Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNHO:2026:10101 
 
Datum uitspraak:15-06-2026
Datum gepubliceerd:14-08-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Holland
Zaaknummers:12134816 AO VERZ 26-8
Rechtsgebied:Arbeidsrecht
Indicatie:In deze zaak verzoekt een werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een werknemer. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat er een redelijke grond is voor ontbinding, te weten verwijtbaar handelen. De kantonrechter kent geen billijke vergoeding toe aan de werknemer, omdat de ontbinding niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever.
Trefwoorden:arbeidsovereenkomst
burgerlijk wetboek
rittenregistratie
waterschap
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND


Civiel recht
Kantonrechter

Zittingsplaats Zaanstad

Zaaknummer / rekestnummer: 12134816 \ AO VERZ 26-8 (MdR)


Beschikking van 15 juni 2026


in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon Waterschap Amstel, Gooi en Vecht,
te Amsterdam,
verzoekende partij,
hierna te noemen: AGV,
gemachtigde: mr. J.S. van der Landen,

tegen



[verweerder]
,
te [woonplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. A. van Glabbeek.


De zaak in het kort


In deze zaak verzoekt een werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een werknemer. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat er een redelijke grond is voor ontbinding, te weten verwijtbaar handelen. De kantonrechter kent geen billijke vergoeding toe aan de werknemer, omdat de ontbinding niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever.




1De procedure


1.1.
AGV heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend.



1.2.
Op 15 juni 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Partijen hebben ook spreekaantekeningen overgelegd. Vóór de mondelinge behandeling heeft AGV met brieven en e-mails van 12 mei 2026 en 15 mei 2026 nadere stukken toegezonden.








2De feiten


2.1.

[verweerder] , geboren [geboortedatum] 1992, is sinds 15 januari 2019 in dienst bij AGV. De functie van [verweerder] is toezichthouder met een loon van € 4.777,83 bruto per maand.



2.2.

[verweerder] heeft op 27 oktober 2025 een formele waarschuwing gekregen naar aanleiding van een door AGV ontvangen klacht van een medeweggebruiker over onveilig rijgedrag van een dienstauto van AGV. Dat was de dienstauto van [verweerder] . AGV heeft [verweerder] op 11 februari 2026 per direct geschorst vanwege ernstige onregelmatigheden in de uitoefening van zijn functie en de daarbij behorende werkzaamheden.



2.3.
Met een brief van 17 februari 2026 heeft AGV aan [verweerder] medegedeeld dat gelet op de ernst van het handelen en nalaten van [verweerder] een onomkeerbare vertrouwensbreuk is ontstaan en dat AGV een verzoek zal doen om de arbeidsovereenkomst te ontbinden.



2.4.
Hoffmann Bedrijfsrecherche (hierna: Hoffmann) heeft op 5 maart 2026 een rapport opgesteld, naar aanleiding van een onderzoek in opdracht van AGV naar [verweerder] , in de periode van november 2025 tot en met januari 2026.



2.5.
In het rapport van 5 maart 2026 concludeert Hoffmann dat [verweerder] de dienstauto heeft gebruikt voor privédoeleinden en dat [verweerder] de ritten met de dienstauto niet conform interne regels en instructies heeft uitgevoerd. Verder is geconcludeerd dat de agenda van [verweerder] niet up-to-date was voorafgaand aan een werkdag, dat de agenda achteraf is bijgewerkt dan wel aangepast, en dat [verweerder] achteraf ‘thuiswerk’ heeft opgevoerd in de agenda, terwijl hij niet thuis mag werken. Hoffmann heeft in het rapport ook vastgesteld dat [verweerder] zich met de dienstauto meerdere keren niet heeft gehouden aan de maximum snelheid, en in de periode van april 2025 tot en met januari 2026 in ieder geval 44 keer met een snelheid van ten minste 120 kilometer per uur heeft gereden, waar 80 of 100 was toegestaan.



2.6.
Op 4 mei 2026 heeft [verweerder] een e-mail gestuurd naar zijn leidinggevenden, waarin hij onder andere het volgende heeft geschreven: “Ik erken dat mijn gedrag, onder andere met de bedrijfsauto, onacceptabel en onverantwoord is geweest en neem hiervoor de volledige verantwoordelijkheid.”





3Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek


3.1.
AGV verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden wegens verwijtbaar handelen, dan wel vanwege een verstoorde arbeidsverhouding of andere omstandigheden. Verder verzoekt AGV een verklaring voor recht dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dat hij geen recht heeft op een transitievergoeding. Ook wordt verzocht [verweerder] te veroordelen tot betaling van € 62.934,00 aan onderzoekskosten. AGV heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd – kort weergegeven – dat [verweerder] structureel zijn verplichtingen als toezichthouder op ernstige wijze heeft geschonden. Volgens AGV heeft [verweerder] geen adequaat agendabeheer gevoerd, heeft hij opgedragen werkzaamheden niet verricht, heeft hij de dienstauto oneigenlijk gebruikt, heeft hij meerdere ernstige verkeersovertredingen begaan, en heeft hij werkinstructies niet opgevolgd en oneigenlijke declaraties ingediend.



3.2.

[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Daartoe is – samengevat – aangevoerd dat het verzoek van AGV zich kenmerkt door te vergaande kwalificaties en onjuiste aannames en suggesties, terwijl een deugdelijke feitelijke en juridische onderbouwing daarvoor grotendeels ontbreekt. [verweerder] betwist dat hij bewust regels heeft overtreden en hij ontkent dat hij opgedragen werkzaamheden niet heeft verricht. Ook stelt [verweerder] dat hij AGV op geen enkele manier heeft willen benadelen. Verder meent [verweerder] dat hij geen onderzoekskosten verschuldigd is. Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] om toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding. Ook wordt verzocht om AGV te veroordelen tot uitbetaling van overuren.





4De beoordeling


het verzoek



4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is.



4.2.
Naar het oordeel van de kantonrechter is er een redelijke grond voor ontbinding, te weten verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] . Daarover wordt het volgende overwogen.



4.3.
Voor ontbinding wegens verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer is vereist dat dit handelen of nalaten van de werknemer zodanig is dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Het moet de werknemer van tevoren ook duidelijk zijn geweest wat wel of niet door de werkgever als toelaatbaar wordt gezien.



4.4.
De kantonrechter is van oordeel dat AGV met de overgelegde stukken en het rapport van Hoffmann voldoende heeft aangetoond en aannemelijk gemaakt dat [verweerder] zich schuldig heeft gemaakt aan het gestelde verwijtbaar handelen en nalaten.



4.5.
Uit de stukken en het rapport blijkt immers dat gedurende lange tijd sprake is geweest van een patroon waarin de door [verweerder] vermelde werkzaamheden in zijn agenda niet overeenkwamen met zijn rittenregistraties. Daarmee heeft [verweerder] zijn werkgedrag ook oncontroleerbaar gemaakt voor AGV. Verder blijkt uit de stukken en het rapport dat de dienstauto regelmatig is gebruikt voor privédoeleinden en dat sprake is van (in ieder geval) 44 geregistreerde forse verkeersovertredingen. In feite betwist [verweerder] dit ook niet, omdat hij in de hiervoor aangehaalde e-mail van 4 mei 2026 heeft geschreven dat hij erkent dat zijn gedrag met onder andere de bedrijfsauto onacceptabel en onverantwoord is geweest en dat hij daarvoor de volledige verantwoordelijkheid neemt.




4.6.
Daarbij komt dat uit overgelegde e-mails van de leidinggevenden van [verweerder] van onder meer 25 november 2024, 6 februari 2025, 1 augustus 2025 en 20 november 2025 blijkt dat [verweerder] er nadrukkelijk op is gewezen dat privégebruik van de dienstauto niet is toegestaan en dat hij zich aan afspraken moet houden, en dat hij erop is aangesproken dat hij moet letten op een juiste rittenregistratie, correct agendabeheer en een juiste uren- en verlofregistratie. Verder heeft [verweerder] met een brief van 27 oktober 2025 een formele waarschuwing gekregen over zijn rijgedrag.



