Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHDHA:2026:2432 
 
Datum uitspraak:16-07-2026
Datum gepubliceerd:19-08-2026
Instantie:Gerechtshof Den Haag
Zaaknummers:BK-24/120
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Belanghebbende exploiteert in een vof een schip waarmee plantaardige olie (spijsolie) wordt vervoerd. De ladingtanks van het schip worden regelmatig gereinigd door deze schoon te spoelen met water. Het met spijsolie vervuilde waswater (slops) wordt verzameld in sloptanks. Belanghebbende ontdoet zich van de slops door deze op te laten halen door een vethandelaar, die de slops weer doorverkoopt aan een vethandelaar. Als het percentage olie in de slops hoog genoeg is, krijgt belanghebbende ervoor betaald. Volgens de Inspecteur heeft belanghebbende de betalingen voor de slops niet alleen per bank, maar ook contant ontvangen. Omdat de gestelde contante betalingen niet zijn verwerkt in de administratie van de vof en belanghebbende deze niet heeft aangegeven in zijn aangifte IB/PVV, heeft de Inspecteur navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw, een rentebeschikking en een vergrijpboete opgelegd. De Inspecteur heeft in totaal vijf, uit de administratie van de vervoerder afkomstige contantfacturen overgelegd, die tezamen optellen tot het door hem gestelde bedrag aan contante betalingen. Het Hof acht de ontvangst van de door de Inspecteur gestelde contante betalingen aannemelijk omdat de accountant van een viertal contantfacturen heeft erkend dat daarvoor ontvangsten hebben plaatsgevonden, welke niet zijn aangegeven. Ook de contante betaling ter zake van de resterende contantfactuur heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt. De navorderingsaanslagen en rentebeschikking worden gehandhaafd; de boetebeschikking was in eerste aanleg al vernietigd. Belanghebbende heeft – boven op de door de Rechtbank reeds toegekende vergoeding – recht op een aanvullende vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep. Wat betreft de vernietigde vergrijpboete wordt compensatie verleend met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb (vgl. onder meer HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1337, r.o. 5.3.1).
Trefwoorden:belastbaar inkomen uit werk en woning
belastingrecht
inkomstenbelasting
omzetbelasting
tarieven
vennootschapsbelasting
zelfstandigenaftrek
 
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/120


Uitspraak van 16 juli 2026

in het geding tussen:


[X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: M.J. van Dam)

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )

op het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 19 december 2023, nummers SGR 21/4583 en SGR 21/4584.




Procesverloop


1.1.
Aan belanghebbende is over het jaar 2012 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.247 (de navorderingsaanslag IB/PVV). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen heeft de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 377 aan belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikking IB/PVV) en een vergrijpboete opgelegd van € 1.002 (de boetebeschikking). Tevens is aan belanghebbende over het jaar 2012 een navorderingsaanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (ZVW) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 45.629 (de navorderingsaanslag ZVW). Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 44 aan belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikking ZVW).



1.2.
Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de door belanghebbende gemaakte bezwaren tegen de in 1.1 vermelde navorderingsaanslagen en beschikkingen afgewezen.



1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht van € 49 geheven. De Rechtbank heeft als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“De rechtbank:
- verklaart het beroep met zaaknummer SGR 21/4584 ongegrond;
- verklaart het beroep met zaaknummer SGR 21/4583 gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar uitsluitend voor zover het de boetebeschikking betreft;
- vernietigt de boetebeschikking;
- veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser van € 708,33;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser van € 541,67;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.477,50;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49 aan eiser te vergoeden.”



1.4.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Nadat belanghebbende door het Hof is uitgenodigd tot het indienen van verweer en incidenteel hoger beroep, heeft de Inspecteur het hoger beroep bij brief van 26 februari 2024 ingetrokken. Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. De Inspecteur heeft schriftelijk zijn zienswijze omtrent het incidentele hoger beroep naar voren gebracht.



1.5.
Belanghebbende heeft op 20 januari 2026 een nader stuk ingediend. De Inspecteur heeft op 13 maart 2026 een nader stuk ingediend. Belanghebbende heeft voorafgaand aan de zitting twee pleitnota’s ingediend.



1.6.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 25 maart 2026. Partijen zijn verschenen. De onderhavige zaak is ter zitting gezamenlijk behandeld met de zaken van:
- [A] met nummers BK-24/56, BK-24/57, BK-24/166 en BK-24/167;
- [B] B.V. met nummers BK-24/58 t/m BK-24/60 en BK-24/85 t/m BK-24/87;
- [C] met nummers BK-24/109 t/m BK-24/111;
- [D] B.V. met nummer BK-24/119;
- [E] met nummers BK-24/121 t/m BK-24/123; en
- [F] met nummers BK-24/157 t/m BK-24/159.
Al hetgeen in de ene zaak is aangevoerd, wordt aangemerkt als te zijn aangevoerd in de andere zaken, tenzij het specifiek op de desbetreffende zaak betrekking heeft. Van het verhandelde ter zitting is één proces-verbaal opgemaakt.





Feiten


2.1.
In het onderhavige jaar (2012) waren [G] (de vader) en [H] aandeelhouders van [D] B.V.. [D] B.V. was op haar beurt vennoot van [naam v.o.f.] (de vof). De andere vennoot was belanghebbende; dit is de zoon van de aandeelhouder van [D] B.V., [G] . De B.V. had een aandeel in de vof van 51%. In de vof werd het motortankschip [naam schip] (het schip) geëxploiteerd. De vennoten van de vof waren gezamenlijk eigenaar van het schip. De vader en belanghebbende waren de schippers van het schip. Met het schip vervoerden zij in het onderhavige jaar bedrijfsmatig plantaardige (eetbare) olie (spijsolie).



2.2.
Het schip heeft een lengte van 109,90 meter en een breedte van 11,45 meter. Het schip beschikt over negen ladingtanks met een totaal laadvermogen van ruim 3.040 m³. Daarnaast heeft het schip drie zogenoemde sloptanks, waarvan er twee (te weten: sloptanks C en SB) alleen worden gebruikt voor waswater en de derde (de bakboordtank BB) wordt gebruikt voor slops; de bakboordtank heeft een inhoud van 7.882 liter.



2.3.
De ladingtanks worden regelmatig gereinigd door deze schoon te spoelen met (warm) water. Het daaruit ontstane waswater, waarin zich restanten van de vervoerde spijsolie bevinden, wordt verzameld in de sloptanks. Als het waswater niet meer bruikbaar is (omdat het te zeer vervuild is geraakt) of als de sloptanks (bijna) vol zijn, ontdoet de schipper zich van de inhoud van de sloptanks, de zogenoemde slops. Deze slops bevatten enerzijds restanten spijsolie en anderzijds vocht en vuil. In de branche pleegt de verhouding tussen beide componenten te worden uitgedrukt in een ‘vocht/vuilpercentage’, waarmee wordt aangeduid hoeveel procent van de slops bestaat uit vocht en vuil; het restant is spijsolie.



