|
|
|
| ECLI:NL:RBLIM:2026:7835 | | | | | Datum uitspraak | : | 30-07-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 18-08-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Limburg | | Zaaknummers | : | C/03/353690 / KG ZA 26-25 C/03/353690 / KG ZA 26-25 | | Rechtsgebied | : | Goederenrecht | | Indicatie | : | Erfdienstbaarheid. Geen belang bij gevorderde maatregel in kort geding omdat eiser stelt duidelijkheid te willen krijgen over het al dan niet bestaan van de erfdienstbaarheid. Voorshands is bovendien niet aannemelijk dat onder het OBW een erfdienstbaarheid door bestemming of door verjaring is ontstaan. Het betreft hier geen voortdurende of zichtbare erfdienstbaarheid. | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | koopovereenkomst | | | perceel | | | | Uitspraak | RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/353690 / KG ZA 26-257
Vonnis in kort geding van 30 juli 2026
in de zaak van
[eisende partij]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
advocaat: mr. G.A.M.F. Spera,
tegen
1 [gedaagde partij 1] ,
te [plaats] ,2. [gedaagde partij 2],
te [plaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen, in enkelvoud, te noemen: [gedaagde partijen] .
advocaat: mr. S.J.H.G.M. Schils.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de aanvullende productie 11 en de akte overlegging extra productie met productie 12 van de zijde van [eisende partij] ;
- de door [gedaagde partijen] overgelegde producties 1 tot en met 9;- de mondelinge behandeling van 16 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waar partijen hun standpunten nader hebben toegelicht aan de hand van pleitnota’s, die onderdeel uitmaken van het proces-dossier.
2De feiten
2.1.
[eisende partij] is sinds 12 februari 1997 eigenaar van het perceel [adres 1] . [gedaagde partijen] is sinds 25 februari 2004 eigenaar van het perceel [adres 2] . Tussen het perceel van [eisende partij] en [gedaagde partijen] ligt het perceel [adres 3] . Op het voorste deel van ieder van deze drie percelen bevindt zich een woning. Iedere woning heeft vanuit de voorgevel toegang tot de openbare weg [straat 1] . De woningen zijn tegen elkaar aan gebouwd. Vanaf de straat gezien is [adres 1] links gelegen. Aan de rechterzijde van perceel [adres 2] loopt een verhard pad vanaf de straat naar achteren. Dit pad is op de kadastrale kaart aangeduid als [straat 2] (cva, productie 5).
2.2.
De openbare weg [straat 1] was in het verleden genaamd [straat 3] . Bij de hernoeming van de weg zijn de huisnummers niet gewijzigd. In dit vonnis wordt met [straat 1] tevens bedoeld: [straat 3] .
2.3.
In een onderhandse akte uit juli 1944 (dagvaarding, productie 3) is door de toenmalige eigenaren van de percelen [adres 1] , [adres 3] en [adres 2] overeengekomen dat ten behoeve van [adres 1] en ten laste van de percelen [adres 3] en [adres 2] een erfdienstbaarheid wordt gevestigd van uit- en toegang naar en van de [straat 3] , zulks op de wijze zoals ten tijde van het opmaken van de onderhandse akte reeds geschiedde. Tevens is in deze onderhandse akte overeengekomen dat een zelfde erfdienstbaarheid wordt gevestigd ten behoeve van perceel [adres 3] en ten laste van perceel [adres 2] .
2.4.
In de considerans van de onderhandse akte is overwogen dat de eigenaren van de percelen [adres 1] , [adres 3] en [adres 2] ieder op 2 september 1942 door overdracht eigenaar zijn geworden van hun perceel en dat reeds op dat moment de eigenaar van [adres 1] het recht had om over de percelen [adres 3] en [adres 2] naar de [straat 3] te gaan en dat eenzelfde recht toekwam aan de eigenaar van perceel [adres 3] .
2.5.
De in de akte van juli 1944 overeengekomen erfdienstbaarheden zijn niet ingeschreven in de openbare registers.
2.6.
