge behandeling van 15 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
 de spreekaantekeningen van de gemachtigden van beide partijen, zoals die tijdens de mondelinge behandeling zijn voorgelezen.



2.2.
Tijdens de mondelinge behandeling is ook het ontbindingsverzoek van DJI in de zaak tegen een collega van [de werknemer] behandeld, de heer [collega 1] (zaaknummer 12097483 AZ VERZ 26-15).



2.3.
De kantonrechter heeft aan het einde van de mondelinge behandeling bepaald dat er een beschikking zal worden gegeven.





3De feiten


3.1.
DJI voert namens de minister van Justitie en Veiligheid straffen en vrijheidsbenemende maatregelen uit die door de rechter zijn opgelegd. De Rijks Justitiële Jeugdinrichting (‘RJJI’) draagt zorg voor een veilige orthopedagogische tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende maatregelen. In de RJJI verblijven jongeren die om strafrechtelijke redenen zijn opgenomen in het kader van preventieve hechtenis, nachtdetentie, jeugddetentie of een PIJ- maatregel. De leeftijd van de jongeren ligt tussen de 12 en 23 jaar. De RJJI heeft drie locaties, waaronder [locatie 1] in [plaats 1] .



3.2.

[de werknemer] , geboren op [geboortedag] 1964, is sinds 1 mei 1998 in dienst bij DJI. De functie van [de werknemer] is Inrichtingsbeveiliger met een loon van € 2.913,59 bruto per maand exclusief emolumenten op basis van een 30-urige werkweek. [de werknemer] is werkzaam bij [locatie 1] .



3.3.
Op de arbeidsovereenkomst van [de werknemer] is de cao Rijk van toepassing. Daarnaast zijn de Ambtenarenwet, de Gedragscode Integriteit Rijk, het Personeelsreglement Justitie en Veiligheid, het Personeelsreglement DJI en de Gedragscode DJI van toepassing.



3.4.
In het Personeelsreglement Justitie en Veiligheid is op pagina 98 beschreven wat plichtsverzuim inhoudt:


“In het algemeen is zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen aan te merken als (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten. Het kan bestaan uit een handeling of nalaten, waarbij in strijd is gehandeld met wet- en regelgeving, beleidsinstructies, gedragscodes of met de verplichtingen en verantwoordelijkheden van het goed ambtenaarschap, dan wel een gedraging die een strafbaar feit oplevert.”




3.5.
De Gedragscode DJI beschrijft vier kernwaarden die gelden binnen DJI: respect, betrouwbaarheid, openheid en professionaliteit. Onder de kernwaarde respect wordt beschreven:



Geweldsincidenten met justitiabelen


Als vakman of -vrouw heeft u geleerd conflicten te voorkomen en ze professioneel op te lossen. Dat betekent onder meer: de situatie onder controle krijgen en houden, tot op zekere hoogte begrip tonen en vooral met argumenten proberen te overtuigen. Pas als er echt geen andere – lees verbale - mogelijkheden zijn, kunt u volgens de geldende instructies gebruik maken van geweld(smiddelen). Stem gedrag af op de omvang van het conflict. Zo voorkomt u dat een functionele ingreep ontaardt in een strafbaar geweldsdelict. Overigens: bedreiging en intimidatie, zoals seksuele toespelingen maken, of stelselmatig negeren, zijn ook vormen van geweld. DJI staat niet toe dat medewerkers geweld gebruiken. Niet onderling, niet tegenover justitiabelen en ook niet in uw privé-tijd. Uitzondering op deze regel is het geweld volgens de geweldsinstructie van de inrichting of de dienst om uzelf te verdedigen of om een situatie onder controle te krijgen.”




3.6.
De binnen DJI geldende Dienstinstructie geweld definieert geweld als ‘elke dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis uitgeoefend op personen, goederen of zaken.’ De Dienstinstructie geweld vermeldt over het toepassen van geweld:


“Het toepassen van geweld is alleen toegestaan indien de veiligheid van de medewerkers, andere jeugdigen, bezoekers en/of de jeugdige zelf in het geding is. Bij de toepassing van geweld gelden de volgende uitgangspunten:




Aan het gebruik van geweld gaat, indien de situatie dat toelaat, een waarschuwing vooraf;




Geweld is een uiterst middel: alle andere mogelijkheden zijn uitgeput. In situaties waar kan worden gewacht, wordt door de betrokken medewerker overlegd met een gedragswetenschapper en vervolgens toestemming gevraagd aan de directeur of diens plaatsvervanger alvorens over te gaan tot de inzet van geweld. Bij IBT-inzet wordt altijd toestemming van de directeur of diens plaatsvervanger vooraf gevraagd;




De geweldstoepassing is proportioneel: het gebruik van geweld staat in verhouding tot de ernst van het af te wenden gevaar.”






3.7.
Als Inrichtingsbeveiliger voert [de werknemer] verschillende soorten diensten uit, waaronder de voorportierdienst en de ambulante dienst. Tijdens de ambulante dienst van [de werknemer] van 9 april 2025 is hij samen met drie collega’s opgeroepen om drie jeugdige gedetineerden vanuit het klaslokaal terug te brengen naar hun cel omdat de sfeer in de klas niet goed was. De drie collega’s waren de heren [collega 1] , [collega 2] en [collega 3] . Een van de gedetineerden was jongere [de jongere] . (hierna: ‘de jongere’).



3.8.
Voor de deur van de slaapkamer en in de slaapkamer van de jongere heeft zich een incident voorgedaan waarbij de jongere letsel heeft opgelopen. Het begin van het incident is te zien op camerabeelden afkomstig van de camera in de gang waar de slaapkamers aan gelegen zijn. In de slaapkamer van de jongere bevindt zich geen camera. De camerabeelden bevatten geen geluid. De camerabeelden zijn op een usb-stick als productie 17 bij het verzoekschrift in het geding gebracht. De camerabeelden zijn tijdens de mondelinge behandeling meerdere malen bekeken. Het rapport van het Bureau Integriteit (waarover hierna meer) bevat ook een beschrijving van wat er op de beelden te zien is.


3.9.
Op de camerabeelden is te zien dat eerst collega [collega 2] de gang in komt lopen. Hij loopt alleen richting het einde van de gang. Vervolgens komt een andere jongere in beeld, die voor kamerdeur 2 gaat staan. Deze jongere verdwijnt weer uit beeld. Vervolgens loopt de jongere de gang in, gevolgd door [de werknemer] . Na [de werknemer] lopen twee andere jongeren de gang in, gevolgd door [collega 3] . De jongere die wordt begeleid door [de werknemer] gaat nadat [de werknemer] de deur van zijn slaapkamer heeft geopend niet naar binnen. De vuisten van de jongere zijn gebald naast zijn lichaam. [collega 1] komt aangelopen en gaat ook bij de jongere staan, naast [de werknemer] . Ondertussen sluit [collega 3] een andere jongere in zijn slaapkamer in. De jongere staat voor de drempel van zijn slaapkamer, met zijn rug naar zijn slaapkamer en zijn gezicht naar de gang gericht en met [de werknemer] en [collega 1] tegenover zich. [collega 3] komt schuin achter [de werknemer] staan, met zijn handen in zijn zij, kijkend naar [de werknemer] , [collega 1] en de jongere. De jongere beweegt zijn gebalde linkervuist richting zijn borst. [de werknemer] beweegt zijn rechterarm van langs zijn lichaam in een opwaartse strekkende beweging richting de jongere. De jongere verdwijnt in zijn slaapkamer, direct gevolgd door [de werknemer] , [collega 1] en [collega 3] . Ook [collega 2] komt aangerend en gaat de slaapkamer van de jongere binnen. Vervolgens valt de slaapkamerdeur dicht. Drie seconden later komt collega mevrouw [persoon] vanuit de deuropening van de gang aanrennen, waarna zij met een sleutel de slaapkamerdeur van de jongere opent.



3.10.
De jongere is vervolgens geboeid vanuit zijn slaapkamer getransporteerd naar de isolatiecel.



3.11.

[de werknemer] heeft op de dag van het incident een rapportage opgesteld en ingeleverd. Zijn collega’s hebben hetzelfde gedaan. [de werknemer] heeft in zijn rapportage vermeld:


“(…) Na enig aandringen kwamen met de 3 jongere op de slaapgang 2 jongere werkten mee en werden ingesloten.



Echte bovengenoemde jongere bleef in de deuropening staan en bleef provoceren en en dreigen richting collega [collega 1] en weigerde onze instructies op te volgen om naar zijn kamer te gaan.



Op het moment dat de bovengenoemde jongere stap richting collega [collega 1] deed besloot ik in te grijpen.


Heb de jongere bij zijn schouders gepakt en hem geprobeert naar de grond te brengen. Jongere ging in verzet daar tegen. Uiteindelijk toch gelukt om jongere op zijn buik te krijgen daarna Jongere gefixeerd volgens procedure en hem geboeid en geplaatst in de afzondering.



