|
|
|
| ECLI:NL:RBNNE:2026:3414 | | | | | Datum uitspraak | : | 22-05-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 12-08-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Nederland | | Zaaknummers | : | 24/813 + 24/4077 + 24/407 24/813 + 24/4077 + 24/407 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Wmo 2015. In de eerste zaak heeft eiseres zaak geen aanvraag had ingediend. Het college had haar bezwaar daarom niet-ontvankelijk moeten verklaren. In de andere twee zaken mocht het college het aangevraagde pgb weigeren, omdat eiseres onvoldoende heeft meegewerkt. | | Trefwoorden | : | ingezetene | | | | Uitspraak | RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Assen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 24/813, 24/4077 en 24/4078
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2026 in de zaken tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. T.M.J. Oosterhuis - Putter),
en
het college van burgemeester en wethouders van Westerwolde, het college
(gemachtigde: mr. K. Timmer).
Samenvatting
Het gaat in deze zaken om de vraag of het college terecht heeft geweigerd aan eiseres maatwerkvoorzieningen in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) te verstrekken op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Eiseres voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de bestreden besluiten.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres in de eerste zaak geen aanvraag had ingediend. Het college had haar bezwaar daarom niet-ontvankelijk moeten verklaren. In de andere twee zaken mocht het college het aangevraagde pgb weigeren, omdat eiseres onvoldoende heeft meegewerkt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 17 januari 2024 en twee afzonderlijke besluiten van 2 september 2024 zijn de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.
1.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Het college heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 6 oktober 2025 samen op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres via telefoonverbinding, de gemachtigde van eiseres en namens het college zijn gemachtigde en mr. J. van de Water.
1.3.
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen tot een regeling te komen.
1.4.
Partijen zijn niet tot een regeling gekomen.
1.5.
De rechtbank heeft de beroepen op de nadere zitting van 14 april 2026 samen behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en namens het college zijn gemachtigde en mr. J. van de Water. Eiseres is zonder bericht niet verschenen. Het onderzoek is op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. Eiseres is bekend met hartproblemen, vermoeidheid, zichtbeperking, nekklachten en duizeligheid. Haar man was bekend met longfibrose. Eind 2025 is hij overleden.
2.1.
Op 31 december 2022 heeft eiseres een melding gedaan voor huishoudelijke hulp en begeleiding in de vorm van een pgb. Daarop heeft het college een onderzoek uitgevoerd, waaronder op 21 februari 2023 een huisbezoek. Het college heeft het onderzoeksverslag van 2 mei 2023 met antwoordenvelop aan eiseres verzonden. Met de brief van 4 juli 2023 heeft het college eiseres bericht dat het college geen aanvraag van eiseres heeft ontvangen, zodat het college de melding niet verder heeft afgehandeld en het werkproces heeft beëindigd. Met het bestreden besluit 1 van 17 januari 2024 heeft het college het bezwaar van eiseres hiertegen ongegrond verklaard (zaak LEE 24/813).
2.2.
Eiseres heeft tijdens de bezwaarprocedure tegen de brief van 4 juli 2023 het ondertekend onderzoeksverslag aan het college verzonden. Het college heeft op verzoek van de adviescommissie tijdens de hoorzitting van 4 september 2023 het ontvangen onderzoeksverslag als aanvraag aangemerkt. Omdat het college vervolgens geen budgetplan van eiseres heeft ontvangen, heeft het college met het besluit van 3 oktober 2023 aan eiseres huishoudelijke hulp in de vorm van zorg in natura (ZIN) toegekend voor twee uur per week voor de duur van een jaar; de aanvraag om een pgb is buiten behandeling gesteld. Met het bestreden besluit 2 van 2 september 2024 heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard (zaak LEE 24/4077).
2.3.
Met een afzonderlijk besluit van 3 oktober 2023 heeft het college de aanvraag om individuele begeleiding afgewezen. Eiseres heeft niet de benodigde medewerking verleend om het recht op begeleiding te kunnen beoordelen. Met het bestreden besluit 3 van 2 september 2024 is het college bij de afwijzing gebleven (zaak LEE 24/4078).
Wat vinden partijen?