2.4.
Belanghebbende ontdeed zich in de onderhavige jaren van zijn slops door deze op te laten halen door [B.V. 1] te [vestigingsplaats 1] ( [B.V. 1] ), die de slops per vrachtwagen (soms met aanhangwagen) vanaf het schip transporteerde naar [B.V. 2] te [vestigingsplaats 2] ( [B.V. 2] ). [B.V. 2] bewerkte de slops en verwerkte de olie uit de slops tot biobrandstof. [B.V. 2] bepaalde aan de hand van de weegbrug het gewicht van de afgegeven slops (het netto gewicht), scheidde het vocht/vuil van de olie en bepaalde het exacte percentage vocht/vuil en het FFA-gehalte (zuurgraad).



2.5.
Voor een ontdoening belde de dienstdoende schipper met [B.V. 1] om een afspraak te maken. [B.V. 1] kwam dan voorrijden en pompte de slops over naar zijn vrachtwagen (en/of de aanhangwagen). Ter gelegenheid van de ontdoening werd een zogenoemde begeleidingsbrief opgemaakt. De begeleidingsbrief was voorzien van een uniek volgnummer en bestond uit vier exemplaren (doordrukken):
1. Administratie-/vrijwaringsbewijs (Begeleidingsbrief C1/A2) voor de transporteur ( [B.V. 1] ).
2. Interne kopie (D)/extra bewijs van ontvangst (Begeleidingsbrief B2) voor de ontdoener (de schipper).
3. Begeleidingsbrief vrachtbrief (Begeleidingsbrief A1) voor de ontvanger ( [B.V. 2] ).
4. Bewijs van ontvangst (Begeleidingsbrief B1), retour naar de ontdoener (de schipper).



2.6.
De schipper ontving Begeleidingsbrief B2 van [B.V. 1] op het moment van de ontdoening. Op Begeleidingsbrief B2 werd onder meer de datum van de ontdoening ingevuld en in de meeste gevallen de geschatte hoeveelheid (in kilogram) slops. In veel gevallen werd ook het geschatte vocht/vuilpercentage ingevuld. Er stonden ook enkele voorgedrukte gegevens op, zoals het kenteken van de vrachtwagen van [B.V. 1] en de adresgegevens van de betrokkenen. Begeleidingsbrief B2 werd ondertekend door de schipper en door [B.V. 1] .



2.7.
Bij de aflevering van de slops door [B.V. 1] aan [B.V. 2] werden door [B.V. 2] gegevens op de Begeleidingsbrieven C1/A2, A1 en B1 afgedrukt. Dit betrof het zogenoemde weegbrugstempel. Op dit weegbrugstempel stonden onder meer de datum, het volgnummer van de weegbon, het kenteken van de vrachtwagen van [B.V. 1] en het bruto, tarra en netto gewicht van de slops, dat werd bepaald aan de hand van de gegevens van de weegbrug. Deze doordrukken werden ondertekend door de ontvanger ( [B.V. 2] ). Het weegbrugstempel vermeldde niet het exacte vocht/vuilpercentage.



2.8.
De oliecomponent in de slops heeft een waarde. Of de slops als geheel een positieve of negatieve waarde vertegenwoordigen, is afhankelijk van het vocht/vuilpercentage: des te hoger dat percentage, des te eerder zullen de kosten van het scheiden van de olie van het vocht/vuil niet opwegen tegen de opbrengst van de olie. Het komt dus voor dat slops per saldo een negatieve waarde hebben (wat kan inhouden dat de schipper moet betalen voor de ontdoening), dat de slops per saldo geen waarde hebben of dat de slops per saldo een positieve waarde hebben. In dat laatste geval krijgt de schipper (doorgaans) betaald voor de ontdoening.


Strafrechtelijk onderzoek




2.9.
Op 5 december 2011 heeft een afvalstoffencontrole plaatsgevonden door de Dienst Waterpolitie aan boord van een motortankschip dat plantaardige olie vervoerde. Dit was de aanleiding voor een strafrechtelijk onderzoek door het Openbaar Ministerie (OM) dat zich richtte op de opsporing van vermoedelijk strafbare feiten die werden gepleegd bij het ontvangen, vervoeren en afgeven van plantaardige oliën en vetten middels binnenvaartschepen en daarmee gepaard gaande (al dan niet gefingeerde) afvalstromen. Dit strafrechtelijk onderzoek heeft uiteindelijk de naam ‘ [naam strafrechtelijk onderzoek] ’ (onderzoeknummer […] ) gekregen.



2.10.
In het strafrechtelijk onderzoek zijn onder andere als verdachten aangemerkt: [B.V. 1] , de aandeelhouders van [B.V. 1] , [B.V. 2] en de aandeelhouder van [B.V. 2] . Daarnaast werden ook enkele schippers/ontdoeners als verdachten aangemerkt. Het OM heeft ervoor gekozen niet alle schippers/ontdoeners die uit de onderzoeksgegevens naar voren komen als verdachten aan te merken. Belanghebbende is één van de schippers/ontdoeners waarvan het OM over onderzoeksgegevens beschikt, maar die niet als verdachte zijn aangemerkt.



2.11.
Tijdens het strafrechtelijk onderzoek zijn 52 motortankschepen naar voren gekomen. De politie heeft een samenvattende Excel-spreadsheet opgesteld waarin per schip de bevindingen zijn opgenomen van de goederenstromen en geldstromen met betrekking tot de slops/plantaardige olie. In die spreadsheet is op basis van de in beslag genomen administratie van [B.V. 1] per inkoopfactuur een overzicht gemaakt van de afgegeven hoeveelheid slops, de prijs per kilogram spijsolie, het door [B.V. 1] op de facturen vermelde contant betaalde bedrag en het nummer van de desbetreffende begeleidingsbrief. Op basis van de in beslag genomen administratie van [B.V. 2] zijn daarbij ook het weegbonnummer, de datum van weging, het aantal kilogram spijsolie, het vocht/vuilpercentage en het FFA-gehalte, de prijs per kilogram en het door [B.V. 2] aan [B.V. 1] betaalde bedrag voor de slops opgenomen.



2.12.
Tijdens het strafrechtelijk onderzoek zijn ook een maandkalender 2011 en twee weekkalenders 2013 van [B.V. 1] inbeslaggenomen. Op deze kalenders zijn op verschillende data bedragen en namen van schepen genoteerd. Deze gegevens corresponderen met de bedragen die volgens inkoopfacturen op de desbetreffende data in contanten zouden zijn betaald (de contantfacturen) aan de schippers/ontdoeners van de genoemde schepen. Ook zijn op de kalenders bedragen genoteerd die corresponderen met bedragen die volgens de (klad)kasboeken en de bankafschriften door [B.V. 1] zijn opgenomen bij de bank.


