|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2026:7347 | | | | | Datum uitspraak | : | 07-08-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 14-08-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | BRE 23/10720 en 23/10721 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | BPM geen herleidingsmethode. | | Trefwoorden | : | belastingrecht | | | bpm | | | naheffingsaanslag | | | | Uitspraak | RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 23/10720 en 23/10721
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 7 augustus 2026 in de zaken tussen
[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
en
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).
Inleiding
1. Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen het niet (tijdig) doen van uitspraken op bezwaar.
1.1.
Hangende beroep heeft de inspecteur op 9 november 2023 uitspraken op bezwaar gedaan. Bij afzonderlijke beschikking heeft de inspecteur belanghebbende een dwangsom toegekend van € 230 (de dwangsombeschikking).
1.2.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 9 november 2023.
1.3.
De inspecteur heeft aan belanghebbende, ter zake van twee auto’s, een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 8.572.
1.4.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 17 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.5.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.6.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.7.
De rechtbank heeft de beroepen op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende (digitaal) en, namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank zal de beroepen ongegrond verklaren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende heeft op 2 maart 2022 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Ford Kuga, 1.5 Ecoboost ST Line met [VIN-nummer 1] (auto 1) en een bedrag aan Bpm voldaan van € 1.657.
3.1.
Belanghebbende heeft op 7 maart 2023 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Ford Kuga, 1.5 Ecoboost Vignale met [VIN-nummer 2] (auto 2) en een bedrag aan Bpm voldaan van € 2.055.
3.2.
Belanghebbende heeft in de aangiften een beroep gedaan op de taxatiemethode en bij elke aangifte een taxatierapport gevoegd.
3.3.
De inspecteur heeft hertaxaties laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm ter zake van elke auto € 6.142 bedraagt en de naheffingsaanslag Bpm opgelegd.
Overwegingen
Vooraf
4. Aangezien de inspecteur inmiddels uitspraak op bezwaar heeft gedaan, zal de rechtbank het beroep niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaren. In dat geval ziet het beroep van belanghebbende op basis van artikel 6:20, derde lid, van de AWB mede op het alsnog genomen besluit. De rechtbank gaat daarom hierna in op de door belanghebbende in dat kader aangevoerde gronden. De dwangsombeschikking is niet in geschil.
Herleidingsmethode
4.1.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025 slaagt de beroepsgrond van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode niet. In de enkele omstandigheid dat belanghebbende zich niet met dit arrest en met de voorafgaand aan dit arrest door [naam] genomen conclusie kan verenigen ziet de rechtbank geen aanleiding om prejudiciële vragen voor te leggen aan het HvJ.
Naheffingsaanslag en belastingrentebeschikking
4.2.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd.
4.3.
De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.
Immateriële schadevergoeding
4.4.
Belanghebbende maakt aanspraak op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het geschil beslecht had moeten zijn. De Hoge Raad heeft als uitgangspunt bepaald dat een redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg een periode van twee jaar bedraagt. Indien deze termijn wordt overschreden, is er aanleiding voor een vergoeding van immateriële schade.
4.5.
De rechtbank stelt vast dat in beide zaken (vrijwel) dezelfde geschilpunten ter discussie staan. De motivering van het beroep is in beide zaken (nagenoeg) identiek, dan wel in zeer hoge mate vergelijkbaar. Ten slotte zijn de zaken gezamenlijk behandeld op de zitting van 23 juli 2026. Gelet hierop bestaat er voor alle fasen van de procedure samenhang. Dit heeft tot gevolg dat ter vaststelling van het bedrag van de schadevergoeding voor beide zaken eenmaal het tarief van € 500 per half jaar overschrijding van de redelijke termijn wordt gehanteerd.
4.6.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 15 maart 2023 heeft ontvangen. De inspecteur heeft op 9 november 2023 uitspraken op bezwaar gedaan. De rechtbank doet uitspraak op 7 augustus 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond zeventien maanden overschreden. Belanghebbende heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 1.500. Van deze vergoeding komt € 176,47 (2/17e deel) voor rekening van de inspecteur. Het resterende bedrag van € 1.323,53 komt voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.
Griffierecht
4.7.
Belanghebbende stelt dat de inspecteur het griffierecht moet vergoeden omdat belanghebbende in beroep is gedrongen omdat de inspecteur niet (tijdig) heeft beslist op belanghebbendes bezwaren.
4.8.
De rechtbank overweegt dat de beroepen tegen de door de inspecteur alsnog gedane uitspraken op bezwaar ongegrond worden verklaard, zodat vergoeding van het griffierecht op grond van artikel 8:74, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet aan de orde is. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om vergoeding van het griffierecht te gelasten op grond van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb.
Conclusie en gevolgen
5. De beroepen zijn ongegrond. Belanghebbende heeft wel recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.500.
5.1.
Omdat het verzoek om immateriëleschadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van de proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht met een waarde van € 934 en een wegingsfactor 0,25. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 233,50. De inspecteur en de Staat moeten elk € 116,75 van dit bedrag vergoeden.
5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed. Het verzoek om immateriëleschadevergoeding is weliswaar gedaan vóór het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024, maar op die datum was de redelijke termijn nog niet verstreken.
Beslissing
De rechtbank:
-verklaart het beroep niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- verklaart de beroepen ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 176,47;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.333,33;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.
Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
Conclusie van 22 december 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1215.
Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
Hoge Raad 8 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3504.
Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023.1526, r.o. 5.2.
Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.1 en 7.1.2. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|