|
|
|
| ECLI:NL:RBGEL:2026:6351 | | | | | Datum uitspraak | : | 05-08-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 11-08-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Gelderland | | Zaaknummers | : | C/05/454869 / HZ ZA 25-20 C/05/454869 / HZ ZA 25-20 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Erfrecht – verdelingsprocedure, onttrokken gelden van bankrekening erflaatster, geen rekening en verantwoording, wel verjaring, geen misbruik van omstandigheden, onvoldoende bewijs contante geldopnamen | | Trefwoorden | : | erfgenamen | | | schenker | | | schenking | | | testament | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/454869 / HZ ZA 25-201
Vonnis in het incident en in de hoofdzaak van 5 augustus 2026
in de zaak van
[naam eiser in conventie]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [de eiser] ,
advocaat: mr. G.M. de Weerd,
tegen
1 [naam gedaagde in conventie 1] ,
te [woonplaats] (Duitsland),
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [de gedaagde 1] ,
advocaat: mr. A.U. Schimansky,2. [naam gedaagde in conventie 2],
te [woonplaats] (Duitsland),
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [de gedaagde 2] ,
advocaat: mr. A.U. Schimansky,3. [naam notaris], in haar hoedanigheid van executeur,
te Arnhem,
gedaagde partij in conventie,
hierna te noemen: de notaris,
niet verschenen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 17 juni 2026- het incidenteel verzoek van [de eiser] ex artikel 87 lid 3 Rv tevens akte indiening producties - de antwoordakte van [de gedaagde 1] en [de gedaagde 2] in het incident ex artikel 87 lid 3 Rv
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 9 juli 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[de eiser] en [de gedaagde 1] zijn de kinderen van mevrouw [de moeder] (hierna te noemen: moeder). Moeder is overleden op [overlijdensdatum] . Vader is vooroverleden op [overlijdensdatum] . Zijn nalatenschap is afgewikkeld en verdeeld. Dit geschil gaat over de nalatenschap van moeder.
2.2.
[de gedaagde 2] is de echtgenoot van [de gedaagde 1] .
2.3.
Notaris [de notaris] is in het testament van moeder van 14 mei 2021 benoemd tot executeur. Zij heeft deze benoeming aanvaard.
2.4.
Erflaatster heeft haar kinderen [de eiser] en [de gedaagde 1] benoemd tot erfgenamen, ieder voor 1/2e deel van de nalatenschap.
2.5.
Tussen [de eiser] en [de gedaagde 1] is discussie ontstaan over de verdeling van de nalatenschap van moeder. Deze discussie gaat in het kort over overboekingen en contante opnamen van de rekening van moeder bij de ABN Amro Bank met rekeningnummer [bankrekeningnummer] in de periode van 1 januari 2011 tot 4 december 2023 .
2.6.
[de eiser] heeft een inventarisatie gemaakt van de overboekingen en contante opnamen van de rekening van moeder die [de gedaagde 1] zou hebben (laten) verricht(en) in de periode van 2011 t/m 2023. [de gedaagde 1] is op 20 maart 2024, op verzoek van [de eiser] , door de notaris met de gemaakte inventarisatie geconfronteerd. Op 21 augustus 2024 heeft de advocaat van [de eiser] [de gedaagde 1] verzocht om een reactie. Zij weerspreekt dat zij op ongeoorloofde wijze overboekingen heeft verricht en contante opnamen heeft gedaan van de bankrekening van moeder.
3Het geschil
In de hoofdzaak, in conventie
3.1.
[de eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. [de gedaagde 1] en/of [de gedaagde 2] te veroordelen tot het afleggen van een deugdelijke rekening en verantwoording over het door haar in de periode 2011 t/m 2023 op grond van een informele- c.q. (bank)volmacht gevoerde beheer over de bankrekeningen/financiën van moeder, zulks binnen twee weken na het te dezen te wijzen (tussen)vonnis en op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000 voor iedere dag of dagdeel dat [de gedaagde 1] na ommekomst van deze termijn hiermee in gebreke mocht blijven;
2. voor recht te verklaren dat [de gedaagde 1] en/of [de gedaagde 2] zich in totaal een bedrag van € 92.250,00 van moeder onrechtmatig c.q. met misbruik van omstandigheden heeft toegeëigend (€ 23.780,00 giraal middels overboekingen en € 68.470,- contant via cash geldopnames);
3. te verklaren voor recht dat [de gedaagde 1] de toegeëigende cash geld opnames heeft verbeurd aan [de eiser] ;
4. de wijze van verdeling van de nalatenschap van moeder te gelasten met inachtneming van de door [de gedaagde 1] en/of [de gedaagde 2] aan de nalatenschap te betalen/vergoeden bedragen, al dan niet middels -zo veel mogelijk- gedwongen schuldtoerekening op haar erfdeel en rekening houdend met de door [de gedaagde 1] aan [de eiser] verbeurde bedragen en met de wettelijke rente,
en voorts in het kader van de verdeling:
5. alle schenkingen/giften door moeder aan [de gedaagde 1] en/of [de gedaagde 2] gedaan te vernietigen op grond van misbruik van omstandigheden en [de gedaagde 1] en [de gedaagde 2] te veroordelen de ontvangen bedragen terug te betalen aan de nalatenschap, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van toe-eigening c.q. de dag van dagvaarding;
6. [de gedaagde 1] en/of [de gedaagde 2] te veroordelen tot terugbetaling van alle door haar aan het vermogen van moeder zonder titel en/of beschikkingsonbevoegd onttrokken gelden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van toe-eigening c.q. de dag van dagvaarding
subsidiair: in verband met de onttrokken bedragen [de gedaagde 1] en/of [de gedaagde 2] te veroordelen tot betaling aan de nalatenschap van moeder een bedrag aan schadevergoeding groot
€ 92.250,00 wegens onrechtmatige daad c.q. ongerechtvaardigde verrijking, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van toe-eigening c.q. de dag van dagvaarding;
7. [de gedaagde 1] en/of [de gedaagde 2] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding groot € 37.883,- in verband met de veroorzaakte rentekosten;
8. [de gedaagde 1] te veroordelen tot betaling aan de nalatenschap van moeder c.q. aan een bedrag aan schadevergoeding groot € 92.250,00 wegens het niet afleggen van (deugdelijke) rekening en verantwoording, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van toe-eigening c.q. de dag van dagvaarding;
9. [de gedaagde 1] en/of [de gedaagde 2] te veroordelen tot (nakoming van de overeengekomen) afdracht aan de nalatenschap van:
- de door haar gepinde, maar tot op heden niet afgedragen gelden van in totaal € 68.470,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van toe-eigening c.q. de dag van dagvaarding;
subsidiair:
[de gedaagde 1] en/of [de gedaagde 2] te veroordelen tot schadevergoeding ad € 68.470,00 wegens een tekortkoming in de overeenkomst tot afdracht van de gelden aan moeder, welke schadevergoeding gelijk is aan de door [de gedaagde 1] en/of [de gedaagde 2] gepinde bedragen die niet door haar aan moeder zijn afgedragen een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van toe-eigening c.q. de dag van dagvaarding;
10. [de gedaagde 1] en [de gedaagde 2] te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
Aan zijn vorderingen legt [de eiser] , samengevat, ten grondslag dat [de gedaagde 1] tijdens het leven van moeder op ongeoorloofde wijze gelden aan haar vermogen heeft onttrokken. Hij meent dat [de gedaagde 1] gehouden is om over de betreffende periode (2011 t/m 2023) rekening en verantwoording af te leggen. Zij zou hebben beschikt over een informele- en/of bankvolmacht van moeder. Verder meent [de eiser] dat [de gedaagde 1] het totale bedrag van de vermeende ongeoorloofde onttrekkingen van € 92.250,00, bestaande uit
€ 23.780,00 aan overboekingen en € 68.470,00 aan contante geldopnamen, aan hem heeft verbeurd dan wel moet terugbetalen aan de nalatenschap. Ten aanzien van de overboekingen voert hij aan dat [de gedaagde 1] misbruik heeft gemaakt van de omstandigheden waarin moeder verkeerde. Voor wat betreft de contante opnamen voert [de eiser] aan dat moeder geen weet had van de pinopnamen en daarvoor geen opdracht heeft verstrekt, dan wel dat [de gedaagde 1] de afspraak met moeder dat zij de gepinde bedragen aan haar moest afdragen dient na te komen. Als blijkt dat [de gedaagde 1] over een volmacht beschikte, is zij volgens [de eiser] buiten de reikwijdte van de volmacht getreden omdat zij niet bevoegd zou zijn geweest om de opgenomen gelden voor zichzelf te houden dan wel heeft zij zich schuldig gemaakt aan selbsteintritt. Voor zover de pinopnamen ook kwalificeren als schenkingen, beroept hij zich op dat punt ook op misbruik van omstandigheden.