[gedaagde partijen] heeft op 25 februari 2004 de eigendom van perceel [adres 2] onder bijzondere titel verkregen door levering op grond van een daartoe strekkende koopovereenkomst. In de akte van levering is onder meer het volgende opgenomen:
“OMSCHRIJVING ERFDIENSTBAARHEDEN, KWALITATIEVE
BEDINGEN EN/OF BIJZONDERE VERPLICHTINGEN
Koper aanvaardt uitdrukkelijk die lasten en beperkingen welke met
betrekking tot het verkochte zijn ingeschreven in de openbare Registers
als bedoeld in artikel 16 boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede die
erfdienstbaarheden die niet zijn ingeschreven, maar uit de feitelijke
situatie (kunnen) blijken en door verjaring en/of bestemming zijn
ontstaan.
Koper is bekend met het "recht van achterpad" ten behoeve van de
bewoners van [adres 1] en [adres 3] , hetgeen niet officieel als
erfdienstbaarheid staat beschreven.”
2.7.
De woning [adres 1] is aan de achterzijde dieper dan de woningen [adres 3] en [adres 2] . In de zijgevel van de woning [adres 1] is een buitendeur aangebracht die rechtstreeks uitkomt op het perceel [adres 3] . Vanaf die deur loopt een betegeld pad door de achtertuinen van de woningen [adres 3] en [adres 2] en dat uitkomt op het [straat 2] (dit betegelde pad zal hierna in zijn geheel worden aangeduid als ‘het pad’). Het pad ligt direct tegen de achtergevels van de woningen [adres 3] en [adres 2] . Achter het pad (vanuit de woningen gezien) liggen de achtertuinen van de woningen [adres 3] en [adres 2] . De achtertuinen van de percelen [adres 3] en [adres 2] zijn van elkaar gescheiden door een schutting. In die schutting bevindt zich ter hoogte van het pad een poort. Perceel [adres 2] is door middel van een muur afgescheiden van het [straat 2] . In die muur bevindt zich een poort. Indien [eisende partij] over het pad van zijn woning naar het [straat 2] gaat, moet hij dus achtereenvolgens door de poort in de schutting en in de muur.
2.8.
[eisende partij] heeft zijn woning [adres 1] bij onderhandse akte van 7 mei 2026 verkocht aan derden. Als datum van overdracht is afgesproken 29 juli 2026. Na het sluiten van de koopovereenkomst is er, door een toevallig contact met [gedaagde partijen] , bij de kopers onduidelijkheid ontstaan over de aard en de inhoud van het recht van overpad. In een e-mailbericht van 13 mei 2026 aan (de makelaar van) [eisende partij] hebben de kopers medegedeeld dat zij financiële compensatie willen indien blijkt dat er geen erfdienstbaarheid van overpad is gevestigd (dagvaarding, productie 11).
3Het geschil
3.1.
[eisende partij] vordert dat [gedaagde partijen] wordt veroordeeld bij vonnis, vor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om binnen 7 dagen na betekening van het vonnis:
A. medewerking te verlenen aan het opmaken van een notariële akte, welke door de notaris
zal worden ingeschreven in de openbare registers van het kadaster, waarin de bestaande
erfdienstbaarheid wordt bevestigd of althans door de eigenaren van het perceel kadastraal
bekend [kadastrale aanduiding 1] , plaatselijk bekend als [adres 2]
(het dienend erf) wordt gevestigd, ten behoeve van de eigenaren
van de percelen kadastraal bekend [kadastrale aanduiding 2] en
[kadastrale aanduiding 3] , plaatselijk bekend respectievelijk [adres 3] en [adres 1]
als heersende erven, een erfdienstbaarheid van overpad over een strook grond (hierna:
het pad) met een breedte van ca. 150 centimeter, gelegen aan de achterzijde van het
dienende erf, om te komen van de heersende erven naar de openbare weg, het kadastrale
perceel [kadastrale aanduiding 4] , waarbij van het pad, tevens als vluchtweg,
te voet gebruik mag worden gemaakt, eventueel met medeneming van een fiets aan de
hand, een kar of anderszins een hulpmiddel voor het vervoer van goederen of een
afvalcontainer;
B. het pad begaanbaar te houden, waartoe de bomen of struiken tijdig zullen worden
gesnoeid, de verharding van het pad zal worden onderhouden en zal worden
zorggedragen voor een functionerende afwatering;
C. wanneer het pad met een poort, hek of anderszins zal zijn afgesloten door de eigenaren
van het dienende erf aan de eigenaren van de heersende erven een sleutel van deze
afsluiting zal worden verstrekt en zorg voor zal worden gedragen dat deze vanaf de zijde
van het heersende kan worden ontsloten;
waarbij [gedaagde partijen] voorts zal worden veroordeeld tot betaling van een dwangsom aan [eisende partij] van € 2.500,00 voor iedere dag of een gedeelte daarvan, dat hij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt en zal bepalen dat na het vollopen van de dwangsommen het vonnis in de plaats komt van de medewerking van [gedaagde partijen] (artikel 3:300 BW);
met veroordeling van [gedaagde partijen] in de kosten van de procedure.
