Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:20748 
 
Datum uitspraak:29-05-2026
Datum gepubliceerd:13-08-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:SGR 25/7496
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Beroep. Verweerder heeft na een controle vastgesteld dat eiser niet ingeschreven staat voor een studie die recht geeft op studiefinanciering. Verweerder heeft het recht op studiefinanciering herzien en het recht op een studentenreisproduct is komen te vervallen. Eiser heeft een studie aangevinkt in het systeem van DUO, maar heeft zich niet ingeschreven. De gegevens die de opleiding doorgeeft zijn leidend. Geen geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel/motiveringsbeginsel. Beroep is ongegrond.
Trefwoorden:studiefinanciering
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/7496

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaak tussen



[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en



de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs
(gemachtigde: mr. G.J.M. Naber).




Inleiding

1. Met het besluit van 27 mei 2025 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij over de periode van januari 2025 tot en met december 2025 geen recht heeft op een studiefinanciering (te weten een overbruggingsfinanciering van januari 2025 tot en met maart 2025, een studiefinanciering van april 2025 tot en met december 2025 en een studentenreisproduct).


1.1.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 27 mei 2025. Met het bestreden besluit van 2 september 2025 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.



1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft op het verweerschrift gereageerd.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft fysiek deelgenomen: eiser. Hieraan heeft met behulp van een videoverbinding deelgenomen: gemachtigde van verweerder.




Beoordeling door de rechtbank


Waar gaat deze zaak over?


2. Verweerder heeft na een controle vastgesteld dat eiser vanaf 16 december 2024 niet ingeschreven staat voor een studie die recht geeft op studiefinanciering. Omdat eiser over de periode van januari 2025 tot en met december 2025 geen recht had op de toegekende studiefinanciering, heeft verweerder het recht herzien. Voorts is het recht op een studentenreisproduct komen te vervallen. Eiser is het met dit besluit niet eens.


Wat vindt eiser in beroep?


3. Eiser heeft in het systeem van verweerder aangegeven dat hij de studie HBO-Rechten voltijd bij de NTI zou gaan volgen. Volgens dit systeem gaf deze studie recht op studiefinanciering. Achteraf bleek dat het voor eiser niet mogelijk was om deze studie te volgen. Eiser stelt dat verweerder heeft nagelaten zorgvuldig te onderzoeken of de opleiding HBO-rechten voltijd bij de NTI daadwerkelijk bestaat en voldoet aan de voorwaarden voor studiefinanciering. Hierdoor zou er geen fair hearing hebben plaatsgevonden. Omdat verweerder deze opleiding zelf in het systeem heeft opgenomen, mocht eiser er op vertrouwen dat hij deze studie daadwerkelijk kon volgen en hiervoor studiefinanciering zou ontvangen. Eiser is van mening dat hem geen verwijt kan worden gemaakt. Tot slot stelt eiser dat verweerder het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd.


Wat zijn de regels?


4. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.


Wat is het oordeel van de rechtbank?


5. De rechtbank moet beoordelen of verweerder het recht op de studiefinanciering kon herzien, omdat eiser in de bewuste periode niet ingeschreven stond voor een opleiding die recht gaf op studiefinanciering.


5.1.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.



5.2.
Bij de beoordeling gaat de rechtbank uit van het volgende. Met het besluit van 17 januari 2025 heeft verweerder op aanvraag een studiefinanciering toegekend. In de aanvraag heeft eiser vermeld dat hij de opleiding Finance, Tax en Advice aan de Hogeschool Utrecht zou gaan starten per 1 april 2025. Op 31 maart 2025 heeft eiser een opleidingswijziging doorgegeven, waarin hij aangeeft dat hij met ingang van 1 april 2025 de opleiding HBO-Rechten Voltijd aan de NTI zal gaan volgen.



5.3.
Verweerder heeft na een controle vastgesteld dat eiser vanaf 16 december 2024 niet ingeschreven staat voor een studie die recht geeft op studiefinanciering. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de gegevens die de opleiding doorgeeft leidend zijn. Elke opleiding geeft de inschrijvingen door aan Register Onderwijsdeelnemers (ROD). Volgens dit register staat eiser vanaf 16 december 2024 niet meer ingeschreven. Eiser betwist ook niet dat hij zich niet heeft ingeschreven voor de opleiding HBO-Rechten voltijd bij de NTI. Een eerstejaars student kan zich namelijk niet meer aanmelden voor deze opleiding. Deze mogelijkheid staat alleen open voor studenten die vóór 16 maart 2023 zijn begonnen. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij er uiteindelijk voor heeft gekozen om geen studie meer te gaan volgen. Het voorgaande betekent dat eiser studiefinanciering heeft ontvangen waar hij achteraf bezien geen recht op had.



5.4.
Eiser heeft gesteld dat hem geen verwijt kan worden gemaakt, omdat het systeem van verweerder hem de optie gaf om voor de studie HBO-rechten voltijd bij de NTI te kiezen. Eiser doet een beroep op het vertrouwensbeginsel.