4.7.
Mede gelet op het voorgaande is door AGV aan [verweerder] voldoende duidelijk gemaakt wat van hem werd verwacht op het gebied van agendabeheer, ritten- en urenregistratie en het op de juiste wijze omgaan met de dienstauto. Verder blijkt uit de stukken dat [verweerder] er bij meerdere gelegenheden op is gewezen dat privégebruik van de dienstauto niet is toegestaan.



4.8.
Uit het rapport van Hoffmann blijkt dat [verweerder] , ook na en ondanks de hiervoor genoemde duidelijke en nadrukkelijke instructies, zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan onjuiste ritten- en urenregistraties en onjuist agendabeheer. In dat rapport is op voldoende overtuigende en concrete wijze beschreven dat verschillende ritten van [verweerder] met de dienstauto op 15 december 2025, 6 januari 2026 en 12 januari 2026 niet overeenkwamen met zijn werkagenda, dat de agenda achteraf is aangepast en dat thuiswerk is geregistreerd dat niet is toegestaan. Dat brengt tevens mee dat verschillende declaraties van [verweerder] voor onkosten niet deugdelijk zijn. Ook blijkt uit dat rapport dat [verweerder] zich na de waarschuwing van 27 oktober 2025 opnieuw niet heeft gehouden aan de maximum snelheid.



4.9.
Het verweer van [verweerder] dat er geen bewijs is voor zijn verwijtbaar handelen kan gelet op het voorgaande geen doel treffen. Zijn stelling dat het onderzoek van Hoffmann disproportioneel is geweest, is op zichzelf geen reden om de conclusies in dat rapport buiten beschouwing te laten. Overigens is hiervoor al overwogen dat [verweerder] in zijn e-mail van 4 mei 2026 heeft erkend dat zijn gedrag onacceptabel en onverantwoord is geweest.



4.10.

[verweerder] heeft er nog op gewezen dat hij in de periode van 17 maart 2025 tot 6 oktober 2025 wegens ziekte ongeschikt is geweest voor zijn werkzaamheden, maar dat doet niet af aan het verwijtbaar handelen van [verweerder] . Dat verwijtbaar handelen heeft zich immers ook vóór en na die ziekteperiode voorgedaan en overigens is onvoldoende gebleken dat de ziekte van [verweerder] een relatie heeft met zijn verwijtbaar handelen.



4.11.
De kantonrechter komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat sprake is van zodanig verwijtbaar handelen en nalaten van [verweerder] dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet van AGV gevergd kan worden. Daarbij weegt mee dat juist van [verweerder] in zijn functie als toezichthouder, waarin hij veel vrijheid en zelfstandigheid heeft, mocht worden verwacht dat hij zich aan de regels en afspraken zou houden, zeker nadat hij daarop uitdrukkelijk was gewezen.



4.8.
De arbeidsovereenkomst zal daarom worden ontbonden wegens verwijtbaar handelen van [verweerder] . Gelet daarop is herplaatsing niet aan de orde.


4.12.
Voor zover [verweerder] een beroep doet op een opzegverbod omdat hij OR-lid is, overweegt de kantonrechter dat dit opzegverbod niet in de weg staat aan ontbinding. De ontbinding houdt daarmee immers geen verband.



4.13.
De arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden per1 augustus 2026. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, rekening houdend met de duur van deze procedure. Aan het verzoek van AGV om voorbij te gaan aan de opzegtermijn en de arbeidsovereenkomst eerder te ontbinden, wordt geen gehoor gegeven, omdat de ontbinding niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] , zoals hierna nog wordt toegelicht.



4.14.
AGV heeft een verklaring voor recht verzocht dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dat hij als gevolg daarvan geen recht heeft op een transitievergoeding. Deze uitzonderingsgrond waarop AGV zich beroept, heeft een beperkte reikwijdte en moet door de rechter terughoudend worden toegepast. De werknemer kan zijn recht op een transitievergoeding alleen kwijtraken in uitzonderlijke gevallen, waarin evident is dat het handelen of nalaten van de werknemer dat tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft geleid niet alleen als verwijtbaar, maar als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen als een werknemer zich schuldig maakt aan diefstal of andere misdrijven.



