Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBAMS:2026:8127 
 
Datum uitspraak:07-08-2026
Datum gepubliceerd:13-08-2026
Instantie:Rechtbank Amsterdam
Zaaknummers:12283599 KK EXPL 26-397
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:kort geding; ontruiming woning toegewezen; in de seniorenwoning van zijn overleden vader achtergebleven meerderjarige zoon; geen medehuurder; geen vordering ex art. 7:268 lid 2 BW ingesteld; geen rechtsverwerking; belangenafweging; langere ontruimingstermijn
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
huurovereenkomst
 
Uitspraak
RECHTBANK
AMSTERDAM


Civiel recht
Kantonrechter

Zaaknummer: 12283599 \ KK EXPL 26-397


Vonnis in kort geding van 7 augustus 2026


in de zaak van


WONINGSTICHTING EIGEN HAARD,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Eigen Haard,
gemachtigde: mr. A. Ekkel,

tegen



[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. H. Loonstein.





1De procedure


1.1.
Bij dagvaarding van 24 juni 2026 heeft Eigen Haard een voorziening gevorderd.



1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 juli 2026. Voor Eigen Haard zijn verschenen [naam 1] , bedrijfsjurist, en [naam 2] , medewerker rechtmatig wonen, vergezeld door de gemachtigde. Mr. J.X. ten Velden is namens de gemachtigde van [gedaagde] verschenen. Namens [gedaagde] zijn op voorhand stukken in het geding gebracht.



1.3.
Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht, mr. Ten Velden aan de hand van spreekaantekeningen. Na verder debat is om aanhouding van de procedure verzocht. Daarop is de procedure aangehouden tot 20 juli 2026. Op 20 juli 2026 hebben partijen een nadere aanhouding van twee weken gevraagd. Op 24 juli 2026 hebben partijen bericht dat zij niet tot een minnelijke regeling zijn gekomen en is om vonnis verzocht. De kantonrechter heeft vervolgens vonnis bepaald op heden.





2De feiten


2.1.
Eigen Haard verhuurde met ingang van 29 augustus 2012 aan [naam 3] (hierna: [naam 3] ), geboren op [geboortedag] 1954, de 4-kamer bejaardenwoning gelegen aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning). Het is een sociale huurwoning.



2.2.

[gedaagde] , thans 34 jaar oud, is bij zijn vader, [naam 3] , ingetrokken. [naam 3] is op 13 februari 2019 naar het buitenland vertrokken en heeft zich uit laten schrijven bij de Basisregistratie Personenbasisregistratie (BRP). [gedaagde] is in de woning blijven wonen.



2.3.

[naam 3] is op [datum] 2023 in Israël overleden.



2.4.
Op 17 mei 2023 heeft [gedaagde] bij Eigen Haard een aanvraag ingediend tot wijziging van de tenaamstelling van de huurovereenkomst. Eigen Haard heeft dit verzoek op 2 augustus 2023 afgewezen. In haar besluit heeft Eigen Haard [gedaagde] gewezen op de wettelijke termijn van zes maanden waarbinnen hij bij de rechtbank een vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst kan instellen.



2.5.
Bij brief van 27 augustus 2023 heeft [gedaagde] Eigen Haard verzocht om zijn zaak te heroverwegen. Hij heeft daarbij aangegeven het voornemen te hebben binnen de daarvoor gestelde termijn bij de rechtbank een vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst in te dienen. De vordering is niet ingediend.



2.6.
Eigen Haard heeft vanaf 29 september 2025 de erven van [naam 3] (hierna: de erven) aangeschreven en uitgenodigd voor een gesprek. Op 12 december 2025 is de heer [naam 4] namens de erven verschenen. Hij is in de gelegenheid gesteld stukken aan te leveren. Eigen Haard heeft aangeboden na ontvangst van de stukken te onderzoeken of [gedaagde] in aanmerking zou komen voor een maatwerkverzoek. De stukken zijn niet aangeleverd. Het aanbod verviel op 7 april 2026.



2.7.
Bij brief van 4 mei 2026 heeft Eigen Haard de erven gesommeerd de woning te ontruimen en uiterlijk voor 28 mei 2026 de sleutels in te leveren, bij gebreke waarvan een juridische procedure zal worden gestart.





3Het geschil


3.1.
Eigen Haard vordert – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis ontruiming van de woning, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.



3.2.
Zij legt aan haar vordering ten grondslag dat op grond van artikel 7:268 lid 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de huurovereenkomst tussen Eigen Haard en [naam 3] van rechtswege is geëindigd aan het eind van de tweede maand na zijn overlijden.

[gedaagde] is geen medehuurder. Hij heeft ook niet tijdig de voortzetting van de huurovereenkomst gevorderd binnen de in artikel 7:268 lid 2 BW gestelde termijn van zes maanden. Dit betekent dat [gedaagde] zonder recht of titel in de woning verblijft.



