Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHAMS:2026:2110 
 
Datum uitspraak:28-07-2026
Datum gepubliceerd:13-08-2026
Instantie:Gerechtshof Amsterdam
Zaaknummers:200.347.156/01
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Kort geding. Onvoldoende grond voor een met een dwangsom versterkte veroordeling van bestuurders van een vennootschap tot naleving van het vigerende juridisch kader van bestuur en besluitvorming.
Trefwoorden:aow
belastingrecht
 
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.347.156/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/354777/KG ZA 24-414


arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 28 juli 2026


inzake




1 [appellant 1] B.V.,
gevestigd te [plaats 1] ,
2. [appellant 2] B.V.,
gevestigd te [plaats 2] ,
appellanten,
advocaat: mr. M.J. Elkhuizen te Amsterdam,

tegen




1 [geïntimeerde] B.V.,
gevestigd te [plaats 3] ,
2. HOLDING MIDDENWEG B.V.,
gevestigd te Purmerend,
geïntimeerden,
advocaat: mr. A.J. Ploeg te Utrecht,

en tegen


NOVABORCH B.V.,

gevestigd te Houten,
gevoegde partij aan de zijde van geïntimeerden,
advocaat: mr. B.J.L. Baas te Maarssen.

Appellanten worden hierna [appellant 1] en [appellant 2] genoemd en gezamenlijk [appellanten] Geïntimeerden worden [geïntimeerde] en Holding Middenweg genoemd en gezamenlijk [geïntimeerden] . De gevoegde partij wordt Novaborch genoemd.





1De zaak in het kort

Partijen zijn (voormalig) bestuurders/aandeelhouders van Zorggroep Laag Holland B.V (hierna: ZLH), een onderneming waarin apotheken worden geëxploiteerd. [geïntimeerden] . zijn in eerste aanleg tussengekomen in een geschil dat speelde tussen [appellanten] en Novaborch. Dat geschil had betrekking op het einde van de managementovereenkomst van Novaborch en de aanbiedingsplicht met betrekking tot haar aandelen in ZLH. [geïntimeerden] . hebben een zelfstandige vordering ingesteld tegen [appellanten] , ertoe strekkende, kort gezegd, dat [appellanten] het vigerende juridisch kader van bestuur en besluitvorming van ZLH zouden naleven, op verbeurte van een dwangsom. De voorzieningenrechter heeft deze vordering toegewezen en daaraan toegevoegd dat dit diende te gebeuren op de wijze waarop daaraan vanaf 2016 uitvoering werd gegeven. Het hof acht de grieven van [appellanten] tegen deze veroordeling gegrond en wijst de vordering van [geïntimeerden] . alsnog af.





2Het geding in hoger beroep

Voor het geding in hoger beroep tot 8 juli 2025 verwijst het hof naar het op die datum in deze zaak uitgesproken arrest in het incident tot voeging en de daarin vermelde stukken. Bij dit arrest is Novaborch toegestaan zich te voegen aan de zijde van [geïntimeerden] . en is de zaak verwezen naar de rol voor memorie aan de zijde van Novaborch.

Novaborch heeft daarna een memorie zijdens gevoegde partij genomen.

Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 4 maart 2026 door hun advocaten laten toelichten. Mrs. Elkhuizen en Ploeg hebben spreekaantekeningen overgelegd. Aan de zijde van [geïntimeerden] . is tevens C. Zwetsloot, advocaat te Utrecht, aanwezig geweest. Alle partijen hebben nog producties in het geding gebracht, [appellanten] de producties 28 tot en met 45, [geïntimeerden] . de producties 29 tot en met 40 en Novaborch productie 4. Partijen en hun advocaten hebben vragen beantwoord en inlichtingen verstrekt.

Ten slotte is arrest gevraagd.