3.2.
[gedaagde partijen] voert verweer. [gedaagde partijen] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eisende partij] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
Het (ontbreken van) belang bij de gevorderde inschrijving van de erfdienstbaarheid
4.2.
[eisende partij] stelt dat hij (een spoedeisend) belang heeft dat het bestaan van de door hem gestelde erfdienstbaarheid wordt vastgesteld (dagvaarding, 5). Daartoe voert hij aan dat hij de woning [adres 1] heeft verkocht en op 29 juli 2026 moet leveren aan de kopers. De kopers hebben in een brief van 13 mei 2026 aan de makelaar van [eisende partij] medegedeeld dat zij aanspraak maken op een financiële compensatie indien blijkt dat van een erfdienstbaarheid geen sprake is (dagvaarding, 19-21, pleitnota, 16). De voorzieningenrechter oordeelt omtrent het aldus gestelde (spoedeisend) belang als volgt.
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat [eisende partij] het recht heeft om vanuit zijn woning over het pad te gaan van en naar het [straat 2] en daarmee ook over het deel van het pad dat over het perceel van [gedaagde partijen] loopt. Feitelijk maakt [eisende partij] van dit recht ook geregeld gebruik, zo is uit zijn verklaring ter zitting gebleken. Door [gedaagde partijen] wordt echter betwist dat dit recht moet worden gekwalificeerd als een recht van erfdienstbaarheid in de zin van artikel 5:70 lid 1 BW. Volgens hem betreft het hier een persoonlijk recht met een beperkte inhoud.
4.4.
De voorzieningenrechter is bevoegd om in spoedeisende zaken een onmiddellijke voorziening te geven. Deze voorziening heeft naar haar aard een voorlopig karakter. De voorzieningenrechter kan in kort geding om die reden geen declaratoir vonnis wijzen, omdat een dergelijk vonnis naar zijn aard geen voorlopig karakter heeft. In lijn hiermee geldt dat aan het oordeel van de voorzieningenrechter geen gezag van gewijsde toekomt (HR 16 december 1994, NJ 1995/213). Hoewel de vordering tot medewerking aan de inschrijving van een erfdienstbaarheid in beginsel in kort geding wel kan worden toegewezen in het geval de voorzieningenrechter voorshands van oordeel is dat die verplichting tot medewering bestaat, wordt daarmee de rechtstoestand tussen partijen niet vastgesteld. Met andere woorden, toewijzing van de vordering tot inschrijving geeft in onderhavige zaak geen definitief oordeel over de vraag of voldaan is aan alle vereisten voor het ontstaan van een geldige erfdienstbaarheid, ook niet indien op grond van een veroordelend vonnis de erfdienstbaarheid daadwerkelijk wordt ingeschreven en het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Ook in dat geval heeft [gedaagde partijen] de bevoegdheid om in een bodemprocedure de vraag voor te leggen of door verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan. Slechts in een dergelijke bodemprocedure kan het bestaan van een erfdienstbaarheid, en daarmee de rechtsverhouding tussen partijen, met gezag van gewijsde worden vastgesteld.