Valt nog te vermelden dat ik zag dat de jongere een bloedneus had, wij hebben onmiddellijk verzocht om de medische dienst.”




3.12.
Ook de jongere heeft een verklaring over het incident afgelegd. In zijn ongedateerde, handgeschreven verklaring staat te lezen:


“(…) Eenmaal aangekomen op de groep loop ik meteen naar mijn kamer


Voor mijn deur zeg ik tegen de begeleider dat hij me niet meer moet beschouwen


vervolgens loopt hij naar mijn deur en zegt dat ik iets moet doen als ik dat wil (geweld gebruiken)


ik zei tegen hem dat ik niks hoefde te doen


toen zei ik dat hij niks was zonder pieper en vroeg hem of hij weer alarm voor mij ging drukken


ze stonden met zijn 4’en in mijn deuropening toen [kantonrechter: onleesbaar] pakte mijn haar vast


een ander gaf mij een elleboog op mijn linkerslaap


ze pakte mijn armen vast en gaven mij een knie op mijn neus/lip


allemaal zonder enkele weerstand!


Ze haalde mij naar de grond en ik kreeg een elleboog op mijn rechterslaap (…)”




3.13.
De jongere is op 9 april 2026 naar de spoedeisende hulp van het [ziekenhuis] gebracht. Uit röntgenonderzoek bleek een factuur aan de sinus maxillaris (kaakbijholte) links. Ook maakt de verslaglegging van het ziekenhuis melding van een klein scheurwondje in de onderlip en een minimale zwelling met mild hematoom aan de linkerzijde van het gezicht. De jongere is op 12 april 2025 overgebracht naar een andere locatie van RJJI, [locatie 2] in [plaats 3] . De penitentiaire arts van [locatie 2] beschrijft ‘letsel hoofd/kaak fractuur met hersenschudding’.



3.14.
De jongere heeft op 10 april 2025 aangifte gedaan bij de politie van zware mishandeling c.q. eenvoudige mishandeling. In het proces-verbaal van aangifte is onder meer opgenomen:


“Het contact tussen mij en alle medewerkers van [locatie 1] is normaal gesproken goed. Ik heb alleen een probleem met beveiliger 1 [kantonrechter: [collega 1] ] (…).



Beveiliger nummer 2 [ kantonrechter: [de werknemer] ] deed de deur van mijn kamer open. Ik stond in de deuropening. Ik riep tegen beveiliger 1, die in de woonkamer van de groep stond, dat hij mij niet meer moest beschouwen. Daarmee bedoel ik dat hij mij niet meer als een sukkel moet zien. Ik zag dat beveiliger 1 van de woonkamer naar mijn kamer liep. Deze afstand van de woonkamer naar mijn kamer toe is ongeveer 13 meter. Ik liep al mijn kamer in. Ik draaide mij om en ik zag dat er vier beveiligers in de deuropening van mijn kamer stonden. Ik hoorde dat beveiliger 1 zei ‘als je iets wilt doen, moet je het nu doen’. Ik had het gevoel dat hij geïrriteerd was toen hij dit zei. Ik keek beveiliger 1 verbaasd aan. Ik zei dat ik niks hoefde te doen en ik zei dat hij zonder alarm niks was. Ik bedoelde daarmee dat hij alleen maar stoer was met een alarm. Toen vroeg ik aan beveiliger 1 of hij weer alarm ging drukken.



Ik stond in mijn kamer en ik liep richting de deuropening. Vervolgens voelde ik dat beveiliger 2 mij aan mijn haren pakte. Ik zag dat hij met één hand mijn haren vastpakte en dat hij mij naar zich toe trok. Ik heb het best wel groot afro kapsel. Doordat er aan mijn haren werd getrokken, boog ik wat naar beneden. Ik zag dat beveiliger 1 mij een elleboog op mijn slaap gaf. Dit was aan de linkerkant van mijn gezicht. Ik voelde meteen dat ik duizelig werd. Ik voelde ook direct pijn aan mijn gezicht. Ik zag meteen wazig. Ik voelde dat de beveiliger mijn haren hierna niet meer vasthad.



Ik draaide met mijn lichaam de andere kant op, weg van de deuropening. Ik stond op dat moment voorovergebogen, met mijn rug richting de deur. Ik voelde dat ik aan allebei de kanten van mijn bovenarmen werd vastgepakt. Ik voelde dat dit twee verschillende mensen waren. Doordat ze mij vastpakten, draaide ik weer met mijn gezicht naar de deuropening. Ik voelde dat twee beveiligers mij naar beneden haalde. Ik voelde direct hierna dat ik een knie op mijn neus kreeg. Ik voelde dat ik vervolgens op de grond lag. Ik weet niet meer precies hoe dit is gebeurd, maar ik weet wel dat ik hardhandig naar de grond ben gewerkt door de beveiligers. Ik voelde dat ik pijn had aan mijn knie, waar ik al een blessure aan had. Toen ik op de grond lag zag ik dat er bloed op de grond lag. (…)


Ik voelde een knie op mijn hoofd, op mijn rug en op mijn nek. Ik voelde deze drie knieën tegelijk op mijn lichaam. Ik voelde dat de beveiligers mijn schoenen uittrokken. Ik lag op dat moment op mijn buik en ik voelde dat mijn benen naar mijn rug werden geduwd. Ik voelde dat het pijn deed aan mijn benen. Ik voelde dat ik dat ik weer een elleboog tegen mijn slaap aan kreeg. Deze keer was het tegen mijn rechterslaap. Hierna werd ik hardhandig met handboeien geboeid. (…)”




3.15.
Op 10 april 2025 is [de werknemer] door DJI uitgenodigd voor een gesprek. In dat gesprek is aan [de werknemer] medegedeeld dat hij is geschorst met behoud van loon en dat Bureau Integriteit (hierna: “BI”), vanwege het vermoeden van schending van integriteit, een onderzoek zal instellen. Deze ordemaatregel is bevestigd bij brief van 10 april 2025.



3.16.
BI heeft het onderzoeksrapport op 30 oktober 2025 afgerond. Het rapport telt in totaal 340 pagina’s.



3.17.
In het rapport is onder meer opgenomen:



3.5.3 Gesprek met de heer [collega 3]


(…)



(Na het tonen van de) camerabeelden




Het voor zijn gevoel anders is gebeurd dan dat hij zag op de door de onderzoekers getoonde camerabeelden. Hierover zei hij: "Dat heb ik niet meegekregen. Voor mijn gevoel is dit veel anders gebeurd. Ik bedoel daarmee te zeggen dat alles van het ingrijpen in de kamer heeft afgespeeld. Nu ik de beelden zie, blijkt dat het niet allemaal in de kamer heeft afgespeeld. Het moment van ingrijpen was duidelijk buiten de kamer. "




Het volgende reageerde op de vraag van de onderzoekers om te beschrijven wat hij ziet op de camerabeelden: "Ik zie dat [de werknemer] met zijn linkerarm in de richting van [de jongere] gaat en hem raakt of vastpakt bij zijn arm. Kennelijk wordt er voorafgaand iets gezegd door [de jongere] Het lijkt erop dat [de jongere] gebalde vuisten maakt."




Hij gedurende de situatie niet de slaande beweging, zoals vastgelegd op de camerabeelden, had gezien van de heer [de werknemer] . Hierover zei hij: "Ik heb dat niet gezien gedurende de situatie maar ik zie het nu pas op de beelden. "




Hij zich, na het zien van de camerabeelden, voelt als een 'onbetrouwbare zak hooi'. Hierover zei hij: "Ik voel mij nu echt als een onbetrouwbaar zak hooi. Ik schrik hiervan. Ik dacht echt dat ik het goed had, serieus. Ik heb de slag niet ervaren als slag maar als het beetpakken bij het gezicht. Misschien heb ik het niet opgeslagen.” (…)






7.1

Vraag 1: Wat zijn de feiten en omstandigheden met betrekking tot het incident op woensdag 9 april 2025?



