|
|
|
| ECLI:NL:RBMNE:2026:5581 | | | | | Datum uitspraak | : | 05-08-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 17-08-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Midden-Nederland | | Zaaknummers | : | 12060736 MC EXPL 26-272 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Tussenvonnis. Non-conformiteit appartement in verband met een lekkage. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | koopovereenkomst | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12060736 \ MC EXPL 26-272
Vonnis van 5 augustus 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. F.A. Bijlenga, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 12 januari 2026 met een aantal wisselend genummerde producties; - de conclusie van antwoord met productie 1; - de conclusie van repliek met producties 1 tot en met 7; - de conclusie van dupliek.
1.2
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis wordt gewezen.
2De kern van de zaak
2.1
[eiser] heeft een woning van [gedaagde] gekocht. Kort na de levering ontstonden er daklekkages. Volgens [eiser] is de woning daardoor niet geschikt voor normaal gebruik. Daarom vordert hij vergoeding van de herstelkosten, vermeerderd met rente en kosten. [gedaagde] is het hier niet mee eens en voert verweer. In dit tussenvonnis oordeelt de kantonrechter dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de herstelkosten. [eiser] moet zich nog uitlaten over de hoogte daarvan.
3De beoordeling
Inleiding
3.1
Op 22 februari 2023 heeft [eiser] van [gedaagde] het appartement aan de [adres] te [plaats] gekocht (hierna: de woning). Op 3 april 2023 is de woning geleverd.
3.2
In de woning is als gevolg van een gebrek aan het dak een lekkage opgetreden. [eiser] stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat de woning door de lekkage niet geschikt is voor normaal gebruik. [gedaagde] is daardoor tekortgeschoten in de nakoming van de koopovereenkomst en aansprakelijk voor de door [eiser] geleden schade. Die schade bestaat uit de kosten in verband met het herstel van het dak die [eiser] via de vereniging van eigenaren (hierna: VvE) heeft betaald. In deze procedure vordert [eiser] betaling daarvan, vermeerderd met wettelijke rente en kosten.
3.3
De kantonrechter bespreekt hierna eerst of [eiser] tijdig heeft geklaagd en of zijn vordering is verjaard. Vervolgens onderzoekt zij of de woning bij de levering gebreken vertoonde en, zo ja, of de woning geschikt is voor normaal gebruikt. Daarna behandelt de kantonrechter de onderzoeks- en mededelingsplichten en tot slot de hoogte van de schadevergoeding.
[eiser] heeft zijn klachtplicht niet geschonden
Inleiding
3.4
[gedaagde] stelt dat [eiser] te laat heeft geklaagd over de lekkage. Volgens [gedaagde] trad de lekkage kort na de levering op 3 april 2023 op, terwijl [eiser] pas in juli 2025 een klacht heeft ingediend.
3.5
Uit artikel 7:23 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de koper geen beroep kan doen op een gebrek als hij de verkoper niet binnen bekwame tijd na ontdekking of het redelijkerwijs moeten ontdekken van het gebrek op de hoogte stelt.
3.6
Om te beoordelen of [eiser] aan deze klachtplicht heeft voldaan, moeten drie vragen worden beantwoord: wanneer heeft [eiser] de lekkage ontdekt of had hij die moeten ontdekken? Wanneer heeft [eiser] bij [gedaagde] geklaagd? En is de periode tussen deze twee momenten in de gegeven omstandigheden te lang?
De klachttermijn is gaan lopen op 17 september 2023
3.7
[eiser] schrijft in de dagvaarding dat hij ‘na de overdracht’ lekkages ontdekte, maar geeft niet precies aan wanneer dit was na de overdracht op 3 april 2023. Wel staat vast dat [eiser] in ieder geval op 17 september 2023 op de hoogte was van de lekkage. Op die datum heeft hij bij het bestuur van de VvE geklaagd over vochtdoorslag, vlekken en mogelijke lekkage. [gedaagde] heeft niet gesteld dat [eiser] de lekkage eerder heeft ontdekt.