4.5.
Nu [eisende partij] duidelijkheid wenst te krijgen omtrent de vraag of een erfdienstbaarheid is ontstaan, heeft hij geen belang bij toewijzing van de in nummer 3.1. onder A weergegeven vordering tot het verlenen van medewerking aan de inschrijving, omdat daarmee die door hem gewenste duidelijkheid niet wordt verkregen. Om die reden moet deze vordering worden afgewezen.
Over het al dan niet bestaan van een voor inschrijving vatbare erfdienstbaarheid
4.6.
De vordering tot het verlenen van medewerking aan de inschrijving kan ook niet worden toegewezen, omdat voorshands onvoldoende aannemelijk is geworden dat op grond van de wet een erfdienstbaarheid is ontstaan en dat om die reden op [gedaagde partijen] de verplichting rust om aan de inschrijving medewerking te verlenen. Daartoe geldt het volgende.
- geen erfdienstbaarheid door vestiging op grond van artikelen 742 en 743 OBW
4.7.
In een onderhandse akte uit juli 1944 is door de eigenaren van [adres 1] , [adres 3] en [adres 2] overeengekomen dat ten behoeve van het perceel [adres 1] en ten laste van de percelen [adres 3] en [adres 2] een erfdienstbaarheid van uit- en toegang wordt gevestigd van en naar de [straat 1] . In die akte wordt verwezen naar het recht dat de eigenaar van [adres 1] op het moment van het opmaken van de akte reeds had (krachtens toestemming van de vorige eigenaar) om over de percelen [adres 3] en [adres 2] naar de openbare weg te gaan.
4.8.
Hoewel in de onderhandse akte is overeengekomen dat een erfdienstbaarheid zal worden gevestigd, staat vast dat de titel nimmer in de daartoe bestemde openbare registers is ingeschreven, zoals werd vereist in art. 743 OBW. Door inschrijving in de registers is dus op grond van de akte van juli 1944 geen erfdienstbaarheid gevestigd.
4.9.
Volgens [eisende partij] is er, ondanks het ontbreken van die inschrijving toch een erfdienstbaarheid ontstaan. Daartoe voert hij aan dat de erfdienstbaarheid is ontstaan:
- door bestemming op grond van artikel 747 OBW;
- door verjaring vóór 1992 op grond van de betreffende bepalingen in het OBW dan wel na 1992 op grond van de betreffende bepalingen in het BW.
De voorzieningenrechter zal die grondslagen hierna achtereenvolgens bespreken.
- geen erfdienstbaarheid door bestemming op grond van artikel 747 OBW
4.10.
In zijn akte overlegging extra productie heeft [eisende partij] als grondslag van de verkrijging van een erfdienstbaarheid aangevoerd dat deze op grond van artikel 747 OBW door bestemming is ontstaan. Bij bedoelde akte overlegging extra productie heeft [eisende partij] als productie 12 een handgeschreven schriftelijk stuk overgelegd dat volgens hem een akte van levering uit 1944 is, waarin de eigendom van de woningen [adres 1] , [adres 3] , [adres 2] en [adres 4] door één eigenaar aan even zovele rechtsopvolgers werd overgedragen. Deze percelen waren tot de dag van de levering eigendom van één eigenaar, de heer [persoon] en vormden gezamenlijk het perceel [kadastrale aanduiding 5] . Daarmee was, zo begrijpt de voorzieningenrecht de stellingen van [eisende partij] , op dat moment voldaan aan de vereisten voor het ontstaan van een erfdienstbaarheid door bestemming.
4.11.