Tijdens het onderzoek is gebleken dat de verschillende verklaringen op meerdere punten van elkaar afwijken, waardoor geen eenduidige lijn kan worden vastgesteld. (…)



7.1.1 (

Betrouwbaarheid van) de verklaringen



(…)


Hoewel de verklaringen m.b.t. het inleveren van de verklaringen op bepaalde punten uiteenlopen, is wel gebleken dat de heer [collega 1] en de heer [de werknemer] op de hoogte waren van de inhoud van de afgelegde verklaringen. Deze omstandigheid is relevant voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring die ze bij de onderzoekers hebben afgelegd d.d. 16 juni 2025. De heer [collega 1] en de heer [de werknemer] hebben allebei verklaard dat ze de verklaring niet met elkaar hebben afgestemd. Het feit dat ze kennis hadden van wat anderen reeds hadden verklaard, kan echter invloed hebben gehad op de wijze waarop zij hun eigen verklaring hebben geformuleerd, door (bewust of onbewust) aansluiting te zoeken bij reeds bekende informatie. Daarnaast is tevens gebleken dat de heer [collega 1] en de heer [de werknemer] , ondanks het advies om dit niet te doen, onderling contact met elkaar hebben


onderhouden. (…)




7.1.3

Incident in en rondom de kamer van [de jongere]



De verklaringen van de getuigen en de betrokkene(n) geven geen eenduidig beeld van het incident in (en buiten) de kamer van [de jongere] op 9 april 2025. Daarnaast bestaan er discrepanties tussen de verklaringen, de camerabeelden en de uitkomsten van het toedrachtsonderzoek. (…)



Mevrouw [persoon]


(…)




Mevrouw [persoon] verklaarde in eerste instantie dat de jeugdige met een vuist op zijn hoofd werd geraakt en dat ze naar haar idee zicht had op het hele lichaam van de jeugdige.




Na het tonen van de camerabeelden vroegen de onderzoeker in hoeverre mevrouw [persoon] zag dat de AID'er (de heer [de werknemer] ) met zijn armbeweging het lichaam van de jeugdige raakte. Hierop reageerde mevrouw [persoon] : "Op de camerabeelden zie je het niet, hij lijkt naar achteren te deinzen. Als ik het nu zo zie, moet ik mijn verklaring wellicht aanpassen op dit punt. Ik heb niet letterlijk gezien dat de vuist het lichaam van de jeugdige raakt, maar ik zag de slaande beweging en wist dat het foute boel was. Ik merkte dat er een soort impact was na die slaande beweging; een reactie van [de jongere] , maar ik kan mij geen precieze woorden herinneren. Ik schrok er ook van, omdat ik het niet had verwacht. " (…)






[de jongere]



verklaarde bij de onderzoekers, d.d. 18 juni 2025, het volgende:



(…) Kennelijk was mijn reactie 'Zonder pieper zijn jullie helemaal niks' de trigger voor beveiliger 2 [kantonrechter: [de werknemer] ] om in te grijpen. Hij pakte mij met één hand bij mijn haren vast. Ik weet niet meer welke hand het was. Ik had op dat moment langer haar (afro kapsel). Hij pakte mij midden op het hoofd. Op dat moment zag en voelde ik dat beveiliger 1 (kantonrechter: [collega 1] ) met zijn elleboog een rare beweging maakte tegen de linkerkant van mijn gezicht. Ik voelde een bonkend en prikken gevoel aan de linker kant van mijn gezicht. Het voelde als een steek. Ik heb nog nooit eerder een klap tegen mijn hoofd gehad. Ik stond op dat moment met mijn zicht in de richting van de gang. Ik deed mijn hoofd naar beneden en werd duizelig. Ik voelde vervolgens dat ik een knietje tegen mijn neus/lip kreeg. Ik zag wel dat ik dat knietje kreeg maar ik weet niet wie dat knietje gaf. (…)



De verklaring van de jeugdige sluit aan bij het toedrachtsonderzoek van de forensisch arts waarin wordt geconcludeerd dat er minimaal drie stomp botsend geweld inwerkende momenten aanwezig geweest zouden moeten zijn om het totaalbeeld van de letsels te kunnen verklaren: één aan de rechterzijde van het gezicht, één aan de linkerzijde van het gezicht en één aan de voorzijde van het gezicht. Ook sluit de verklaring van de jeugdige aan bij het scenario dat door de forensisch arts en forensisch adviseur als meest waarschijnlijk wordt beoordeeld: de jeugdige heeft één of meerdere van de omschreven verwondingen opgelopen doordat stomp botsend geweld is toegepast en heeft aanvullend letsel opgelopen door de val op de grond.



De verklaring van de jeugdige is op een aantal punten echter niet verenigbaar met de feiten zoals bekend. De jeugdige verklaart dat het eerste fysieke geweld de elleboog beweging van de heer [collega 1] betreft. Dit is niet in lijn met de camerabeelden waarbij te zien is dat de heer [de werknemer] een slaande beweging maakt met een vuist. Daarnaast hebben de onderzoekers aan de jeugdige gevraagd om de situatie te schetsen zoals het was op het moment dat de jeugdige bij zijn kamer aan kwam. De jeugdige maakte hierop een tekening waarbij hij zich in zijn kamer bevond en de vier complexbeveiligers buiten de kamer van de jeugdige stonden. Uit de camerabeelden blijkt echter dat de jeugdige op/nabij de drempel van zijn kamer stond en er op dat moment drie in plaats van vier beveiligers voor de kamer van de jeugdige stonden.



Concluderend


Op basis van de vergelijking tussen de verklaringen van de getuigen, de betrokkene(n), de camerabeelden en de bevindingen uit het toedrachtsonderzoek door de forensisch arts, ontstaat geen volledig eenduidig beeld van het incident op 9 april 2025 in en rondom de kamer van [de jongere]



Wel kan worden vastgesteld dat één van de verklaringen in de grootste mate aansluit bij de bevindingen van de forensisch arts en een plausibele verklaring biedt voor het gehele geconstateerde letselbeeld bij [de jongere] Hoewel ook deze verklaring enkele discrepanties bevat, is dit de enige verklaring die in medisch-forensische zin consistent is met het door de deskundige vastgestelde letsels. Dit betreft de verklaring van [de jongere] Enkel [de jongere] verklaart meerdere stomp botsend geweld inwerkende momenten: één aan de rechterzijde van het gezicht, één aan de linkerzijde van het gezicht en één aan de voorzijde van het gezicht. Ook sluit de verklaring van de jeugdige aan bij het scenario dat door de forensisch arts en forensisch adviseur als meest waarschijnlijk wordt geacht: de jeugdige heeft één of meerdere van de omschreven verwondingen opgelopen doordat stomp botsend geweld is toegepast en heeft aanvullend letsel opgelopen door de val op de grond.



Daarnaast is er één getuige, mevrouw [persoon] , die een deel van het incident heeft waargenomen. Zij heeft verklaard een slaande beweging gezien te hebben maar zij heeft niet waargenomen dat deze beweging daadwerkelijk [de jongere] raakte. Op grond van het toedrachtsonderzoek zou, indien die beweging heeft geleid tot contact, dit in overeenstemming zijn met een deel van het geconstateerde letsel. Deze verklaring is daarmee enkel deels ondersteunend. De overige verklaringen vertonen grotere inconsistenties met de camerabeelden en het toedrachtsonderzoek van de forensisch arts en worden daarom als minder aannemelijk beschouwd in relatie tot het gehele letselbeeld van [de jongere] Op basis van het voorgaande, achten de onderzoekers het aannemelijk dat de verklaring(en) van de betrokkene(n) m.b.t. de uitgevoerde handelingen niet (volledig) op de waarheid berust(en).





7.2

Vraag 2: In hoeverre is er bij de op kamer plaatsing van [de jongere] , d.d. 9 april 2025, door de betrokkene gehandeld in lijn met de geldende (gewelds- en/of dienst) instructie(s)?



(…) Op grond van de camerabeelden en de afzonderlijke verklaringen van betrokkenen en getuigen is niet vast te stellen of sprake was van een acute veiligheidssituatie die in inzet van geweld rechtvaardigde. Het gebrek aan audio bij de camerabeelden, maakt het niet mogelijk om vast te stellen of er gewaarschuwd is voor de toepassing van geweld, waarmee de jeugdige - in lijn met de instructie - regie kon houden over zijn situatie. Echter is zowel aan getuigen als aan de betrokkene(n) gevraagd wat zij hebben waargenomen (gezien en gehoord). Niemand heeft verklaard dat een dergelijke waarschuwing gegeven zou zijn waardoor de onderzoekers het aannemelijker achten dat er niet is gewaarschuwd voor de toepassing van het geweld in plaats van dat er wel voor is gewaarschuwd. (…)



Uit het onderzoek blijkt dat de betreffende de handelingen die zijn verricht bij het op kamer plaatsen van [de jongere] (onvoldoende) in beeld zijn gebracht. De camerabeelden bieden daardoor geen duidelijkheid over het daadwerkelijk handelen van de betrokkene. Er is daarnaast gesproken met getuigen en met de betrokkene. Deze verklaringen geven echter geen consistent beeld van de feitelijke gang van zaken. Er is geen eenduidig beeld ontstaan van de handelingen die door de betrokkene verricht zijn. Aangezien het beschikbare bewijsmateriaal, bestaande uit de camerabeelden en verklaringen, onvoldoende basis biedt om met voldoende zekerheid vast te stellen wie welke handelingen heeft verricht, kan niet worden vastgesteld in hoeverre is gehandeld in overeenstemming met de geldende dienstinstructies.