3.8
[gedaagde] beroept zich wel op de onderzoeksplicht van [eiser] . Volgens [gedaagde] had [eiser] door onderzoek te doen naar de onderhoudsstaat van het dak en VvE-documenten de lekkage eerder moeten ontdekken. In dat geval zou de klachttermijn eerder gaan lopen.
3.9
De kantonrechter ziet dit anders. [eiser] stelt terecht dat [gedaagde] zijn mededelingsplicht heeft geschonden. Tijdens de VvE-vergadering van 9 maart 2022, waar [gedaagde] aanwezig was en waarvan [eiser] de notulen heeft overgelegd, is gesproken over lekkages in twee woningen in het appartementencomplex. In deze notulen staat ook dat [gedaagde] aangeeft dat de lekkages al langer spelen en dat hierover meerdere meldingen zijn gedaan. Ook is een onderzoek naar de staat van het dak besproken. Uit het onderzoeksrapport van 28 januari 2022 blijkt onder meer dat de daken uit 2015 stammen en in matige staat verkeren, dat de dakrandstroken loskomen, dat problemen te verwachten zijn en dat de dakbedekking in 2026 vervangen moet worden. Aangenomen mag daarom worden dat [gedaagde] op de hoogte was van de lekkageproblematiek in het appartementencomplex en de slechte staat van het dak. [gedaagde] wijst erop dat in de notulen staat dat er op 28 januari 2022 succesvol herstel heeft plaatsgevonden. Dit mag zo zijn, maar uit het rapport van diezelfde datum volgt ook dat het dak nog steeds in slechte staat verkeert en er in de toekomst problemen zijn te verwachten. [gedaagde] heeft niet gemotiveerd betwist dat hij [eiser] hierover niet heeft geïnformeerd. Hij stelt wel dat hij [eiser] de notulen uit 2022 heeft overhandigd, maar dat heeft [eiser] bij repliek betwist en heeft [gedaagde] vervolgens niet onderbouwd. Bovendien vulde [gedaagde] in de vragenlijst bij de koopovereenkomst alleen een daklekkage uit 2014 in en beantwoordde hij de vraag over gebreken aan de dakconstructie met ‘nee’.
3.10
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] had moeten begrijpen dat deze informatie voor [eiser] van belang was bij het nemen van de aankoopbeslissing en het bepalen van de koopprijs. Dat het dak pas in 2026 zou worden vervangen, maakt dat niet anders. [gedaagde] heeft dus zijn mededelingsplicht geschonden. In zo’n geval begint volgens artikel 7:23 lid 1 BW de klachttermijn te lopen vanaf het moment dat [eiser] het gebrek ontdekte, niet vanaf het moment dat hij het had moeten ontdekken. De kantonrechter stelt daarom 17 september 2023 als startdatum van de klachttermijn vast.
[eiser] heeft op 12 januari 2024 voor het eerst geklaagd
3.11
De tweede vraag is wanneer [eiser] voor het eerst bij [gedaagde] heeft geklaagd. [eiser] draagt hiervoor de stelplicht en bewijslast. Hij stelt ten eerste dat hij de lekkage op 17 september 2023 bij de VvE heeft gemeld. [gedaagde] wijst er terecht op dat in het kader van de klachtplicht het moment geldt dat [eiser] bij de verkoper heeft geklaagd, en niet bij de VvE.
3.12
Ten tweede wijst [eiser] op zijn e-mail van 8 januari 2024, waarin hij bij de verkoopmakelaar heeft geklaagd over de lekkage. Op 12 januari 2024 heeft de makelaar gereageerd en gemeld dat de klacht is doorgestuurd naar [gedaagde] . [gedaagde] heeft niet betwist dat hij deze klacht heeft ontvangen. Daarom gaat de kantonrechter ervan uit dat [eiser] voor het eerst op 12 januari 2024 bij [gedaagde] heeft geklaagd.
[eiser] heeft tijdig geklaagd
3.13
Tussen de ontdekking van de lekkage op 17 september 2023 en de eerste klacht van [eiser] bij [gedaagde] op 12 januari 2024 zit bijna vier maanden. De vraag is of dit ‘binnen bekwame tijd’ is, zoals bedoeld in artikel 7:23 lid 1 BW.