3.3.
[de gedaagde 1] voert verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijkheid, dan wel tot ongegrondheid van de vorderingen, dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[de gedaagde 1] betwist dat zij verplicht is tot het afleggen van rekening en verantwoording. Zij weerspreekt verder dat schenkingen aan haar, voor zover sprake is van schenkingen, vernietigbaar zijn wegens misbruik van omstandigheden. Van terugbetaling van door haar opgenomen gelden kan geen sprake zijn, nu zij zich op het standpunt stelt nooit gelden van de bankrekening van moeder gepind te hebben.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In de hoofdzaak, in reconventie
3.6.
[de gedaagde 1] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
om [de eiser] – al dan niet door het wijzen van een tussenvonnis – te veroordelen tot het afleggen van rekening en verantwoording jegens de executeur en/of [de gedaagde 1] over het beheer, het verbruik en de afdracht van alle door hem van de bankrekening van moeder opgenomen contanten vanaf 2011 tot en met haar overlijden, alsmede over de door hem op grond van een bankvolmacht uitgevoerde overboekingen van de bankrekeningen van moeder vanaf het moment van de volmacht tot aan overlijden van moeder, een en ander binnen twee weken na het wijzen van een (tussen)vonnis, op straffe van een dwangsom van € 1.500 te verbeuren voor elke dag of dagdeel dat [de eiser] na afloop van voornoemde termijn hiermee in gebreke blijft;
voor recht te verklaren dat de door [de eiser] van moeder sinds 2011 ontvangen schenkingen ter hoogte van € 56.635 nietig zijn, althans deze te vernietigen, en dat de nalatenschap een vordering op [de eiser] heeft tot terugbetaling, althans vergoeding van
€ 56.635, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van ontvangst, subsidiair vanaf de dag van de conclusie van eis in reconventie;
voor recht te verklaren dat [de eiser] zijn aandeel in deze vordering aan [de gedaagde 1] heeft verbeurd en hem te veroordelen tot betaling van de vordering aan [de gedaagde 1] ;
subsidiair voor zover uw rechtbank een verbeurdverklaring afwijst, [de eiser] te veroordelen tot betaling van de vordering aan de nalatenschap en een verdeling te gelasten waarbij de vordering als schuld van [de eiser] wordt vastgesteld met verrekening op het erfdeel van [de eiser] ;
3. voor recht te verklaren dat [de eiser] een schenking van moeder heeft ontvangen door vanaf 2011 tot juli 2022 bij moeder te wonen en kantoor te houden, zonder enige huur of bijdrage in de verbruikskosten, onderhoud of heffingen te betalen, en de waarde van deze schenking te begroten op een maandelijks bedrag van € 2.000 of een nader door uw rechtbank te schatten maandelijks bedrag, voor elke maand die [de eiser] bij moeder heeft gewoond;
voor recht te verklaren dat [de eiser] een schenking van moeder heeft ontvangen door de Mercedes van vader op zijn naam in te schrijven en de waarde van deze schenking te begroten op een geschatte dagwaarde van € 10.000 of een nader door uw rechtbank te schatten bedrag;
voor recht te verklaren dat deze schenkingen nietig zijn, althans deze schenkingen te vernietigen, en dat de nalatenschap een vordering op [de eiser] heeft tot terugbetaling, althans tot vergoeding van de waarde van de ontvangen schenkingen ter hoogte van de door uw rechtbank vastgestelde waarde of een naar redelijkheid en billijkheid nader te bepalen bedrag, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van ontvangst, subsidiair vanaf de dag van conclusie van eis in reconventie;
voor recht te verklaren dat [de eiser] zijn aandeel in deze vordering aan [de gedaagde 1] heeft verbeurd en hem te veroordelen tot betaling van de vordering aan [de gedaagde 1] ;
subsidiair voor zover uw rechtbank een verbeurdverklaring afwijst, [de eiser] te veroordelen tot betaling van de vordering aan de nalatenschap en een verdeling te gelasten waarbij de vordering als schuld van [de eiser] wordt vastgesteld met verrekening op het erfdeel van [de eiser] ;
4. voor recht te verklaren dat [de eiser] zich sinds 2011 een bedrag van € 87.910 door contante opnames met de bankpas van moeder heeft toegeëigend, althans door deze opnames in strijd met de met moeder gemaakte afspraken niet naar behoren aan moeder af te dragen, en dat de nalatenschap een vordering op [de eiser] heeft tot terugbetaling, althans vergoeding van € 87.910, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van toe-eigening, subsidiair vanaf de dag van conclusie van eis in reconventie;
voor recht te verklaren dat [de eiser] zijn aandeel in deze vordering aan [de gedaagde 1] heeft verbeurd en hem te veroordelen tot betaling van de vordering aan [de gedaagde 1] ;
subsidiair voor zover uw rechtbank een verbeurdverklaring afwijst, [de eiser] te veroordelen tot betaling van de vordering aan de nalatenschap en een verdeling te gelasten waarbij de vordering als schuld van [de eiser] wordt vastgesteld met verrekening op het erfdeel van [de eiser] ;
met veroordeling van [de eiser] in de kosten van de procedure, waaronder aan de zijde van gedaagden het liquidatietarief.
3.7.
[de gedaagde 1] stelt haar vorderingen in reconventie voorwaardelijk in. Zij meent dat als de rechtbank oordeelt dat de vorderingen in conventie toewijsbaar zijn, er dan ook toewijsbare vorderingen zijn in reconventie. Daartoe voert zij aan dat moeder in veel grotere mate afhankelijk was van en beïnvloed werd door [de eiser] die tot juli 2022 bij haar in huis woonde. [de eiser] had volledige toegang tot de financiën van moeder. Hij heeft daar misbruik van gemaakt, dan wel zich schuldig gemaakt aan selbsteintritt. Over de contante opnamen stelt [de gedaagde 1] dat alle opnamen die zij niet heeft gedaan, dan door [de eiser] moeten zijn gedaan en dat dit tenminste een bedrag betreft van € 87.910,00, welk bedrag onrechtmatig aan het vermogen van moeder is onttrokken. Voorts is ook [de eiser] gehouden tot het afleggen van rekening en verantwoording omdat tussen hem en moeder een afspraak bestond over het gebruik van haar rekening en hij vanaf 2022 over een (notariële) bankvolmacht beschikte.