De onderzoekers hebben wel de handelingen waarover de betrokkene heeft verklaard, afgezet tegen de camerabeelden en het toedrachtsonderzoek dat door de forensisch arts is uitgevoerd. Op grond van deze vergelijking kan geconcludeerd worden dat dat de verklaring van de betrokkene niet consistent is met de camerabeelden en tevens niet consistent is met het door de forensisch arts geconstateerde letselbeeld. De door de betrokkene beschreven handelingen bieden geen plausibele verklaring voor de geconstateerde letsels bij de jeugdige.




7.3

Vraag 3: Wat is het aandeel van de heer [de werknemer] bij dit incident?



Zie tevens paragraaf 7.1 en paragraaf 7.2. Er is geen eenduidig beeld ontstaan m.b.t. de handelingen die door de betrokkene verricht zijn richting [de jongere] bij het incident op 9 april 2025. De volgende conclusies kunnen echter wel getrokken worden:




De verklaring van de betrokkene is niet consistent met de camerabeelden en is tevens niet consistent met het door de forensisch arts geconstateerde letselbeeld.




De door de betrokkene beschreven handelingen bieden geen plausibele verklaring voor de geconstateerde letsels bij de jeugdige.




Het is aannemelijk dat de verklaring van de betrokkene niet (volledig) op waarheid berust. Hieruit voortvloeiende is het tevens aannemelijk dat de opgestelde rapportage, d.d. 9 april 2025 van het incident, niet (volledig) op waarheid berust. (…)”






3.18.
BI heeft in het kader van het onderzoek een forensisch arts ingeschakeld. De forensisch arts heeft aan de hand van het letsel van de jongere vijf toedrachtscenario’s uitgewerkt. BI schrijft in het rapport (pagina 74):


“Scenario 4, waarin er voorafgaande aan het naar de grond brengen van [de jongere] al geweld is toegepast middels het toepassen van stomp botsend geweld op het gezicht van [de jongere] , waarna hij bij het op de grond terecht komen aanvullend letsel heeft opgelopen door hardhandig met zijn hoofd in aanraking te zijn gekomen met de vloer, is het
meest aannemelijk
. Binnen dit scenario zijn alle letsels en de op het gelaat van [de jongere] aanwezige bloedsporen goed verklaarbaar. Bovendien wordt dit scenario niet uitgesloten door de verklaringen van de getuigen en de camerabeelden.”




3.19.

[de werknemer] is bij brief van 6 november 2025 uitgenodigd om het rapport op 25 november 2026 te bespreken. De uitnodigingsbrief vermeldt dat het gesprek plaatsvindt op een termijn van 14 dagen om [de werknemer] de gelegenheid te geven om het rapport door te lezen en juridische bijstand in te schakelen.



3.20.
DJI heeft tijdens het gesprek van 25 november 2025 aangegeven de arbeidsovereenkomst met [de werknemer] te willen beëindigen. DJI heeft een niet onderhandelbaar beëindigingsvoorstel gedaan en daarbij aangegeven dat een verzoek tot ontbinding bij de kantonrechter zou worden ingediend indien het voorstel niet door [de werknemer] zou worden geaccepteerd.



3.21.

[de werknemer] heeft het voorstel niet geaccepteerd. Partijen zijn in onderling overleg niet tot een oplossing gekomen.



3.22.
Op 13 februari 2026 heeft DJI op het intranet een nieuwsflits gepubliceerd met de volgende inhoud:


“Het onderzoek dat Bureau Integriteit heeft verricht naar aanleiding van het vermoeden van niet-integer handelen door de heer [collega 1] en de heer [de werknemer] is afgerond. Op basis van de onderzoeksrapporten heeft de locatiedirectie, in afstemming met het bevoegd gezag, besloten de arbeidsovereenkomst met de betrokken medewerkers te beëindigen.



Wij realiseren ons dat deze situatie impact heeft op collega’s die direct en indirect betrokken zijn, en mogelijk ook op de jongeren. Wij betreuren ten zeerste dat het zover heeft moeten komen. Tegelijk is het van groot belang dat wij als RJJI blijven staan voor integriteit, professionaliteit en veilige werkomgeving.



De directie van de RJJI kan en mag zich niet verder uitlaten over de inhoud van de rapporten of over eventuele vervolgstappen. Dit betreft vertrouwelijke informatie die we niet kunnen en ook niet willen delen, mede om de privacy van de betrokkenen te respecteren.



Wij vragen iedere medewerker om geen geruchten te verspreiden, niet te roddelen en bovenstaande (beperkte) informatie te accepteren en het hierbij te laten. Wanneer jongeren vragen stellen, kan volstaan worden met dat in verband met privacy, geen verdere uitleg wordt gegeven.”




3.23.

[de werknemer] is naar aanleiding van de aangifte van de jongere strafrechtelijk vervolgd. De politierechter heeft [de werknemer] op 7 april 2026 vrijgesproken. Deze vrijspraak is vastgelegd in een ‘aantekening mondeling vonnis’.



3.24.

[de werknemer] heeft de rechtbank verzocht om een onderbouwing van de vrijspraak. In reactie daarop heeft een senior gerechtsjurist van de rechtbank laten weten dat een proces-verbaal van de zitting enkel wordt opgemaakt indien hoger beroep zou zijn ingesteld. Per e-mail van 26 mei 2026 heeft de betreffende senior gerechtsjurist [de werknemer] namens de politierechter medegedeeld ‘dat zowel het wettig bewijs, als de overtuiging ontbrak, en dat u daarom bent vrijgesproken’.



3.25.
De advocaat van [de werknemer] heeft het vonnis van de politierechter per e-mail van 22 mei 2026 aan DJI toegezonden, en daarbij opgemerkt dat het Openbaar Ministerie niet in hoger beroep is gegaan van de vrijspraak.



3.26.
DJI heeft het op dat moment al ingediende ontbindingsverzoek gehandhaafd.





4Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek


4.1.
Het verzoek van DJI, het verweer daartegen van [de werknemer] en de door hem ingestelde tegen verzoeken luiden samengevat als volgt.



4.2.
DJI verzoekt de arbeidsovereenkomst met [de werknemer] op de kortst mogelijke termijn te ontbinden, primair vanwege verwijtbaar handelen, subsidiair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding. DJI verzoekt te bepalen dat aan [de werknemer] geen transitievergoeding toekomt bij ontbinding op de primaire grondslag. Bij ontbinding op de subsidiaire grondslag verzoekt DJI de transitievergoeding waar [de werknemer] aanspraak op heeft te bepalen op € 40.664,11 bruto. DJI verzoekt een proceskostenveroordeling van [de werknemer] .



4.3.

[de werknemer] verweert zich tegen het verzoek en stelt primair dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. [de werknemer] verzoekt de kantonrechter DJI te veroordelen om hem binnen vijf werkdagen na betekening van de beschikking weer toe te laten tot zijn eigen werkzaamheden, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag met een maximum van € 20.000,00. Ook verzoekt [de werknemer] veroordeling van DJI tot rehabilitatie, op straffe van eenzelfde dwangsom.



4.4.
Voor het geval de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbindt op grond van een verstoorde arbeidsverhouding, verzoekt [de werknemer] subsidiair toekenning van de transitievergoeding (inclusief de aanvullende vergoeding in geval van ontbinding op de i-grond) en een billijke vergoeding van € 304.384,16 bruto (waarvan € 15.000,00 netto). In geval van toekenning van de billijke vergoeding verzoekt [de werknemer] DJI te veroordelen om een voorziening te treffen om de fiscale schade als gevolg van inkomen ineens passend te compenseren. [de werknemer] verzoekt om bij het bepalen van de einddatum van de arbeidsovereenkomst de proceduretijd niet in mindering te brengen op de opzegtermijn.



4.5.
Voor het geval de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbindt op grond van ernstig verwijtbaar handelen van [de werknemer] , verzoekt [de werknemer] meer subsidiair toekenning van de transitievergoeding.



4.6.

Uiterst subsidiair, voor het geval de kantonrechter ontbindt op de e-grond en oordeelt dat er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [de werknemer] , verzoekt [de werknemer] de kantonrechter te bepalen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat aan hem geen transitievergoeding toekomt en DJI te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding.



4.7.

In alle gevallen verzoekt [de werknemer] veroordeling van DJI tot betaling van een schadevergoeding wegens handelen in strijd met goed werkgeverschap of wegens onrechtmatig handelen van € 15.000,00 netto. Ook dient DJI in de integrale kosten van rechtsbijstand te worden veroordeeld, althans in de kosten van de procedure, en dienen alle toegewezen bedragen te worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf het moment van opeisbaarheid.



4.8.
De kantonrechter gaat hierna bij de beoordeling van het verzoek en de tegenverzoeken in op de relevante standpunten die partijen hebben aangevoerd.





5De beoordeling van het verzoek


5.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.