3.14
Het is aan [gedaagde] om voldoende feiten en omstandigheden te stellen, en zo nodig te bewijzen, waaruit volgt dat het tijdsverloop tussen het ontdekken van de lekkage en het moment van klagen, zo lang is geweest dat geen sprake is van een tijdige klacht. Er gelden geen vaste termijnen. De vraag of tijdig is geklaagd, moet worden beantwoord door alle belangen en relevante omstandigheden mee te wegen. Hierbij speelt een belangrijke rol of de belangen van de verkoper zijn geschaad. De ernst van de tekortkoming kan meebrengen dat de koper geen nalatigheid kan worden tegengeworpen.
3.15
Een periode van bijna vier maanden tussen het ontdekken van de lekkage en de klacht is relatief lang. Toch is dat in deze situatie niet te lang. [gedaagde] heeft niet aangetoond dat hij door het tijdsverloop in zijn belangen is geschaad. Hij stelt wel dat hij hierdoor is bemoeilijkt in zijn onderzoek naar de feitelijke situatie ten tijde van de levering en de oorzaak van de lekkage, maar legt niet uit waarom dit dan zo is en welke concrete bewijsproblemen dat oplevert. Daarbij is van belang dat het gebrek aan het dak bij de levering al bestond en dat [gedaagde] daarvan op de hoogte was. De kantonrechter weegt ook mee dat [gedaagde] een verwijt kan worden gemaakt, omdat hij de lekkageproblemen en de informatie over de staat van het dak bij de koop niet aan [eiser] heeft gemeld. [gedaagde] heeft verder niet gesteld dat door het tijdsverloop zijn mogelijkheden om de gevolgen van het gebrek te beperken zijn aangetast.
3.16
De conclusie is dat [eiser] zijn klachtplicht niet heeft geschonden en daarom een beroep kan doen op het gebrek aan de woning.
De vordering van [eiser] is niet verjaard
3.17
[gedaagde] doet in de conclusie van antwoord een beroep op artikel 7:23 lid 2 BW. Uit dat artikellid volgt dat rechtsvorderingen in verband met een gebrekkige zaak verjaren door verloop van twee jaren nadat er is geklaagd.
3.18
Dit verweer faalt. [eiser] heeft op 12 januari 2024 voor het eerst geklaagd, waardoor de verjaringstermijn op 12 januari 2026 zou eindigen. In de conclusie van repliek verwijst [eiser] echter naar WhatsAppberichten uit juli 2024. Daarin spreekt hij [gedaagde] aan over de lekkages en de gebreken aan het dak, vraagt hij om een bijdrage in de gemaakte herstelkosten en waarschuwt hij voor juridische stappen. De kantonrechter vindt dat deze berichten de verjaring op grond van artikel 3:317 lid 1 BW hebben gestuit. Voor [gedaagde] was dit een voldoende duidelijke waarschuwing dat hij rekening moest houden met de mogelijkheid dat de vordering van [eiser] nog geldend zou worden gemaakt.
3.19
Door de stuiting is een nieuwe verjaringstermijn gaan lopen en die is niet verstreken omdat [eiser] tijdig een vordering heeft ingesteld bij de kantonrechter (artikel 3:316 lid 1 BW).
De woning had bij de levering gebreken
3.20
De kantonrechter moet vaststellen of de woning bij de levering (feitelijk) gebreken had. [gedaagde] heeft niet betwist dat er rond 17 september 2023 lekkages in de woning waren. Dit wordt bevestigd door de foto’s die [eiser] heeft overgelegd, waarop vochtplekken op plafonds en wanden zichtbaar zijn.
3.21
[gedaagde] heeft ook niet betwist dat deze lekkages zijn veroorzaakt door gebreken aan het dak. Dit strookt ook met het hiervoor genoemde onderzoeksrapport van 28 januari 2022, waarin kort gezegd staat dat de daken in matige staat verkeren en problemen gaan opleveren. De inhoud van dit rapport is door [gedaagde] niet weersproken.
