Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:22469 
 
Datum uitspraak:05-08-2026
Datum gepubliceerd:11-08-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:C/09/708292 / KG ZA 26-74 C/09/708292 / KG ZA 26-74
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Kort geding. Eiseres heeft vorderingen ingesteld die strekken tot voortzetting van het overleg over de manier waarop en de voorwaarden waaronder eiseres als opleidingsinstelling kan worden aangewezen en tot verdere concretisering en verduidelijking van bepaalde onderdelen uit het toepasselijke beoordelingskader. De bezwaren van eiseres zijn onlosmakelijk verbonden met het bestuursrechtelijke kader waarbinnen de aanvraag tot aanwijzing wordt beoordeeld en zien op de voorbereiding van het door de minister te nemen besluit op de aanvraag tot aanwijzing. Eiseres moet die bezwaren daarom in een procedure bij de bestuursrechter aan de orde stellen en voor de civiele rechter in kort geding is geen rol weggelegd. Eiseres wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
wettelijke rente
 
Uitspraak
Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/708292 / KG ZA 26-748


Vonnis in kort geding van 5 augustus 2026 (bij vervroeging)


in de zaak van


SILVER SPECIALISTISCHE ZORG B.V. te Tilburg,
eiseres,
advocaat mr. K.J. Breedijk te Tilburg,

tegen:


DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT) te Den Haag,
gedaagde,
advocaten mr. C.G. Top te Den Haag en mr. A.W. Cramer te Amsterdam.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘Silver’ en ‘de Staat’.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de op 19 juli 2026 in het digitale dossier geüploade niet betekende dagvaarding (de Staat heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling kenbaar gemaakt vrijwillig te zullen verschijnen), met producties 1 tot en met 16;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 15;
- een door de Staat geüploade transponeringstabel in verband met onjuiste verwijzingen naar producties in de conclusie van antwoord;
- de op 28 juli 2026 in het digitale dossier geüploade nieuwe versie van de niet betekende dagvaarding (met aanvulling van de aanzeggingen en toevoeging van een bewijsaanbod).



1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 28 juli 2026. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van Silver het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen. Deze maken deel uit van het dossier.



1.3.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de advocaat van Silver de voorzieningenrechter nog gevraagd om de Staat bij wijze van ordemaatregel tot aan de datum van het te wijzen vonnis te verbieden om een besluit te nemen over de aanvraag van Silver om als opleidingsinstelling voor gezondheidspsychologen te worden aangewezen. De Staat heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De voorzieningenrechter heeft partijen hierop meegedeeld dat sprake is van een eiswijziging, die in een zeer laat stadium van de mondelinge behandeling is gedaan en die bovendien niet op schrift is gesteld. De voorzieningenrechter heeft vervolgens beslist dat de eiswijziging buiten beschouwing wordt gelaten vanwege strijdigheid met de eisen van een goede procesorde.



1.4.
De datum voor het wijzen van vonnis is (nader) bepaald op vandaag.





2De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.


2.1.
Silver is een zorginstelling die psychologische zorg verleent en zij wil daarnaast basispsychologen opleiden tot gezondheidszorgpsycholoog. In dat verband wil Silver worden aangemerkt als opleidingsinstelling voor gezondheidszorgpsychologen. Silver heeft daartoe verschillende verzoeken gedaan bij de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), hierna ‘de minister’. Op grond van artikel 6 van het Besluit gezondheidszorgpsycholoog (‘het Besluit’) kan de minister een opleidingsinstelling aanwijzen als opleidingsinstelling voor gezondheidszorgpsychologen als deze voldoet aan de eisen uit het Besluit.



2.2.
Bij besluit van 13 april 2023 heeft de minister Silver voor een periode van één jaar aangewezen als opleidingsinstelling. Deze aanwijzing is bij besluit van 16 januari 2024 verlengd tot 1 juli 2024. Bij besluit van 28 mei 2024 heeft de minister, na een daartoe strekkend advies van de Commissie Registratie en Toezicht (CRT) van de Federatie van Gezondheidszorgpsychologen en Psychotherapeuten (FGzPt), de tijdelijke aanwijzing van Silver niet omgezet in een aanwijzing voor onbepaalde tijd.