Onderzoek door de Belastingdienst




2.13.
Op enig moment heeft het OM de Belastingdienst ‘getipt’ over een vermoeden dat schippers van motortankschepen contante betalingen van [B.V. 1] hadden ontvangen voor het leveren van slops. De Inspecteur heeft vervolgens een vordering ingesteld op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) om (relevante delen van) het strafdossier ter beschikking te krijgen.



2.14.
Op 26 mei 2016 heeft de Inspecteur toestemming gekregen van de officier van justitie voor inzage in en het gebruik van relevante gegevens uit het strafdossier ten behoeve van fiscale doeleinden. In dit strafdossier bevond zich onder meer de in 2.11 vermelde Excel-spreadsheet van de politie. In deze Excel-spreadsheet staan de veronderstelde contante betalingen vermeld die belanghebbende zou kunnen hebben ontvangen voor de afgifte van slops.


2.15.1.
De Belastingdienst heeft na ontvangst van de gegevens uit het strafdossier op 30 november 2017 een onderzoek bij [B.V. 1] ingesteld. Een verslag van een op 30 november 2017 bij [B.V. 1] gehouden bespreking vermeldt onder meer het volgende:





“6. Opeenvolgende factuurnummer op dezelfde datum bij zelfde aanbieder
Als voorbeeld zijn de leveringen door [naam 1] genomen. Er is vastgesteld dat een aantal inkopen op dezelfde datum met een opvolgend factuurnummer voorkomen. De contant-factuur vermeld een afgerond bedrag, de per bank betaalde factuur vermeld een niet-afgerond bedrag.

Door [ [B.V. 1] , Hof] is hierover het volgende verklaard:
Op verzoek van de schipper werd er een factuur gemaakt bijvoorbeeld voor € 5.000,= Dit geld werd daarvoor bij de bank opgenomen en bij de inname werd dit bedrag betaald aan de schipper. Deze was dus de opdrachtgever, ingeval van een vof, was dat meestal een van de firmanten. De factuur werd samen met de geleidebon bij de eerstvolgende inname aan de schipper overhandigd. Er werd hiervan geen afzonderlijke kwitantie gemaakt.

Voorbeeld facturen 2259 en 2260 van [naam 1]
Ingeval facturen 2260 en 2259 van [naam 1] is ingenomen: 20.303 (2259) plus 5.603 (2260) kilo, totaal derhalve 25.906 kilo.
Op factuur 2259 staat vloeibare olie 35.980. Het verschil tussen de 25.906 en de 35.980 is dus 10.074 vuil water.
Deze hoeveelheden sluiten aan bij de geleide bonnen. Er zijn twee geleid bonnen, een voor de vrachtwagen en een voor de aanhangwagen. Op de geleide bon staat tevens een vocht/vuil percentage van 28%. (geleidebonnen zijn bijgevoegd) 28% van 35.980 = 10.074. Dit sluit dus aan bij de genoemde kilo's op de facturen.

Deze werkwijze was bij alle schepen het zelfde.”


2.15.2.
Op 13 maart 2018 heeft een bespreking bij [B.V. 1] plaatsgevonden. Het gespreksverslag van die bespreking vermeldt onder meer het volgende:

“Waarom is er de ene keer per bank en de andere keer contant betaald? Wie bepaalt dat?
De schipper bepaalt of per bank of contant betaald wordt. Hij geeft aan wat hij wil en hoeveel geld hij contant wil hebben. [B.V. 1] ging dan naar [naam 2] , die het geld bij de bank ophaalde en aan hem meegaf. Het komt voor dat de rest wel per bank wordt voldaan. Dan zijn er 2 facturen van 1 levering. Er zien dan 2 betalingen op 1 afgifte van slops.


Waarom staat er geen btw op de contant betaalde facturen en wel op de facturen die per bank worden betaald? [B.V. 1] kan dan toch geen voorbelasting verrekenen?

Geen duidelijk antwoord. Dit zou afgesproken zijn met de Belastingdienst. Schoonzus [naam 2] heeft dit geprobeerd uit te leggen aan [naam 3] , maar hij geeft aan dit vergeten te zijn. De getoonde brief (bijlage 3) ging echter over de opname van veel contanten bij de bank. Niet om het achterwege laten van btw op de contante facturen. De reactie van de Belastingdienst hierop kon [B.V. 1] echter niet tonen. Sinds 1 april 2017 wordt de btw verlegd.”



2.15.3.
De in het vorige citaat bedoelde, als bijlage 3 bij het gesprekverslag gevoegde brief namens [B.V. 1] aan de Belastingdienst uit juni 2006 luidt als volgt:

“Cliënte heeft sinds kort de mogelijkheid gekregen restantpartijen vet, aanwezig in binnenvaartschepen, te kopen en deze vervolgens te transporteren naar en te verkopen aan industriële eindverwerkers (fabrieken).
Gezien het feit dat deze binnenvaartschepen slechts korte tijd aan wal liggen, en snel moeten worden gelost, dienen de ladingen contant te worden voldaan.
Van de lading wordt een geleidebrief opgesteld, waarop de geladen kilo’s -na weging- worden vermeld.
Dit nummer, alsmede de leverancier van de lading, worden op de factuurbon vermeld, waarna de lading wordt getransporteerd naar een industriële verwerker.
Deze betaalt de lading vervolgens per bank.
Betaling van de inkopen vindt uitsluitend plaats middels pin-opnamen van de rekening, waarop de verkopen binnenkomen.
Administratief bestaat evenwicht tussen het gewicht van de ingekochte en verkochte ladingen.
Aangezien het belang van cliënte uitsluitend bestaat uit het realiseren van de marge tussen inkoop en verkoop van de lading, wenst zij gevolgde procedure met de Belastingdienst afstemmen, teneinde in de toekomst eventuele discussies inzake de contante inkoop te voorkomen.”



2.15.4.
Belastingambtenaar [naam 4] van de Belastingdienst/Zuidwest/kantoor […] heeft bij brief van 27 juli 2006 bericht dat hij akkoord kan gaan met de voorgestelde werkwijze van [B.V. 1] .



2.16.
De Belastingdienst heeft in de administratie van [B.V. 1] onder meer aangetroffen:
(i) begeleidingsbrieven (met name C1/A2, maar ook wel A1 en B1);
(ii) genummerde inkoopfacturen op naam van het schip van belanghebbende ter zake van ingekochte slops, waaruit de Belastingdienst opmaakt dat de betaling contant aan belanghebbende zou plaatsvinden.



