Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNHO:2026:9232 
 
Datum uitspraak:07-07-2026
Datum gepubliceerd:12-08-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Holland
Zaaknummers:C/15/378955 HARK 26/127
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Wrakingskamer. Verzoek afgwezen. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij vanaf het begin niet serieus is genomen door de rechter en werd afgebekt. De rechter heeft een voorstel van verzoeker om partijen rond te tafel te brengen om het jarenlang durende verschil van mening op te lossen, genegeerd. De wrakingskamer overweegt dat de rechter een grote vrijheid heeft in het voeren van de regie ter zitting. Uit hetgeen partijen naar voren hebben gebracht volgt dat de rechter de behandeling ter zitting zakelijk heeft aangepakt. Deze wijze van behandeling ter zitting is mogelijk beïnvloed door het feit dat de rechter vele vergelijkbare zaken beoordeelt. Deze zakelijke benadering van de zaak door de rechter is echter niet hetzelfde als een partijdige of vooringenomen benadering. Dat verzoeker de behandeling ter zitting als te zakelijk heeft ervaren, en het gevoel had dat zijn argumenten niet serieus werden genomen door de rechter, is ook geen reden om aan te nemen dat de rechter partijdig of vooringenomen is. De wrakingskamer neemt daarbij in aanmerking dat verzoeker ter zitting in de hoofdzaak voldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn standpunten naar voren te brengen. Het is onderdeel van de taak van een rechter om de zaak te bestuderen en zich mede naar aanleiding van de zitting een beeld te vormen van de zaak. Daarbij is het mogelijk dat er geen vragen zijn. Daarnaast kan het feit dat de rechter ter zitting al liet doorschemeren wat de uitkomst van het geschil zou zijn, in beginsel geen grond voor wraking vormen. Volgens rechtspraak is een wraking niet bedoeld om de juistheid van een voorlopig oordeel aan de orde te stellen. Tenslotte is de beslissing van de rechter om niet in te gaan op het voorstel van verzoeker om partijen op te dragen in overleg te gaan, een beslissing van processuele aard.
Trefwoorden:belastingrecht
woz waarde
woz-waarde
 
Uitspraak
beslissing
RECHTBANK
/
Wrakingskamer

Zaaknummer / rekestnummer: C/15/378955 HA RK 26/127


Beslissing van 7 juli 2026


Op het verzoek tot wraking ingediend door:



[verzoeker] ,

wonende te Haarlem,
hierna te noemen: verzoeker.

Het verzoek is gericht tegen:

mr. B. van Walderveen,
hierna te noemen: de rechter.





1Het procesverloop


1.1
Verzoeker heeft op 10 juni 2026 schriftelijk de wraking verzocht van de rechter in de bij deze rechtbank, team Belastingrecht, locatie Haarlem, aanhangige zaak met als zaaknummer HAA 25/4389, hierna te noemen: de hoofdzaak. De wederpartij in de hoofdzaak is de heffingsambtenaar van Cocensus (verweerder).



1.2
De rechter heeft niet in de wraking berust en heeft op 11 juni 2026 schriftelijk op het verzoek gereageerd.



1.3
Het verzoek is vervolgens behandeld ter openbare zitting van de wrakingskamer van 23 juni 2026. Verzoeker en de rechter zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.



1.4
Verzoeker is verschenen. Voorts is verschenen de rechter.





2Het standpunt van verzoeker en de rechter


2.1
Verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek aangevoerd dat hij vanaf het begin niet serieus is genomen door de rechter en werd afgebekt. De rechter sprak hem op snauwerige, dominante wijze, in de gebiedende wijs en vol ongeduld toe over onder meer het feit dat verzoeker afweek van de pleitnota. De rechter heeft een voorstel van verzoeker om partijen rond te tafel te brengen om het jarenlang durende verschil van mening op te lossen, genegeerd. Op de opmerking ‘Anders zitten we hier komende jaren weer’, antwoordde de rechter: ‘Daar ziet het wel naar uit’. Daaruit volgt aldus verzoeker dat de rechter de bestaande situatie door laat sudderen en ten gunste van verweerder zal beslissen en de burger bij voorbaat geen schijn van kans zal geven. De zaak is niet identiek aan een jaar eerder. Verzoeker wenst al jarenlang inzicht in het computermodel, een belangrijk hulpmiddel om de WOZ-waarde van de woning en de referentiewoningen te kunnen beoordelen en vindt het opmerkelijk dat de rechter het computermodel niet relevant acht. Empathie en doorvragen ontbraken steeds bij de rechter. Zo had de rechter vragen kunnen stellen over de door verzoeker ingebrachte tabel. De rechter deelde mee: ‘Ik had vragen, die zijn onderwijl beantwoord en ik weet wel wat de uitkomst zal zijn’. De uitspraak lijkt al vast te liggen en daarom is sprake van vooringenomenheid.



2.2
De rechter voert aan dat verzoeker alle gelegenheid heeft gehad om zijn argumenten naar voren te brengen, mede gelet op het feit dat de zitting 40 minuten duurde, terwijl er 20 minuten voor deze zaak stond gepland. Van ‘afbekken’, snauwen of op gebiedende toon praten, was geen sprake. Het betoog van verzoeker is gebaseerd op het terechte gevoel na afloop van de zitting dat het beroep ongegrond gaat. De rechter deelt mee dat hij het hele dossier heeft doorgenomen voor de zitting en dan weet welke vragen hij gaat stellen. In dit geval waren er geen vragen aan partijen omdat verzoeker zijn aanvullende door hem gestelde feiten en argumenten op papier heeft gezet en er geen nieuwe relevante informatie was. Het stellen van vragen zou bezigheidstherapie zijn. De zaak wijkt niet af van het jaar ervoor. De rechter heeft meermaals uitleg gegeven over het computermodel en de matrix. Het dossier bood geen aanleiding voor een gesprek tussen verweerder en verzoeker. Als verweerder daar aanleiding toe ziet, dan kan verweerder dat buiten de zitting om doen. Van partijdigheid of vooringenomenheid dan wel een gebrek aan onafhankelijkheid is geen sprake.