2.3.
Silver heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van 28 mei 2024. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna ‘de Afdeling’) heeft het beroep van Silver bij uitspraak van 9 juli 2025 (hierna ‘de uitspraak’) gegrond verklaard en het besluit vernietigd, omdat de minister het besluit van 28 mei 2024 niet had mogen baseren op het advies van de CRT; de Afdeling oordeelde dat het advies van de CRT niet zorgvuldig tot stand was gekomen. De Afdeling heeft de rechtsgevolgen van het besluit van de minister echter in stand gelaten. Daarvoor was redengevend dat de door de Afdeling ex artikel 8:47 van de Awb benoemde deskundige NVAO (de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie) de conclusies van de CRT over de tekortschietende kwaliteit van de opleiding van Silver onderschreef. De Afdeling oordeelde op basis van de bevindingen van de NVAO dat de minister heeft mogen concluderen dat de opleiding van Silver niet aan de daaraan te stellen eisen voldeed en dat de minister daarom kon besluiten om de tijdelijke aanwijzing van Silver als opleidingsinstelling voor gezondheidszorgpsychologen niet om te zetten in een aanwijzing voor onbepaalde tijd. In de uitspraak is voor zover hier van belang het volgende overwogen:





(…)














2.4.
De Afdeling heeft in overweging 18.4 van de uitspraak voor zover hier van belang overwogen dat de opleiding van Silver moet worden getoetst aan de eisen in het Besluit en dat bepaalde eisen een nadere concretisering vereisen om vast te kunnen stellen of de opleiding er aan voldoet. Verder heeft de Afdeling onder meer overwogen dat de NVAO in haar advies heeft gewezen op de noodzaak dat het voorafgaand aan de visitatie en de beoordeling op basis daarvan voor alle partijen duidelijk is hoe invulling wordt gegeven aan de in het Besluit opgenomen open normen.



2.5.
Op 21 juli 2025 heeft Silver een hernieuwde aanvraag ingediend om te worden aangewezen als opleidingsinstelling. Deze aanvraag is op 12 augustus 2025 door de minister bevestigd, waarbij kenbaar is gemaakt dat de minister zich zal beraden op de implicaties van de uitspraak voor de aanvraag van Silver. Silver heeft de minister vervolgens op 16 september 2025 in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig beslissen op de aanvraag en zij heeft op 17 oktober 2025 beroep ingesteld, omdat de minister niet tijdig op de aanvraag heeft beslist.



2.6.
Op 12 december 2025 heeft VWS de Beleidsregel omtrent de nadere concretisering van de vereisten die gelden om aangewezen te worden als opleidingsinstelling als bedoeld in het Besluit (hierna ‘de Beleidsregel’ of ‘de beleidsregels’) in de Staatscourant gepubliceerd.



2.7.
Bij brief van 18 december 2025 heeft Silver zestien vragen aan VWS gesteld over de toepassing van de Beleidsregel en over de open normen. In reactie daarop heeft VWS in een e-mailbericht van 16 januari 2026 onder meer aan Silver laten weten dat niet in detail kan worden ingegaan op de specifieke vragen van Silver over de beleidsregels, dat de beleidsregels geen nieuwe voorwaarden creëren maar de eisen uit de AMvB nader uitwerken en dat niet op voorhand kan worden bevestigd dat de door Silver voorgestelde maatregelen toereikend zijn voor de aanwijzing van Silver als opleidingsinstelling. Daarbij heeft VWS erop gewezen dat de beoordeling van de aanvraag tot aanwijzing door de visitatiecommissie wordt uitgevoerd.



2.8.
Vervolgens hebben partijen met elkaar gecorrespondeerd over de vraag of de open normen nog nader kunnen worden geconcretiseerd en ingevuld en over de verdere werkwijze met betrekking tot de aanvraag tot aanwijzing van 21 juli 2025, waarbij op 20 januari 2026 nog een gesprek heeft plaatsgevonden.



2.9.
In een uitspraak van 6 maart 2026 heeft de rechtbank Zeeland-West Brabant, sector Bestuur, beslist op het door Silver ingestelde beroep wegens niet tijdig beslissen en bepaald dat de minister uiterlijk op 1 september 2026 een beslissing moet nemen met betrekking tot de aanvraag van Silver.




2.10.
Op 16 april 2026 heeft een overleg plaatsgevonden tussen Silver, VWS, de FGzPt en de CRT. Bij e-mailbericht van 23 april 2026 heeft VWS onder meer het volgende aan Silver meegedeeld:








2.11.
Als bijlagen bij het in 2.10. genoemde e-mailbericht heeft VWS een conceptverslag van het overleg en de beantwoording van de zestien vragen van Silver aan Silver toegezonden. In het conceptverslag is onder meer opgenomen dat VWS niet zal ingaan op de inhoudelijke beantwoording van de vragen van Silver en dat VWS tijdens het gesprek heeft benadrukt dat de verantwoordelijkheid voor de concretisering van de open normen in het Besluit bij de minister ligt (‘het wat’) en dat de wijze waarop vervolgens aan de hand van de Beleidsregel wordt getoetst (‘het hoe’) een verantwoordelijkheid is van de FGzPT/CRT. Verder blijkt uit het conceptverslag dat is besproken dat Silver haar aanvraag zal aanvullen, zodat een visitatie door de CRT kan plaatsvinden.