2.17.
Verder is vastgesteld dat de administratie van [B.V. 1] verkoopfacturen bevatte ter zake van de aflevering van ladingen uit de tankwagens van [B.V. 1] aan [B.V. 2] . Op basis van de administratie van [B.V. 1] (in het bijzonder de begeleidingsbrieven met daarop de afdrukken van het weegbrugstempel van [B.V. 2] ) kon worden bepaald welke omzet [B.V. 1] heeft behaald met de verkoop van de ladingen aan [B.V. 2] en welke ladingen volgens de desbetreffende begeleidingsbrieven afkomstig waren van belanghebbende. Ook kon zodoende worden bepaald wat het vocht/vuilpercentage van de afgeleverde ladingen was, omdat die ladingen bij [B.V. 2] op de weegbrug werden gewogen en werden bemonsterd. Op grond van de bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek en het fiscale onderzoek heeft de Belastingdienst geconcludeerd dat de financiële administratie van [B.V. 1] op het punt van de van de schipper ingekochte slops sluitend is. Dat wil zeggen dat de bedragen op alle inkoopfacturen (ook die waaruit volgt dat de betaling contant aan belanghebbende zou plaatsvinden) als zodanig zijn verantwoord in het grootboek, dat in het kasboek de desbetreffende betalingen per kas zijn geregistreerd en dat in het bankboek de bijbehorende kasopnames (op totaalniveau) zijn terug te vinden.


De navorderingsaanslagen




2.18.
Bij brief van 14 september 2017 heeft de Inspecteur de vof in de gelegenheid gesteld om aan te tonen dat en op welke wijze de veronderstelde contante betalingen van [B.V. 1] voor de afgifte van slops zijn verantwoord in de administratie van haar onderneming en in de aangiften inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting over, onder meer, het jaar 2012. Bij deze brief is een overzicht verstrekt van de gestelde contante betalingen, de afgegeven slops (aantal kilogram) en de desbetreffende factuurnummers op de inkoopfacturen van [B.V. 1] . De over het jaar 2012 ontvangen contante betalingen bedragen volgens de Inspecteur € 13.200. De Inspecteur heeft in deze brief tevens aangekondigd dat hij een navorderingsaanslag met boete zal opleggen als blijkt dat de gestelde contante betalingen niet zijn verantwoord. Op 14 november 2017 heeft de Inspecteur (nogmaals) het vorenbedoelde overzicht verstrekt van de door hem gestelde contante betalingen, en daarbij heeft hij tevens de desbetreffende inkoopfacturen van [B.V. 1] gevoegd.



2.19.
Bij brief van 24 november 2017 heeft de accountant van belanghebbende, de heer [naam 5] (de accountant), onder meer het volgende laten weten aan de Inspecteur:

“Belastingplichtigen hebben in 2012 vier (4) leveringen gedaan aan [ [B.V. 1] , Hof], waarvan zij de geleidebonnen hebben bewaard. Andere leveringen zijn er niet geweest.

Per levering kan maximaal 7400 vuil (olie en water) afgeleverd zijn, dat is namelijk de maximale capaciteit van de vuiltank aan boord van het schip.


[…] 1-4-2012 7000kg fact 3152 € 1450

[…] 12-3-2012 7000kg fact 2967 € 4500, fact 10520kg kan niet, maximaal ontv verg € 3200

[…] 11-1-2012 7060kg fact 2834 € 3250

[…] 16-4-2012 7000 kg fact 3039 € 3050

De maximaal ontvangen bedragen van cliënt in 2012 zijn, 1450, 3200, 3250 en 3050 = € 10.950.

Btw na te heffen € 1.748, netto belast in VPB / IB € 9.202, te verdelen 51/49 = resp 4693 / 4509.”

Bij deze brief zijn door de accountant vier Begeleidingsbrieven B2 gevoegd.



2.20.
De Inspecteur heeft vervolgens de onderhavige navorderingsaanslag en vergrijpboete opgelegd. Hij ging op dat moment ervan uit dat de betalingen inclusief omzetbelasting waren, waardoor de hij de bedragen van de contante betalingen heeft verminderd met te berekenen omzetbelasting. De Inspecteur kwam uit op een omzetcorrectie van in totaal € 11.093. Het nader vastgesteld belastbaar inkomen is als volgt berekend:












2012





Vastgesteld belastbaar inkomen


€ 23.464




Bij: meer omzet (49% winstaandeel)


€ 5.436 (49% van € 11.093)




Bij: lagere zelfstandigenaftrek


€ 0




Af: hogere mkbwinstvrijstelling


€ 653




Nader vastgesteld belastbaar inkomen


€ 28.247








2.21.
Tijdens de bezwaarfase heeft de advocaat van belanghebbende bij brief van 14 augustus 2018 stukken uit de administratie van de vof overgelegd aan de Inspecteur. Dit betreft:

- Begeleidingsbrieven B2 (zes in totaal, waaronder de vier begeleidingsbrieven die reeds door de accountant waren overgelegd, zie onder 2.20);
- Tabellen van de sloptanks van het schip;
- Olieafgifteboekje (bilgeboekje); en
- Jaarrekening 2012.



2.22.
Bij brief van 16 juli 2019 heeft de advocaat van belanghebbende aan de Inspecteur nadere stukken uit de administratie van de vof overgelegd. Dit betreft onder meer het grootboek 2012, bankafschriften 2012 van een bankrekening op naam van de vof, vrachtbrieven, het bilgeboekje en losverklaringen.



2.23.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de onderhavige navorderingsaanslag en vergrijpboete gehandhaafd.





Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:


“Op de zaak betrekking hebbende stukken

30. Op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb dient verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank te zenden. Dat zijn alle stukken die verweerder ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten.[2]

31. Eiser stelt dat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Volgens eiser heeft verweerder slechts brokken van het strafrechtelijk onderzoek overgelegd, terwijl hij wel over het gehele dossier beschikt. Ter onderbouwing van zijn standpunt wijst eiser erop dat de officier van justitie toestemming heeft verleend aan verweerder voor het gebruik van het dossier. Hierdoor behoort volgens eiser het gehele strafdossier tot de op de zaak betrekking hebbende stukken en is het ten onrechte niet overlegd.

32. De rechtbank is van oordeel dat van een schending van artikel 8:42 Awb geen sprake is. Verweerder heeft verklaard niet het gehele strafdossier tot zijn beschikking te hebben. Volgens verweerder heeft hij alleen (afschriften van) de stukken ontvangen die fiscaal relevant zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze verklaring te twijfelen. Het dossier bevat verder ook geen aanknopingspunten waaruit volgt dat verweerder over meer stukken de beschikking had dan de stukken die hij reeds heeft overlegd.


Nieuw feit

33. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, verweerder de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit dat verweerder bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren. Verweerder moet dus beschikken over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. De bewijslast daarvoor rust op de verweerder.