3De beoordeling


3.1
Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert (dit is de zogenaamde subjectieve toets). Daarnaast kan de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn indien sprake is van feiten of omstandigheden die, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de rechter in de hoofdzaak, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de te vermijden schijn van partijdigheid van belang is. Die feiten of omstandigheden moeten zwaarwegende redenen opleveren voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid (dit is de zogenaamde objectieve toets).



3.2
De feiten en omstandigheden die verzoeker ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren heeft gebracht, leveren geen grond op voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden en vormen geen grond voor wraking. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.



3.3
Het is de taak van een rechter om de zaak te bestuderen en zich daarnaast naar aanleiding van de zitting een beeld te vormen van de zaak. De rechter heeft een grote vrijheid in het voeren van de regie ter zitting. Uit hetgeen partijen naar voren hebben gebracht volgt dat de rechter de behandeling ter zitting zakelijk heeft aangepakt. Deze wijze van behandeling ter zitting is mogelijk beïnvloed door het feit dat de rechter vele vergelijkbare zaken beoordeelt. De rechter heeft ter zitting van de wrakingskamer in dat kader aangegeven dat het voor hem een ‘veertien in een dozijn-zaak’ betreft. Deze zakelijke benadering van de zaak door de rechter is echter niet hetzelfde als een partijdige of vooringenomen benadering. Dat verzoeker de behandeling ter zitting als te zakelijk heeft ervaren, en het gevoel had dat zijn argumenten niet serieus werden genomen door de rechter, is ook geen reden om aan te nemen dat de rechter partijdig of vooringenomen is. De wrakingskamer neemt daarbij in aanmerking dat verzoeker ter zitting in de hoofdzaak voldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn standpunten naar voren te brengen. Hij heeft een pleitnota voorgedragen en is, zoals ook uit het proces-verbaal van de zitting blijkt en verzoeker zelf tijdens de zitting bij de wrakingskamer heeft bevestigd, ook daarna in de gelegenheid geweest om zijn standpunten waar nodig aan te vullen. Dat de rechter aan verzoeker heeft verzocht om zich aan de pleitnota te houden, is onderdeel van zijn regievoering ter zitting. Dit is ook geen aanwijzing dat de rechter partijdig of vooringenomen is.



3.4
Verzoeker stelt dat uit het feit dat de rechter tijdens de mondelinge behandeling geen vragen heeft gesteld, terwijl er volgens hem genoeg vragen waren te stellen, volgt dat de uitkomst van de zaak al vastlag en dat dit duidt op vooringenomenheid.
De wrakingskamer volgt deze stelling niet. De rechter heeft meegedeeld dat hij het hele dossier voor de zitting had bestudeerd en hij na bestudering tot de conclusie was gekomen dat er zijnerzijds geen vragen waren en dat er ook geen vragen zijn ontstaan naar aanleiding van wat op de zitting door beide partijen naar voren was gebracht. Het is onderdeel van de taak van een rechter om de zaak te bestuderen en zich mede naar aanleiding van de zitting een beeld te vormen van de zaak. Daarbij is het mogelijk dat er geen vragen zijn. Het staat de rechter vrij om vragen te stellen maar hij is daartoe niet verplicht. Uit het feit dat er geen vragen zijn gesteld, kan geen vooringenomenheid worden afgeleid. De wrakingskamer neemt daarbij als uitgangspunt dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn.



3.5
Daarnaast kan het feit dat de rechter ter zitting al liet doorschemeren wat de uitkomst van het geschil zou zijn, in beginsel geen grond voor wraking vormen. Volgens rechtspraak is een wraking niet bedoeld om de juistheid van een voorlopig oordeel aan de orde te stellen. Als dit ter zitting gegeven voorlopig oordeel uitmondt in een uitspraak, kan daartegen desgewenst in hoger beroep worden gegaan. Uitgangspunt is dat het een rechter, zeker tijdens een mondelinge behandeling, vrij moet staan om partijen voor te houden wat hij tot dan toe uit de processtukken en hetgeen hierover ter zitting is toegelicht, heeft afgeleid.



3.6
Tenslotte is de beslissing van de rechter om niet in te gaan op het voorstel van verzoeker om partijen op te dragen in overleg te gaan, een beslissing van processuele aard. Het is niet aan de wrakingskamer om te beoordelen of een procesbeslissing inhoudelijk al of niet juist is. Dit kan slechts in een hoger beroep tegen de hoofdzaak worden getoetst. Alleen indien de beslissing een zwaarwegende aanwijzing geeft dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de vrees daarvoor naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit anders zijn. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken voor een dergelijke zwaarwegende aanwijzing.



3.7
Nu de aangevoerde omstandigheden geen grond voor wraking opleveren, moet het verzoek worden afgewezen.











4De beslissing

De rechtbank:


4.1
wijst het verzoek tot wraking van de rechter af;



4.2
beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechter en de wederpartij in de hoofdzaak een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden;



4.3
bepaalt dat de procedure in de hoofdzaak met zaaknummer HAA 25/4389 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking bevond.


Deze beslissing is gegeven door mr. M.A.J. Berkers, voorzitter, mr. C.S. Schoorl en
mr. M. Kraefft, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. E.P. van der Zalm, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.







griffier voorzitter







Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Link naar deze uitspraak