3.8.
[de eiser] voert verweer. Hij concludeert tot niet-ontvankelijkheid, dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de gedaagde 1] in de kosten van deze procedure.
3.9.
Volgens [de eiser] doet [de gedaagde 1] het ten onrechte voorkomen dat sprake zou zijn van een spiegelbeeldige situatie. Voor een deel van de schenkingen, bestaat een schenkingsakte, en geldt dat [de gedaagde 1] deze schenkingen zelf ook heeft ontvangen. Een ander deel ziet op de vaderlijke erfdelen van [de eiser] en [de gedaagde 1] . Hij doet in dat kader een beroep op rechtsverwerking. Voorts beschikte [de eiser] over een volmacht op basis waarvan hij schenkingen mocht doen en is er geen sprake van selbsteintritt. Volgens [de eiser] heeft [de gedaagde 1] niet voldaan aan haar stelplicht voor zover zij stelt dat sprake is van misbruik van omstandigheden. Ten aanzien van de contante opnamen stelt [de eiser] dat alle opnamen zien op opnamen voor moeder en dat hij daarover aan haar rekening en verantwoording heeft afgelegd, alsook dat hij niet verplicht is tot het afleggen van rekening en verantwoording aan [de gedaagde 1] .
3.10.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In het incident
3.11.
[de eiser] vordert ex artikel 87 lid 3 Rv een getuigenverhoor te gelasten waarin [de gedaagde 1] en [de gedaagde 2] onder ede worden gehoord, in ieder geval ter zake van de cash opnames die onderdeel zijn van onderhavige bodemprocedure en over de geldlening van
€ 3.400,00.
3.12.
[de eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Het gespreksverslag van de notaris kan niet anders geïnterpreteerd worden dan dat [de gedaagde 1] wel gebruik maakte van moeders bankpas en dat zij de betreffende cash geldopnamen heeft gedaan. Ook blijkt uit het gespreksverslag dat er naast de verrekende geldlening van € 3.500,00, nog een geldlening van € 3.400,00 bestaat. Voor zover de rechtbank hierover twijfelt, wenst [de eiser] dat [de gedaagde 1] en [de gedaagde 2] onder ede worden gehoord.
3.13.
[de gedaagde 1] voert verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] .
3.14.
[de gedaagde 1] persisteert bij haar stelling dat zij niet met de bankpas van moeder aan de haal is gegaan en niet voor tienduizenden euro’s contant geld van moeder heeft ontvangen. Uit het gespreksverslag volgt niet dat dit anders zou zijn. Over de leningen heeft [de gedaagde 1] al duidelijkheid verschaft. Zij heeft zich eerder vergist. Er is maar één lening. Dat [de eiser] dit antwoord niet wil accepteren, maakt het antwoord niet onwaar, onvolledig of ongeloofwaardig en geeft geen aanleiding om een getuigenverhoor te gelasten om de vragen die al meermaals zijn gesteld opnieuw te stellen.
3.15.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
In de hoofdzaak, in conventie
[de gedaagde 2] als procespartij
4.1.
[de eiser] heeft [de gedaagde 2] als procespartij gedagvaard. Hij voert ter onderbouwing aan dat er ook enkele overboekingen zijn geweest naar een rekening die (alleen) op naam van [de gedaagde 2] staat, dat hem onduidelijk is op welke wijze [de gedaagde 2] mogelijk nog meer betrokken is geweest en dat hij daarom in deze procedure betrokken moet worden.
4.2.
[de gedaagde 1] en [de gedaagde 2] vorderen [de eiser] in zijn vorderingen jegens [de gedaagde 2] niet-ontvankelijk te verklaren. Het betreft een verdelingsprocedure tussen de erfgenamen en [de gedaagde 2] is geen erfgenaam. Bovendien zijn er ook geen vorderingen tegen [de gedaagde 2] geformuleerd in het petitum.
4.3.
De rechtbank zal [de eiser] niet-ontvankelijk verklaren jegens [de gedaagde 2] . Deze procedure betreft een verdelingsprocedure op grond van artikel 3:171 (met verwijzing naar HR 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:535). [de gedaagde 2] is geen erfgenaam in de nalatenschap van moeder en daarmee ook geen deelgenoot in die gemeenschap. Voorts heeft [de eiser] geen vorderingen ingesteld jegens [de gedaagde 2] .
Notaris als procespartij
4.4.
[de eiser] heeft de notaris, in haar hoedanigheid van executeur, als procespartij gedagvaard. Hij brengt naar voren dat de executele formeel nog niet is geëindigd. Om die reden betrekt hij de executeur noodzakelijkerwijs in deze procedure.
4.5.
[de eiser] legt zijn vorderingen voor in het kader van de verdeling van de nalatenschap van moeder. Hij erkent expliciet dat verdeling mogelijk is. Hij stelt daartoe dat de executele feitelijk is afgerond en dat de nalatenschap rijp is voor verdeling. Een verdelingsprocedure is een procedure tussen de erfgenamen en in dit geval de deelgenoten op grond van artikel 3:171 BW (met verwijzing naar HR 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:535). De notaris heeft in haar hoedanigheid van executeur, kort samengevat, de taak gekregen om de nalatenschap te beheren en de schulden te voldoen. De notaris is, als executeur, niet betrokken bij de verdeling. Bovendien heeft [de eiser] geen vorderingen ingesteld jegens de notaris. De rechtbank zal [de eiser] niet-ontvankelijk verklaren jegens de notaris.
Rekening en verantwoording
4.6.
[de eiser] vordert een verklaring voor recht inhoudende dat [de gedaagde 1] veroordeeld moet worden tot het afleggen van een deugdelijke rekening en verantwoording over het door haar in de periode van 2011 t/m 4 december 2023 , op grond van een informele- c.q. (bank)volmacht, gevoerde beheer over de bankrekeningen en/of financiën van moeder.
4.7.
Uit de stellingen van [de eiser] begrijpt de rechtbank dat hij van mening is dat sprake is van een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording om de navolgende redenen. Hij stelt, samengevat, dat de rechtsverhouding tussen moeder en [de gedaagde 1] verwantschap vertoont met de in de wet regelde gevallen, dat moeder zelfstandig niet meer in staat was om haar financiën te beheren, dat [de gedaagde 1] de financiën van moeder beheerde, dat moeder de handelingen van [de gedaagde 1] niet meer kon overzien en/of niet meer voor haar eigen belangen kon opkomen en dat geen rekening en verantwoording aan moeder is afgelegd.
4.8.