2.12.
Nadat Silver naar aanleiding van het conceptverslag van het gesprek op 16 april 2026 een voorstel tot nadere concretisering had gedaan heeft VWS in een e-mailbericht van 21 mei 2026 gemotiveerd aan Silver laten weten dat een verdergaande concretisering niet in lijn is met de aard van de beleidsregels en de rolverdeling tussen de minister en de CRT. Daarbij heeft VWS er opnieuw op gewezen dat VWS verantwoordelijk is voor het normenkader (‘het wat’) en dat de CRT binnen dat kader invulling geeft aan de toepassing in de praktijk (‘het hoe’).



2.13.
In een e-mailbericht van 10 juni 2026 heeft de CRT aan Silver meegedeeld dat en waarom de CRT de nadere invulling van Silver voorafgaand aan de visitatie niet als aanvullend kader kan bekrachtigen. In correspondentie van 15 juni 2026 en 23 juni 2026 hebben Silver en VWS hun standpunten herhaald. Daarbij heeft VWS Silver in het bericht van 23 juni 2026 verzocht om de aanvraag tot aanwijzing als opleidingsinstelling uiterlijk op 9 juli 2026 aan te vullen.



2.14.
Silver heeft haar aanvraag om te worden aangewezen als opleidingsinstelling niet aangevuld. In een e-mailbericht van 15 juli 2026 heeft de advocaat van de Staat aan Silver kenbaar gemaakt dat dit kort geding niet in de weg staat aan het voortzetten van het bestuursrechtelijke traject en dat de minister een besluit voorbereidt op de aanvraag tot aanwijzing van Silver van 21 juli 2025.





3Het geschil


3.1.
Silver vordert – zakelijk weergegeven – primair (I) de Staat (VWS) te bevelen om met Silver een inhoudelijk overleg op te starten over de wijze waarop en de voorwaarden waaronder Silver als opleidingsinstelling kan worden aangewezen en hoe Silver daaraan redelijkerwijs kan voldoen, op de in het petitum van de dagvaarding beschreven wijze; (II) de Staat te bevelen om binnen zes weken na het overleg schriftelijk aan Silver te bevestigen welke beoordelingsmaatstaf bij de aanvraag wordt gehanteerd (aan welke concrete en haalbare criteria Silver dient te voldoen), een visitatiekader vast te stellen waarin duidelijk is hoe de oordelen over individuele criteria leiden tot een totaaloordeel, te bevestigen op welke wijze voorlopige bevindingen van een eventueel adviestraject aan Silver worden voorgelegd en welk reëel reactie- of herstelmoment Silver krijgt en te bepalen dat Silver een realistische periode krijgt om haar aanvraag aan te passen aan de gestelde criteria; (III) de Staat te gebieden om de in (I) en (II) bedoelde stappen te zetten alvorens de aanvraag van Silver van 21 juli 2025 (verder) ter advisering aan de FGzPt/CRT voor te leggen, een visitatie te doen aanvangen of een besluit te doen nemen, met bepaling dat dit gebod de door de bestuursrechter bepaalde uiterste beslistermijn onverlet laat en dat het voor rekening en risico van de Staat komt als niet tijdig op de aanvraag kan worden beslist; (IV) voor het geval de Staat reeds een besluit op de aanvraag van Silver heeft genomen hem te gebieden om de in (I) en (II) bedoelde stappen alsnog te zetten in het kader van een volledige heroverweging in bezwaar, alvorens op een door Silver in te dienen bezwaar te beslissen, met overeenkomstige toepassing van het in (III) genoemde gebod; (V) de Staat te bevelen zich te onthouden van het intrekken, beperken of feitelijk illusoir maken van aan Silver gedane procedurele toezeggingen over overleg-, reactie- of herstelmomenten, tenzij daarvoor een deugdelijke schriftelijke motivering wordt gegeven, Silver voorafgaand in de gelegenheid is gesteld om haar zienswijze te geven en de wijziging niet hoofdzakelijk berust op door de Staat zelf veroorzaakte tijdsdruk en subsidiair een in goede justitie te bepalen voorziening te treffen, inhoudende dat de Staat wordt gehouden tot een rechtmatige en zorgvuldige procesinrichting van het verdere traject rond de aanvraag van Silver van 21 juli 2025, overeenkomstig de strekking van de uitspraak van de Afdeling, een en ander op straffe van dwangsommen en met veroordeling van de Staat in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.