[appellanten] hebben geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, primair het bestreden vonnis zoals dat in de tussenkomst is gewezen tussen [appellanten] als verweersters en [geïntimeerden] . als eiseressen zal vernietigen en de vorderingen sub 4) en 5) zoals die wellicht opnieuw in hoger beroep door [geïntimeerden] . zullen worden ingesteld af zal wijzen, subsidiair en voorwaardelijk, [geïntimeerden] . zal veroordelen tot hetzelfde als waartoe [appellanten] zullen worden veroordeeld in verband met de door [geïntimeerden] . ingestelde vordering sub 4), primair en subsidiair [geïntimeerden] . zal veroordelen in de proceskosten in beide instanties, nakosten daaronder begrepen.


[geïntimeerden] . hebben geconcludeerd dat het hof primair het bestreden vonnis bekrachtigt, subsidiair het vonnis bekrachtigt althans [appellanten] veroordeelt het vigerend juridisch kader van bestuur en besluitvorming van ZLH, meer in het bijzonder met betrekking tot de uit dien hoofde geldende voorschriften voor besluitvorming in het bestuur respectievelijk de aandeelhoudersvergadering van ZLH ten aanzien van [geïntimeerden] . te respecteren en na te leven op straffe van verbeurte van een dwangsom van eenmalig € 10.000,- per schending en € 5.000,- per dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat de schending voortduurt, met een maximum van in totaal te verbeuren dwangsommen van € 200.000,-, in reconventie het (voorwaardelijk) gevorderde afwijst en in conventie en in reconventie [appellanten] veroordeelt, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het hoger beroep.

De conclusie van Novaborch komt overeen met de conclusie van [geïntimeerden] . met dien verstande dat zij bij de kostenveroordeling tevens heeft verzocht de nakosten te begroten.





3Feiten

De voorzieningenrechter heeft in rov. 2 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat voor zover zij in dit hoger beroep van belang zijn. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere tussen partijen vaststaande feiten komen de feiten neer op het volgende.


3.1.

[appellanten] , [geïntimeerden] . en Novaborch houden ieder 20% van de aandelen in [naam 1] houdt alle aandelen in [appellant 1] en is haar enige bestuurder, [naam 2] houdt alle aandelen in [appellant 2] en is haar enige bestuurder, [naam 3] houdt alle aandelen in [geïntimeerde] en is haar enige bestuurder, [naam 4] houdt alle aandelen in Middenweg Holding en is haar enige bestuurder, [naam 5] houdt alle aandelen in Novaborch en is haar enige bestuurder. Behalve Novaborch zijn de aandeelhouders praktijkvennootschappen van praktiserende apothekers.



3.2.
ZLH is enig aandeelhouder in zes besloten vennootschappen in elk waarvan een apotheek wordt geëxploiteerd. Tevens is zij aandeelhouder in een besloten vennootschap waarin een 24-uurs apotheek wordt geëxploiteerd.



3.3.
De aandeelhouders van ZLH waren tevens haar bestuurders. In dat kader zijn met de aandeelhouders managementovereenkomsten gesloten.



3.4.
Op 2 januari 2017 is een nieuwe aandeelhoudersovereenkomst gesloten. Deze overeenkomst houdt onder meer het volgende in:




1 Besluitvorming


1.1

Raadpleging algemene vergadering


Alle besluiten die de continuïteit van ZLH en/of de Apotheken raken, kunnen door de directie
van ZLH slechts worden genomen na raadpleging van een algemene vergadering van
Aandeelhouders.

Elk der betrokkenen heeft één stem, ongeacht het aantal Aandelen waarover een
Aandeelhouder beschikt.