Volgens [de gedaagde 1] was moeder, ondanks haar hoge leeftijd, altijd helder, verstandig en zelfredzaam. Zij was niet afhankelijk van anderen voor het regelen van haar financiële zaken en waar nodig riep zij zelf hulp in van dienstverleners en bankmedewerkers. Moeder maakte gebruik van papieren opdrachten en ontving papieren bankafschriften. Zij was naar de mening van [de gedaagde 1] zonder meer in staat om haar bankafschriften te controleren en bij onbekende afschrijvingen aan wie dan ook daarover tekst en uitleg te vragen. In de laatste twee jaren van haar leven verslechterde haar zicht en gebruikte zij daarom een loep. Voorts betwist [de gedaagde 1] dat tussen haar en moeder afspraken golden over het gebruik van de bankpas en pin nummer, over afdracht van opgenomen gelden, en over een (informele) volmacht of een opdracht tot beheer. Zij stelt dat er geen afspraken zijn gemaakt, dat zij geen overboekingen van de bankrekening van moeder heeft uitgevoerd en dat zij ook geen contante opnamen heeft gedaan met de bankpas van moeder. Zij brengt naar voren dat [de eiser] die afspraken wel had. Dat is volgens haar ook logisch omdat hij bij moeder woonde en zijzelf om de paar maanden op bezoek kwam vanwege de afstand. Bovendien had niet [de gedaagde 1] , maar [de eiser] een volmacht vanaf 2022. Voor zover wel sprake is van een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording, beroept [de gedaagde 1] zich op verjaring.
4.9.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep op verjaring slaagt. [de eiser] heeft, vanaf het overlijden van vader op [overlijdensdatum] tot het moment waarop moeder in juli 2022 verhuisde naar een verzorgingstehuis, bij moeder in huis gewoond. In deze periode had hij zicht op de financiële zaken van moeder. Vaststaat dat hij een afspraak met moeder had over het gebruik van haar pinpas voor, in ieder geval, huishoudelijke uitgaven. Al die tijd heeft [de eiser] de gelegenheid gehad om zijn zus, [de gedaagde 1] , al dan niet samen met moeder te vragen naar pinopnamen en overboekingen waarvan hij meent dat zij deze heeft (laten) verricht(en). [de eiser] heeft de keuze gemaakt om [de gedaagde 1] pas op 20 maart 2024 (circa 3,5 maand na het overlijden van moeder), via de notaris, te confronteren met de door hem vermeende ongeoorloofde contante opnamen en overboekingen. Dit terwijl hij al jarenlang toegang had toe en inzage had in de bankafschriften van moeder. Zo kan worden afgeleid uit zijn eigen stellingen. Volgens [de eiser] was moeder in de betreffende periode helemaal niet meer in staat om haar eigen financiën te beheren en had zij daarvoor hulp van [de gedaagde 1] . Hoe [de gedaagde 1] , gelet op haar beperkte aanwezigheid in Nederland, die taak zou hebben kunnen vervullen, is op geen enkele wijze uiteengezet. Het heeft er veel meer van weg dat [de eiser] die taak zelf heeft vervuld. Als [de gedaagde 1] dit had gedaan, waarom is dan aan hem en niet aan haar in 2022 een notariële volmacht verstrekt? Als [de gedaagde 1] al gehouden is tot het afleggen van rekening en verantwoording, hetgeen zij (zoals hierna uiteengezet zal worden) niet is, dan is die vordering in het licht van de gegeven omstandigheden verjaard. De vragen die [de eiser] nu meent te moeten stellen, moeten in jaren voor 2024 al bij hem zijn gerezen en die had hij toen moeten stellen, in het belang zijn moeder. Door te wachten tot haar overlijden is [de gedaagde 1] ernstig in haar bewijspositie geschaad, te meer omdat moeder niets meer kan verklaren over de gang van zaken, haar wil en haar wensen. In dit geval doen zich daarmee precies de feiten voor, waar het de verjaringsregeling is bedoeld.
4.10.
Ten overvloede geldt het navolgende, in grote lijnen op basis van hetgeen hiervoor reeds is overwogen. Het afleggen van rekening en verantwoording is verplicht als dit volgt uit de wet, een rechtshandeling of het ongeschreven recht (o.a. HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1561, NJ 1995/548 en HR 8 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1911, NJ 1996/274 en Hoge Raad 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1848). Partijen zijn het erover eens dat een dergelijke rechtsverhouding in dit geval niet uit de wet of een rechtshandeling voortvloeit. [de eiser] beroept zich op een verplichting op grond van het ongeschreven recht.
4.11.
Bij de beantwoording van de vraag of op grond van het ongeschreven recht een verplichting tot rekening en verantwoording van [de gedaagde 1] kan worden aangenomen zijn de uitgangspunten zoals geformuleerd door de Hoge Raad van belang. Zo heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 9 mei 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1089) overwogen:
“Aan het oordeel dat op grond van ongeschreven recht een verplichting bestaat om zich te verantwoorden over de behoorlijkheid van het over het vermogen van een ander gevoerd beheer, kan bijdragen dat sprake is van een rechtsverhouding die verwantschap vertoont met een of meer in de wet geregelde gevallen waarin een dergelijke verplichting is neergelegd, zoals gemeenschap, opdracht of zaakwaarneming. Voor het overige is het antwoord op de vraag of een zodanige verantwoording geboden is, sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Omstandigheden die in dit verband een rol kunnen spelen zijn onder meer: (i) de redenen waarom het beheer is gevoerd, (ii) de verhouding die bestond tussen degene die het beheer voerde en de rechthebbende, (iii) hetgeen in de relatie tussen partijen of in soortgelijke gevallen gebruikelijk is of was, (iv) de mate waarin degene die het beheer voerde, zelfstandig kon en mocht handelen, en (v) de mate waarin de rechthebbende in staat is geweest de handelingen van degene die het beheer voerde te overzien en voor zijn belangen op te komen.”
4.12.
Niet gebleken is dat [de gedaagde 1] de financiën van moeder beheerde en/of feitelijk heeft kunnen beheren, in die zin dat zij zorgde voor de lopende administratie of de boekhouding dan wel dat zij anderszins het beheer voerde over het vermogen van moeder. Er zijn geen stukken in het geding gebracht waaruit dit volgt, zoals bijvoorbeeld aantekeningen uit de administratie. Als blijkt dat [de gedaagde 1] overboekingen heeft verricht of geldopnamen heeft gedaan, maakt dit niet per definitie dat zij het beheer voerde over het (gehele) vermogen van moeder. Er zijn geen omstandigheden die maken dat sprake is van een rechtsverhouding die lijkt op een in de wet geregelde situatie, zoals zaakwaarneming of opdracht, noch omstandigheden waaruit volgt dat [de gedaagde 1] het beheer had over de financiën van moeder. Voorts kan uit de stellingen van [de eiser] niet worden afgeleid dat moeder niet in staat zou zijn geweest om zelf haar vermogen te beheren en voor haar eigen belangen op te komen, geheel daargelaten of zij dat aan [de eiser] zelf heeft overgelaten. [de gedaagde 1] heeft dit concreet heeft weersproken. Bovendien staat vast dat moeder in 2021 en 2022 nog voldoende bekwaam was om haar testament op te stellen, aan te vullen en om een volmacht af te geven. Dit duidt niet op geestelijke tekortkomingen. De rechtbank ziet geen grondslag voor het afleggen van rekening en verantwoording. Dit zou slechts anders kunnen zijn als er sprake is van misbruik van omstandigheden (zie o.a. HR 13 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS4167). Voor zover [de eiser] heeft bedoeld om zijn vordering tot het afleggen van rekening en verantwoording ook te baseren op misbruik van omstandigheden, ziet de rechtbank geen aanleiding voor toewijzing van de vordering op die grond. De rechtbank is van oordeel dat hiervan geen sprake is (zie hierna voor nadere uitwerking).