3.2.
Daartoe stelt Silver – samengevat – het volgende. De Staat handelt onrechtmatig in het lopende besluitvormingstraject met betrekking tot de aanvraag tot aanwijzing van Silver. Ondanks de uitspraak van de Afdeling weigert de Staat (de minister) om voorafgaand aan het nemen van een besluit over die aanwijzing een voldoende hanteerbaar, op Silver toegespitst, beoordelingskader vast te stellen. VWS wil de verduidelijking die zij tijdens het overleg tussen partijen op 16 april 2026 met betrekking tot onderdelen van het Besluit heeft gegeven niet als bindend of aanvullend beoordelingskader bekrachtigen. Evenmin wil VWS nader met Silver in gesprek gaan over de voorwaarden voor een aanwijzing en de wijze waarop Silver daaraan redelijkerwijs kan voldoen. Hierdoor ontstaat het risico dat de open nomen in het Besluit, die op basis van de uitspraak van de Afdeling moeten worden geconcretiseerd, pas in het kader van de beoordeling door de visitatiecommissie concreet worden ingevuld.



3.3.
De conclusie van de Staat strekt tot niet-ontvankelijkheid van Silver in haar vorderingen, althans tot afwijzing daarvan. Het verweer van de Staat zal hierna, voor zover nodig, worden besproken.





4De beoordeling van het geschil


4.1.
Als uitgangspunt geldt dat de voorzieningenrechter in het civiele kort geding fungeert als ‘restrechter’ in alle zaken met een spoedeisend karakter. De aanwijzing van een andere bevoegde rechter of van een speciale rechtsgang maakt de voorzieningenrechter in beginsel niet onbevoegd. Alleen wanneer de andere aangewezen rechter of rechtsgang voldoende rechtsbescherming biedt, is de weg naar de civiele voorzieningenrechter in het kort geding afgesloten. Hiertoe is vereist dat in spoedeisende gevallen een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat, waarin de eiser een met het kort geding vergelijkbaar resultaat kan bereiken (vgl. HR 16 maart 1999, NJ 1990, 500).



4.2.
Met haar vorderingen wil Silver bereiken dat de Staat (VWS) met haar het overleg voortzet over de manier waarop en de voorwaarden waaronder Silver als opleidingsinstelling kan worden aangewezen en dat bepaalde onderdelen uit het toepasselijke beoordelingskader, voorafgaand aan de visitatie, nader worden geconcretiseerd en verduidelijkt.



4.3.
De Staat heeft erop gewezen dat partijen ter voorbereiding op het door de minister te nemen besluit op de aanvraag tot aanwijzing van Silver overleg hebben gevoerd, waarbij de vragen van Silver met betrekking tot het beoordelingskader en de toepasselijke normen onderwerp van gesprek zijn geweest. In afwijking van hetgeen partijen daarover hebben besproken tijdens het overleg op 16 april 2026 heeft Silver haar aanvraag tot aanwijzing niet aangevuld, omdat Silver van mening is dat de minister eerst de open normen in het Besluit verder moet concretiseren. VWS heeft Silver bij herhaling meegedeeld dat de minister daarvoor geen ruimte ziet, bijvoorbeeld tijdens het overleg op 16 april 2026 en in een e-mailbericht van 21 mei 2026.



4.4.
De Staat heeft terecht aangevoerd dat de bezwaren van Silver betrekking hebben op de wijze waarop de minister uitvoering geeft aan de bevoegdheid om opleidingsinstellingen aan te wijzen, op de wijze waarop de CRT de minister adviseert en op de wijze waarop de open normen in het Besluit in de beleidsregels zijn geconcretiseerd. Daarbij heeft de Staat voldoende onderbouwd dat deze aspecten en de feitelijke handelingen van de minister, bestaande uit het voeren van overleg met Silver en het beantwoorden van de door Silver gestelde vragen, onlosmakelijk verbonden zijn met het bestuursrechtelijke kader waarbinnen de aanvraag tot aanwijzing wordt beoordeeld en zien op de voorbereiding van het door de minister te nemen besluit op de aanvraag tot aanwijzing. Dit betekent dat Silver haar bezwaren tegen (de wijze van totstandkoming en de voorbereiding van) het besluit op haar aanvraag tot aanwijzing en het door haar gestelde gebrek aan concretisering van de open normen uit het Besluit in een procedure bij de bestuursrechter aan de orde moet stellen. Die procedure is met voldoende waarborgen omkleed. Bij die stand van zaken is voor de civiele rechter in kort geding geen rol weggelegd en is Silver niet-ontvankelijk in haar vorderingen.