1.2

Gekwalificeerde meerderheid


Voor zover in deze overeenkomst of bij nadere overeenkomst of in de statuten niet anders
wordt geregeld, zullen alle besluiten op de algemene vergadering van Aandeelhouders worden
genomen met een gekwalificeerde meerderheid als bedoeld in artikel 27, lid 2 van de statuten
van de vennootschap. [Kort gezegd, 75% van de stemmen in een vergadering waarin het hele kapitaal aanwezig of vertegenwoordigd is, met een verdere uitwerking voor het geval op de eerste vergadering het quorum niet aanwezig is, opmerking hof.]
Onder de in dit artikel bedoelde besluiten worden in elk geval verstaan de navolgende
onderwerpen:
1) verandering van de ondernemingsactiviteiten, waaronder begrepen het openen van
nieuwe markten of vestigingen, het doorvoeren van ingrijpende wijzigingen in de
bedrijfsvoering van de Apotheken en het uitoefenen van bedrijfsactiviteiten via het
internet;
2) het aannemen of ontslaan [van] apothekers in loondienst, niet zijnde een Betrokkene;
3) aangaan van kredietarrangementen en leningsovereenkomsten;
4) aanvangen of beëindigen van juridische procedures;
5) verwerven, verkopen of houden van Aandelen of andersoortige belangen in andere
bedrijven;
6) aankoop, verkoop, verhuur, huur of beëindiging van huur van onroerende zaken;
7) het opstarten c.q. doorvoeren van ingrijpende wijzigingen terzake (A)HOED
vestigingen.
8) aanpassen en/of vaststellen van arbeidsvoorwaarden van werknemers, die afwijken
van de toepasselijke CAO;
9) aangaan van leveringsovereenkomsten met een looptijd van langer dan een jaar of een
belang van meer dan € 2.500,-, met uitzondering van de reguliere aankoop van
geneesmiddelen;
10) aangaan van verplichtingen door de Apotheken voor een periode langer dan één jaar
of voor een bedrag hoger dan € 2.500,-;
11) het verlenen van toestemming voor vermindering van arbeidstijd van een Apotheker,
alsmede besluiten tot beëindiging of wijziging van de managementovereenkomst door
opzegging of anderszins.

Besluiten die vanwege het spoedeisend karakter geen uitstel dulden, kunnen niettemin worden
genomen, met dien verstande dat daarover achteraf schriftelijk raadpleging van de algemene
vergadering van Aandeelhouders plaats vindt. Dit kan slechts indien over de spoedeisendheid
in redelijkheid geen twijfel kan bestaan.

Artikel 1.3 van de aandeelhoudersovereenkomst bepaalt voorts dat voor een aantal besluiten unanimiteit van de aandeelhouders is vereist.

De aandeelhoudersovereenkomst bepaalt in artikel 3.1 dat de aandeelhouders verplicht zijn de aandelen aan de overige aandeelhouders te koop aan te bieden als de managementovereenkomst eindigt en bevat in artikel 3.6 en in een bijlage bij de aandeelhoudersovereenkomst een regeling met betrekking tot de waardebepaling.



3.5.
Tussen [appellanten] en Novaborch is een conflict ontstaan over de vraag of de managementovereenkomst met Novaborch is geëindigd in verband met het bereiken van de AOW-leeftijd van haar bestuurder [naam 5] en of Novaborch in dat geval verplicht was haar aandelen aan te bieden. In het kortgedingvonnis waarvan beroep (vonnis van 4 september 2024) heeft de voorzieningenrechter deze vragen bevestigend beantwoord en Novaborch veroordeeld haar aandelen aan te bieden aan de overige aandeelhouders van ZLH en Novaborch dan wel [naam 5] verboden nog langer op te treden als bestuurder van ZHL, een en ander onder verbeurte van dwangsommen bij schending daarvan. Tegen het vonnis voor zover gewezen tussen [appellanten] en Novaborch is geen hoger beroep ingesteld. Novaborch is inmiddels teruggetreden als bestuurder van ZLH en heeft haar aandelen aangeboden.

[geïntimeerden] . zijn in de kortgedingprocedure tussengekomen en hebben een eigen vordering ingesteld tegen [appellanten] Het onderhavige hoger beroep betreft de beslissing van de voorzieningenrechter op die vordering, die onder meer inhoudt dat [appellanten] , op straffe van verbeurte van een dwangsom het vigerende juridisch kader van bestuur en besluitvorming van ZLH dienen na te leven (zie hierna onder 4.2).