3. Eiseres voert aan dat ze op 30 mei 2023 het onderzoeksverslag aan het college heeft gemaild. Ze heeft tijdens het huisbezoek volledig meegewerkt en alle vragen beantwoord. Ze stelt dat ze alle informatie heeft verstrekt die nodig was om haar hulpvraag te beoordelen. Daarnaast heeft ze eerder een indicatie voor begeleiding ontvangen, zodat haar omstandigheden grotendeels bekend zijn bij het college. Eiseres wenst een pgb, omdat de wachttijden en wisseling van zorgverleners die gepaard gaan met een ZIN-indicatie voor haar erg belastend zijn. Ze doet een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Haar man was fysiek en mentaal niet in staat om de consulenten te woord te staan vanwege de tegenwerking die ze heeft ervaren richting haar persoon en bedrijf. Zijn ziekte en beperkingen zijn de in de loop van de procedures alleen maar toegenomen, zoals eiseres ook verwoord heeft tijdens het huisbezoek. Daar was haar man eerst bij aanwezig en later was hij weggegaan omdat hij het niet aankon. Het college heeft bovendien eerder wel begeleiding toegekend aan eiseres. Voor activiteiten buitenshuis heeft eiseres begeleiding nodig vanwege haar ziekte en beperkingen. Ze kan zomaar in paniek raken en situaties niet overzien. Mede door toedoen van het college wil de mantelzorger die voorheen veel begeleiding bood eiseres niet meer helpen, zodat ze van derden afhankelijk(er) is geworden.
4. Het college stelt de e-mail van 30 mei 2023 niet te hebben ontvangen. De e-mail is niet aangetroffen in het e-mailpostvak van het college. Het college stelt dat eiseres de verzending niet aannemelijk heeft gemaakt. De overgelegde e-mail maakt onderdeel uit van een andere, op latere datum doorgezonden e-mail van eiseres, maar dat maakt nog niet aannemelijk dat de e-mail op 30 mei 2023 correct is verzonden. Deze zou in cc aan eiseres zelf verzonden zijn, maar bijvoorbeeld printscreens van haar Postvak in of Verzonden items ontbreken. Het college heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat eiseres geen aanvraag had ingediend. De brief van 4 juli 2023 is daarom geen besluit en haar bezwaar had niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. Verder ziet het college geen reden zijn standpunt te wijzigen.
Wat vindt de rechtbank?
Is de brief van 4 juli 2023 een besluit? (LEE 24/813)
5. In deze beroepsprocedure beoordeelt de rechtbank of de brief van 4 juli 2023 moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dat kader moet beoordeeld worden of eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat zij de aanvraag op 30 mei 2023 heeft ingediend.
5.1.
Uit de systematiek van de Wmo 2015 volgt dat een cliënt bij het college melding doet van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, waarna het college binnen zes weken een onderzoek uitvoert en aan de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt. Als het onderzoek is afgerond of als het onderzoek niet is afgerond binnen de termijn van zes weken, kan de cliënt een aanvraag om een maatwerkvoorziening bij het college indienen. Zodra een aanvraag is gedaan, zal het college binnen twee weken moeten beslissen op de aanvraag.
5.2.
In dit geval is op 31 december 2022 bij het college een melding gedaan voor maatschappelijke ondersteuning, waarna het college een onderzoek is gestart. De bevindingen van het onderzoek heeft het college weergegeven in het onderzoeksverslag van 2 mei 2023. Dit onderzoeksverslag heeft het college op 3 mei 2023 aan eiseres verzonden met het verzoek het ondertekend terug te sturen. Op die manier kon eiseres een aanvraag indienen. Op 17 mei 2023 heeft het college een herinnering verzonden. Naar aanleiding van de herinnering heeft eiseres het college gemaild dat ze de herinnering wel, maar het onderzoeksverslag niet heeft ontvangen. Daarop heeft het college op 24 mei 2023 het onderzoeksverslag nogmaals verzonden.
5.3.
Het college heeft de ontvangst van eiseres’ e-mail van 30 mei 2023 met het ondertekende onderzoeksverslag uitdrukkelijk ontkend. Het feit dat een e-mail de geadresseerde niet (volledig) bereikt, komt in beginsel voor rekening en risico van de verzender. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college haar e-mail van 30 mei 2023 heeft ontvangen. Het enkele overleggen van eiseres’ e-mail van 23 augustus 2023 waar haar e-mail van 30 mei 2023 onderdeel van uitmaakt, is onvoldoende om van die ontvangst uit te gaan, gelet op de uitdrukkelijke ontkenning door het college en het ontbreken van enig onderbouwend gegeven. Dit komt voor rekening en risico van eiseres.
5.4.
Nu het college geen aanvraag om een maatwerkvoorziening van eiseres heeft ontvangen, is de brief van 4 juli 2023 geen beslissing op een aanvraag. De brief van 4 juli 2023 is dus geen besluit waartegen bezwaar kon worden gemaakt. De rechtbank oordeelt dan ook dat het college het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk had moeten verklaren.