3.22
Omdat de lekkages zich kort na de levering voordeden en uit het onderzoeksrapport blijkt dat de daken van het appartementencomplex vóór de levering al gebreken hadden, gaat de kantonrechter ervan uit dat de lekkage en het gebrek in de woning bij de levering op 3 april 2023 al aanwezig waren.
De woning is niet geschikt voor normaal gebruik
3.23
Vervolgens moet de kantonrechter beoordelen of de gebreken maken dat de woning niet geschikt is voor normaal gebruik, en daarmee of [eiser] is tekortgeschoten in de nakoming van de koopovereenkomst. Anders gezegd: hoe moeten de feitelijke gebreken juridisch worden gekwalificeerd? [eiser] vindt dat de woning niet voor normaal gebruik geschikt was, maar [gedaagde] betwist dat.
3.24
Bij koop moet de afgeleverde zaak op grond van artikel 7:17 van het Burgerlijk Wetboek (BW) aan de overeenkomst beantwoorden. Dit artikel is van regelend recht. Dat betekent dat het partijen vrijstaat om van deze wettelijke regeling af te wijken.
3.25
Partijen hebben geen koopovereenkomst overgelegd. Wel heeft [gedaagde] in de conclusie van antwoord aangevoerd dat in de koopovereenkomst de volgende artikelen staan. [eiser] heeft dat niet betwist, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat partijen dit hebben afgesproken:
“6.1 De onroerende zaak zal aan koper in eigendom worden overgedragen in de staat waarin het zich bij het tot stand komen van deze koopovereenkomst bevindt met alle daarbij behorende rechten en aanspraken, zichtbare en onzichtbare gebreken, (…).
(…)
6.3
De onroerende zaak zal bij de eigendomsoverdracht de feitelijke eigenschappen bezitten die voor een normaal gebruik (lees: gebruik als woning) nodig zijn.”
3.26
Artikel 6.1 bevat de hoofdregel, namelijk dat [eiser] de woning heeft gekocht in de staat waarin deze zich bij het sluiten van de overeenkomst bevond met alle zichtbare en onzichtbare gebreken. [eiser] draagt dus in beginsel het risico van alle gebreken, zoals [gedaagde] terecht stelt.
3.27
Maar op die hoofdregel is in artikel 6.3 een uitzondering gemaakt. Daarin staat dat [gedaagde] ervoor instaat dat de woning bij de eigendomsoverdracht de eigenschappen heeft die nodig zijn voor een normaal gebruik als woning. Uit vaste rechtspraak volgt dat onder het begrip ‘normaal gebruik’ wordt verstaan dat in de woning moet kunnen worden gewoond op een voldoende veilige manier, met een redelijke mate van duurzaamheid en zonder dat het woongenot wezenlijk wordt aangetast. Niet ieder gebrek maakt dus dat van normaal gebruik van een woning geen sprake kan zijn.
3.28
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] door de hiervoor vastgestelde lekkage niet met een redelijke mate van duurzaamheid in de woning kan wonen zonder dat zijn woongenot wezenlijk wordt aangetast. [eiser] mocht verwachten dat het dak, zeker gelet op de leeftijd ervan (2015), waterdicht was en niet al in 2026 vervangen hoefde te worden. Vochtintreding via het plafond en langs de muren is een onaanvaardbare inbreuk op het woongenot van [eiser] . Dit betekent dat de woning bij de levering niet de eigenschappen bezat die voor een normaal gebruik als woning nodig zijn. Dat [eiser] de woning sinds 2023 heeft bewoond, zoals [gedaagde] stelt, maakt dit niet anders. Dit betekent immers niet dat het woongenot van [eiser] niet is aangetast.
3.29
[gedaagde] heeft aangevoerd dat uit de VvE-notulen uit 2022 niet blijkt dat er een acuut gebrek was of een definitief besluit tot vervanging is genomen, maar hooguit sprake was van een advies of een verwachting dat herstel rond 2026 aan de orde zou zijn. Volgens hem kan hem niet worden tegengeworpen dat de VvE eerder dan verwacht besluit tot herstelwerkzaamheden waarvoor niet voldoende reserves aanwezig zijn.