3.6.
Tussen partijen is in geschil of [geïntimeerde] en Holding Middenweg per januari 2025 al dan niet zijn teruggetreden of zouden terugtreden als bestuurders en aandeelhouders van ZLH. [geïntimeerde] en [naam 4] hebben zich in februari 2025 langdurig ziek gemeld, zodat [appellant 1] en [appellant 2] ingevolge de beletregeling van artikel 22 van de statuten thans als overblijvende directeuren met het bestuur over ZLH zijn belast.



3.7.
Op 10 februari 2025 hebben [geïntimeerden] . het vonnis van 4 september 2024 aan [appellanten] laten betekenen. Bij deurwaardersexploit van 27 maart 2025 hebben zij [appellanten] dwangsommen aangezegd wegens overtreding van de veroordeling. Volgens [geïntimeerden] . hadden [appellanten] wegens drie overtredingen in totaal 2x3 keer dwangsommen van € 10.000,- verbeurd, derhalve in totaal € 60.000,-. Op 14 april 2025 hebben [geïntimeerden] . executoriaal derdenbeslag gelegd onder ZLH ten laste van [appellanten] .



3.8.

[geïntimeerden] . hebben op 17 april 2025 een verzoek ingediend bij de Ondernemingskamer tot het bevelen van een onderzoek en het treffen van een onmiddellijke voorziening bij ZLH, te weten het benoemen van een tijdelijke bestuurder of commissaris. Zij hebben aan hun verzoek ten grondslag gelegd dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van ZLH en dat de toestand van de vennootschap het nodig maakt dat onmiddellijke voorzieningen worden getroffen.



3.9.
Bij vonnis van 20 juni 2025 heeft de voorzieningenrechter in een executie kortgeding het onder 3.7 vermelde beslag opgeheven voor zover dit doel had getroffen voor meer dan de verbeurte van één dwangsom en [geïntimeerden] . verboden om in verband met de andere vijf vermeende overtredingen opnieuw executiemaatregelen te treffen.



3.10.
Bij beschikking van 11 februari 2026 heeft de Ondernemingskamer het onder 3.8 vermelde verzoek van [geïntimeerden] . afgewezen. De Ondernemingskamer was onder meer van oordeel dat de bezwaren van [geïntimeerden] . tegen het bestuurlijk handelen van [appellanten] geen gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid en juiste gang van zaken opleverden. Ook de overige verwijten aan het adres van [appellanten] leidden naar het oordeel van de Ondernemingskamer niet tot de conclusie dat bij ZLH sprake was van gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid en juiste gang van zaken.






4Eerste aanleg


4.1.

[geïntimeerden] . hebben in eerste aanleg als tussenkomende partij in hun conclusie onder 4) een vordering jegens [appellanten] ingesteld en gevorderd hen te bevelen het vigerende juridisch kader van bestuur en besluitvorming van ZLH, meer in het bijzonder met betrekking tot de uit dien hoofde geldende voorschriften voor besluitvorming in het bestuur respectievelijk de aandeelhoudersvergadering van ZLH, te respecteren en na te leven, totdat in een bodemprocedure anders daarover wordt geoordeeld of partijen andersluidende schriftelijke afspraken hebben gemaakt, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom.



4.2.
De voorzieningenrechter heeft deze vordering aldus toegewezen dat [appellanten] , uitvoerbaar bij voorraad, zijn veroordeeld het vigerende juridisch kader van bestuur en besluitvorming van ZLH, meer in het bijzonder met betrekking tot de uit dien hoofde geldende voorschriften voor besluitvorming in het bestuur respectievelijk de aandeelhoudersvergadering van ZLH, ten aanzien van [geïntimeerden] . te respecteren en na te leven, op de wijze waarop daaraan vanaf 2016 uitvoering werd gegeven, op straffe van verbeurte van een dwangsom van eenmalig € 10.000,- per schending en € 5.000,- per dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat de schending voortduurt, met een maximum aan in totaal te verbeuren dwangsommen van € 200.000,-, met kostenveroordeling van [appellanten]