Mocht het college huishoudelijke hulp in de vorm van een pgb weigeren? (LEE 24/4077)
6. Vanaf 3 oktober 2023 heeft het college twee uur huishoudelijke hulp als ZIN voor de duur van een jaar toegekend. De aard en omvang van de maatwerkvoorziening heeft eiseres niet betwist. Zij wilde echter de huishoudelijke hulp met een pgb inkopen.
6.1.
De rechtbank moet eerst beoordelen of eiseres procesbelang heeft. Op de zitting heeft eiseres naar voren gebracht dat ze tot 6 augustus 2024 geen gebruik heeft gemaakt van ZIN, maar zelf een zorgverlener (haar dochter) heeft ingeschakeld en deze nog niet heeft betaald. Vanaf 6 augustus 2024 heeft eiseres gebruik gemaakt van ZIN. Hieruit blijkt dat eiseres procesbelang heeft. Zij stelt immers dat ze schade heeft geleden door de bestuurlijke besluitvorming. Deze stelling is door het college niet betwist. De rechtbank vindt deze stelling niet op voorhand onaannemelijk.
7. De rechtbank beoordeelt vervolgens of het college de aanvraag om huishoudelijke hulp in de vorm van een pgb buiten behandeling kon laten.
7.1.
De te beoordelen periode is de periode van 3 oktober 2023 tot 6 augustus 2024.
7.2.
Aan het recht om te kiezen voor een pgb zijn voorwaarden verbonden. Deze voorwaarden zijn onder andere in artikel 2.3.6, tweede lid, van de Wmo 2015 opgenomen. Bij verordening kan worden bepaald onder welke voorwaarden betreffende het tarief, de persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, de mogelijkheid heeft om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Het college stelt de hoogte van een pgb vast aan de hand van een door de cliënt opgesteld budgetplan. Artikel 2.3.8, derde lid, van de Wmo 2015 bevat een algemene medewerkingsverplichting en ziet op alle denkbare vormen van medewerking. Het niet verlenen van specifiek verlangde medewerking kan voor het college aanleiding vormen een maatwerkvoorziening niet te verstrekken. Het gaat hier om medewerking verlenen bij het onderzoek en daarna.
7.3.
Het college heeft eiseres bij brieven van 12 september 2023 en 20 september 2023 verzocht om een budgetplan in te dienen. In de laatste brief heeft het college eiseres gewezen op de gevolgen als ze niet meewerkt. Eiseres heeft geen budgetplan ingediend. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat het college aanleiding heeft kunnen zien om geen pgb te verstrekken. Door eiseres huishoudelijke hulp als ZIN toe te kennen heeft het college voldoende gecompenseerd. Dat eiseres in de te beoordelen periode geen gebruik gemaakt heeft van deze huishoudelijke hulp maakt dat niet anders.
Mocht het college de verzochte begeleiding weigeren? (LEE 24/4078)
8. Het college heeft eiseres’ aanvraag om individuele begeleiding geweigerd, omdat ze niet de benodigde medewerking heeft verleend.
8.1.
De rechtbank moet eerst beoordelen of eiseres procesbelang heeft. Op de zitting heeft eiseres naar voren gebracht dat haar dochter haar begeleid heeft en ze haar dochter nog niet heeft betaald. Hieruit blijkt dat eiseres procesbelang heeft. Zij stelt immers dat ze schade heeft geleden door de bestuurlijke besluitvorming. Deze stelling is door het college niet betwist. De rechtbank vindt deze stelling niet op voorhand onaannemelijk.
9. De rechtbank beoordeelt vervolgens of het college de aanvraag om begeleiding mocht afwijzen.
9.1.
De te beoordelen periode is de periode van 4 september 2023 (datum aanvraag) tot 2 september 2024 (datum van het bestreden besluit 3).
9.2.
In het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015 heeft een huisbezoek plaatsgevonden. Uit het onderzoeksverslag blijkt dat het college informatie van eiseres nodig had. Voor het onderzoek wilde het college op 18 september 2023 op huisbezoek komen. Eiseres heeft het huisbezoek telefonisch afgezegd omdat ze eerst het advies van de commissie wilde afwachten. Het college heeft eiseres in de gelegenheid gesteld om voor 2 oktober 2023 een nieuwe afspraak te maken, als ze op die datum verhinderd is. Vaststaat dat eiseres geen nieuwe afspraak heeft gemaakt en niet inhoudelijk heeft gereageerd op de vragen die het college nog had naar aanleiding van het eerdere huisbezoek. Eiseres heeft gesteld dat haar man niet in staat was aan een huisbezoek mee te werken. Zij heeft haar standpunt echter niet onderbouwd met objectieve medische gegevens, zodat het college hierin geen aanleiding heeft hoeven zien hiermee rekening te houden. Ook is anderszins niet gebleken dat sprake was van omstandigheden die aan medewerking in de weg stonden.