3.30
Dit verweer kan [gedaagde] niet baten. Vastgesteld is dat er ten tijde van de levering op 3 april 2023 sprake was van gebreken aan het dak die kort daarna voor lekkages in de woning hebben gezorgd. Dat er in de VvE-vergadering in 2022 nog geen definitief vervangingsbesluit was genomen, verandert hier niets aan. Dat de VvE eerder dan de verwachte levensduur van het dak tot herstel heeft besloten, hangt juist samen met de gebrekkige staat van het dak en kan daarom juist wel aan [gedaagde] worden tegengeworpen.
3.31
Het voorgaande betekent dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de koopovereenkomst. Op grond van artikel 6:74 BW is hij daarom in beginsel verplicht de schade die [eiser] daardoor lijdt te vergoeden.
3.32
[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat [eiser] niet heeft onderbouwd dat hij de woning niet of niet onder dezelfde voorwaarden (of tegen dezelfde koopprijs) zou hebben gekocht als hij alle informatie had gehad.
3.33
Dit standpunt kan [gedaagde] niet baten. Bij non-conformiteit gaat het erom of de koper een zaak is geleverd die niet aan de koopovereenkomst beantwoordt. De vraag of de koper de overeenkomst bij een juiste voorstelling van zaken wel of niet zou hebben gesloten, is daarbij niet relevant en speelt bij het dwalingsleerstuk. [eiser] doet in deze zaak echter geen beroep op dwaling.
Het beroep op de onderzoeksplicht van [eiser] slaagt niet
3.34
[gedaagde] voert aan dat [eiser] zijn onderzoeksplicht heeft geschonden door geen onderzoek te doen naar de staat van het dak en de VvE-stukken.
3.35
Dit verweer slaagt niet. De onderzoeksplicht van de koper stopt waar de mededelingsplicht van de verkoper begint. [eiser] stelt dus terecht dat de mededelingsplicht voor gaat op de onderzoeksplicht. Hiervoor is al geoordeeld dat [gedaagde] zijn mededelingsplicht heeft geschonden door [eiser] niet te informeren over de lekkageproblematiek in het appartementencomplex en de slechte staat van het dak. Als al vast zou komen te staan dat [eiser] zijn onderzoeksplicht heeft geschonden dan kan [gedaagde] hem dat niet tegenwerpen, omdat hij zelf zijn mededelingsplicht heeft geschonden.
Dat de daken gemeenschappelijk zijn, doet aan de aansprakelijkheid niet af
3.36
[gedaagde] heeft aangevoerd dat het gebrek zich bevindt in een gemeenschappelijk deel, namelijk het dak, en dat de onderhouds- en herstelverplichting daarvoor bij de VvE ligt. Eventuele gebreken aan gemeenschappelijke delen kunnen volgens [gedaagde] niet aan individuele eigenaren worden toegerekend.
3.37
Dit verweer gaat niet op. De koop betreft een appartementsrecht. Dit omvat de mede-eigendom van de gemeenschappelijke delen, zoals het dak. Vast staat dat het dak gebrekkig is en dat [gedaagde] daardoor een gebrekkige zaak aan [eiser] heeft geleverd. Dat het onderhoud en herstel van de gemeenschappelijke delen via de VvE loopt, verandert daar niets aan. [eiser] draagt als lid van de VvE bij aan deze kosten en vordert in deze procedure alleen het deel van de herstelkosten dat hij moest bijdragen.
3.38
[gedaagde] heeft ook gesteld dat de verplichting van [eiser] om bij te dragen aan de herstelkosten voortvloeit uit het appartementsrecht en niet uit de tekortkoming. De kantonrechter volgt dit niet. [gedaagde] heeft een gebrekkige zaak geleverd en is aansprakelijk voor de herstelkosten. Dat de VvE de opdracht tot herstel heeft gegeven en [eiser] via zijn lidmaatschap daaraan bijdraagt, doet aan de aansprakelijkheid van [gedaagde] niet af.