3.3.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Eigen Haard, met veroordeling van Eigen Haard in de kosten van deze procedure.



3.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.





4De beoordeling


toetsingskader


4.1.
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of Eigen Haard ten tijde van dit vonnis bij die voorzieningen een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de kantonrechter moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening in kort geding gerechtvaardigd is.



4.2.
De kantonrechter benadrukt dat een ontruiming op grond van een voorlopige voorziening een ingrijpende maatregel is. Bij de beoordeling van deze vordering moet – volgens vaste jurisprudentie – dan ook grote terughoudendheid worden betracht, omdat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een (diepgaand) onderzoek naar bestreden feiten en een ontruiming in kort geding vergaande (en vaak onomkeerbare) gevolgen heeft.


spoedeisend belang



4.3.

[gedaagde] heeft betwist dat Eigen Haard een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Hoewel begrijpelijk is dat [gedaagde] dat punt maakt, nu de situatie al enige jaren voortduurt, is de kantonrechter van oordeel dat Eigen Haard voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Zij is een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet en is eigenaar van de woning. De woning waarin [gedaagde] verblijft is een schaarse sociale huurwoning, waarvoor lange wachtlijsten bestaan. Eigen Haard heeft bovendien onbetwist gesteld dat zij eerst heeft getracht met [gedaagde] tot een passende (maatwerk)oplossing te komen.



4.4.
In deze procedure is de vraag aan de orde of [gedaagde] nog langer gebruik mag maken van de woning, zoals hij zelf wenst, of dat hij de woning moet ontruimen, zoals Eigen Haard heeft gevorderd.


geen huurovereenkomst



4.5.

[gedaagde] heeft primair aangevoerd dat er sprake is van een huurovereenkomst tussen hem en Eigen Haard. Dit verweer faalt. De omstandigheid dat [gedaagde] vanaf december 2019 de huur heeft betaald maakt hem nog geen huurder. Een derde mag immers de huur voor een huurder betalen, maar die derde krijgt daarmee geen huurrechten.


geen rechtsverwerking



4.6.
Subsidiair heeft [gedaagde] een beroep gedaan op rechtsverwerking. Omdat Eigen Haard niet meer reageerde op zijn brief van 27 augustus 2023 is bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat Eigen Haard haar aanspraak niet meer geldend zou maken c.q. dat zij niet alsnog in 2026 het standpunt zou innemen dat hij zonder recht of titel in de woning verblijft en ontruimd moet worden.



4.7.
De kantonrechter overweegt hierover het volgende. Enkel tijdsverloop levert geen toereikende grond op voor het aannemen van rechtsverwerking. [gedaagde] heeft verder geen bijzondere omstandigheden aangevoerd als gevolg waarvan bij hem dit gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt of zijn positie onredelijk wordt benadeeld of verzwaard in geval Eigen Haard haar aanspraak alsnog geldend zou maken.


geen voorzetting huurovereenkomst



4.8.
In artikel 7:268 lid 1 BW is bepaald dat de medehuurder bij overlijden van de huurder de huur voortzet. Op grond van artikel 7:268 lid 2 BW zet de persoon die niet op grond van lid 1 huurder wordt, maar wel in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad, de huur gedurende zes maanden na het overlijden van de huurder voort. In deze zes maanden kan de samenwoner bij de kantonrechter vorderen dat hij de huurovereenkomst van de overleden huurder na verloop van die termijn mag voortzetten. Die termijn is dwingend. Overschrijding ervan leidt tot verlies van de rechten uit deze bepaling. Uitzonderingen op billijkheidsgronden zijn slechts bij hoge uitzondering gerechtvaardigd.


geen medehuurder



4.9.
Niet in geschil is dat [gedaagde] geen medehuurder was waardoor hij op grond van lid 1 van artikel 7:268 BW de huur van de woning na het overlijden van zijn vader had kunnen voortzetten.


geen vordering tot voortzetting ingesteld



4.10.
Niet betwist is dat [gedaagde] geen vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst heeft ingesteld. De vervaltermijn is inmiddels (ruim) verstreken. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij alsnog een vordering ex 7:269 lid 2 BW zal (kunnen) instellen en dat de uitkomst van die procedure moet worden afgewacht. Hij voert aan dat het verstrijken van de vervaltermijn van zes maanden hem niet kan worden verweten en dat een beroep op de vervaltermijn door Eigen Haard naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De kantonrechter is van oordeel dat het voor [gedaagde] mogelijk is geweest om de vordering binnen de vervaltermijn in te (laten) stellen. Eigen Haard heeft hem expliciet op de termijn gewezen. Bovendien heeft [gedaagde] in zijn brief van 27 augustus 2023 aangegeven dat hij het voornemen had de vordering in te stellen. Dat hij hieraan geen uitvoering heeft gegeven komt voor zijn rekening en risico. Ten slotte is niet gebleken dat de vordering alsnog is ingesteld.



