|
|
|
| ECLI:NL:RBZWB:2026:7008 | | | | | Datum uitspraak | : | 30-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 18-08-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Zeeland-West-Brabant | | Zaaknummers | : | 26/356 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Weigeren inkomstenvrijlating. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit bevat een motiveringsgebrek. De rechtbank is van oordeel dat de weigering om een inkomstenvrijlating toe te passen wel terecht is. Daarom wordt het bestreden besluit vernietigd, maar blijven de rechtsgevolgen in stand. | | Trefwoorden | : | bijstandsuitkering | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/356 PW
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. M.L.M. Klinkhamer),
en
het dagelijks bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers (Baanbrekers), verweerder.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de weigering van Baanbrekers om een inkomstenvrijlating toe te passen op de bijstandsuitkering van eiser. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit van Baanbrekers.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van Baanbrekers een motiveringsgebrek bevat. Maar omdat de rechtbank vindt dat Baanbrekers wel terecht geweigerd heeft om een inkomstenvrijlating toe te passen, blijft die weigering wel in stand. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 26 augustus 2025 (primair besluit) heeft Baanbrekers besloten dat eiser geen recht heeft op een inkomstenvrijlating, waardoor zijn inkomsten uit arbeid volledig worden gekort op zijn bijstandsuitkering. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.
2.1.
Met het bestreden besluit van 9 december 2025 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Baanbrekers heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2026 op zitting behandeld, tegelijk met een andere zaak tussen partijen met zaaknummer 26/355. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en namens Baanbrekers mr. Y. Dogan.
Totstandkoming van het bestreden besluit
Feiten en omstandigheden
3. Eiser ontvangt een uitkering op grond van de Participatiewet (PW).
3.1.
Vanaf 1 september 2024 was eiser werkzaam als conciërge op een basisschool. Omdat niet de volledige bijstandsnorm aan loon werd ontvangen, kreeg eiser een aanvullende uitkering. Bij besluit van 9 september 2024 is een inkomstenvrijlating toegepast voor de periode van zes maanden van 25% van de inkomsten uit arbeid. Deze inkomstenvrijlating is geregeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder n, van de PW.
3.2.
Per e-mail van 13 februari 2025 heeft eiser aangegeven dat er door een bedrijfsarts een medische urenbeperking is vastgesteld, waardoor hij nog 12 maanden recht heeft op 15% inkomstenvrijlating. Door Baanbrekers is dit aangemerkt als een verzoek tot inkomstenvrijlating wegens een medische urenbeperking. Baanbrekers heeft het UWV verzocht om te beoordelen of eiser medisch urenbeperkt is. Het UWV heeft op 24 juli 2025 een advies uitgebracht waarin door de verzekeringsarts is geconcludeerd dat er onvoldoende medische argumenten zijn om een urenbeperking op te leggen op energetische, preventieve of praktische gronden, mits er voldoende rekening wordt gehouden met de aanwezige lichamelijke beperkingen. Eiser is wel ten minste 30 uur per week belastbaar in werk.
3.3.
Op basis van dit advies heeft Baanbrekers met het primaire besluit overwogen dat het UWV heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van een medische urenbeperking en dat om die reden de inkomstenvrijlating niet wordt toegepast.
3.4.
Baanbrekers heeft op verzoek van eiser een bedrijfsarts van Active Health Group (hierna: AHG) ingeschakeld om onderzoek te doen. In een rapport van AHG wordt eiser geacht voor 20 uur per week belastbaar te zijn voor licht, zittend werk.
Standpunt Baanbrekers
4. Baanbrekers heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat op grond van de Participatiewet het UWV de wettelijk aangewezen instantie is om te adviseren over de vaststelling van een medische urenbeperking en de daaruit voortvloeiende inkomstenvrijlating. Daarom mocht Baanbrekers in beginsel uitgaan van het door het UWV uitgebrachte advies, tenzij er sprake is van concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid of de inhoudelijke juistheid daarvan. Daarvan is volgens Baanbrekers niet gebleken.
Eiser stelt ten onrechte dat het advies aangeeft dat hij maximaal 30 uur per week zou kunnen werken. In werkelijkheid betekent het advies dat hij ten minste 30 uur per week kan werken. Volgens de richtlijnen van het UWV vormt 30 uur de grens voor een medische urenbeperking, waardoor het advies niet duidt op een urenbeperking.
Beroepsgronden
5. Eiser voert aan dat er sprake is van een medische urenbeperking en dat er dus recht is op de gevraagde inkomstenvrijlating. De urenbeperking komt voort uit het deskundigenadvies van AHG, waarin gesteld wordt dat eiser voor 20 uur per week belastbaar is, en dus niet voor 30 uur per week zoals in het advies van het UWV is gesteld. Het is onduidelijk waarom er geen doorslaggevende betekenis is toegekend aan het deskundigenadvies van AHG. Het standpunt dat dit advies geen expliciete conclusie zou bevatten ten aanzien van een medische urenbeperking en daarom buiten beschouwing is gelaten, is onvoldoende houdbaar. Voor het vaststellen van een medische urenbeperking is immers de vastgestelde belastbaarheid van eiser doorslaggevend. Juist deze belastbaarheid is expliciet beoordeeld en vastgesteld in het advies van AHG. Het deskundigenadvies van AHG had tenminste aanleiding moeten geven tot twijfel aan de volledigheid van het advies van het UWV. Echter is dit advies vrijwel links gelaten. Eiser staat reeds langere tijd onder behandeling van de huisarts en neuroloog in verband met onder meer polyneuropathie en longaanvallen.
Juridisch kader
6. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
6.1.