Door [gedaagde partijen] is betwist dat de door [eisende partij] overgelegde productie 12 een akte van levering uit 1944 betreft waarbij de eigendom van de percelen [adres 1] , [adres 3] , [adres 2] en [adres 4] is overgedragen. Gezien de slechte leesbaarheid van productie 12 kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit kort geding niet worden vastgesteld of de productie een leveringsakte is uit 1944 met de door [eisende partij] gestelde inhoud. Bovendien volgt uit de onderhandse akte uit juli 1944 dat de toenmalige eigenaren van de percelen [adres 1] , [adres 3] , [adres 2] die eigendom hadden verkregen in 1942, zodat het niet waarschijnlijk is dat productie 12 een leveringsakte uit 1944 is. Gezien de opmaak van het betreffende stuk komt het de voorzieningenrechter waarschijnlijker voor dat productie 12 een afschrift betreft uit het openbaar register waarin (wellicht) de overdracht van de percelen [adres 1] , [adres 3] , [adres 2] en [adres 4] is ingeschreven.
4.12.
Indien er echter met [eisende partij] veronderstellenderwijs vanuit wordt gegaan dat in 1944 door de toenmalige eigenaar [persoon] de percelen [adres 1] , [adres 3] , [adres 2] en [adres 4] zijn overgedragen aan evenzovele rechtsopvolgers, dan nog kan dat voorshands niet de gevolgtrekking dragen dat er op dat moment door bestemming een erfdienstbaarheid van overpad is ontstaan. Daartoe geldt het volgende.
4.13.
Verkrijging van een erfdienstbaarheid door bestemming was op grond van art. 747 OBW slechts mogelijk voor de ‘voortdurende en zigtbare’ erfdienstbaarheden. In artikel 724 lid 3 OBW was bepaald dat de niet-voortdurende erfdienstbaarheden zijn de ‘zulke welke tot derzelver uitoefening ’s menschen toedoen noodig hebben, als daar zijn: het regt van overgang, van water halen, beesten te weiden (…)’. (onderstreping voorzieningenrechter). Het recht van overgang, zoals in casu gevestigd in de onderhandse akte van juli 1944, was in het OBW dus aangemerkt als een niet-voortdurende erfdienstbaarheid die niet door bestemming kon worden verkregen.
4.14.
In de rechtspraak en literatuur is in de nadagen van de gelding van het OBW aanvaard dat onder omstandigheden door bestemming ook een erfdienstbaarheid van overpad kon ontstaan. Dit kon zich in het bijzonder voordoen indien op grond van een voortdurende inrichting van het heersende en dienende perceel naar buiten toe kenbaar was dat uitsluitend ten behoeve van het heersende erf een bepaald deel van het dienende erf werd gebruikt, zodat uit de plaatselijke gesteldheid het bestaan van een erfdienstbaarheid ondubbelzinnig bleek (HR 9 juli 1990, NJ 1990, 733 en HR 27 september 1996, NJ 1997, 496).
4.15.
Daarbij heeft ook te gelden dat voor het aannemen van het ontstaan van een erfdienstbaarheid van overpad door bestemming, door de partij die zich op het bestaan ervan beroept zodanige feiten en omstandigheden met betrekking tot de gesteldheid van het betrokken deel van het lijdend erf moeten worden gesteld, dat daaruit de beweerde bestemming ondubbelzinnig kan blijken (conclusie A-G, randnummer 2.15, bij HR 9 juli 1990, NJ 1990, 733). Op grond van hetgeen door [eisende partij] op dit punt is gesteld, is voorshands onvoldoende aannemelijk geworden dat door bestemming een erfdienstbaarheid van overpad is ontstaan.
4.16.