34. Eiser stelt zich op het standpunt dat aan de navorderingsaanslagen geen nieuw feit ten grondslag ligt omdat uit de met verweerder gevoerde correspondentie volgt dat er slechts sprake is van een vermoeden van een nieuw feit. De rechtbank volgt hem hierin niet. Het gaat er immers om dat door de informatie uit het strafdossier het vermoeden ontstond dat de aanslagen te laag waren vastgesteld. Anders dan eiser betoogt betreft het strafdossier niet alleen informatie over [B.V. 1] [ [B.V. 1] , Hof], maar ook over het schip, en daarmee over eiser (zie onder r.o. 7). De rechtbank overweegt verder dat gesteld noch gebleken is dat verweerder voor de inzage in het strafdossier al bekend moest zijn met enige informatie over het strafrechtelijk onderzoek. Gelet op het onder 4 en 9 beschreven verloop werd verweerder pas bekend met het strafrechtelijk onderzoek nadat de definitieve aanslagen waren opgelegd. Daarmee is sprake van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. De vraag of sprake is van kwade trouw behoeft geen beantwoording meer.


Vereiste aangifte

35. Op grond van artikel 27e, eerste lid, van de Awr wordt een beroep ongegrond verklaard indien de vereiste aangifte niet is gedaan, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast). Een belastingplichtige heeft niet de vereiste aangifte gedaan indien sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief bezien aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Dat de vereiste aangifte niet is gedaan, dient verweerder volgens de regels van normale bewijslastverdeling aannemelijk te maken.[3]

36. Verweerder wijst hiertoe op de bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek (met name de daar beschreven modus operandi), de bevindingen uit het door verweerder ingestelde onderzoek bij [B.V. 1] en op de bevindingen uit het onderzoek naar de administratie van eiser en de door [B.V. 1] beschreven werkwijze (zie r.o. 11). Verweerder heeft als voorbeeld ook gewezen op de inkoopfactuur van [B.V. 1] op naam van het schip van 16 april 2012 met nummer 3039 en de daarbij behorende begeleidingsbrief […] (r.o. 13, 14 en 19). Volgens de factuur is € 3.050 betaald voor 6.092 kg. Volgens de tot de administratie van [B.V. 1] behorende begeleidingsbrief is op 16 april 2012 vanaf het schip 6.280 olie afgegeven aan [B.V. 1] met een vocht/vuilpercentage van 3. Op de door eiser overlegde versie van de begeleidingsbrief staat een vocht/vuilpercentage van 80. Het percentage van 3 komt overeen met het aantal kilo waarvoor [B.V. 1] volgens de factuur betaald heeft aan de Vof. De vergoeding komt niet voor in de administratie van de Vof. Verweerder acht het zeer onwaarschijnlijk dat de Vof gelet op het lage vocht/vuilpercentage geen betaling heeft ontvangen voor de geleverde olie. Ter zitting heeft verweerder voorts aangevoerd dat het hem bevreemdt dat de Vof nooit een vergoeding ontving van [B.V. 1] of hoefde te betalen aan [B.V. 1] . Volgens verweerder blijkt namelijk uit het onderzoek en de verklaring van [B.V. 1] dat wanneer er sprake was van een hoog vocht/vuilpercentage de schipper/ontdoener een vergoeding diende te betalen aan [B.V. 1] . Verweerder heeft verder aangevoerd dat het vocht/vuil percentage en de zuurgraad van de slops die zijn afgegeven na de aanvang van het strafrechtelijk onderzoek in die mate is gewijzigd, dat de slops een beperkte of geen positieve waarde meer vertegenwoordigen. Tot slot heeft verweerder aangevoerd dat de omzet uit de contante betalingen naar rato van het winstaandeel van de vennoten in de Vof in de aangifte verantwoord had moeten worden.

37. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met wat hij heeft aangevoerd het bewijsvermoeden geleverd dat eiser contante betalingen heeft ontvangen die niet in zijn aangifte zijn opgenomen. Met name redengevend daarvoor acht de rechtbank de gedetailleerde (bank- en) contant facturen op naam van het schip en de informatie op de spreadsheets, waaruit de door de Vof geleverde slops door middel van het nummer op de begeleidingsbrief te volgen zijn naar [B.V. 2] [ [B.V. 2] , Hof] en uit de meetgegevens van [B.V. 2] volgt dat de samenstelling van de slops bestaat uit een (zeer) laag vocht/vuilgehalte. Uit dit laatste, in samenhang bezien met de afrekening tussen [B.V. 1] en [B.V. 2] , volgt dat de vanaf het schip geleverde slops een aanzienlijke positieve waarde hadden. Ook zijn de contant facturen op naam van het schip te herleiden naar de vermeldingen van contante bedragen op de maandkalender die ook sluitend zijn met de door [B.V. 1] bij de bank opgenomen bedragen. Dit alles in samenhang bezien acht de rechtbank voldoende voor het aannemen van het hiervoor genoemde bewijsvermoeden.

38. Een belastingplichtige die aan het effectief worden van een bewijsvermoeden wil ontkomen, kan zich verweren a) door de feiten en omstandigheden te betwisten die aan het bewijsvermoeden ten grondslag worden gelegd en/of b) door andere feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken waardoor redelijke twijfel wordt gewekt ten aanzien van de redengevende kracht van het bewijsvermoeden, zodat dit vermoeden wordt ontzenuwd.

39. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser onvoldoende aangevoerd om het bewijsvermoeden te ontzenuwen. Eiser heeft in beroep naast formele gronden enkel ontkend contante bedragen te hebben ontvangen. De rechtbank acht het ongeloofwaardig dat eiser niet op de hoogte was en wilde zijn van de waarde van de slops omdat het afgeven van slops niet zijn “core business” is. De (periodieke) afgifte van slops is immers een noodzakelijke activiteit voor het kunnen uitoefenen van de onderneming, en daarmee juist onderdeel van de “core business”. Daarmee valt niet te rijmen dat eiser er niet mee bekend was dat met de afgifte van slops aanzienlijke bedragen gemoeid waren, die ofwel tot de omzet, dan wel tot de kosten van de onderneming gerekend moesten worden en daarmee het bedrijfsresultaat direct raken. Daarbij is niet weersproken dat sinds de aanvang van het onderzoek de samenstelling van de afgegeven slops aanzienlijk is gewijzigd. Het is voorts naar het oordeel van de rechtbank moeilijk voorstelbaar dat [B.V. 1] de door hem gevoerde sluitende en zeer gedetailleerde kasadministratie zou hebben opgesteld enkel voor eigen gewin en de Vof slops aan [B.V. 1] heeft geleverd met een aanzienlijke positieve waarde en daar niet voor betaald zou zijn. Het had op de weg van eiser gelegen om met meer informatie te komen dan het enkel ontkennen van de ontvangst van de contante betalingen en het aanvoeren van formele verweren. Eiser had bijvoorbeeld een verklaring van [B.V. 1] kunnen vragen of inzichtelijk kunnen maken dat de samenstelling van de afgegeven slops niet ongebruikelijk was, dan wel onveranderd sinds de aanvang van het strafrechtelijk onderzoek. De eerst ter zitting ingenomen stelling dat een aantal leveringen helemaal niet hebben kunnen plaatsvinden omdat het schip zich op dat moment volgens het vaartijdenboek niet in Nederland bevond, is niet onderbouwd zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat.