Kort samengevat kom het erop neer dat voor een inkomstenvrijlating zoals eiser die wil, sprake moet zijn van een medische urenbeperking. Voor het vaststellen van zo’n medische urenbeperking moet Baanbrekers advies vragen aan het UWV.
Beoordeling door de rechtbank
7. De rechtbank stelt vast dat het UWV-advies luidt dat er geen urenbeperking op medische gronden kan worden aangenomen. Dit advies is naar het oordeel van de rechtbank op een zorgvuldige wijze tot stand gekomen. In beginsel mag Baanbrekers zich dan ook hierop baseren, tenzij er aanknopingspunten zijn om daaraan te twijfelen. Eiser heeft zelf niks ingebracht ter onderbouwing van zijn standpunt, maar verwijst naar het advies van AHG. Dit advies stelt dat eiser voor 20 uur per week belastbaar is, en wanneer beperkingen niet toenemen voor tenminste zes weken, er een uitbreiding mag plaatsvinden. Dat is naar het oordeel van de rechtbank een aanknopingspunt voor twijfel aan het UWV-advies.
7.1.
Baanbrekers heeft in het bestreden besluit ten onrechte overwogen dat het UWV moet worden gevolgd, en dat daar niet van mag worden afgeweken. Ter zitting heeft Baanbrekers aangegeven dat het AHG-advies feitelijk overeenkomt met het UWV-advies, omdat het AHG adviseert te beginnen met een belastbaarheid van 20 uur per week en dat dit kan worden uitgebreid. De rechtbank volgt niet dat de adviezen van het UWV en AHG feitelijk overeenkomen. In ieder geval omdat AHG heeft geadviseerd te beginnen met een belastbaarheid van 20 uur, wat een urenbeperking inhoudt. Evenmin is zeker of eisers belastbaarheid (na zes weken) kan worden uitgebreid tot 30 uur of meer. De rechtbank constateert dan ook dat er sprake is van een motiveringsgebrek.
7.2.
Indien er sprake is van een motiveringsgebrek moet Baanbrekers in beginsel in de gelegenheid worden gesteld om dit te herstellen. De rechtbank ziet hier geen aanleiding toe, aangezien door Baanbrekers dit in het verweerschrift en ter zitting niet is gelukt. Het valt dan ook niet te verwachten dat Baanbrekers een aanvullende toereikende motivering zal verstrekken. Om die reden hakt de rechtbank zelf de knoop door.
7.3.
De rechtbank stelt vast dat er een uitgebreid en goed gemotiveerd advies van het UWV is. De conclusies van de verzekeringsarts zijn gebaseerd op eigen onderzoek van eiser en op medische informatie van meerdere behandelaars. Daar tegenover staat een kort advies van AHG waar niet uit blijkt hoe het onderzoek is verricht en niet uit blijkt waarop de conclusie dat er een urenbeperking aan de orde is, is gebaseerd. Er is hierdoor sprake van een conclusie zonder deugdelijke onderbouwing. Verder heeft eiser geen medische stukken aangeleverd die zijn standpunt onderbouwen. Gelet hierop kan naar het oordeel van de rechtbank worden uitgegaan van het advies van het UWV dat er geen grond is voor een medische urenbeperking en is er dus terecht geen inkomstenvrijlating toegepast.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond, omdat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft. Maar, zoals onder 7.3 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de weigering om een inkomstenvrijlating toe te passen wel terecht is. Daarom zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen, maar de rechtsgevolgen in stand laten. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en er voor hem niets verandert.
8.1.
Baanbrekers moet wel het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. Baanbrekers moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt € 1.868,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend (1 punt) en aan de zitting heeft deelgenomen (1 punt). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- bepaalt dat Baanbrekers het griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt Baanbrekers tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M.E. Strijbos, griffier, op 30 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Participatiewet
Artikel 6b
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder medisch urenbeperkt verstaan: als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling voor een geringer aantal uren belastbaar zijn dan de arbeidsduur welke in overeenkomstige dienstbetrekkingen in de regel geacht wordt een volledige dienstbetrekking te vormen.
Het college kan:
a. ambtshalve vaststellen of een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 1, of artikel 7a, eerste lid, onderdeel a, die algemene bijstand ontvangt, medisch urenbeperkt is;
b. op schriftelijke aanvraag van een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 1, of artikel 7a, eerste lid, onderdeel a, die algemene bijstand ontvangt, vaststellen of hij medisch urenbeperkt is.
(…)
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verricht voor het college de werkzaamheden ten behoeve van de vaststelling of een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 1, of artikel 7a, eerste lid, onderdeel a, die algemene bijstand ontvangt, medisch urenbeperkt is en adviseert het college hierover.
Artikel 31
(…)
2. Niet tot de middelen van de belanghebbende worden gerekend:
n. inkomsten uit arbeid tot 25 procent van deze inkomsten, met een maximum van € 285,00 [per 1 juli 2026: € 289,00] per maand, voor zover hij algemene bijstand ontvangt, waarbij voor een persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt geldt dat die inkomsten gedurende ten hoogste zes maanden niet tot de middelen worden gerekend en dat dit naar het oordeel van het college moet bijdragen aan zijn arbeidsinschakeling;
(…)
y. inkomsten uit arbeid van een persoon die medisch urenbeperkt is tot 15 procent van deze inkomsten uit arbeid, met een maximum van € 180,19 [per 1 juli 2026: € 182,73] per maand, voor zover hij algemene bijstand ontvangt, tenzij onderdeel n van toepassing is;
Dat staat in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder y, van de PW.
Dat is geregeld in artikel 6b, tweede lid, van de PW. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|