4.3.
De voorzieningenrechter was van oordeel dat [geïntimeerden] . hun belang bij toewijzing van hun vordering voldoende aannemelijk hadden gemaakt. Voorts heeft hij het volgende overwogen. Het is van belang dat de rust in het bestuur en de algemene vergadering weerkeert, opdat ZLH behoorlijk bestuurd kan worden. [appellanten] zullen ten opzichte van [geïntimeerden] . het vigerende juridisch kader van bestuur en besluitvorming van ZLH, in acht moeten nemen zoals daaraan vanaf 2016 uitvoering werd gegeven. Het verweer van [appellanten] dat de vordering te onbepaald is, zeker op straffe van een dwangsom, en dat zij bij toewijzing op hun beurt worden belemmerd in hun rol van bestuurders van ZLH, gaat niet op. [appellanten] en [geïntimeerden] . zullen zich tot elkaar moeten verhouden zoals artikel 2:8 BW voorschrijft.






5Beoordeling


5.1.

[appellanten] heeft in hoger beroep, na een inleiding, vijf grieven aangevoerd tegen het vonnis van de voorzieningenrechter. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.



5.2.

[appellanten] betogen, samengevat, het volgende. [geïntimeerden] . dienen een oneigenlijk belang; zij zijn erop uit hun eigen aandeelhoudersbelangen te dienen. Zij trachten hun aanbiedingsverplichting af te houden in verband met een discussie tussen partijen over het prijsmechanisme in de aandeelhoudersovereenkomst. [geïntimeerden] . hebben vaak ook geen goed beeld van het juridisch kader, zoals ook volgt uit het kort geding vonnis van 20 juni 2025. Van eerdere schending door [appellanten] van afspraken (voor toewijzing van de vordering vereist) is geen sprake. Waar het gaat om de verplichtingen van Novaborch zaten juist [geïntimeerden] . er volledig naast. De voorzieningenrechter was kennelijk van oordeel dat zonder toewijzing van de vordering de benodigde rust er niet zou zijn. De realiteit is echter spiegelbeeldig: juist vanwege het vonnis en de dreiging die [geïntimeerden] . daarmee uitoefenen is sprake van een onrustige situatie. Het oordeel van de voorzieningenrechter laat bovendien te veel ruimte voor de vraag wat concreet onder ‘het vigerend kader van bestuur en besluitvorming van ZLH’ moet worden verstaan. Dat zullen de wet, statuten en aandeelhoudersovereenkomst zijn, maar over de artikelen 1.1 en 1.2 van de aandeelhoudersovereenkomst bestaat inhoudelijk veel onduidelijkheid. Los daarvan is ‘collegialiteit van bestuur’ bij ZLH lastig en er heeft daarom ook altijd een taakverdeling bestaan. Partijen hebben sinds 2016 juist niet (strikt) gehandeld conform de corporate governance: zij hebben allerlei zaken en beslissingen aan elkaar overgelaten en er is geen althans nauwelijks formele besluitvorming geweest. Gebondenheid aan artikel 2:8 BW is evident, maar de vraag is hoe deze norm hier moet worden ingevuld. Kennelijk is er verschil van mening mogelijk of iets een bestuursaangelegenheid is of een kwestie die individuele aandeelhoudersrechten betreft. Als de afspraken dan ook nog eens onjuist en tegenstrijdig zijn en [geïntimeerden] . aantoonbaar onjuiste stellingen innemen, dient een veroordeling tot nakoming van – in zijn algemeenheid – ‘het vigerende juridisch kader’ eens te meer worden afgewezen. Ten slotte heeft de voorzieningenrechter in strijd met artikel 23 Rv iets toegewezen wat niet is gevorderd. In hun inleiding hebben [appellanten] tevens nog aangevoerd dat in het kader van een bodemprocedure, waar de kortgeding rechter zich naar heeft te richten, de niet-geconcretiseerde vordering van [geïntimeerden] . niet zou worden toegewezen.