5.2.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Tot slot geldt dat de kantonrechter een verzoek tot ontbinding alleen kan inwilligen als er geen opzegverbod geldt. Hierop geldt een uitzondering indien het ontbindingsverzoek geen verband houdt met dat opzegverbod of indien er sprake is van omstandigheden die maken dat het in het belang van de werknemer is dat de arbeidsovereenkomst eindigt. Partijen zijn het er in deze zaak over eens dat er geen sprake is van een opzegverbod.



5.3.
De kantonrechter oordeelt dat er geen redelijke grond is voor ontbinding. Dat wordt als volgt toegelicht.


Geen verwijtbaar handelen van [de werknemer]




5.4.
DJI verzoekt primair ontbinding op grond van verwijtbaar handelen van [de werknemer] , zodanig dat van DJI in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met [de werknemer] te laten voortduren (artikel 7:669 lid 1 en 3 sub e BW).



5.5.
DJI maakt [de werknemer] twee verwijten, die samengevat als volgt luiden:




[de werknemer] heeft niet gepast geweld gebruikt tegen de jongere;



[de werknemer] heeft niet naar waarheid verklaard over zijn handelen, althans geen consistente verklaring gegeven.





5.6.
Dit handelen levert volgens DJI plichtsverzuim op. [de werknemer] voert verweer. De kantonrechter beoordeelt hierna beide verwijten.


Ad 1. Niet gepast geweld



De standpunten van partijen




5.7.
Partijen zijn het erover eens dat [de werknemer] op 9 april 2025 geweld zoals bedoeld in de Dienstinstructie geweld (zie 3.6) heeft gebruikt tegen de jongere. Partijen verschillen van mening of het toegepaste geweld binnen of buiten de geoorloofde grenzen valt.



5.8.
DJI is van mening dat [de werknemer] in strijd heeft gehandeld met de Dienstinstructie geweld en de kernwaarden zoals beschreven in de Gedragscode DJI, meer in het bijzonder de kernwaarde respect (zie 3.5). Daardoor heeft [de werknemer] zich niet als goed ambtenaar gedragen. IDJI onderbouwt dit als volgt:



[de werknemer] heeft de jongere met zijn gebalde vuist geslagen. Hoewel op camerabeelden niet te zien is dat de vuist van [de werknemer] de jongere raakt, kan het niet anders zijn, mede gelet op het letsel van de jongere, de verklaring van collega [persoon] en de verklaring van de jongere zelf dat [de werknemer] hem met zijn vuist heeft geraakt. Slechts in een uitzonderlijk geval van noodweer/zelfverdediging kan een medewerker een vuistslag geven. Het is duidelijk dat daar in de situatie met de jongere geen sprake van is geweest.



[de werknemer] heeft in strijd met de geldende regels voorafgaand aan het toepassen van geweld geen waarschuwing gegeven. BI heeft vastgesteld dat geen van de betrokkenen en getuigen hebben verklaard dat er een waarschuwing is gegeven, zodat BI het aannemelijker acht dat er niet is gewaarschuwd voor de toepassing van het geweld in plaats van dat er wel voor is gewaarschuwd.



[de werknemer] heeft geweld gebruikt tegen de jongere terwijl op grond van de verklaringen van de betrokkenen en getuigen niet vaststaat dat sprake was van een acuut dreigende situatie die de inzet van geweld zou kunnen rechtvaardigen. [de werknemer] kan het niet goed uitleggen wat de reden is geweest voor het toepassen van geweld. De inzet van geweld is een uiterst middel, als geen andere mogelijkheden meer bestaan om een acuut gevaar af te wenden. Als er al sprake was van een dreigende situatie, dan had die dreiging op een andere manier kunnen worden afgewend. [de werknemer] had bijvoorbeeld naar achteren kunnen stappen, waarna de deur van de kamer van de jongere gesloten had kunnen worden. Als er al gepast geweld had moeten worden gebruikt, dan was het logischer geweest als [de werknemer] en zijn collega’s de jongere onder controle hadden gebracht met een opbrenggreep buiten de kamer van de jongere. Daar is namelijk veel meer ruimte en bovendien hangen daar camera’s.





5.9.

[de werknemer] betwist met klem dat hij de jongere een vuistslag of anderszins een klap heeft gegeven. Hij heeft zijn hand naar voren gebracht om de jongere vast te grijpen en is meteen daarna achter hem de slaapkamer in gegaan. [de werknemer] heeft de jongere met een professioneel toegepaste greep fysiek gecontroleerd en vervolgens naar de grond gebracht. Geen van de betrokkenen, ook de jongere zelf niet, heeft verklaard dat [de werknemer] de jongere heeft geslagen. [de werknemer] is door de politierechter vrijgesproken voor hetzelfde kernverwijt dat DJI aan haar ontbindingsverzoek ten grondslag heeft gelegd. DJI kan niet volhouden dat [de werknemer] de jongere heeft mishandeld zonder afbreuk te doen aan de vrijspraak door de politierechter van mishandeling. In een civielrechtelijke zaak van een overheidswerkgever zal ook waarde toegekend moeten worden aan een strafrechtelijke vrijspraak.



5.10.

[de werknemer] benadrukt dat hij in zijn werk als Inrichtingsbeveiliger in een split second een beslissing moet nemen. Een te afwachtende houding kan vergaande gevolgen hebben. [de werknemer] verwijst naar de als productie 12 nagezonden verslag van collega [collega 4] over een eerder incident: “(…) Na drie waarschuwingen kreeg de betrokkene een onverwachte vuistslag op de neus, waardoor hij het bewustzijn verloor. (…) Het incident benadrukt de noodzaak van snelle besluitvorming in dergelijke situaties. (…)”. Het was de inschatting van [de werknemer] dat de jeugdige op het punt stond om geweld te plegen tegen zijn collega [collega 1] , en dat er niet meer gewaarschuwd kon worden. Bovendien maakt de Dienstinstructie geweld duidelijk dat het geven van een waarschuwing aan de toepassing van geweld vooraf gaat indien de situatie dat toelaat.



5.11.
Het benoemen van alternatieve scenario’s is achteraf makkelijk praten. De optie om de jongere naar je toe te trekken de gang op in het zicht van de camera’s, is niet iets wat je doet als beveiliger omdat je dan met z’n allen naar achteren kunt vallen, aldus [de werknemer] .


Het oordeel van de kantonrechter




5.12.
De kantonrechter oordeelt dat op geen enkele manier blijkt dat [de werknemer] de jongere een vuistslag of klap in het gezicht heeft gegeven.



5.13.
De jongere zelf heeft op verschillende momenten verklaard over het incident: nadat het gebeurd was, bij het doen van aangifte bij de politie en in het kader van het onderzoek door BI. Bij geen van die gelegenheden heeft de jongere verklaard dat [de werknemer] hem zou hebben geslagen. Hij geeft consistent aan dat [de werknemer] hem bij zijn haar heeft gegrepen. Ook de andere betrokkenen, waaronder collega’s [collega 3] en [collega 1] , ontkennen dat er door [de werknemer] is geslagen. Tot slot verklaart ook [de werknemer] zelf consistent dat hij de jongere niet geslagen heeft.



5.14.
Ook BI heeft na uitvoerig en langdurig onderzoek niet kunnen vaststellen dat [de werknemer] de jongere heeft geslagen: “Op basis van de vergelijking tussen de verklaringen van de getuigen, de betrokkene(n), de camerabeelden en de bevindingen uit het toedrachtsonderzoek door de forensisch arts, ontstaat geen volledig eenduidig beeld van het incident op 9 april 2025 in en rondom de kamer van [de jongere]”

En: “Uit het onderzoek blijkt dat de betreffende de handelingen die zijn verricht bij het op kamer plaatsen van [de jongere] (onvoldoende) in beeld zijn gebracht. De camerabeelden bieden daardoor geen duidelijkheid over het daadwerkelijk handelen van de betrokkene. Er is daarnaast gesproken met getuigen en met de betrokkene. Deze verklaringen geven echter geen consistent beeld van de feitelijke gang van zaken. Er is geen eenduidig beeld ontstaan van de handelingen die door de betrokkene verricht zijn. Aangezien het beschikbare bewijsmateriaal, bestaande uit de camerabeelden en verklaringen, onvoldoende basis biedt om met voldoende zekerheid vast te stellen wie welke handelingen heeft verricht, kan niet worden vastgesteld in hoeverre is gehandeld in overeenstemming met de geldende dienstinstructies.”



5.15.
Alleen [persoon] , die op het moment van het incident bij de deur van de gang stond, heeft in eerste instantie verklaard dat [de werknemer] geslagen had. Zij heeft deze verklaring in het kader van het onderzoek door BI echter bijgesteld na het zien van de camerabeelden: “Ik heb niet letterlijk gezien dat de vuist het lichaam van de jeugdige raakt, maar ik zag de slaande beweging en wist dat het foute boel was.” Hieruit blijkt dat [persoon] niet heeft gezien dat [de werknemer] de jongere heeft geslagen, maar dat zij ervan uitging dat dit was gebeurd door de beweging die zij [de werknemer] zag maken met zijn arm.



