|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2026:7346 | | | | | Datum uitspraak | : | 07-08-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 14-08-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | BRE 23/11774 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | BPM / tussenuitspraak / bestuurlijke lus. | | Trefwoorden | : | belastingrecht | | | bpm | | | naheffingsaanslag | | | | Uitspraak | RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11774
tussenuitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 7 augustus 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze tussenuitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 10 november 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 5.606.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 23 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende (digitaal) en, namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende in bezwaar is gehoord. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank zal de inspecteur in de gelegenheid stellen om belanghebbende alsnog te horen in bezwaar. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Weergave van de gang van zaken rond het al dan niet horen
3. De gemachtigde van belanghebbende is uitgenodigd om te worden gehoord op 8 november 2023. De inspecteur wilde het hoorgesprek op korte termijn laten plaatsvinden omdat belanghebbende de inspecteur ingebreke had gesteld vanwege het niet tijdig beslissen op het bezwaar. In de uitnodiging is voor 125 zaken van verschillende belanghebbenden de gelegenheid geboden om een mondelinge toelichting op de bezwaren te geven.
3.1.
Het gesprek, aangaande 123 zaken, is op 8 november 2023 begonnen om 15.00 uur en om 17.15 uur heeft de gemachtigde van belanghebbende het gesprek beëindigd omdat hij zijn zoontje moest ophalen bij de kinderopvang. Op dat moment was in 82 zaken het gesprek gevoerd (de 82 zaken) en in 41 zaken, waaronder de zaak van belanghebbende, nog niet (de 41 zaken). De gemachtigde van belanghebbende heeft aangeboden om het gesprek de volgende morgen te hervatten. De inspecteur heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
3.2.
De gemachtigde van belanghebbende heeft aangeboden om in de 41 zaken in te stemmen met uitstel voor het doen van de uitspraken op bezwaar. De inspecteur heeft dit aanbod niet geaccepteerd omdat het administratief bewerkelijk was om de 82 zaken te scheiden van de 41 zaken en in de 82 zaken al wel uitspraken op bezwaar te doen. Omdat de gemachtigde niet heeft ingestemd om in alle 123 zaken uitstel voor het doen van uitspraken op bezwaar te verlenen, is de inspecteur ervan uitgegaan dat de belanghebbenden in alle 123 zaken zijn gehoord en heeft de inspecteur in al die zaken uitspraken op bezwaar gedaan.
Overwegingen
4. De rechtbank overweegt dat belanghebbende ten onrechte niet is gehoord in zijn bezwaren. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat hoewel de gemachtigde van belanghebbende zelf het hoorgesprek op die dag heeft beëindigd, hij heeft aangeboden om het in 3.1 bedoelde gesprek de volgende morgen te hervatten. Daarmee was er voor de inspecteur dus een gelegenheid om tijdig te horen, ongeacht de ingebrekestelling door belanghebbende.
4.1.
Aan hetgeen hiervoor is overwogen, doet niet af dat de gemachtigde van belanghebbende niet heeft ingestemd om in alle 123 zaken in te stemmen met uitstel voor het doen van uitspraken op bezwaar, omdat dit niet in het belang was van een flink aantal van zijn cliënten.
4.2.
De inspecteur heeft er weliswaar op gewezen dat het administratief bewerkelijk was om de 41 zaken van de 82 zaken te scheiden, maar hij heeft de rechtbank niet doen inzien dat en in hoeverre dit daadwerkelijk het geval was. Daarnaast heeft de inspecteur ervoor gekozen om de gemachtigde uit te nodigen voor een hoorgesprek waarbij een grote hoeveelheid zaken besproken zouden worden en heeft daarmee het risico genomen dat het horen in al die zaken niet zou lukken op die dag. Naar het oordeel van de rechtbank had de inspecteur aan het hervatten van het hoorgesprek niet de voorwaarde mogen stellen aan de gemachtigde dat hij akkoord zou gaan met het verlenen van uitstel voor het doen van uitspraak op bezwaar van andere belanghebbenden waardoor hij mogelijk die andere belanghebbenden zou benadelen.
4.3.
Nu partijen van mening verschillen over de feiten, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de schending van de hoorplicht voorbij te gaan met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.4.
Met het oog op het belang van definitieve geschilbeslechting en de voortgang van de procedure alsmede op verzoek van partijen, wijst de rechtbank de zaak niet terug. De rechtbank bepaalt, met toepassing van artikel 8:51a van de Awb, dat de inspecteur in de gelegenheid wordt gesteld om het geconstateerde gebrek te herstellen.
Conclusie en gevolgen
De rechtbank doet een tussenuitspraak om de zogenoemde bestuurlijke lus toe te passen. De inspecteur dient de rechtbank uiterlijk op 1 oktober 2026 te berichten of, na herstel van het gebrek, er reden is voor wijziging van zijn standpunt. De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.
Beslissing
De rechtbank:
- stelt de inspecteur in de gelegenheid om belanghebbende te horen en de rechtbank uiterlijk 1 oktober 2026 te berichten of, en zo ja in hoeverre, er reden is voor wijziging van de uitspraak op bezwaar en de standpunten in beroep;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze tussenuitspraak is gedaan door mr.drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier.
griffier
rechter
De tussenuitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Rechtsmiddel
Tegen deze tussenuitspraak staat geen rechtsmiddel open. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|