4.13.
Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering tot het afleggen van rekening en verantwoording over de periode van 2011 tot [overlijdensdatum] wordt afgewezen.
Overboekingen van € 23.780
4.14.
[de eiser] stelt dat de door hem geselecteerde overboekingen vanaf begin 2011 tot [overlijdensdatum] van de rekening van moeder schenkingen betreffen aan [de gedaagde 1] (en [de gedaagde 2] . Volgens hem zijn deze schenkingen vernietigbaar op grond van misbruik van omstandigheden. Hij voert in dat kader aan dat moeder ten tijde van de schenkingen op hoge leeftijd, hulpbehoevend en emotioneel afhankelijk van [de gedaagde 1] was. Alsook dat moeder sinds juli 2022 begeleid woont, digibeet was en niet kon internetbankieren. Verder stelt [de eiser] dat [de gedaagde 1] (en [de gedaagde 2] structurele geldproblemen hadden en dat de schenkingen niet passend waren in het bestedingspatroon en de financiële situatie van moeder. Volgens [de eiser] doorkruisen de schenkingen de bedoeling van moeder om hemzelf en [de gedaagde 1] gelijk te behandelen. Hij meent dat [de gedaagde 1] op de hoogte was van de toestand van moeder en dat moeder deze schenkingen nooit had gedaan, omdat zij dat niet wilde en zich dat ook zou hebben gerealiseerd buiten de situatie van misbruik van omstandigheden. [de eiser] doet een beroept op artikel 7:176 BW en stelt dat het aan [de gedaagde 1] is om te bewijzen dat de overboekingen niet met misbruik van omstandigheden hebben plaatsgevonden.
4.15.
[de gedaagde 1] meent dat de overboekingen die eiser aanhaalt slechts voor een bedrag van € 10.165,00 schenkingen aan haar betreffen. De overige bedragen zijn, met uitzondering van drie overboekingen van de rekening van [de eiser] die volgens haar niet meetellen, ontvangen als beloning voor mantelzorg of vergoeding voor reiskosten dan wel voor ondersteuning van moeder. Voorts geldt voor deze bedragen dat de betalingen niet alleen voor haar, maar bijvoorbeeld ook voor [de gedaagde 2] , achterkleindochter [achterkleindochter] of kleindochter [kleindochter] , zijn. De kern van het verweer van [de gedaagde 1] is dat moeder de bedragen zelf overmaakte en die beslissingen ook zelfstandig en naar eigen inzicht nam. Zij heeft moeder hiertoe niet beïnvloed of bewogen en er was geen sprake van enige mentale kwetsbaarheid, emotionele afhankelijkheid of seniliteit van moeder. Zij weerlegt dat sprake is van misbruik van omstandigheden en voert aan dat moeder voor haar behoeften niet emotioneel en volledig afhankelijk was van haar. Moeder had een hulp en werd bijgestaan door bankmedewerkers, notarissen, advocaten en een therapeut. [de gedaagde 1] kon die hulp niet bieden omdat zij ver weg in Duitsland woont, slechts om de paar maanden op bezoek komt en ook zelf te maken heeft met lichamelijke beperkingen. Zij brengt naar voren dat niet is gesteld dat bij moeder sprake was van een noodtoestand, lichtzinnigheid, een abnormale geestestoestand of onervarenheid in de zin van artikel 3:44 lid 4 BW, dan wel van wilsonbekwaamheid. Dat is volgens haar ook niet aan de orde. Samengevat stelt [de gedaagde 1] dat moeder tot juli 2022 zelfstandig woonde, dat uit het begeleid wonen na juli 2022 niet volgt dat sprake was van mentale kwetsbaarheid of emotionele afhankelijkheid (van [de gedaagde 1] ), dat moeder haar bankzaken zelf op papier regelde, dat haar zicht geen beperking vormde bij het regelen van haar bankzaken en dat zij ondanks fysieke beperkingen helder en zelfredzaam was. De schets van ongelijke behandeling door de schenkingen, die [de eiser] geeft, is niet juist. De schenkingen aan [de gedaagde 1] staan naar haar mening niet in verhouding tot al hetgeen [de eiser] heeft ontvangen uit hoofde van bijvoorbeeld zijn gratis inwoning bij moeder, deels ook wat betreft de kosten van de huishouding en het feit dat hij de woning deels ook als zijn kantoor had ingericht en gebruikte. [de gedaagde 1] is van mening dat [de eiser] niet alleen in die jaren maar altijd veel meer heeft ontvangen dan zij zelf. Verder brengt [de gedaagde 1] naar voren dat moeder over voldoende financiële middelen beschikte, dat zij graag geld uitgaf en dat het nu niet aan [de eiser] is om achteraf te bepalen wat moeder dan had mogen uitgeven en aan wie. Voor haar is onduidelijk hoe [de eiser] tot de gevorderde bedragen komt. Hij heeft een selectie gemaakt van opnamen, maar de criteria die hij daarbij heeft gehanteerd zijn niet inzichtelijk. Volgens haar had [de eiser] deze vordering ook al veel eerder kunnen instellen omdat hij de financiën van moeder controleerde. Dat hij deze vordering instelt, nu moeder niet meer kan worden gehoord, brengt [de gedaagde 1] in een onmogelijke positie en zij meent dat omkering van de bewijslast, als dat aan de orde is, strijd oplevert met de redelijkheid en billijkheid.
4.16.
Uit artikel 3:44 lid 4 BW volgt dat een schenking vernietigbaar is als deze door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. Iemand maakt misbruik van omstandigheden wanneer hij of zij bevordert dat een andere persoon een rechtshandeling (in dit geval een schenking) verricht, terwijl hij of zij weet of moet begrijpen dat die andere persoon dat doet onder invloed van bijzondere omstandigheden en vanwege deze bekendheid met die bijzondere omstandigheden van medewerking aan de rechtshandeling had moeten afzien.
4.17.
Als er een schenking heeft plaatsgevonden, geldt de bijzondere bepaling van artikel 7:176 BW. In dit artikel is geregeld dat als de schenker feiten stelt, waaruit volgt dat de schenking door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen, bij een beroep op vernietigbaarheid de bewijslast van het tegendeel op de begiftigde rust. Uit de parlementaire geschiedenis van voornoemd artikel volgt dat deze van artikel 150Rv afwijkende bijzondere regel is opgenomen ter versterking van de positie van de schenker.
4.18.
[de eiser] heeft als rechtsopvolger onder algemene titel en daarmee als schenker een beroep gedaan op vernietigbaarheid van de schenkingen van moeder aan [de gedaagde 1] . Voor zover de overboekingen moeten worden gekwalificeerd als schenkingen, moet beoordeeld worden of is voldaan aan de stelplicht. Het is aan [de eiser] om feiten te stellen die het oordeel kunnen dragen dat de schenkingen aan [de gedaagde 1] onder invloed van misbruik van omstandigheden zijn gedaan. Pas als de stelplichtdrempel is gehaald, wordt toegekomen aan omkering van de bewijslast zoals die volgt uit artikel 7:176 BW.