Omtrent de inrichting van de percelen ten tijde van de overdracht in 1944 (dan wel 1942) is door [eisende partij] zelfs helemaal niets gesteld. Indien er veronderstellenderwijs vanuit wordt gegaan dat die inrichting overeenkwam met de huidige inrichting van de percelen, dan geldt dat uit die inrichting niet ondubbelzinnig blijkt dat op perceel [adres 2] een erfdienstbaarheid rust ten behoeve van perceel [adres 1] . Het deel van het pad dat over [adres 2] loopt, wordt blijkens het verhandelde tijdens de zitting ook gebruikt door [gedaagde partijen] zelf alsmede door de bewoner van [adres 3] en is dus niet exclusief in gebruik bij [eisende partij] . De poort in de schutting tussen de percelen [adres 2] en [adres 3] is niet een omstandigheid waaruit ondubbelzinning het bestaan van een erfdienstbaarheid ten dienste van het naast perceel [adres 3] gelegen perceel [adres 1] blijkt. Het feit dat in de zijgevel van de woning [adres 1] een deur is aangebracht (waarvan niet duidelijk is of die in 1942/1944 reeds aanwezig was) die uitkomt op perceel [adres 3] , maakt dat oordeel niet anders. Uit die omstandigheid volgt immers niet ondubbelzinnig dat van die deur gebruik wordt gemaakt ten laste van perceel [adres 2] .
4.17.
Uit het voorgaande volgt dat de vordering tot medewerking aan de inschrijving van de erfdienstbaarheid niet kan worden toegewezen op de grondslag dat door bestemming een erfdienstbaarheid is ontstaan.
- geen erfdienstbaarheid door verjaring
4.18.
Gezien de grondslagen van de vordering is het de vraag of vervolgens een erfdienstbaarheid door verjaring is ontstaan. Onder vigeur van het OBW is dit niet gebeurd. Daartoe geldt het volgende.
4.19.
Verkrijging van een erfdienstbaarheid door verjaring was op grond van art. 744 OBW slechts mogelijk voor de ‘voortdurende en zigtbare’ erfdienstbaarheden. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen in nummer 4.13, was het recht van overgang, zoals in casu gevestigd in de onderhandse akte van juli 1944, in het OBW aangemerkt als een niet-voortdurende erfdienstbaarheid die niet door verjaring kon worden verkregen.
4.20.
Evenals bij de verkrijging van een erfdienstbaarheid door bestemming is in de rechtspraak en literatuur in de nadagen van de gelding van het OBW aanvaard dat onder omstandigheden door verjaring ook een erfdienstbaarheid van weg kon ontstaan. Ook bij de verkrijging door verjaring gold in dat geval het vereiste dat op grond van een voortdurende inrichting van het heersende en dienende perceel naar buiten toe kenbaar was dat uitsluitend ten behoeve van het heersende erf een bepaald deel van het dienende erf werd gebruikt, zodat uit de plaatselijke gesteldheid het bestaan van een erfdienstbaarheid ondubbelzinnig bleek (HR 30 juni 1978, NJ 1979, 117). Om dezelfde redenen dat in casu voorshands moet worden geoordeeld dat door bestemming geen erfdienstbaarheid van overpad is ontstaan, moet worden geoordeeld dat evenmin door verjaring een erfdienstbaarheid van overpad is ontstaan.
4.21.
Daar komt bij dat voor een verkrijgende verjaring op grond van artikel 2000 lid 1 dan wel lid 2 OBW vereist was dat de bezitter te goeder trouw was. Die goede trouw ten aanzien van het bezit van een zakelijk recht werd onder het OBW niet aanwezig geacht indien voor de vestiging van dat recht inschrijving in de openbare registers was vereist en die inschrijving niet had plaatsgevonden (zie onder meer Asser-Beekhuis, Zakenrecht 3-I, 10e druk 1975, pag. 288). Bij het ontbreken van goede trouw was onder het OBW een verkrijgende verjaring niet mogelijk. Dit doet zich in casu voor, nu destijds de eigenaren hebben nagelaten om de in akte van juli 1944 overeengekomen erfdienstbaarheid in te schrijven in de registers.
4.22.
Het voorgaande betekent dat onder het OBW geen erfdienstbaarheid door verjaring is ontstaan ten behoeve van het perceel [adres 1] .
4.23.
Gezien de juridische grondslag van de vordering en het beroep op artikel 5:72 BW, is er volgens [eisende partij] vervolgens na de invoering van het BW in 1992 op grond van de bepalingen in het huidige BW alsnog een erfdienstbaarheid door verjaring ontstaan. Ook die stelling kan niet worden gevolgd en wel hierom.
4.24.