5.4.1.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Dit volgt uit vaste rechtspraak.



5.4.2.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Verweerder heeft uitgelegd dat het mogelijk is een aanvraag om studiefinanciering in te dienen op basis van alle opleidingen. Verweerder gaat er op basis van verantwoord vertrouwen vanuit dat een aanvrager de juiste studie selecteert bij de aanvraag om studiefinanciering. Pas achteraf wordt er gecontroleerd of betrokkene ook daadwerkelijk ingeschreven staat voor een studie die recht geeft op studiefinanciering. Daarbij heeft verweerder eiser in het toekenningsbesluit gewaarschuwd dat hij zijn studiefinanciering stop moet zetten bij uitschrijving van de opleiding. Aangezien eiser zich nooit heeft ingeschreven voor een opleiding en dus in de periode in geding niet heeft gestudeerd, mocht hij er niet op vertrouwen dat hij recht had op studiefinanciering.




5.5.
Hoe vervelend het voor eiser ook is dat hij de door hem gewenste studie niet kon volgen, had het wel op zijn weg gelegen om tijdig aan verweerder door te geven dat hij zich niet in heeft geschreven voor een studie. Nu eiser dit niet heeft gedaan is de studiefinanciering ten onrechte toegekend op basis van door eiser onjuist doorgegeven informatie. Verweerder was daarmee op grond van artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000 gehouden de aan eiser betaalde studiefinanciering te herzien.



5.6.
Eiser heeft ter zitting verklaard dat zijn beroep op fair hearing ziet op de motivering van verweerder. Verweerder zou onvoldoende zijn ingegaan op wat eiser aan gronden naar voren heeft gebracht. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een motiveringsgebrek. Verweerder heeft uitgelegd waarom de studie HBO-rechten voltijd bij de NTI nog steeds geselecteerd kan worden. Voor studenten die vóór 16 maart 2023 zijn begonnen is het namelijk nog mogelijk om deze studie te volgen en geeft deze studie recht op studiefinanciering. Van strijdigheid met één van de overige door eiser genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur is niet gebleken.




Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Pieterse, rechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Bijlage


Artikel 2.7. Aanspraak bij einde studie beroepsonderwijs

1. De aanspraak op studiefinanciering vervalt met ingang van de maand die volgt op de dag waarop de mbo-student het laatste studiejaar van een opleiding met goed gevolg heeft afgesloten.

2 Indien de mbo-student aansluitend aan het studiejaar dat als laatste studiejaar was aangemerkt, opnieuw dat laatste studiejaar aanvangt, ontstaat aanspraak op studiefinanciering voor het resterende gedeelte van het kalenderjaar.

3 Indien de mbo-student na zijn uitschrijving voor een opleiding binnen 4 maanden opnieuw deze opleiding aanvangt of een andere opleiding in de zin van deze wet gaat volgen, blijft, in afwijking van het eerste lid, op zijn aanvraag de aanspraak op studiefinanciering in de tussen beide opleidingen liggende periode voor ten hoogste 4 maanden bestaan. Hij wordt in die periode aangemerkt als mbo-student aan de eerste opleiding. In afwijking van artikel 3.21, tweede lid, kan de aanvraag in het daarop volgende studiejaar worden ingediend indien de uitschrijving binnen vier maanden voor het einde van het desbetreffende studiejaar heeft plaatsgevonden.


Artikel 2.8. Voltijdse opleidingen hoger onderwijs in Nederland

1. studiefinanciering kan een ho-student in aanmerking komen die is ingeschreven voor het volgen van een voltijdse associate degree-opleiding, voltijdse bacheloropleiding of een voltijdse masteropleiding aan een universiteit of hogeschool, opgenomen in de bijlage van de WHW of aan een rechtspersoon voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1 WHW.

Op grond van artikel 3.3, eerste lid, in samenhang met artikel 3.6, tweede lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) maakt een reisvoorziening deel uit van de toegekende studiefinanciering.


Artikel 7.1., tweede lid, aanhef en onder c, Herziening door Onze Minister

Herziening vindt plaats op grond van het feit dat:
te veel of te weinig studiefinanciering is toegekend, de vorm van de studiefinanciering onjuist is vastgelegd anders dan bedoeld in onderdeel b, de termijnbetaling te hoog of te laag is vastgesteld , de draagkracht van de debiteur te hoog of te laag is vastgesteld, de hoogte van het bedrag van de kwijtschelding, bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, te hoog of te laag is vastgesteld, de hoogte van de veronderstelde ouderlijke bijdrage te hoog of te laag is vastgesteld, of een onjuist besluit met betrekking tot de reisvoorziening is genomen op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens anders dan bedoeld onder a,


Zie artikel 2.8, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 en artikel 2.7, derde lid, van de Wet studiefinanciering 2000.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:559.
Link naar deze uitspraak