4.5.
Volgens Silver biedt een toetsing achteraf onvoldoende rechtsbescherming, omdat zij schade lijdt door het moeten doorlopen van een op voorhand onzorgvuldig advies- en besluitvormingstraject en door het verlies van de mogelijkheid om vooraf duidelijkheid en validatie te krijgen met betrekking tot de voorwaarden waaraan Silver moet voldoen om een aanwijzing als onderwijsinstelling te krijgen. Met dit standpunt gaat Silver er aan voorbij dat de uitspraak van de Afdeling de minister niet heeft verplicht tot het vooraf geven van duidelijkheid en validatie aan Silver en dat Silver tegen zowel het besluit als de daaraan voorafgaande besluitvorming bij de bestuursrechter kan opkomen.



4.6.
Voor zover Silver zich er onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling op heeft beroepen dat tijdens de mondelinge behandeling bij de Afdeling is toegezegd dat de minister voorafgaand aan het nemen van een besluit op de aanvraag van Silver een voldoende hanteerbaar, op Silver toegespitst, beoordelingskader zal vaststellen, geeft zij een onjuiste lezing van de uitspraak van de Afdeling. In overweging 23. van de uitspraak staat immers dat partijen ter zitting hebben uitgesproken open te staan voor het aangaan van een gesprek over de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de minister kan instemmen met een aanwijzing van Silver en hoe Silver daaraan redelijkerwijs kan voldoen. Een toezegging van de door Silver genoemde strekking blijkt daaruit niet.



4.7.
Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende. Silver heeft gesteld dat VWS de verantwoordelijkheid van de minister voor het invullen van de open normen illusoir maakt door de concrete toepassing van de open normen in de praktijk neer te leggen bij de CRT. Volgens Silver wordt daarmee in strijd met de uitspraak van de Afdeling opnieuw ruimte gemaakt voor niet vooraf kenbare en onvoldoende concrete maatstaven. Dit betoog slaagt niet. Na de uitspraak van de Afdeling heeft de minister de open normen in het Besluit geconcretiseerd door de vaststelling van de Beleidsregel. Vervolgens zijn partijen (met FGzPt/CRT) een gesprek aangegaan, waarin antwoord is gegeven op de zestien door Silver gestelde vragen en de inhoud van dat gesprek is bevestigd in (de bijlagen bij) het e-mailbericht van VWS van 23 april 2026. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter neemt VWS daarbij terecht tot uitgangspunt dat het de minister is die verantwoordelijk is voor de uitleg en de concretisering van de open normen uit het Besluit (‘het wat’) en dat de visitatiecommissie vervolgens met inachtneming van het toepasselijke beoordelingskader moet toetsen of Silver in aanmerking komt voor aanwijzing als opleidingsinstelling (‘het hoe’). Door een verdergaande concretisering van de normen neergelegd in de Beleidsregel te verlangen, toegespitst op de situatie van Silver – in wezen is dat wat Silver met haar vorderingen beoogt te bewerkstelligen – zou de Staat de rolverdeling tussen VWS (de minister) en de FGzPt/CRT bij beoordeling van de aanvraag van Silver door de visitatiecommissie, te zeer doorkruisen. Hoewel begrijpelijk is dat Silver zoveel mogelijk houvast wenst voor haar nieuwe aanvraag om als opleidingsinstelling te worden aangewezen nadat – naar het oordeel van de Afdeling – de Staat eerder steken heeft laten vallen, terwijl Silver nu al zo lang voor de aanwijzing ijvert, overvraagt zij hiermee onder de hiervoor besproken omstandigheden.



4.8.
Silver is in het ongelijk gesteld en zij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:









- griffierecht





735







- salaris advocaat





1.177







- nakosten



€ 189



(plus de in de beslissing vermelde verhoging)




Totaal





2.101











4.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





5De beslissing

De voorzieningenrechter:


5.1.
verklaart Silver niet-ontvankelijk in haar vorderingen;



5.2.
veroordeelt Silver in de proceskosten, die aan de zijde van de Staat zijn begroot op € 2.101, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Silver niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Silver € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;



5.3.
veroordeelt Silver in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;



5.4.
verklaart de veroordelingen in 5.2. en 5.3. uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.

mvt
Link naar deze uitspraak