40. Gelet op het voorgaande heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat de vereiste aangifte niet is gedaan. Het bedrag van de belasting dat als gevolg van het niet aangeven van de contante betalingen niet zou worden geheven is zowel in relatieve als in absolute zin aanzienlijk. Eiser moet zich hier bewust van zijn geweest.


Redelijke schatting

41. De omkering en verzwaring van de bewijslast laat onverlet dat een aanslag niet naar willekeur mag worden vastgesteld, maar moet berusten op een redelijke schatting. De rechtbank acht de schatting van verweerder redelijk. Verweerder is namelijk uitgegaan van de in de administratie van [B.V. 1] aangetroffen facturen en de uit de stukken op te maken geldstromen.

42. Met wat eiser heeft aangevoerd, heeft hij niet overtuigend aangetoond dat verweerder de winst uit onderneming te hoog heeft vastgesteld.


Boetebeschikking

43. Verweerder heeft gelijktijdig met de navorderingsaanslagen, een vergrijpboete van 50% van de nagevorderde belasting opgelegd aan eiser. Het betreft een vergrijpboete op grond van artikel 67e van de AWR in verband met (voorwaardelijke) opzet. Onder opzet wordt verstaan het willens en wetens handelen. De ondergrens van opzet wordt gevormd door voorwaardelijke opzet. Van voorwaardelijke opzet is sprake als iemand bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat het beboetbare feit zich zal voordoen. De bewijslast voor een boete rust op verweerder. De aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit kan alleen worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Verweerder moet de voor de voor de boete vereiste feiten en omstandigheden dan ook doen blijken, wat inhoudt overtuigend aantonen[4].

44. Verweerder stelt dat eiser met zijn handelwijze willens en wetens ervoor heeft gezorgd dat de contante ontvangsten onbelast zijn gebleven. Verweerder voert aan dat gelet op de substantiële omvang van de contante betalingen deze niet aan de aandacht van eiser kunnen zijn ontsnapt. Door de contante betalingen zijn de betreffende leveringen aan het zicht onttrokken. Door het structureel niet opnemen van de contante ontvangsten in de administratie heeft eiser volgens verweerder willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de omzet tegen een te laag bedrag in de aangifte is verantwoord als gevolg waarvan te weinig belasting is geheven. Derhalve is volgens verweerder de boete van 50% wegens (voorwaardelijke) opzet passend en geboden.

45. Eiser stelt dat de vergrijpboete ten onrechte is opgelegd aangezien hij de door verweerder gestelde contante bedragen niet heeft ontvangen van [B.V. 1] . Volgens eiser valt die conclusie ook helemaal niet te trekken uit het strafrechtelijk onderzoek. Verder stelt eiser dat indien er wel sprake zou zijn van contante betalingen door [B.V. 1] , verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt aan wie die betalingen dan zijn gedaan.

46. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder niet in zijn bewijslast geslaagd. Voor een boete rust een zwaardere bewijslast op verweerder dan bij de aanslagoplegging (overtuigend aantonen in plaats van aannemelijk maken). Verweerder heeft niet aangetoond dat eiser de contante betalingen heeft ontvangen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder niet heeft aangetoond aan wie de contante betalingen, waarvan de facturen op naam staan van het schip, zijn gedaan. Dat het aannemelijk is dat eiser de contanten heeft ontvangen, is voor een vergrijpboete niet voldoende. Het voorgaande betekent dat de boetebeschikking moeten worden vernietigd.


Belastingrente

47. Eiser heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de rentebeschikkingen. Niet gebleken is dat de belastingrente in strijd met de wettelijke bepalingen is berekend.

48. Gelet op wat hiervoor is overwogen onder 46 dient het beroep met nummer SGR 21/4583 gegrond en het beroep met nummer SGR 21/4584 ongegrond te worden verklaard.


Immateriële schadevergoeding

49. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser recht op vergoeding van immateriële schade in verband met de duur van de bezwaar- en de beroepsprocedure.[5] De stelling van verweerder dat in het geval van stelselmatige, langdurige en omvangrijke fraude moet worden afgeweken van het veronderstellen van spanning en frustratie, vindt, wat daar verder ook van zij, geen steun in het recht.

50. De rechtbank is van oordeel dat de zaken van de vennoten van de Vof als samenhangend dienen te worden beschouwd. De zaken hebben namelijk in hoofdzaak betrekking hebben op dezelfde onderwerpen. Daarnaast zijn de zaken in zowel de bezwaarfase als de beroepsfase gezamenlijk behandeld. Gelet hierop bestaat voor de vennoten gezamenlijk recht op een vergoeding van eenmaal € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden.[6] Voor de bepaling van de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank uitgaan van het oudste bezwaarschrift. Tussen de indiening van het bezwaarschrift op 10 januari 2018 en deze uitspraak is een periode van afgerond naar boven zes jaar verstreken.

51. De redelijke termijn bedraagt als uitgangspunt twee jaar, waarvan zes maanden voor bezwaar en achttien maanden voor beroep. De rechtbank ziet echter aanleiding om de termijn in dit geval wegens bijzondere omstandigheden te verlengen. De complexiteit van de zaken en de omvang van het strafrechtelijke dossier zijn voor de rechtbank aanleiding om de redelijke termijn met zes maanden te verlengen. Daarnaast ziet de rechtbank in het onder 20 tot en met 23 beschreven procesverloop, waaruit blijkt dat verweerder de gemachtigde keer op keer tevergeefs in de gelegenheid heeft gesteld om gronden aan te vullen of te reageren om een reactie op de verschillende voorstellen voor een datum voor het hoorgesprek, aanleiding om de redelijke termijn met één jaar te verlengen. Alles bij elkaar genomen is er aanleiding om de redelijke termijn voor de bezwaarfase met één jaar en zes maanden te verlengen, waardoor de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase uitkomt op in totaal drie jaar en zes maanden.

52. Gelet op het voorgaande is de overschrijding van de redelijke termijn afgerond naar boven twee jaar en zes maanden. Derhalve bestaat er recht op een vergoeding van
€ 2.500. Hiervan komt 1/2 oftewel € 1.250 toe aan eiser. Van de overschrijding dient zeventien maanden te worden toegerekend aan verweerder (€ 708,33) en dertien maanden komt voor de rekening van de Staat (€ 541,67).