5.3.
Het hof acht de grieven van [appellanten] gegrond en overweegt hierover het volgende.



5.4.

[appellanten] hebben aangevoerd dat wegens een bepaalde taakverdeling binnen het bestuur in het verleden zelden formele besluitvorming heeft plaatsgevonden. Dit is op zichzelf niet betwist door [geïntimeerden] . Evenmin betwist is dat deze werkwijze de instemming van alle betrokkenen had. [appellanten] wijzen op het door [geïntimeerden] . gestelde in hun conclusie ex artikel 217 Rv in eerste aanleg onder 3 tot en met 5, kort gezegd, dat het juridisch kader van ZHL tot april 2024 niet tot problemen heeft geleid en de bestuurders/aandeelhouders het op ieder terrein - in goed overleg - steeds eens konden worden en, derhalve, steeds eenparig zijn opgetreden en dat daarbij operationeel bezien er een taakverdeling was tussen de bestuurders/aandeelhouders. Ook in de memorie van antwoord is melding gemaakt van onderling vertrouwen en goede harmonie en van verhoudingen die voorheen een lossere manier van besturen toelieten. Volgens [geïntimeerden] . overigens wel binnen het vigerende juridisch kader van bestuur en besluitvorming. De cesuur had te maken met het conflict met Novaborch.



5.5.
Uit het vorenstaande volgt dat voortzetting van de wijze waarop het bestuur en de besluitvorming van ZHL sinds 2016 verliep, vanaf april 2024 niet goed mogelijk was. De wijze waarop dat voorheen verliep, ging uit van onderling vertrouwen en goede verhoudingen en die hebben te lijden gehad onder het conflict met Novaborch. Dat betekent dat een nieuwe werkwijze moest worden gezocht, met inachtneming van het vigerende juridisch kader van ZHL en in het licht van artikel 2:8 BW. Reeds deze constatering leidt ertoe dat de door de voorzieningenrechter uitgesproken veroordeling (zie 4.2) niet in stand kan blijven.



5.6.
De zinsnede ‘op de wijze waarop daaraan vanaf 2016 uitvoering werd gegeven’ in de veroordeling is een onlosmakelijk onderdeel van de veroordeling als geheel. Wanneer deze zinsnede wordt geschrapt (de vraag of daartoe aanleiding toe zou zijn geweest wordt hierna nog besproken) verandert de veroordeling van karakter en krijgt in wezen een andere inhoud. Alleen al daarom kan een gedeeltelijke bekrachtiging van de veroordeling (zonder de bedoelde zinsnede) niet aan de orde zijn. Dit zou er immers toe leiden dat de dwangsom met terugwerkende kracht wordt gekoppeld aan een andere veroordeling. Dit is in strijd met de rechtszekerheid en past niet bij de functie van een dwangsom als prikkel tot nakoming.



5.7.
Het hof zal echter wel beoordelen of de vordering van [geïntimeerden] . zoals deze was ingesteld, dus zonder de hiervoor besproken zinsnede (zie 4.1), had moeten worden toegewezen. Het antwoord op deze vraag is van belang voor de vraag voor rekening van welke partij de proceskosten in eerste aanleg dienen te komen. Overigens wordt door [appellanten] op zichzelf niet betwist dat voor hen de verplichting bestaat het vigerende juridisch kader van bestuur en besluitvorming van ZLH in acht te nemen.