4.15.
Hoewel het handelen van [verweerder] naar het oordeel van de kantonrechter zeer kwalijk is, wordt de hoge lat van ernstige verwijtbaarheid niet gehaald. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat [verweerder] met zijn handelen het oogmerk heeft gehad om zichzelf te bevoordelen of AGV te benadelen. Er is eerder sprake van een situatie waarin [verweerder] bij herhaling in de fout is gegaan door een forse miskenning van het belang dat AGV hechtte aan nakoming van de afspraken en een kennelijk gebrek aan inzicht in zijn eigen rol en verantwoordelijkheid. De door AGV gevraagde verklaring voor recht wordt daarom afgewezen.



4.16.

[verweerder] heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van AGV om te bepalen dat de schorsing onverkort van kracht blijft gedurende deze procedure. Dit verzoek wordt daarom toegewezen.



4.17.
AGV verzoekt veroordeling van [verweerder] tot betaling van € 62.934,00 aan onderzoekskosten, te vermeerderen met btw. De kantonrechter ziet aanleiding om die kosten te bepalen op 10% van dit bedrag, dus op € 7.615,01 inclusief btw. Daarbij is het volgende van belang.







4.18.
AGV heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat er een duidelijke aanleiding was om onderzoek door Hoffmann te laten verrichten en dat daarvoor onderzoekskosten zijn gemaakt. Er was immers sprake van een verkeersovertreding door [verweerder] die heeft geleid tot een klacht van een medeweggebruiker. Nader onderzoek daarnaar was gerechtvaardigd, mede omdat [verweerder] de overtreding ter discussie stelde. Er was ook een aanleiding voor nader onderzoek, omdat de discussie over het agendabeheer en de rittenregistraties voortduurde. Hiervoor is vastgesteld dat [verweerder] verwijtbaar heeft gehandeld. Daarmee heeft [verweerder] ook gehandeld in strijd met goed werknemerschap en daarvan uitgaande is er een grondslag voor AGV om redelijke onderzoekskosten op [verweerder] te verhalen.



4.19.
Echter, bij de door AGV overgelegde factuur van Hoffmann ontbreekt iedere specificatie of toelichting van de werkzaamheden en de hoogte van de factuur. Gelet daarop kan niet worden vastgesteld of het gevorderde bedrag redelijk is, of dat bedrag in een redelijke verhouding staat tot noodzakelijke werkzaamheden en of dat bedrag volledig kan worden toegerekend aan [verweerder] . Aan het verzoek van AGV om alsnog specificaties in het geding te brengen, wordt voorbijgegaan, omdat zij dit al eerder had kunnen en moeten doen.
De redelijke kosten zijn daarom geschat op 10% van het gevorderde bedrag, bij gebreke aan nadere aanknopingspunten voor een concrete begroting van die kosten.



4.20.
De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan [verweerder] een billijke vergoeding toe te kennen, zoals door hem is verzocht. Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Dat zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen en als een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt. In dit geval is geen sprake van dergelijk ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door AGV. Dat volgt ook uit wat hiervoor is overwogen, namelijk dat het juist [verweerder] is geweest die verwijtbaar heeft gehandeld.



4.21.
Voor zover [verweerder] bedoeld heeft te stellen dat AGV ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door Hoffmann een opdracht te geven voor eerdergenoemd onderzoek, wordt [verweerder] daarin niet gevolgd. Zoals hiervoor al is overwogen, had AGV een voldoende en concrete aanleiding voor dat onderzoek.



4.22.
AGV hoeft geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken, omdat aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden.



4.23.
De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, gelet op de uitkomst van de zaak, gelet op het feit dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van partijen en omdat beide partijen op punten ongelijk krijgen.








het tegenverzoek




4.24.

[verweerder] heeft verzocht om toekenning van een transitievergoeding, voor het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden. De voorwaarde waaronder dit verzoek is gedaan, is vervuld, zodat het verzoek van [verweerder] beoordeeld moet worden.