Voor een verkrijgende verjaring op grond van artikel 5:99 lid 1 BW dan wel op grond van artikel 3:105 lid 1 BW is vereist dat de verkrijger bezitter is van het recht dat verkregen wordt. In casu dient [eisende partij] dus gedurende 10 jaar bezitter te goeder trouw zijn geweest, respectievelijk bezitter op het moment dat een rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit werd voltooid. Aan dat vereiste is niet voldaan.
4.25.
Anders dan onder het recht zoals dat gold tot 1992, noemt de wet als vereisten voor bezit niet meer met zoveel woorden dat het ‘niet dubbelzinnig’ en ‘openbaar’ moet zijn. Uit de wetsgeschiedenis blijkt evenwel dat ook naar het huidige recht deze eisen gelden en dat beide eigenschappen in het wettelijk begrip ‘bezit’ besloten liggen (HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309). ‘Niet-dubbelzinnig bezit’ is aanwezig wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt, daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar dan wel rechthebbende van een absoluut recht te zijn (HR 15 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993: ZC0826, NJ 1993/178 (rov. 3.2)), hetgeen naar objectieve maatstaven beoordeeld moet worden. Indien de zaak in het bezit van een ander is, is een op zichzelf staande machtsuitoefening onvoldoende om dit gebruik als bezit aan te merken (art. 3:113 lid 2 BW).
4.26.
In dit geval bestond er blijkens de akte van juli 1944 al voor die tijd een persoonlijk recht voor de eigenaar van [adres 1] om over een pad aan de achterzijde van de percelen [adres 3] en [adres 2] naar de openbare weg te gaan. Die persoonlijke afspraak is, anders dan partijen bij de akte van juli 1944 kennelijk beoogden, niet omgezet in een (naar de terminologie van toen) zakelijk recht. Het voortgezet gebruik bleef daarmee berusten op het persoonlijk recht van de eigenaar van perceel [adres 1] . Dit komt tot uitdrukking in de akte van levering d.d. 25 februari 2004, waarbij de eigendom van [adres 2] aan [gedaagde partijen] is geleverd. Daarin wordt melding gemaakt van het ‘recht van achterpad, ten behoeve van de bewoners van (onder meer) perceel [adres 1] , welk recht ‘niet officieel als erfdienstbaarheid staat beschreven’. Voor [gedaagde partijen] (en diens voorgangers) kon het gebruik van het pad aan de achterzijde van het perceel op objectieve gronden worden aangemerkt als een gebruik op grond van een persoonlijk recht van overpad. Voorshands is daarmee onvoldoende aannemelijk geworden dat het gebruik van het achterpad door [eisende partij] dan wel diens rechtsvoorgangers, moet worden aangeduid als een bezit van een erfdienstbaarheid. Van een verkrijging van een erfdienstbaarheid op grond van verjaring onder huidig recht kan daarom evenmin sprake zijn.
De vorderingen tot begaanbaar houden van het pad en het verstrekken van een sleutel
4.27.
De vorderingen weergegeven in 3.1 onder B. en C. om het pad begaanbaar te houden, de verharding te onderhouden, te zorgen voor een afdoende afwatering en het verstrekken van een sleutel indien het pad met poort of hek zal worden afgesloten, zijn onvoldoende onderbouwd. Niet is gesteld dat het pad niet begaanbaar is, dat het slecht onderhouden is, dat door onvoldoende afwatering het pad niet gebruikt kan worden en dat [gedaagde partijen] voornemens is om de poorten met sloten af te sluiten zonder dat [eisende partij] of diens rechtsopvolgers een sleutel krijgen. Bij dit onderdeel van het gevorderde heeft [eisende partij] dus geen belang, zodat de betreffende vorderingen zullen worden afgewezen.
Slotsom en proceskostenveroordeling
4.28.
[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partijen] worden begroot op:
- griffierecht
€
341,00;
- salaris advocaat
€
1.177,00;
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing);
totaal
€
1.707,00.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eisende partij] af,
5.2.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 1.707,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. dr. Verhoeven en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|