5.8.
Het hof is van oordeel dat er ten tijde van het bestreden vonnis onvoldoende grond was op voorhand aan te nemen dat het risico dat [appellanten] zich niet aan deze verplichting zou houden zodanig dreigde dat dat een veroordeling met daaraan gekoppelde dwangsom rechtvaardigde. In het vonnis zijn ook geen voorbeelden genoemd van evidente schendingen daarvan. In het conflict met Novaborch heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat [appellanten] het gelijk aan hun zijde hadden. Daarbij komt dat de precieze inhoud van deze verplichting, in het licht van de werkwijze in het verleden, op dat moment nog wat diffuus moet zijn geweest. Dit geldt te meer nu de artikelen 1.1 en 1.2 van de aandeelhoudersovereenkomst vraagtekens oproepen, zoals [appellanten] aanvoeren. Zij hebben in dat verband nog verwezen naar een brief van de advocaat van [geïntimeerden] . van 26 augustus 2025 (productie 42) waarin de redactie van de artikelen 1.1 en 1.2 van de aandeelhoudersovereenkomst bepaald onduidelijk wordt genoemd. Het ‘vigerende juridisch kader’ kende derhalve vaagheden en onduidelijkheden, waardoor in redelijkheid verschil van mening mogelijk was waartoe dit kader in een concrete situatie verplichtte. Ook dit maakt dat een veroordeling met dwangsom niet was aangewezen.



5.9.
Uit de gebeurtenissen na het bestreden vonnis volgt ook dat de veroordeling tot onterechte aanzeggingen van verbeurde dwangsommen aanleiding heeft gegeven. In het kort geding vonnis van 20 juni 2025 is van de zes gestelde overtredingen van het vigerende juridisch kader maar één terecht bevonden. De door de voorzieningenrechter beoogde rust is met de veroordeling niet bereikt. Het feit dat deze veroordeling ook maar voor twee van de bestuurders/aandeelhouders gold, maakt ook dat het evenwicht tussen partijen werd verstoord.



5.10.
Uit het vorenstaande volgt dat de vordering van [geïntimeerden] . had moeten worden afgewezen en dat [geïntimeerden] . hadden moeten worden veroordeeld in de kosten van het geding in eerste aanleg.



5.11.

[geïntimeerden] . hebben in hoger beroep (in hun conclusie onder subsidiair) opnieuw gevorderd dat [appellanten] worden veroordeeld het vigerende juridisch kader te respecteren en na te leven.



5.12.
De situatie is inmiddels in die zin gewijzigd dat thans alleen [appellanten] het bestuurderschap van ZLH uitoefenen. Dat zij zich in die hoedanigheid te weinig gelegen laten liggen aan de verplichtingen die zij op grond van de wet, de statuten en de (aan de hand van de Haviltex-norm uit te leggen) aandeelhoudersovereenkomst hebben jegens [geïntimeerden] . en Novaborch is onvoldoende aannemelijk geworden. Novaborch heeft in dat verband gewezen op de bezwaren die in de procedure bij de Ondernemingskamer naar voren zijn gebracht. De Ondernemingskamer heeft in haar beschikking van 11 februari 2026 inmiddels echter geoordeeld dat in het bestuurlijk handelen van [appellanten] geen gegronde redenen zijn gelegen om aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van ZLH te twijfelen. [geïntimeerden] . hebben er bij de mondelinge behandeling op gewezen dat de sleutel waarlangs de Ondernemingskamer de handelswijze van [appellanten] heeft beoordeeld een andere is dan beoordeling van de vraag of deze handelwijze past binnen het vigerende juridisch kader. Dit is op zich juist, maar dat dit handelen er thans toe dient te leiden dat [appellanten] op straffe van verbeurte van een dwangsom worden veroordeeld het vigerende juridisch kader van ZLH na te leven hebben [geïntimeerde] c.s. in het licht van wat is overwogen in de beschikking van de Ondernemingskamer onvoldoende nader toegelicht. Duidelijk is dat partijen op onderdelen van mening verschillen over wat het vigerende juridisch kader meebrengt (waarbij niet op voorhand kan worden gezegd dat het gelijk steeds bij [geïntimeerden] . ligt) en dat de wijze waarop zij met elkaar om gaan te lijden heeft onder het conflict. Het hof ziet in wat is aangevoerd door [geïntimeerden] . en Novaborch echter onvoldoende grond de vordering van [geïntimeerden] . alsnog toe te wijzen.