(…)

[2] Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672.
[3] Vgl. Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083.
[4] ECLI:NL:HR:2022:526.
[5] Vgl. Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
[6] Vgl. Hoge Raad 6 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1160.”




Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen


4.1.1.
Na de intrekking van het hoger beroep door de Inspecteur resteren in het door belanghebbende ingestelde incidentele hoger beroep de volgende geschilpunten:
(i) of de navorderingsaanslagen en de rentebeschikkingen terecht en naar het juiste bedrag zijn opgelegd; en
(ii) of belanghebbende recht heeft op een hogere vergoeding van immateriële schade dan is toegekend door de Rechtbank.



4.1.2.
Meer specifiek spitst het geschil zich toe op de volgende vragen:


Heeft de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) overgelegd?


Beschikt de Inspecteur over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt, dan wel kan de Inspecteur zich met vrucht beroepen op kwade trouw als bedoeld in artikel 16, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR)?


Is omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing wegens het niet doen van de vereiste aangifte?


Dient een aanvullende vergoeding van immateriële schade te worden toegekend?





4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, behalve wat betreft de beslissingen omtrent de vergrijpboete, de proceskosten en het griffierecht. Belanghebbende concludeert voorts tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vernietiging van de navorderingsaanslag IB/PVV, de navorderingsaanslag ZVW en de bijbehorende rentebeschikkingen, tot toekenning van een (aanvullende) vergoeding van immateriële schade, alsmede tot toekenning van een proceskostenvergoeding in hoger beroep.



4.3.
De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het incidentele hoger beroep van belanghebbende en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.





Beoordeling van het incidentele hoger beroep


Geschilpunt a (op de zaak betrekking hebbende stukken)



5.1.
Belanghebbende wijst erop dat het strafdossier ‘ [naam strafrechtelijk onderzoek] ’ niet volledig is ingebracht door de Inspecteur. Dat hij slechts delen daarvan heeft ontvangen, blijkt niet uit de stukken. Daardoor heeft hij inbreuk gemaakt op artikel 8:42, lid 1, Awb, zodat stellingen van de Inspecteur niet kunnen worden geverifieerd. Volgens belanghebbende is voor zijn zaak in het bijzonder van belang hetgeen uit het strafdossier over de administratie van [B.V. 1] en de geloofwaardigheid daarvan blijkt. Bovendien heeft het ontbreken van op de zaak betrekking hebbende stukken erin geresulteerd dat de Rechtbank haar uitspraak onvoldoende heeft gemotiveerd, aldus belanghebbende.



5.2.
De Inspecteur heeft verklaard dat de officier van justitie de naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek opgestelde processen-verbaal alsmede delen van de in beslaggenomen stukken uit de administraties van [B.V. 1] , [B.V. 2] en een aantal betrokken schippers op een USB-stick aan hem ter beschikking heeft gesteld. Hij heeft een lijst van deze bestanden opgesteld. Hij heeft deze stukken als bijlagen bij het verweerschrift in eerste aanleg gevoegd, behoudens voor zover zij niet specifiek betrekking hebben op belanghebbende.



5.3.
Artikel 8:42, lid 1, Awb schrijft voor dat de inspecteur binnen vier weken na de dag van verzending van de gronden van het beroepschrift de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter zendt. Dit betreft alle stukken die de inspecteur ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten (HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, r.o. 3.4.2). Behoudens gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 Awb en uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht, dient te worden tegemoetgekomen aan een verzoek van de belanghebbende tot overlegging van een bepaald stuk indien deze voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak (HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA3823, r.o. 3.5.2; HR 15 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1129, r.o. 3.2.2; HR 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:874, r.o. 2.3.2).



5.4.
Aannemelijk is geworden dat de officier van justitie slechts de door de Inspecteur genoemde delen van het strafdossier ‘ [naam strafrechtelijk onderzoek] ’ aan hem heeft verstrekt. Die opsomming is immers goed te rijmen met de tot de gedingstukken behorende vordering die de Inspecteur op grond van artikel 55 AWR heeft ingesteld, en concrete aanwijzingen dat meer documenten zouden zijn overgedragen ontbreken. Verder geldt dat de Inspecteur stukken die zich bevinden onder het OM en die niet aan hem zijn verstrekt niet behoeft over te leggen, ook al is hij bekend met het bestaan daarvan (zie HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, r.o. 3.4.2). Voor zover belanghebbende heeft willen betogen dat de Inspecteur ten onrechte een of meer van de bij name opgesomde documenten van de USB-stick heeft achtergehouden, heeft hij verzuimd die documenten te benoemen en te motiveren dat ze van enig belang kunnen zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak. Dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd, is derhalve niet aannemelijk geworden. De grief over een daaruit voortvloeiend motiveringsgebrek behoeft mitsdien geen behandeling.


Geschilpunt b (nieuw feit en kwade trouw)




5.5.
Belanghebbende bestrijdt dat de Inspecteur bevoegd was om na te vorderen, omdat het daarvoor benodigde nieuwe feit ontbreekt. Met de brief van [B.V. 1] van 14 juni 2006 was de Inspecteur reeds op de hoogte van de contante betalingen. Uit het opvragen van het strafdossier op 26 mei 2016 blijkt volgens belanghebbende bovendien dat de Inspecteur al voor die datum op de hoogte was van het bestaan van dat dossier. Verder betwist belanghebbende dat hij te kwader trouw is geweest.



5.6.
De Inspecteur meent dat hij beschikt over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. De navordering is immers gebaseerd op de feitelijke gegevens uit het strafdossier dat hem op 26 mei 2016 ter beschikking is gesteld, terwijl de (primitieve) aanslagen IB/PVV en ZVW voor het onderhavige jaar waren opgelegd op 6 september 2013. De brief van 14 juni 2006 acht de Inspecteur niet relevant, omdat die is gericht aan de Belastingdienst/Grote Ondernemingen en uitsluitend betrekking heeft op de belastingheffing van [B.V. 1] zelf. Bovendien stelt hij dat belanghebbende te kwader trouw is geweest, aangezien hij de contante betalingen niet heeft opgenomen in zijn aangifte IB/PVV voor het onderhavige jaar, hetgeen eveneens grond tot navordering oplevert.



5.7.
Artikel 16, lid 1, AWR bepaalt, voor zover van belang, dat, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting kan navorderen. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.



5.8.
In dit verband is nog het volgende van belang. De inspecteur mag bij het vaststellen van een aanslag IB/PVV uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte en de overigens in het dossier van de belastingplichtige aanwezige gegevens, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen (vgl. HR 25 juni 1958, ECLI:NL:HR:1958:AY1185, HR 29 april 1987, ECLI:NL:HR:1987:AW7686, r.o. 4.2, HR 9 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9068, r.o. 3.4-3.5, en HR 13 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK3080, r.o. 3.3-3.4).