5.16.
De kantonrechter acht ook van groot belang dat de politierechter [de werknemer] heeft vrijgesproken van eenvoudige mishandeling. Hoewel deze vrijspraak niet automatisch betekent dat er geen sprake kan zijn van verwijtbaar handelen door [de werknemer] (waarbij ook relevant is dat DJI meerdere gedragingen van [de werknemer] aan haar verzoek ten grondslag legt), is de vrijspraak door de politierechter uiteraard wel degelijk relevant. [de werknemer] heeft als productie 8 bij het verweerschrift het uitgebreide strafdossier overgelegd. Ook de politierechter heeft kennis kunnen nemen van onder andere alle verklaringen en camerabeelden, en is tot de conclusie gekomen dat volledige vrijspraak op zijn plaats was.



5.17.
DJI lijkt te redeneren vanuit het letsel dat de jongere heeft opgelopen, en het meest aannemelijke scenario dat de forensisch arts als toedracht heeft benoemd. In dat scenario (zie 3.18) is er sprake van het toepassen van stomp botsend geweld op het gezicht van de jongere, waarna hij bij het op de grond terecht komen aanvullend letsel heeft opgelopen. DJI telt daar de armbeweging van [de werknemer] bij op die op de camerabeelden te zien is, en concludeert daaruit dat [de werknemer] wel geslagen moet hebben. DJI verliest daarbij uit het oog dat geen van de betrokkenen noch de camerabeelden dit ondersteunen, en ook BI na uitvoerig onderzoek niet tot die conclusie komt.



5.18.
Wat betreft het niet geven van een waarschuwing voorafgaand aan het toepassen van geweld en de inzet van het toegepaste geweld oordeelt de kantonrechter als volgt.



5.19.

[de werknemer] heeft niet ontkend dat er geen sprake is geweest van een waarschuwing voorafgaand aan zijn ingrijpen. De argumenten die [de werknemer] heeft aangevoerd om in te grijpen en niet eerst te waarschuwen zijn het oordeel van de kantonrechter overtuigend. Uit de camerabeelden blijkt dat de jongere in tegenstelling tot de andere twee jongeren niet zelf zijn slaapkamer inloopt en zich laat insluiten. De jongere blijft in de deuropening staan. Hoewel de camerabeelden niet worden ondersteund met geluid, blijkt uit de beelden en ook uit de verklaringen over het incident wel dat er sprake was van verbale communicatie. Uit de verklaring van de jongere zelf blijkt dat zijn uitlatingen provocerend waren. De jongere beweegt enigszins onrustig en brengt kort voorafgaand aan het ingrijpen door [de werknemer] zijn gebalde vuist langs zijn lichaam richting zijn borst. De kantonrechter vindt het opmerkelijk dat BI in haar rapport zo ongeveer frame voor frame weergeeft wat er op de camerabeelden te zien is, en geen melding maakt van deze beweging door de jongere. Volgens DJI lijkt het erop dat de jongere aan de rits van zijn vest zit, zo heeft zij tijdens de zitting gezegd, maar dit verklaart niet direct de vuist. Achter het ballen van de vuist kan ook de intentie hebben gezeten om geweld te gaan toepassen. Uit het verslag van [collega 4] blijkt wat de gevolgen kunnen zijn als niet tijdig wordt ingegrepen. Uiteraard kan achteraf niet meer worden vastgesteld of de jongere daadwerkelijk van plan was om zelf geweld te gaan gebruiken, maar dat [de werknemer] dit in de gegeven omstandigheden niet heeft afgewacht en zonder waarschuwing vooraf heeft ingegrepen kan de kantonrechter begrijpen en levert geen verwijtbaar handelen op.



5.20.
DJI heeft naar het oordeel van de kantonrechter gelet op de betwisting door [de werknemer] onvoldoende gemotiveerd gesteld dat [de werknemer] en zijn collega’s er op grond van de geldende instructies voor hadden moeten kiezen om de jongere in de gang onder controle te krijgen.


Ad 2. Niet de waarheid verklaren




5.21.
DJI voert aan dat [de werknemer] niet naar waarheid heeft verklaard over zijn handelen richting de jongere, althans daarover geen consistente verklaring heeft afgegeven. DJI verwijst naar het rapport van BI, die na onderzoek tot die conclusie komt (zie 3.17 laatste alinea, het antwoord op vraag 3). Dit maakt dat [de werknemer] in strijd heeft gehandeld met de kernwaarden betrouwbaarheid, openheid en professionaliteit uit de Gedragscode DJI. Dit levert verwijtbaar handelen op, aldus DJI. [de werknemer] voert verweer. Het enkele gegeven dat [de werknemer] in de veronderstelling verkeerde dat de jongere een stap naar voren zette op het moment dat hij ingreep, terwijl dat niet uit de camerabeelden blijkt, betekent niet dat hij opzettelijk verkeerde informatie heeft verstrekt. De diverse verklaringen over het incident van 9 april 2025 illustreren naar het idee van [de werknemer] slechts dat getuigen die naar beste eer en geweten verklaren toch verschillende herinneringen kunnen hebben. [de werknemer] verwijst in randnummer 70 van zijn verweerschrift naar wetenschappelijke onderbouwing daarvan.



5.22.
De kantonrechter overweegt dat DJI er vanuit lijkt te gaan dat [de werknemer] bewust niet de waarheid vertelt, dat hij bewust liegt. Alleen een dergelijke stelling past immers bij verwijtbaarheid als grondslag voor ontbinding.



5.23.
DJI miskent echter de beperkingen die het menselijk geheugen van nature heeft. Daar is in de (neuro)psychologie wetenschappelijk onderzoek naar gedaan. Herinneringen kunnen worden veranderd, elke keer dat je ze ophaalt. Aanvullingen op en wijzigingen van onze herinneringen kunnen onjuist zijn, bijvoorbeeld na het zien van foto’s, het lezen van berichten in de media of suggestieve vragen of opmerkingen van anderen. Nieuwe informatie kan onze herinneringen vervormen, ook zonder dat we dat door hebben. Waarnemingen kunnen onjuist worden geïnterpreteerd en veronderstellingen kunnen met feiten worden verweven. Er zijn vele beperkingen van het menselijk geheugen die maken dat ook een eerlijke en oprechte getuige onjuiste herinneringen ophaalt.



5.24.
De kantonrechter constateert dat geen van de betrokkenen geheel in lijn met de camerabeelden heeft verklaard. [collega 3] (zie 3.17 eerste alinea) voelt zich ‘een onbetrouwbare zak hooi’ na het zien van de camerabeelden. Ook de jongere zelf verklaart niet in lijn met de camerabeelden. De verklaring van [de werknemer] bevat inderdaad ook inconsistenties in verhouding tot de camerabeelden.



5.25.
Indachtig het voorgaande, kan niet geconcludeerd worden dat [de werknemer] bewust de waarheid niet heeft verteld. DJI heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat daar sprake van is, door feitelijk enkel te verwijzen naar hetgeen BI als aannemelijke conclusie presenteert in haar rapport. DJI maakt die conclusie zonder nadere motivering tot de hare.



5.26.
Ook dit verwijt van DJI aan [de werknemer] houdt dan ook geen stand.


Tussenconclusie




5.27.
Het ontbindingsverzoek is niet toewijsbaar op de primaire grondslag van verwijtbaar handelen van [de werknemer] , nu daar geen sprake van is.

Geen verstoorde arbeidsverhouding



De standpunten van partijen




5.28.
Subsidiair voert DJI aan dat er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding waarop de arbeidsovereenkomst zou moeten worden ontbonden. Van DJI kan in redelijkheid niet worden gevergd het dienstverband voort te laten bestaan vanwege de ernst van het handelen van [de werknemer] jegens de jongere, alsook de ernst van het handelen jegens DJI. [de werknemer] is, gelet op het letsel van de jongere, zijn tegenstrijdige verklaring(en), het door [de werknemer] en [collega 1] afstemmen van hun verklaringen op elkaar, niet open en eerlijk geweest over dat wat zich op 9 april 2025 op de drempel en in de kamer van de jongere heeft afgespeeld, noch over zijn eigen rol daarin. DJI heeft geen vertrouwen meer in het functioneren van [de werknemer] . Daarbij komt dat [de werknemer] geen enkele reflectie laat zien over zijn rol in hetgeen is gebeurd. [de werknemer] volhardt in ontkenning. Dat betekent ook dat herplaatsing van [de werknemer] niet in de rede ligt.



5.29.