4.19.
De rechtbank zal, los van de vraag of alle overboekingen kwalificeren als schenkingen aan [de gedaagde 1] , eerst ingaan op de vraag of in voldoende mate is gesteld dat sprake is van misbruik van omstandigheden.
4.20.
Uit de wet volgt dat van misbruik van omstandigheden onder meer sprake is bij een noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid. Er zijn geen feiten gesteld of gebleken die duiden op een noodstand, lichtzinnigheid of onervarenheid. Uit de stellingen van [de eiser] volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat bij moeder sprake was van een beperking in haar mentale gesteldheid, dan wel wilsonbekwaamheid. Dit te meer nu gebleken is dat moeder in 2021 en 2022 nog voldoende bekwaam was om haar testament op te stellen, aan te vullen en om een volmacht af te geven.
4.21.
Het voorgaande maakt dat de vraag in dit geschil is of moeder in dusdanige mate van [de gedaagde 1] afhankelijk was, dat sprake is van een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 3:44 lid 4 BW. De rechtbank is van oordeel dat [de eiser] , in het licht van de betwisting door [de gedaagde 1] , onvoldoende feiten heeft gesteld om tot die conclusie te komen en licht dat toe.
4.22.
Niet ter discussie staat dat moeder op hoge leeftijd was en dat zij gebruik maakte van hulp in de huishouding en bij het regelen van haar financiële bankzaken. Niet gesteld of gebleken is dat [de gedaagde 1] hierbij betrokken was. Vaststaat dat [de gedaagde 1] ver weg in Duitsland woont en slechts om de paar maanden op bezoek kwam bij moeder. Het enkele feit dat er daarnaast veelvuldig telefonisch contact was tussen moeder en [de gedaagde 1] , is gegeven de omstandigheden niet bijzonder te noemen, althans niet bijzonder in die zin dat hierdoor sprake zou zijn van (emotionele) afhankelijkheid als bedoeld in de wet. Datzelfde heeft te gelden voor de hulp die [de gedaagde 1] , en haar man, moeder boden bij de bezoeken aan Nederland. De juistheid van de stelling van [de eiser] , dat moeder niet (voldoende) zelfredzaam was en zelf hulp inschakelde of vroeg waar nodig, mist een toereikende feitelijke onderbouwing. Blijkbaar regelde moeder haar bankzaken (op papier) zelf. [de eiser] , die bij moeder woonde en zicht op haar had, heeft ook niet aangegeven dat dit in die periode anders zou zijn. In tegendeel, hij schrijft in de dagvaarding: “Moeder boekte met papieren overschrijvingsbewijzen vanuit dit krediet gelden over naar haar betaalrekening (…).” Het enkele feit dat er bedragen naar de rekening van [de gedaagde 1] zijn overgemaakt, die naar de rechtbank begrijpt niet ook (volledig) of niet ook gelijktijdig naar [de eiser] zijn overgemaakt, maakt dit niet anders. Het stond moeder namelijk vrij om aan haar kinderen te schenken op de wijze zoals zij dat wenst, ook als dat ongelijkheid met zich brengt. De rechtbank hecht er in dat kader aan om op te merken dat het erop lijkt dat [de eiser] bij het innemen van deze stelling niet, althans onvoldoende, in acht heeft genomen dat hij zelf ook het nodige van moeder heeft ontvangen. Zo woonde hij van maart 2011 tot juli 2022 gratis bij haar in, gebruikte hij de woning ook als kantoorruimte zonder dat daar een vergoeding tegenover stond en had hij beschikking over de Mercedes van zijn overleden vader. Daarnaast is ter zitting gebleken dat moeder ook (een deel van) de huishoudelijke uitgaven voor [de eiser] financierde. Voor zover [de gedaagde 1] de overboekingen wel heeft verricht (hetgeen niet is gesteld of gebleken), geldt dat er geen indicaties zijn dat daarvoor de toestemming van moeder ontbrak. In feite heeft [de eiser] , ter onderbouwing van zijn stellingen met betrekking tot de overboekingen, niet meer concrete stukken in het geding gebracht dan het door hemzelf gemaakte overzicht. Dit overzicht betreft een selectie van overboekingen die volgens hem verdacht zijn. Het is de rechtbank onduidelijk waarom dat precies die overboekingen en niet (ook) eventuele andere overboekingen betreft. Een totaalbeeld ontbreekt. Uit deze selectie blijkt in ieder geval niet dat moeder afhankelijk was van [de gedaagde 1] en niet meer in staat was om zelfstandig te beslissen waarom en aan wie zij geld overmaakte. Voor zover [de eiser] meent dat een en ander ook is af te leiden uit het gespreksverslag van de notaris, volgt de rechtbank hem daarin niet. In dit gespreksverslag staat enkel “Moeder heeft gezegd dat ze zelf mag bepalen wat ze schenkt aan [de gedaagde 1] .” en “Er is ook van alles voor [de eiser] betaald.”. Hieruit volgt niet, zoals [de eiser] meent, dat [de gedaagde 1] vond dat [de eiser] meer heeft gekregen dan zijzelf en dat zij dat is gaan corrigeren. Voor die stelling zijn geen aanknopingspunten.
4.23.
Het voorgaande leidt ertoe dat het door [de eiser] gedane bewijsaanbod, en zijn verzoek om getuigen te horen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling, wordt gepasseerd. De drempel van de stelplicht is niet gehaald. Aan beoordeling van de vraag of alle overboekingen schenkingen betreffen, de omkering van de bewijslast en de vorderingen die als doel hebben terugbetaling aan [de eiser] of de nalatenschap wordt niet toegekomen.
4.24.
De vorderingen tot vernietiging van de schenkingen van € 23.780,00 aan [de gedaagde 1] , alsook de vorderingen die neerkomen op terugbetaling daarvan aan [de eiser] of de nalatenschap, zullen dan ook worden afgewezen. Dat geldt ook voor de gevorderde verklaring voor recht.
Contante opnamen van € 68.470
4.25.
Aan de vorderingen van [de eiser] ligt ten grondslag dat [de gedaagde 1] geldopnamen van de rekening van moeder heeft verricht. Hij heeft een inventarisatie gemaakt van de pinopnamen en stelt tot in detail te zijn nagegaan wat de stappen van [de gedaagde 1] waren. In zijn uitwerking is aangegeven dat [de gedaagde 1] volgens hem op het moment van de pinopnamen in Nederland is geweest. Vooruitlopend op het verweer van [de gedaagde 1] dat zij geen gelden heeft opgenomen, heeft [de eiser] uitgewerkt dat hij de betreffende pinopnamen niet kan hebben uitgevoerd. Volgens hem is uitgesloten dat moeder zelf heeft gepind omdat zij daartoe niet meer in staat zou zijn geweest. Hij onderbouwt dit met een patiëntdossier en verklaring van de ergotherapeut van moeder.
4.26.