4.11.
In de gegeven omstandigheden is de kantonrechter dan ook voorshands van oordeel dat het beroep van Eigen Haard op de in artikel 7:268 lid 2 BW bedoelde vervaltermijn van zes maanden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. De kantonrechter acht het daarom onvoldoende aannemelijk dat de vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat de uitkomst daarvan moet worden afgewacht.


belangenafweging



4.12.
Ook de overige door [gedaagde] aangevoerde omstandigheden maken niet dat het belang van Eigen Haard bij ontruiming van de woning moet wijken voor het woonbelang van [gedaagde] Daarover wordt het volgende overwogen.



4.13.

[gedaagde] voert aan dat hij lijdt aan een Autismespectrumstoornis, licht verstandelijk beperkt is en geen Nederlands spreekt. Zijn moeder woont in het buitenland. Hij is hierdoor kwetsbaar en afhankelijk van vrijwillige hulpverlening door leden van de synagoge van de Joodse Gemeenschap [woonplaats] , die zich op loopafstand van de woning bevindt. Deze omstandigheden kunnen er echter naar het oordeel van de kantonrechter niet toe leiden dat een 4-kamer bejaardenwoning aan de sociale huurmarkt wordt onttrokken. [gedaagde] behoort bovendien niet tot de doelgroep en de grootte van de woning is niet passend. Eigen Haard heeft, anders dan door [gedaagde] is aangevoerd, voldoende onderbouwd dat het een seniorenwoning betreft. Daar komt bij dat Eigen Haard hem de afgelopen jaren in de gelegenheid heeft gesteld stukken aan te leveren zodat hem maatwerk kon worden geboden. Desondanks zijn de benodigde stukken niet aangeleverd. Ook tijdens de mondelinge behandeling heeft Eigen Haard voorgesteld om hem passende woonruimte aan te bieden. De procedure is daar ook voor aangehouden. Dit heeft echter niet tot een minnelijke regeling geleid.



4.14.
Ten slotte zijn na het overlijden van de vader van [gedaagde] ruim drie jaren verstreken. In die periode had [gedaagde] kunnen proberen een woning elders te vinden. Dat hij dat heeft geprobeerd is de kantonrechter niet gebleken.


zonder recht of titel



4.15.
De kantonrechter komt dan ook tot de conclusie dat [gedaagde] zonder recht of titel in de woning verblijft. De vordering tot ontruiming zal dan ook worden toegewezen. Hoewel een ontruiming grote gevolgen heeft voor [gedaagde] , wegen deze niet op tegen het belang van Eigen Haard om een einde te maken aan de onrechtmatige bewoning, zodat de woning kan worden toegewezen aan iemand die recht heeft op de sociale huurwoning.


ontruimingstermijn



4.16.
Met [gedaagde] is de kantonrechter van oordeel dat Eigen Haard van 2 augustus 2023 tot 29 september 2025 heeft stilgezeten. In de persoonlijke omstandigheden van [gedaagde] en het tijdsverloop ziet de kantonrechter aanleiding om aan hem een langere ontruimingstermijn toe te kennen.


geen dwangsom



4.17.
Er is geen aanleiding om de gevorderde dwangsom toe te wijzen.


vergoeding na ontruimingsdatum



4.18.
Eigen Haard heeft € 774,77 per maand gevorderd voor elke maand dat [gedaagde] na de ontruimingsdatum de woning niet ontruimt. Deze vordering is toewijsbaar.


ontruimingskosten



4.19.
De vordering ter zake van de ontruimingskosten is niet toewijsbaar. Weliswaar houdt de proceskostenveroordeling een executoriale titel in ten aanzien van alle kosten, ook ten aanzien van verschotten zoals ontruimingskosten, doch het betreft hier kosten die pas na de uitspraak ontstaan en waarvan de omvang en de verschuldigdheid nog niet vast staan.


proceskosten



4.20.

[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Eigen Haard worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding





153,02







- griffierecht





93,00







- salaris gemachtigde





577,00







- nakosten





144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal





967,02










uitvoerbaar bij voorraad



4.21.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.





5De beslissing

De kantonrechter


5.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen vijf maanden na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] te [woonplaats] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Eigen Haard zijn, en de sleutels af te geven aan Eigen Haard,



5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Eigen Haard van een bedrag van
€ 774,77 per maand vanaf de onder 5.1 bepaalde ontruimingsdatum tot en met de dag waarop de ontruiming daadwerkelijk plaatsvindt,



5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 967,02, te vermeerderen met de kosten van betekening, te betalen binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis,



5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.









Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. Otten, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. B.A. Terwee, griffier.


452
Link naar deze uitspraak