[gedaagde] moet vervangende schadevergoeding betalen
3.39
Als de woning niet aan de overeenkomst beantwoordt, dan heeft [eiser] recht op herstel (artikel 7:21 lid 1 sub b BW). [eiser] wil echter niet dat [gedaagde] de gebreken nog herstelt en vordert in plaats daarvan de kosten van herstel door een andere partij. Hij vordert daarmee vervangende schadevergoeding als bedoeld in artikel 6:87 BW.
3.40
Voor vervangende schadevergoeding is vereist dat [gedaagde] in verzuim is geraakt en dat [eiser] de verbintenis tot nakoming heeft omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding. [gedaagde] heeft niet betwist dat hij in verzuim is geraakt. Een omzettingsverklaring is door [eiser] niet overgelegd. De rechtbank begrijpt de dagvaarding echter zo dat daarin de omzettingsverklaring ligt besloten, omdat daarin vervangende schadevergoeding wordt gevorderd. Dit betekent dat [eiser] herstel door [gedaagde] niet meer hoeft te accepteren en [gedaagde] de kosten van herstel door een andere partij moet betalen.
[eiser] moet zich nog uitlaten over de hoogte van de herstelkosten
3.41
Tot slot moeten de herstelkosten worden begroot. [eiser] vordert betaling van
€ 3.397,13. Hij stelt dat dit zijn aandeel is in de herstelkosten die de VvE voor het herstel van het dak heeft gemaakt en niet vanuit de VvE-reserve konden wordt bekostigd.
3.42
In de conclusie van dupliek heeft [gedaagde] aangevoerd dat [eiser] – kort gezegd – niet heeft aangetoond dat het bedrag van € 3.397,13 ziet op de herstelkosten van het dak. Daarnaast heeft [gedaagde] gesteld dat er rekening gehouden moet worden met voordeelstoerekening. Dit betekent dat volgens [gedaagde] het dak na de vervanging meer waard is dan ervoor (‘nieuw voor oud’), omdat het dak een bepaalde levensduur heeft waarvan ten tijde van de vervanging al een deel was verstreken.
3.43
[eiser] heeft nog niet op deze twee verweren kunnen reageren. De kantonrechter zal hem daarom in de gelegenheid stellen om dit alsnog bij akte te doen. In de akte moet [eiser] in ieder geval ingaan op:
de vraag welke herstelwerkzaamheden er precies zijn uitgevoerd;
de vraag wat die herstelwerkzaamheden in totaal hebben gekost (bij voorkeur door een factuur van de aannemer te overleggen);
de vraag hoe die kosten onder de appartementseigenaren zijn verdeeld (bij voorkeur door een schriftelijke verklaring van de VvE te overleggen);
het verweer van [eiser] ter zake voordeelstoerekening (‘nieuw voor oud’).
3.44
Na het nemen van deze akte zal de kantonrechter een eindvonnis wijzen. Daarbij wordt ook beslist op de door [eiser] gevorderde rente, incassokosten en proceskosten.
Partijen kunnen de herstelkosten ook in overleg vaststellen
3.45
Vast staat dat [gedaagde] tegenover [eiser] aansprakelijk is voor de herstelkosten aan het dak. De mogelijkheid bestaat dat partijen in onderling overleg de hoogte van de door [gedaagde] aan [eiser] te betalen schadevergoeding vaststellen (een schikking treffen). In dat geval hoeft [eiser] geen akte meer te nemen en komt er een einde aan deze zaak.
3.46
Als partijen dat willen, kan de kantonrechter een eventuele schikking vastleggen in een proces-verbaal. Zo’n proces-verbaal wordt in executoriale vorm uitgegeven.
3.47
Als partijen een schikking hebben getroffen dan kunnen zij dat aan de griffie van de rechtbank doorgeven.
4De beslissing
De kantonrechter
4.1
verwijst de zaak naar de rol van 2 september 2026 om 10:00 uur voor het nemen van een akte door [eiser] over de herstelkosten zoals omschreven in randnummer 3.43;
4.2
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.
!
HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3593.
HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8991.
HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1489. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|