[de gedaagde 1] betwist dat zij contante opnamen met de bankpas van moeder heeft gedaan. Verder betoogt zij dat haar enkele aanwezigheid in Nederland niet volstaat ter onderbouwing van de stelling dat zij de geldopnamen heeft verricht. Bovendien was zij er niet op alle momenten waarvan [de eiser] dat stelt, zo blijkt uit het overzicht op basis van haar kalender. [de gedaagde 1] erkend dat zij moeder heeft gechauffeerd naar de bank, maar voert aan dat zij zelf nooit contant geld heeft opgenomen met de bankpas en pincode van moeder. [de gedaagde 1] weet niet of moeder haar bankpas en pincode aan andere personen heeft gegeven. Zij weet wel dat moeder altijd over contant geld beschikte en veelal contant betaalde. [de gedaagde 1] betoogt dat het niet kan kloppen dat moeder zelf geen contant geld meer opnam. Als zij er was, dan nam zij moeder mee op kleine excursies en chauffeerden zij haar, net als [de gedaagde 2] , haar dochter en schoonzoon, naar het centrum, de winkel, de bakker en ook naar de bank. Ook het gegeven dat [de gedaagde 2] (en [de gedaagde 1] het financieel moeilijk hebben gehad, maakt niet dat zij dus contante opnamen van de rekening van moeder hebben verricht. Voorts is voor haar volstrekt onduidelijk waarom bepaalde bedragen als ‘ongebruikelijk’ worden aangemerkt en andere bedragen als ‘huishoudkosten’. Zij meent dat het niet aan [de eiser] is om achteraf te bepalen waaraan en hoeveel geld moeder mocht uitgegeven.
4.27.
De eerste vraag die beantwoord moeten worden is of [de gedaagde 1] gelden van de rekening van moeder heeft gepind. Pas als dat is gebleken, is er aanleiding om te beoordelen of die geldopnamen al dan niet met toestemming van moeder zijn verricht en voor het geval waarin dat zo is, of er een afspraak was dat die gelden aan moeder moesten worden afgedragen. De vervolgvraag is dan of die afdracht wel of niet heeft plaatsgevonden, en wat daarvan (mede in bewijsrechtelijk kader) de gevolgen zijn. Zo volgt ook uit een arrest van de Hoge Raad van 21 juni 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AE4390) en het commentaar op artikel 7:403 BW van mr. F.J.P. Lock in Stelplicht & Bewijslast, waar [de eiser] naar verwijst.
4.28.
Tussen partijen bestaat discussie over de vraag of een deel van de contante opnamen een lening van moeder aan [de gedaagde 1] betreft. De rechtbank zal hier eerst op in gaan.
4.29.
Volgens [de eiser] blijkt uit het gespreksverslag van de notaris dat [de gedaagde 1] in november 2013 een bedrag van € 3.400,00 bij moeder heeft geleend. Hij stelt dat dit bedrag niet door [de gedaagde 1] is terugbetaald. Het betreffende bedrag is in delen gepind op 14, 15, 16 en 17 november 2013). In het gespreksverslag staat: “ [de gedaagde 1] heeft € 3400 geleend van moeder en weer terugbetaald. ( [de eiser] heeft dit in mindering gebracht op erfdeel vader).” Hij leidt hieruit af dat er twee geldleningen zijn geweest van moeder aan [de gedaagde 1] . Een geldlening van € 3.500,00 per bank van 25 juni 2018, die inderdaad is verrekend met het erfdeel van vader, en een geldlening van € 3.400,00 cash uit november 2013, die nog moet worden afgelost. [de eiser] verwijst ter onderbouwing naar een mail van 8 november 2013 waarin door [de gedaagde 2] is geschreven dat hij en [de gedaagde 1] van 13 november 2013 tot 17 november 2013 naar Nederland komen en verzoeken om een lening voor een bedrag van € 3.000,00. Volgens [de eiser] heeft [de gedaagde 1] in strijd met de waarheid deze lening eerst bij de notaris erkend en vervolgens deze lening vereenzelvigd met de geldlening van € 3.500.00.
4.30.
[de gedaagde 1] betwist dat zij, naast de verrekende geldlening van € 3.500,00 van 25 juni 2018, ook een niet afgeloste lening van € 3.400,00 heeft gehad bij moeder uit 2013. Zij is bij de notaris overvallen met een grote hoeveelheid stukken, namelijk de inventarisatie van [de eiser] . Onder verwijzing naar een mail van de notaris van 6 mei 2024, haar reactie daarop van 13 mei 2024 en een mail van 28 april 2026 van de notaris, stelt zij dat zij zich eerder heeft vergist en dat geen sprake is geweest van een lening van € 3.400,00 in 2013. Haar vergissing bestond eruit dat zij in haar eerste reactie dacht aan de geldlening van
€ 3.500,00 in 2018, hetgeen bij nadere controle een vergissing bleek. Dit komt overeen met hetgeen [de gedaagde 1] schrijft in haar mail aan de notaris van 6 mei 2024.
4.31.
Uit de e-mail van [de gedaagde 2] van 8 november 2013 volgt dat namens [de gedaagde 2] en [de gedaagde 1] aan moeder wordt verzocht om een geldlening van € 3.000,00. In die mail wordt een bezoek aangekondigd van 13 tot 17 november 2013. Vervolgens blijkt uit de bankafschriften dat er in de periode van 13 tot 17 november 2013 een bedrag is gepind van € 4.000,00. Of het (volledige) bedrag van € 4.000,00 is gepind ten behoeve van [de gedaagde 2] en [de gedaagde 1] is niet bekend. [de gedaagde 1] heeft bij de notaris gesproken over een geldlening van € 3.400,00, maar onduidelijk is of zij daarmee heeft gedoeld op de geldlening uit 2018 die € 3.500,00 bedroeg of dat er in 2013 daadwerkelijk een bedrag van € 3.400,00 is geleend. De rechtbank kan niet vaststellen of [de gedaagde 1] in 2013 een geldlening is aangegaan bij moeder, en zo ja wat dan de omvang van die lening is. Voor zover uit het voorgaande wel zou volgen dat [de gedaagde 1] in 2013 een geldlening is aangegaan bij moeder, is onduidelijk of die geldlening later is afgelost of kwijtgescholden. Blijkbaar heeft moeder geen aanspraak gemaakt op terugbetaling van enige lening. De eventuele aanspraak op terugbetaling is reeds in 2018 verjaard (artikel 3:308 BW). Daarmee bestaat er dus geen grondslag meer om dit deel van de contante opnamen ten bedrage van € 3.400,00 van [de gedaagde 1] terug te vorderen.
4.32.
Gelet op het voorgaande resteert er een bedrag aan contante opnamen van
€ 65.070, waarvan het de vraag is of deze gelden door [de gedaagde 1] zijn opgenomen. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
4.33.
Op grond van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is het naar het oordeel van de rechtbank aan [de eiser] om voldoende feiten te stellen en zo nodig te bewijzen dat [de gedaagde 1] (buiten moeder om) gelden van haar bankrekening heeft opgenomen.
4.34.
Uit de inventarisatie van [de eiser] volgt dat er in de periode van 2011 tot [overlijdensdatum] met regelmaat pintransacties hebben plaatsgevonden op de rekening van moeder. Van die transacties heeft hij een selectie gemaakt van naar zijn mening verdachte overboekingen. Het is op voorhand niet duidelijk waarom bepaalde overboekingen wel als ongebruikelijk worden bestempeld en andere niet. Dit is in ieder geval niet af te leiden uit de hoogte van de bedragen, nu zowel de niet gemarkeerde overboekingen als wel gemarkeerde overboekingen variëren van lagere bedragen tot hogere bedragen met enkele uitschieters in de gemarkeerde bedragen. Een uitschieter maakt een opname niet per definitie ongebruikelijk. Een nadere toelichting op dat punt ontbreekt. Voor zover [de eiser] stelt dat er een patroon is in de overboekingen in die zin dat deze “over het algemeen ‘cyclisch’ waren en vaak geclusterd”, is dit zonder nadere toelichting niet te volgen. Buiten de gemarkeerde opnamen zijn er ook andere opnamen die dicht op elkaar zijn verricht.
