Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBZWB:2026:7350 
 
Datum uitspraak:07-08-2026
Datum gepubliceerd:14-08-2026
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:BRE 25/2730
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Omzetbelasting / aanslagtermijn / ABBB's / al dan niet bestaan fiscale eenheid is niet van belang voor de naheffingsaanslag.
Trefwoorden:fiscale eenheid
naheffingsaanslag
omzetbelasting
 
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Belastingrechtzaaknummer: BRE 25/2730


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 7 augustus 2026 in de zaak tussen




[belanghebbende] h.o.d.n. [v.o.f.] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. L.G.C.M. de Wit),

en



de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.




Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 16 mei 2025.


1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende over de tijdvakken gelegen in de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd van € 5.238.



1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende een verzuimboete van € 523 opgelegd (de boetebeschikking) en belanghebbende € 1.196 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).



1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard, de naheffingsaanslag verminderd tot € 5.012, de boetebeschikking verminderd tot € 501 en de belastingrentebeschikking verminderd tot € 1.144.



1.4.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.5.
Partijen hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn telkens verstrekt aan de wederpartij.



1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende, [belanghebbende] , tot bijstand vergezeld van de gemachtigde van belanghebbende, en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] , mr. drs. [inspecteur 2] en [inspecteur 3] Msc.




Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de belastingrentebeschikking terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.


2.1.
De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Feiten

3. Belanghebbende exploiteert een sportschool.


3.1.
Bij belanghebbende heeft een boekenonderzoek plaatsgevonden. Daarbij is de aanvaardbaarheid onderzocht van het fiscale resultaat uit onderneming en van de aangiften omzetbelasting over de tijdvakken gelegen in de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2022. Het rapport dat naar aanleiding van het boekenonderzoek is opgesteld (het controlerapport) is gedateerd 12 december 2024.



3.2.
Naar aanleiding van het boekenonderzoek is de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd. Daarbij heeft een correctie, van € 398, plaatsgevonden ter zake van het privégebruik van de auto die belanghebbende aan zijn vennoten ter beschikking heeft gesteld. Verder is een aansluitingsverschil van € 4.841 gecorrigeerd dat is geconstateerd tussen de volgens de jaarrekening 2019 van belanghebbende behaalde omzet en de door belanghebbende in de aangiften omzetbelasting over de tijdvakken gelegen in de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 aangegeven omzet.



3.3.
Bij de uitspraak op bezwaar is het aansluitingsverschil verminderd tot € 4.615.




Overwegingen

4. De correctie in verband met het in 3.2 bedoelde privégebruik van de auto is niet in geschil.


Ten aanzien van de door belanghebbende aangevoerde formele gronden



4.1.
Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag buiten de aanslagtermijn van drie jaar, zoals neergelegd in artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), is opgelegd.



4.2.
De rechtbank overweegt dat de door belanghebbende genoemde aanslagtermijn niet van toepassing is omdat artikel 11, derde lid, van de AWR geldt voor aanslagbelastingen terwijl de omzetbelasting een aangiftebelasting is. Voor aangiftebelastingen is de aanslagtermijn, zoals neergelegd in artikel 20, derde lid, van de AWR, vijf jaar. De naheffingsaanslag, welke is gedateerd 14 december 2024, is dan ook tijdig opgelegd.



4.3.
Daarnaast stelt belanghebbende dat de naheffingsaanslag is opgelegd voordat de informatiebeschikking tot stand is gekomen en dat de informatiebeschikking daardoor vervalt.



4.4.
De rechtbank overweegt dat in het onderhavige geval geen informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a van de AWR is vastgesteld, zodat hetgeen belanghebbende hierover heeft aangevoerd niet tot gegrondverklaring van het beroep kan leiden.



4.5.
Verder stelt belanghebbende dat de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden omdat de ambtelijke beoordeling geen blijk gaf van voldoende kennisname van de relevante feiten, cijfers en onderlinge verwevenheid van de geldende bedrijfsstructuren en dat de inspecteur het motiveringsbeginsel heeft geschonden omdat de beschikking niet is voorzien van de vereiste dragende motivering. Het handelen van de controleur komt volgens belanghebbende neer op een onrechtmatige daad.



4.6.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende, op wie in dit opzicht de bewijslast rust, niet aannemelijk gemaakt dat het zorgvuldigheids- en/of het motiveringsbeginsel is/zijn geschonden. Met het controlerapport en de motivering van de voorgenomen uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de naheffingsaanslag en de uitspraak op bezwaar voldoende onderbouwd. Het had op de weg van belanghebbende gelegen om (meer) specifiek aan te geven met welke relevante feiten en cijfers de inspecteur nog meer rekening had moeten houden. Op de verwevenheid van de geldende bedrijfsstructuren en op belanghebbendes stelling dat het rechtszekerheidsbeginsel is geschonden omdat vertrouwen mocht worden ontleend aan de wijze waarop de structuur en bedrijfsvoering jarenlang zijn aanvaard, gaat de rechtbank in het onderstaande in.


Ten aanzien van het materiële geschil




4.7.
Met het controlerapport en zijn toelichting ter zitting heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat de correctie in verband met het aansluitingsverschil (zie 3.2 en 3.3) terecht en tot het juiste bedrag is gemaakt.



4.8.
Met hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat het al dan niet bestaan van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting van belang is voor (de hoogte van) de onderhavige naheffingsaanslag. Om die reden falen ook belanghebbendes stellingen dat het zorgvuldigheids- en/of het rechtszekerheidsbeginsel is/zijn geschonden door verbreking van die fiscale eenheid en dat de controleur een onrechtmatige daad zou hebben gepleegd.



4.9.
Ter zitting heeft belanghebbende opgemerkt dat alleen de grondslag van de verzuimboete in geschil is en dat hij geen zelfstandige gronden tegen de boete wenste aan te voeren.



4.10.
De rechtbank overweegt dat, nu de boetegrondslag blijft gehandhaafd, hetzelfde heeft te gelden ten aanzien van de verzuimboete.



4.11.
Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de naheffingsaanslag volgt.




Conclusie en gevolgen

Het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.



Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier.













griffier


rechter







De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.



Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Link naar deze uitspraak