[de werknemer] betwist dat de arbeidsrelatie zodanig en duurzaam is verstoord dat de arbeidsovereenkomst niet langer kan voortduren. DJI baseert de verstoorde arbeidsverhouding op het gestelde buitensporige geweld en de leugenachtige verklaring door [de werknemer] , feiten die zich niet hebben voorgedaan, zodat het verzoek een feitelijke basis mist. [de werknemer] heeft altijd goed samengewerkt met zijn collega’s en er is geen enkele aanwijzing dat het in de toekomst niet voortgezet kan worden. Voor zover er spanningen zijn, lijken die het gevolg van de koers van DJI om ondanks de vrijspraak te volharden in haar ontbindingsverzoek, en zijn die wat [de werknemer] betreft herstelbaar (waar dan wel een taak ligt voor DJI als goed werkgever). Het verzoek van DJI moet ook worden afgewezen omdat DJI ten onrechte geen herplaatsingsonderzoek heeft gedaan.


Het oordeel van de kantonrechter




5.30.
Uit de motivering van de ontslaggrond door DJI volgt dat zij dezelfde feiten en omstandigheden aan de gestelde verstoorde arbeidsverhouding ten grondslag legt als aan het gestelde verwijtbaar handelen van [de werknemer] . Hiervoor is bij de beoordeling van de primaire ontslaggrond geconcludeerd dat de verwijten die DJI [de werknemer] maakt geen stand houden. Het gestelde verlies van vertrouwen in het functioneren van [de werknemer] is dan ook onterecht, en de stelling dat [de werknemer] volhardt in ontkenning gaat uit van de onjuiste veronderstelling dat [de werknemer] bewust verzwijgt dat hij ongepast geweld heeft gebruikt.



5.31.
Desalniettemin kunnen deze onjuiste verwijten hebben geleid tot een verstoorde arbeidsverhouding. DJI stelt in ieder geval dat daar sprake van is. [de werknemer] betwist dat er sprake is van een verstoring, maar gelet op al hetgeen zich sinds het incident van 9 april 2025 heeft voorgedaan is het aannemelijk dat er sprake is van een wederzijdse verstoring. De kantonrechter doelt op het volgende.



5.32.

[de werknemer] is na het incident van 9 april 2025 geschorst en later vrijgesteld van werkzaamheden met behoud van loon, en zit dus inmiddels al zo’n 15 maanden thuis. Er heeft een uitgebreid en intensief onderzoekstraject door BI plaatsgevonden, waarvan de uitkomsten lang op zich hebben laten wachten. Toen het rapport er uiteindelijk lag, heeft DJI [de werknemer] uitgenodigd voor een gesprek, waarbij zij de indruk heeft gewekt dat het gesprek zou gaan over de inhoud van het rapport (zie 3.19). In feite was daar tijdens het gesprek geen ruimte voor en was het besluit van DJI om te streven naar beëindiging van het dienstverband al genomen (zie 3.20). Dit werd ook gecommuniceerd binnen de organisatie via het intranet. [de werknemer] werd niet geloofd, na een dienstverband van 28 jaar, en er was weinig contact vanuit de directie van DJI. [de werknemer] heeft in zijn slotwoord tijdens de zitting in eigen woorden verwoord wat voor impact dit alles op hem heeft gehad.



5.33.
Voor een ontbinding op grond van een verstoorde arbeidsverhouding is echter nodig dat er niet alleen sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, maar ook dat die zodanig en duurzaam is dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daar is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake van.



5.34.
De door DJI na 9 april 2025 ingeslagen weg heeft geleid tot de situatie zoals die vandaag de dag is. Het is volkomen terecht dat DJI de veiligheid van de jongeren prioriteit maakt en signalen dat daar inbreuk op wordt gemaakt serieus neemt en gedegen laat onderzoeken. Op het moment dat daar een rapport uit volgt met de conclusies zoals verwoord in het rapport van BI in deze zaak, moet DJI echter in staat zijn om een open en rechtvaardige afweging te maken. Uit het rapport van BI volgt niet dat [de werknemer] de jongere heeft geslagen. Desalniettemin houdt DJI vol dat dit wel is gebeurd. Geen van de betrokkenen heeft consistent verklaard, ook de jongere niet, maar DJI volgt de verklaring van de jongere wel en die van [de werknemer] niet. DJI heeft een eigen verantwoordelijkheid om de inhoud van het rapport van BI te vertalen naar wat er arbeidsrechtelijk moet gebeuren. DJI heeft naar het oordeel van de kantonrechter ten onrechte gekozen voor de weg naar beëindiging van het dienstverband. DJI verwijt [de werknemer] niet in staat te zijn tot reflectie op zijn eigen gedrag, het is nu aan DJI om te laten zien dat zij zelf in staat is tot de gewenste reflectie. Het is aan DJI om datgene te doen wat nodig is om de gestelde verstoring te herstellen.



5.35.
Bovendien is tijdens de zitting gebleken dat de gestelde verstoorde arbeidsrelatie niet bestaat op de werkvloer. Er waren vele collega’s van [de werknemer] aanwezig, waarbij duidelijk was dat zij waren gekomen om [de werknemer] te steunen en dat zij uitkeken naar de terugkeer van [de werknemer] op de werkvloer.


Eindconclusie ten aanzien van het ontbindingsverzoek




5.36.
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden ontbonden, nu daarvoor geen redelijke grond bestaat.


Proceskosten




5.37.
De proceskosten komen voor rekening van DJI, omdat het ontbindingsverzoek wordt afgewezen. De proceskosten aan de zijde van [de werknemer] worden begroot op € 1.298,00 (€ 1.154,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing. De beoordeling van het verzoek tot toekenning van een integrale proceskostenveroordeling (naast een reguliere proceskostenveroordeling) volgt om herhaling te voorkomen enkel bij de beoordeling van het tegenverzoek. Daarbij wordt de beslissing in de zaak van het verzoek ook verwoord (zie 6.12).



5.38.
De verzochte wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





6De beoordeling van het tegenverzoek


6.1.
Omdat de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen, liggen alleen de tegenverzoeken ten aanzien van de wedertewerkstelling, de rectificatie, de schadevergoeding en de integrale proceskostenvergoeding ter beoordeling voor.


Wedertewerkstelling




6.2.
De kantonrechter wijst de gevorderde wedertewerkstelling toe. Nu de arbeidsovereenkomst niet wordt ontbonden, heeft [de werknemer] er recht op dat hij zijn werk weer kan uitvoeren.



6.3.

[de werknemer] verzoekt om binnen vijf werkdagen na de betekening van de beschikking weer toegelaten te worden tot zijn eigen werkzaamheden. DJI heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat deze termijn te kort is. In de spreekaantekeningen van de gemachtigde van DJI is verwoord:


“ Aan [de werknemer] wordt het volledig uurloon en overige emolumenten betaald, zodat daarin geen belang schuilt om binnen vijf werkdagen na de beschikking van uw Kantonrechter tot werk te worden toegelaten. Naar overtuiging van DJI zal, mocht u Kantonrechter onverhoopt het verzoek tot ontbinding afwijzen, eerst mediation moeten plaatsvinden om te bezien of [de werknemer] in zijn eigen functie bij DJI aan het werk kan gaan. Daarbij heeft DJI de mogelijkheid een hoger beroep in te stellen tegen de beschikking van uw Kantonrechter als het verzoek tot ontbinding wordt afgewezen, afhankelijk van de inhoud van de overwegingen van uw Kantonrechter om tot afwijzing te komen. Toewijzing van de vordering tewerkstelling, terwijl DJI anderzijds hoger beroep instelt, leidt dan tot een onwenselijke situatie. Daarbij heeft DJI de mogelijkheid om het verzoek tot ontbinding in te trekken en dat recht zou met een vordering tewerkstelling wordt doorkruist.”




6.4.
De kantonrechter ziet in de argumenten van DJI geen aanleiding om een andere termijn voor wedertewerkstelling toe te wijzen dan gevorderd. [de werknemer] zit al zo’n 15 maanden thuis. De opmerking dat [de werknemer] al die tijd zijn volledige loon heeft ontvangen, miskent de impact die de situatie op [de werknemer] heeft en dat er meer belangen spelen bij aan het werk gaan dan alleen geld. Het doorlopen van een mediationtraject kan niet als voorwaarde gesteld worden. De gesprekken die moeten plaatsvinden tussen de directie/leidinggevenden van DJI en [de werknemer] in het kader van herstel van de arbeidsrelatie hoeven geen vertraging te vormen voor wedertewerkstelling, omdat collega’s op de werkvloer [de werknemer] graag weer zien komen. Ook een eventueel hoger beroep is geen reden om [de werknemer] af te houden van zijn recht om arbeid te verrichten. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.



6.5.
Hoewel DJI haar argumenten in de loop van de mondelinge behandeling heeft genuanceerd, in die zin dat de argumenten niet bedoeld waren om werkhervatting tegen te houden maar juist om werkhervatting zo soepel mogelijk te laten verlopen, ziet de kantonrechter in de aangedragen argumenten aanleiding om de gevorderde dwangsom zoals gevorderd toe te wijzen.