4.35.
De gedane opnamen, die volgens [de eiser] als ongebruikelijk kwalificeren, heeft hij gelinkt aan momenten waarop [de gedaagde 1] in Nederland zou zijn geweest. Nog los van het gegeven dat [de gedaagde 1] haar aanwezigheid voor een aanzienlijk deel betwist, namelijk tot een bedrag van € 26.200,00, staat met haar verblijf bij moeder niet vast dat zij ook degene is geweest die de pinopnamen heeft verricht. Klaarblijkelijk is [de eiser] van mening dat dit niet anders kan omdat hij zelf niet aanwezig was (bijvoorbeeld vanwege zijn werk of een verblijf in het buitenland) op die momenten en moeder niet meer in staat was om te pinnen. Deze stelling bevestigt overigens eens te meer dat [de eiser] in de periode van 2011 t/m [overlijdensdatum] zelf over de bankpas kon beschikken.
4.36.
De rechtbank is van oordeel dat de enkele aanwezigheid van [de gedaagde 1] , ongeacht de betwisting daarvan en reactie daarop, onvoldoende is voor de conclusie dat zij degene is geweest die in weerwil van de wensen van moeder heeft gepind. Dat kan anders zijn als inderdaad blijkt dat moeder hiertoe zelf niet meer in staat was, nu de afwezigheid van [de eiser] niet is betwist. Maar ook dan geldt dat ook anderen dan moeder zelf, [de gedaagde 1] of [de eiser] mogelijk pinopnamen kunnen hebben verricht, al dan niet met toestemming van moeder. Vaststaat dat moeder tot juli 2022 thuis woonde en dat zij vanaf juli 2022 begeleid woonde bij Innoverte. Uit niets volgt dat moeder begeleid is gaan wonen omdat sprake was van geestelijke of fysieke beperkingen. Daarmee zijn er geen aanknopingspunten om onderscheid te maken in periode tot juli 2022 en de periode vanaf juli 2022. [de eiser] heeft gesteld dat moeder al vanaf 2012 absoluut niet meer in staat zou zijn geweest om zelf te pinnen. [de gedaagde 1] heeft deze stellingen gemotiveerd betwist (zie hiervoor). In reactie daarop heeft [de eiser] het patiëntdossier van moeder en een verklaring van de ergotherapeut in het geding gebracht. Het patiëntrapport van Ergotherapie Heutink & Van der See gaat over de periode van februari 2011 tot mei 2016. Uit dit rapport volgt dat moeder last had van beperkingen in haar mobiliteit en dat werd gezocht naar mogelijkheden om haar daarin te ondersteunen. Het rapport biedt geen inzage in de periode daarna. De verklaring van Ergotherapie Heutink ziet op het functioneel niveau uit november 2013. De rechtbank acht die enkele verklaring onvoldoende om te kunnen beoordelen hoe het in de gehele periode waarop de vorderingen betrekking hebben (2011 t/m december 2023) met moeder ging en waartoe zij wel of niet in staat was. Dit te meer nu uit het patiëntdossier volgt dat moeder in januari 2015 heeft aangegeven “wil toch graag verder naar buiten kunnen.”. Er zijn geen aanwijzingen die de rechtbank reden geven om te twijfelen aan de weergave van [de gedaagde 1] dat zij er wel degelijk op uit ging met moeder en dat zij, en anderen, moeder dan op verzoek chauffeerden.
4.37.
De rechtbank komt tot de slotsom dat [de eiser] in het licht van het door [de gedaagde 1] gevoerde verweer, zijn stelling dat het [de gedaagde 1] moet zijn geweest die gelden van de bankrekeningen van moeder heeft opgenomen onvoldoende heeft onderbouwd.
4.38.
Voor zover [de eiser] aan zijn vorderingen ook nog ten grondslag heeft gelegd dat sprake zou zijn geweest van overtreding van een volmacht door [de gedaagde 1] , gaat de rechtbank hieraan voorbij. Niet gesteld of gebleken is immers dat [de gedaagde 1] over een (informele)volmacht van moeder beschikte (zie hetgeen hiervoor is overwogen in het kader van de rekening en verantwoording). Nu [de gedaagde 1] zich voor wat betreft de pinopnamen niet op het standpunt heeft gesteld dat de gepinde bedragen schenkingen aan haar betreffen, wordt niet toegekomen aan het in dit kader gedane beroep op misbruik van omstandigheden.
4.39.
De rechtbank wijst de vorderingen van [de eiser] die gericht zijn op terugbetaling van de contante opnamen af, alsook de in dat kader gevorderde verklaring voor recht. Dit maakt dat de rechtbank evenmin toekomt aan de vordering tot aanvullende schadevergoeding voor het gebruik van een flexibel krediet.
In de hoofdzaak, in reconventie
4.40.
De vorderingen in reconventie zijn voorwaardelijk ingesteld. De rechtbank komt aan een beoordeling van die vorderingen niet toe, omdat de vorderingen in conventie worden afgewezen. Dit brengt met zich dat [de eiser] geen rekening en verantwoording hoeft af te leggen over de zijn eigen betrokkenheid bij de financiële zaken van zijn moeder.
in het incident
4.41.
Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen in de hoofdzaak niet slagen. Dit maakt dat [de eiser] geen belang meer heeft bij het door hem gedane verzoek om [de gedaagde 1] (en [de gedaagde 2] hierover te horen. Voor de overige vorderingen geldt dat [de eiser] niet heeft voldaan aan de op hem rustende stelplicht en daarom wordt niet toegekomen aan de fase van bewijslevering. Dit maakt dat [de eiser] geen belang heeft bij het door hem ingestelde verzoek om hem toe te laten bewijs te leveren door het horen van getuigen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling. De vordering in het incident wordt afgewezen.
Proceskosten in de hoofdzaak en het incident
4.42.
De vorderingen van [de eiser] worden afgewezen. Hij zal daarom in de proceskosten van deze procedure worden veroordeeld. De kosten van [de gedaagde 1] worden vastgesteld en begroot op een bedrag van € 8.072 (€ 2.723 griffierecht plus € 1.290 (4 punten voor conclusie van antwoord, mondelinge behandeling, conclusie van antwoord in incident, mondelinge behandeling, tarief IV van € 1.290) + € 189 aan nakosten).
5De beslissing
De rechtbank
In de hoofdzaak, in conventie
5.1.
verklaart [de eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering jegens [de gedaagde 2] ,
5.2.
verklaart [de eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering jegens de notaris,
5.3.
wijst de vorderingen af.
In de hoofdzaak, in reconventie
5.4.
verstaat dat deze vorderingen geen behandeling behoeven;
In het incident
5.5.
wijst de vordering af,
Proceskosten in de hoofdzaak en het incident
5.6.
veroordeelt [de eiser] in de kosten van deze procedure van € 8.072.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Vergunst en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|