5.13.
Daarbij komt het volgende. Duidelijk is dat [appellanten] en [geïntimeerden] . uit elkaar gaan, mogelijk al met ingangsdatum 1 januari 2025. In deze procedure is op zichzelf niet aan de orde of [geïntimeerden] . hun managementovereenkomsten met ingang van 1 januari 2025 hebben opgezegd en zich er onvoorwaardelijk toe hebben verbonden met ingang van 1 januari 2025 als bestuurders terug te treden, zoals volgens [appellanten] het geval is. Of het standpunt van [appellanten] met betrekking tot de positie van [geïntimeerden] . juist is, zal door de bodemrechter moeten worden beslist. Echter, zoals ook de Ondernemingskamer gemotiveerd heeft overwogen, het is niet onredelijk en zeker niet onbegrijpelijk dat [appellanten] dit standpunt innemen.



5.14.
Het standpunt van [appellanten] is voor dit kort geding in die zin een relevant gegeven dat, als het door de bodemrechter wordt gevolgd, dit betekent dat [geïntimeerden] . met ingang van 1 januari 2025 geen bestuurders meer zijn geweest, althans geen bestuurders meer mochten zijn en dat [geïntimeerden] . hun aandelen dan hadden moeten aanbieden voor overname op 1 januari 2025. Novaborch heeft haar aandelen al aangeboden. De overdracht is nog niet geëffectueerd, maar de peildatum staat al vast.



5.15.
Niet betwist is dat [appellanten] bestuurders en aandeelhouders van ZLH zijn en de door haar gedreven onderneming willen voortzetten. Voor de continuïteit en de rust binnen ZLH zou onwenselijk zijn als [appellanten] bij het besturen en in het kader van de governance van ZLH door [geïntimeerden] . met gebruikmaking van een dwangsomveroordeling onder druk kunnen worden gezet, terwijl [geïntimeerden] . mogelijk de positie van bestuurders/aandeelhouders niet meer (hadden mogen) hebben. Als het standpunt van [appellanten] wordt gevolgd, is het financieel belang dat [geïntimeerden] . hebben bij de vennootschap bovendien slechts gelegen in de waarde van hun aandelen op een peildatum in het verleden. Op die waarde is het huidige beleid van [appellanten] niet van invloed.


5.16.
Deze omstandigheden nopen eens te meer tot terughoudendheid bij toewijzing van een algemene, met een dwangsom versterkte, veroordeling als gevorderd door [geïntimeerden] ..



5.17.
Slotsom van het vorenstaande is als volgt. De grieven treffen doel. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en de vordering van [geïntimeerden] . zal alsnog worden afgewezen. Ook de in hoger beroep opnieuw ingestelde vordering van [geïntimeerden] . zal worden afgewezen. [geïntimeerden] . zijn in het ongelijk gesteld en zullen daarom worden veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg en, samen met Novaborch die zich in hoger beroep aan hun zijde heeft gevoegd, in hoger beroep. Novaborgh zal tevens worden veroordeeld in de proceskosten van het incident tot voeging, de beslissing waarover is aangehouden tot dit eindarrest. Het hof stelt deze kosten als volgt vast:


Eerste aanleg


- salaris advocaat € 1.107,-


Incident tot voeging


- salaris advocaat € 1.290,- (tarief II, 1 punt)


Hoger beroep

- explootkosten € 112,37
- griffierecht € 798,-
- salaris advocaat € 2.580,- (tarief II, 2 punten)
- nasalaris € 189
totaal € 3.679,37






6Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover gewezen in de tussenkomst, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering van [geïntimeerden] . tegen [appellanten] alsnog af;

veroordeelt [geïntimeerden] . in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van de zijde van [appellanten] vastgesteld op € 1.107,-;

veroordeelt Novaborch in de kosten van het geding in het incident in hoger beroep, aan de zijde van de zijde van [appellanten] vastgesteld op € 1.290,-;

veroordeelt [geïntimeerden] . en Novaborch in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de zijde van [appellanten] vastgesteld op € 3.679,37, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt;

verklaart de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.



Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. van den Berg, M.M.M. Tillema en E. Schmieman en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.
Link naar deze uitspraak