9.3.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het college heeft voldaan op de hem rustende onderzoeksplicht, terwijl eiseres niet heeft voldaan op de haar rustende medewerkingsverplichting. Het college heeft het recht op begeleiding niet kunnen vaststellen en daarom de aanvraag van eiseres mogen afwijzen.
10. Wat eiseres overigens heeft aangevoerd, zoals gesteld onrechtmatig handelen van een wethouder in 2017 en een conflict tussen het college en haar bedrijf, ziet niet op de bestreden besluiten en ligt niet ter beoordeling aan de rechtbank voor.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep tegen het bestreden besluit 1 is gegrond omdat het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit 1 en zal het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaren.
11.1.
De beroepen tegen de bestreden besluiten 2 en 3 zijn ongegrond. Dat betekent dat eiseres in die zaken geen gelijk krijgt.
11.2.
Omdat het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.335 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de zitting en 0,5 punt voor de nadere zitting, met een waarde per punt van € 934 per punt en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep tegen het besluit van 17 januari 2024 gegrond;
vernietigt het besluit van 17 januari 2024;
verklaart het bezwaar van eiseres tegen de brief van 4 juli 2023 niet-ontvankelijk;
verklaart de beroepen tegen de besluiten van 2 september 2024 ongegrond;
veroordeelt het college tot betaling van € 2.335 aan proceskosten aan eiseres;
bepaalt dat het college het griffierecht van € 51 aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. O.J.J.C. Koopmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:3
1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
Artikel 2.3.2
1. Indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, voert het college in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met achtste lid. Het college bevestigt de ontvangst van de melding.[…]
8. Het college verstrekt de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek.
9. Een aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.5 kan niet worden gedaan dan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de in het eerste lid genoemde termijn.
Artikel 2.3.5
Het college beslist op een aanvraag:a. van een ingezetene van de gemeente om een maatwerkvoorziening ten behoeve van zelfredzaamheid en participatie; […]
Het college geeft de beschikking binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag.
Artikel 2.3.6
1. Indien de cliënt dit wenst, verstrekt het college hem een persoonsgebonden budget dat de cliënt in staat stelt de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken.2. Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, indien:
de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;
de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen;
naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.
[…]
4. Bij verordening kan worden bepaald onder welke voorwaarden betreffende het tarief, de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de mogelijkheid heeft om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.
Artikel 2.3.8
[…]3 De cliënt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
Verordening maatschappelijke ondersteuning Westerwolde 2022 (geldend tot 01-01-2024)
Artikel 6 Regels voor pgb[…]
3 De hoogte van een pgb wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld budgetplan.
In het budgetplan is in elk geval opgenomen:
Hoe de cliënt zelf of met behulp van iemand uit zijn sociale netwerk of zijn vertegenwoordiger de aan de PGB verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren;
Wat de motivatie is om de maatwerkvoorziening in de vorm van een PGB te ontvangen;
Welke voorziening(en) de cliënt met het PGB wil gaan inkopen en bij welke uitvoerder(s) de cliënt deze wil inkopen;
Op welke wijze de kwaliteit van de voorziening is gewaarborgd en duidelijk is dat de voorziening geschikt is voor het doel waarvoor het PGB wordt verstrekt;
De kosten van de voorziening, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief.
[…]
1e wijziging Verordening maatschappelijke ondersteuning Westerwolde 2024 (geldend vanaf 01-01-2024)
Artikel 6 Regels voor pgb[…]
3. De hoogte van een pgb wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld budgetplan.
In het budgetplan is in elk geval opgenomen:
Hoe de cliënt zelf of met behulp van iemand uit zijn sociale netwerk of zijn vertegenwoordiger de aan de PGB verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren;
Wat de motivatie is om de maatwerkvoorziening in de vorm van een PGB te ontvangen;
Welke voorziening(en) de cliënt met het PGB wil gaan inkopen en bij welke uitvoerder(s) de cliënt deze wil inkopen;
Op welke wijze de kwaliteit van de voorziening is gewaarborgd en duidelijk is dat de voorziening geschikt is voor het doel waarvoor het PGB wordt verstrekt;
De kosten van de voorziening, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief.
[…]
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 4 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2013.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 23 mei 2012, ECLI:CRVB:2012:BW6811.
Zie de uitspraak van de CRvB van 3 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:918; Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 37-39, en Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 64, p. 33 en 60.
Artikel 2.3.6, vierde lid, van de Wmo 2015.
Artikel 6, derde lid, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Westerwolde 2022, en artikel 6, derde lid, van de 1e wijziging Verordening maatschappelijke ondersteuning Westerwolde 2024.
Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 155. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|