Rectificatie




6.6.

[de werknemer] verzoekt veroordeling van DJI om zorg te dragen voor rehabilitatie van [de werknemer] , door middel van het publiceren op het intranet van de mededeling zoals verwoord in randnummer 148 van het verweerschrift.



6.7.
DJI meent dat het verzoek moet worden afgewezen omdat daartoe geen grondslag bestaat. De tekst van het rectificatiebericht gaat te ver en is onjuist gelet op het feit dat de kantonrechter geen uitspraak heeft gedaan, en pas na de uitspraak kan worden bepaald dat de uitkomst van de beschikking is. Het gaat niet aan om DJI op voorhand aan een onjuist rectificatiebericht te binden, aldus DJI.



6.8.
De kantonrechter zal DJI veroordelen tot het op intranet plaatsen van een rectificatiebericht zoals verzocht. Met deze beschikking is duidelijk hoe de kantonrechter het ontbindingsverzoek en de daarvoor aangedragen gronden beoordeeld, zodat er geen sprake is van een onjuiste rectificatie. DJI heeft met haar mededeling van 13 februari 2026 op het intranet aan het personeel gecommuniceerd dat zij besloten had om de arbeidsovereenkomst met onder andere [de werknemer] te beëindigen. Door dit besluit te koppelen aan het onderzoek dat BI heeft verricht naar aanleiding van het vermoeden van niet-integer handelen door [de werknemer] , heeft DJI gesuggereerd dat dit besluit is genomen omdat daar sprake van is. Het is onjuist, zodat er een grondslag bestaat voor rectificatie. Naar het oordeel van de kantonrechter gaat de tekst van het voorgestelde rectificatiebericht niet te ver. Ook de dwangsom acht de kantonrechter toewijsbaar.


Schadevergoeding




6.9.

[de werknemer] verzoekt veroordeling van DJI tot het betalen van een bedrag van € 15.000,00 netto aan schadevergoeding. DJI heeft volgens [de werknemer] gelet op de eenzijdige onderzoeksinspanningen, de grote persoonlijke gevolgen van tot op heden uiterst nadelige besluitvorming voor hem en de aantasting van zijn eer en goede naam in strijd gehandeld met het goed werkgeverschap (artikel 7:611 BW), dan wel onrechtmatig gehandeld (artikel 6:162 BW). DJI voert verweer.



6.10.
De kantonrechter wijst het verzoek af. Van eenzijdige onderzoeksinspanningen is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake, en bovendien is dit onderzoek niet door DJI maar door BI uitgevoerd. Het is vervolgens aan DJI om te bepalen wat zij met de uitkomsten van het onderzoek doet. DJI heeft gekozen voor het indienen van een ontbindingsverzoek. Dat verzoek wordt met deze beschikking afgewezen. Ook wordt met deze beschikking het verzoek tot rectificatie toegewezen. [de werknemer] heeft onvoldoende gemotiveerd dat in aanvulling daarop sprake moet zijn van een schadevergoeding.


Integrale proceskostenveroordeling




6.11.

[de werknemer] verzoekt tot slot integrale vergoeding van gemaakte juridische kosten voor bijstand in deze arbeidsrechtelijke zaak. Volgens [de werknemer] is er sprake van buitengewone omstandigheden die integrale vergoeding rechtvaardigen. Hierbij wijst [de werknemer] in het bijzonder op het feit dat hij de vrijspraak onder de aandacht heeft gebracht van DJI en dat dit niet heeft geleid tot enige reflectie. DJI voert verweer.



6.12.
De kantonrechter wijst het verzoek af. De gebruikelijke procesregels brengen mee dat voor proceskosten het liquidatietarief wordt gehanteerd (artikel 237 e.v. Rv) zodat er al zelden reden is voor vergoeding van werkelijke proceskosten. Een verzoek tot vergoeding van volledige proceskosten, in afwijking van het liquidatietarief, is alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht (bijvoorbeeld bij evidente ongegrondheid of kansloosheid van het verzoek) of onrechtmatig handelen. Daar is in deze zaak geen sprake van.


Proceskosten




6.13.
Een veroordeling in de proceskosten conform het liquidatietarief is naar het oordeel van de kantonrechter wel toewijsbaar, omdat DJI op het belangrijke onderwerp van wedertewerkstelling ongelijk krijgt in de zaak van het tegenverzoek. Ook krijgt DJI ongelijk voor wat betreft het tegenverzoek tot rectificatie. De proceskosten aan de zijde van [de werknemer] worden begroot op € 1.154,00 aan salaris gemachtigde.



6.14.
De verzochte wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





7De beslissing

De kantonrechter


op het verzoek



7.1.
wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af,



7.2.
veroordeelt DJI in de proceskosten van € 1.298,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als DJI niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,



7.3.
veroordeelt DJI tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



7.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,



7.5.
wijst het meer of anders verzochte af,


op het tegenverzoek




7.6.
veroordeelt DJI om [de werknemer] binnen vijf werkdagen na betekening van deze beschikking toe te laten tot zijn eigen werkzaamheden bij RJJI [locatie 1] te [plaats 1] , op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte daarvan dat DJI daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 20.000,00,



7.7.
veroordeelt DJI om binnen vijf werkdagen na datum van deze beschikking de hierna schuin gedrukte mededeling (zie ook de in randnummer 148 van het verweerschrift van [de werknemer] opgenomen mededeling) via het intranet te verspreiden, vergelijkbaar op de wijze van verspreiding van de eerdere intranetmededeling van 13 februari 2026, op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat DJI daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 20.000,00: De kantonrechter heeft geoordeeld dat het verzoek van RJJI om de arbeidsovereenkomst van de heer [de werknemer] met RJJI niet ingewilligd kan worden omdat niet aan de wettelijke eisen wordt voldaan. RJJI heeft de heer [de werknemer] ten onrechte verweten zich schuldig hebben gemaakt aan ongepast geweld jegens een jeugdige gedetineerde en ten onrechte verweten dat hij daarover niet naar waarheid heeft verklaard. Voor zover eerdere berichtgeving en het verloop van interne afhandeling schade heeft toegebracht aan eer en goede naam van de heer [de werknemer] , betreuren wij dat. Na ruim 28 jaar is de heer [de werknemer] een gewaardeerde collega en wij vragen alle medewerkers hem bij terugkeer met respect te bejegenen en in de gelegenheid te stellen zijn werkzaamheden normaal te verrichten. Roddels, speculaties en vervelende uitlatingen horen niet thuis op de werkvloer of in apps et cetera, en worden niet geaccepteerd. Ter voorkoming van misverstanden worden eerder intern verspreide mededelingen, posts of documenten waarin als vaststaand werd gepresenteerd dat de arbeidsovereenkomst met de heer [de werknemer] beëindigd zou worden, ingetrokken. Medewerkers die dergelijke berichten hebben gedeeld, verzoeken wij deze te verwijderen. Voor ondersteuning of meldingen kunt u terecht bij uw leidinggevende of personeelsfunctionaris. RJJI faciliteert, waar nodig en in overleg met betrokkene, passende zorg om de samenwerking en werkverhoudingen te normaliseren. Hij respecteert daarbij ieders privacy en waardigheid. Wij rekenen op ieders professionele bijdrage aan een veilige, collegiale en respectvolle werkomgeving.



7.8.
veroordeelt DJI in de proceskosten van € 1.154,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,



7.9.
veroordeelt DJI tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



7.10.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,



7.11.
wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. Tilman-Knoester en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.



Inclusief de loonsverhoging van 2,7% met ingang van 1 juli 2026 op basis van de cao Rijk.


Productie 18 bij het verzoekschrift.


Productie 4 bij het verzoekschrift.


Productie 16 bij het verzoekschrift.


Productie 5 bij het verzoekschrift.


Productie 6 bij het verzoekschrift.


Productie 7 bij het verzoekschrift.


Productie 8 bij het verzoekschrift.


Productie 9 bij het verzoekschrift.


Productie 10 bij het verzoekschrift.


Productie 3 bij het verweerschrift.


Productie 4 bij het verweerschrift.


Artikel 7:669 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).


Artikel 7:669 lid 1 BW.


Artikel 7:671b lid 2 jo. lid 6 BW.


Zie bijvoorbeeld Julia Shaw, De illusie van het geheugen, Waarom je misschien niet bent wie je denkt dat je bent, Amsterdam: Prometheus 2016, oorspronkelijke titel: The Memory Illusion en Professor Elizabeth Loftus: “Ons geheugen is een gebouw, dat verbouwd kan worden. Het werkt (…) als een Wikipedia-pagina: daar kun je zelf veranderingen in aanbrengen, maar anderen kunnen dat ook.”


Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.
Link naar deze uitspraak