4.25.
AGV stelt zich op het standpunt dat de gedragingen van [verweerder] die tot ontbinding van de overeenkomst hebben geleid, zijn te kwalificeren als ernstig verwijtbaar, zodat [verweerder] geen aanspraak kan maken op een transitievergoeding. Hiervoor is al overwogen dat [verweerder] niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Dit betekent dat hij recht heeft op een transitievergoeding. Partijen zijn het erover eens dat de transitievergoeding bij een einde van de arbeidsovereenkomst per 1 augustus 2026 een bedrag is van € 14.898,45 bruto. AGV wordt daarom veroordeeld tot betaling van dit bedrag.



4.26.
De vordering van [verweerder] om AGV te veroordelen tot betaling van 33,5 overuren wordt toegewezen. [verweerder] heeft zijn vordering gemotiveerd en onderbouwd, en exact en gespecificeerd aangegeven om welke uren het gaat. AGV heeft daartegenover onvoldoende weersproken en weerlegd dat [verweerder] deze uren gewerkt heeft. De stelling van AGV dat [verweerder] van zijn leidinggevende geen toestemming heeft verkregen voor deze overuren en dat die uren daarom niet uitbetaald hoeven worden, is onvoldoende onderbouwd. AGV heeft verwezen naar een productie bij het verzoekschrift, maar die productie bestaat uit meerdere e-mails en het is onduidelijk op welke e-mail AGV precies een beroep doet. Het is niet aan de kantonrechter om in producties op zoek te gaan naar informatie. De stelling dat overuren worden gecompenseerd met minderuren in andere weken en dat [verweerder] mogelijk alleen aanspraak heeft op een toeslag, is eveneens onvoldoende onderbouwd en toegelicht, en wordt daarom gepasseerd.



4.27.

[verweerder] heeft uitbetaling van het netto equivalent van een brutobedrag gevorderd. Niet in geschil is dat het bruto uurloon van [verweerder] per 1 april 2026 € 31,64 bedraagt en dat betekent dat er aanspraak is op betaling van een bedrag van € 1.854,90 bruto, rekening houdend met een op de zitting gebleken gemiddelde toeslag voor overuren van 75% (33,5 x € 31,64 x 1.75). AGV zal worden veroordeeld tot betaling van het netto equivalent daarvan. De gevorderde wettelijke verhoging wordt gematigd tot 10%.



4.28.
De kantonrechter ziet ook hier reden om te bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, mede gelet op de samenhang tussen het verzoek en het tegenverzoek.













5De beslissing

De kantonrechter:


het verzoek



5.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 augustus 2026;



5.2.
bepaalt dat de schorsing van [verweerder] onverkort van kracht blijft gedurende de ontbindingsprocedure;



5.3.
veroordeelt [verweerder] tot betaling aan AGV van € 7.615,01 (inclusief btw) als vergoeding voor de redelijke kosten van onderzoek door Hoffmann Bedrijfsrecherche, binnen veertien dagen na deze beschikking, en veroordeelt [verweerder] tot betaling van de wettelijke rente over deze kosten als niet binnen die termijn van veertien dagen is betaald;


het tegenverzoek




5.4.
veroordeelt AGV om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen van
€ 14.898,45 bruto;



5.5.
veroordeelt AGV tot betaling aan [verweerder] van het netto equivalent van een bedrag van € 1.854,90 bruto aan overuren, te vermeerderen met de wettelijke verhoging met een maximum van 10%;


het verzoek en het tegenverzoek




5.6.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt;



5.7.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;



5.8.
wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. Jansen en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026.



Artikel 7:669 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).


Artikel 7:669 lid 3, onderdeel e, BW.


Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 28 mei 2021, te vinden op www.rechtspraak.nl met nummer ECLI:NL:HR:2021:781 (InvestInFuture II).


Artikel 7:669 lid 1 BW.


Artikel 7:671b lid 6, onder a, BW.


Artikel 7:671b lid 9 BW.


Artikel 7:673 lid 7, onder c, BW.


Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 8 februari 2019, te vinden op www. rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2019:203 (Woondroomzorg).


Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 40.


Artikel 7:611 BW en artikel 6:96 lid 2 BW.


Artikel 7:671b lid 9, onder c, BW.


Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 10 maart 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, met nummer ECLI:NL:HR:2017:404.
Link naar deze uitspraak