5.9.
De aangifte van belanghebbende bevat geen aanwijzingen dat daarin enig bedrag ter zake van de contante betalingen ontbrak. Uit een ambtsedige verklaring die is ingebracht door de Inspecteur blijkt dat op 5 augustus 2013 een briefingbijeenkomst heeft plaatsgevonden van het strafrechtelijke onderzoek ‘ [naam strafrechtelijk onderzoek] ’, waarbij is verkend of kon worden samengewerkt en informatie kon worden uitgewisseld tussen het Openbaar Ministerie en de Inspecteur. Dit is uiteindelijk gebeurd door over en weer informatie te vorderen op grond van artikel 126 van het Wetboek van Strafvordering en artikel 55 AWR. Op 26 mei 2016 heeft de Inspecteur een vordering op grond van artikel 55 AWR ingediend en op dezelfde dag heeft hij de gevraagde informatie ontvangen. Dat de Inspecteur al voordien over concrete aanwijzingen beschikte dat belanghebbende contante betalingen had ontvangen die uitgingen boven de door hem aangegeven winst, is gelet op deze gang van zaken niet aannemelijk. De brief van 14 juni 2006 vormt niet een zodanige aanwijzing, reeds omdat de naam van belanghebbende (of die van het schip) daarin niet voorkomt. Dat die brief zich ten tijde van de aanslagoplegging in het dossier van belanghebbende bevond is overigens niet aannemelijk geworden. De contante betalingen aan belanghebbende waren dus geen feit dat de Inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn.



5.10.
Het voorgaande brengt mee dat navordering gerechtvaardigd is. Het antwoord op de vraag of sprake is van kwade trouw, zoals de Inspecteur subsidiair heeft gesteld, behoeft geen behandeling.


Geschilpunt c (vereiste aangifte: omkering en verzwaring van de bewijslast)




5.11.
De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende voor zijn slops contante betalingen heeft ontvangen van [B.V. 1] die hij niet heeft verantwoord in het bedrijfsresultaat van de vof en niet heeft opgenomen in zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2012. Volgens de Inspecteur heeft belanghebbende derhalve niet de vereiste aangifte gedaan.



5.12.
Belanghebbende heeft gesteld dat de door de vof afgegeven slops geen waarde hadden, gelet op de hoeveelheid water en vuil die daarin zat. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende voorts verklaard dat – naast vuile slops uit de sloptank, ter zake waarvan geen betalingen plaatsvonden – soms ook schone olie aan [B.V. 1] werd afgegeven, namelijk wanneer de leidingen moesten worden schoongespoeld. Volgens belanghebbende werd de schipper door [B.V. 1] hiervoor contant betaald en is de administratieve verwerking daarvan toevertrouwd aan de accountant.



5.13.
Vast staat dat belanghebbende geen enkele contant ontvangen opbrengst met betrekking tot de afgifte van slops/olie heeft verantwoord in zijn aangifte IB/PVV voor het onderhavige jaar. De Inspecteur heeft in totaal vijf, uit de administratie van [B.V. 1] afkomstige contantfacturen (factuurnummers 2834, 2967, 3039, 3069 en 3152) overgelegd, die tezamen optellen tot het door hem gestelde bedrag aan contante betalingen van € 13.200. Door de accountant wordt in de brief van 24 november 2017 van een viertal contantfacturen (factuurnummers 2834, 2967, 3039 en 3152) erkend dat daarvoor ontvangsten hebben plaatsgevonden, welke niet zijn aangegeven (zie 2.19). In hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gezien om aan te nemen dat de contante betaling ter zake van de andere door de Inspecteur aangedragen contantfactuur (d.d. 4 mei 2012, factuurnummer 3069) niet zou hebben plaatsgevonden. Het daarin vermelde geleidebonnummer ( […] ) hoort bij een Begeleidingsbrief B2, welke afkomstig is uit de administratie van belanghebbende, zodat vastgesteld kan worden dat een ontdoening heeft plaatsgevonden. In deze begeleidingsbrief is bij de datum van de ontvangst van het transport door [B.V. 2] met pen ‘4 mei 2012’ vermeld, wat correspondeert met de datum van de contantfactuur. Mede gelet op het feit dat de ontvangst van de overige contantfacturen is erkend door de accountant, is dit voldoende om ook de ontvangst van de contantfactuur met nummer 3069 en een daarmee samenhangende contante betaling aannemelijk te achten. Dit betekent dat reeds op grond van de normale bewijslastverdeling de door de Inspecteur gestelde contante betalingen aannemelijk zijn gemaakt en niet wordt toegekomen aan omkering van de bewijslast.


Tussenconclusie




5.14.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de onderhavige navorderingsaanslagen terecht aan belanghebbende zijn opgelegd.


Geschilpunt d (vergoeding van immateriële schade en undue delay)




5.15.
Belanghebbende verzoekt om een aanvullende vergoeding van immateriële schade nu de redelijke termijn ook in hoger beroep zal worden overschreden. Belanghebbende meent voorts dat nu de redelijke termijn niet alleen is overschreden bij de behandeling van de procedure tegen de navorderingsaanslag, maar ook in die tegen de boete, daarvoor een aanvullende schadevergoeding dient te worden toegekend, aangezien de boete is vernietigd door de Rechtbank, zodat genoegdoening niet kan plaatshebben door vermindering van die boete.



5.16.
De Inspecteur heeft zich primair op het standpunt gesteld dat belanghebbende geen separate vergoeding van immateriële schade wat betreft de boete toekomt, aangezien het geschil over de boete is geëindigd op het moment dat de Inspecteur het principaal hoger beroep heeft ingetrokken en belanghebbende eerst nadien, in het nader stuk van 20 januari 2026, heeft verzocht om een aanvullende schadevergoeding. Subsidiair geldt volgens de Inspecteur, naar analogie van r.o. 4.3 van het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191, dat een boete van € 1.002 te laag is om een separate vergoeding van immateriële schade te rechtvaardigen. Meer subsidiair meent de Inspecteur dat, gelet op r.o. 5.7.3.7 van de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 2 juli 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298), de vergoeding van immateriële schade niet meer dan € 150 respectievelijk € 200 kan bedragen.



5.17.
Voor de berechting van de zaak in hoger beroep geldt als uitgangspunt dat het gerechtshof uitspraak doet binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.4.3). Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld op 25 januari 2024 en heden wordt uitspraak gedaan op 16 juli 2026, terwijl bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen zijn voor verlenging van de redelijke termijn in hoger beroep zijn gesteld noch gebleken. Dit betekent dat de termijn van twee jaar is overschreden met niet meer dan zes maanden. Derhalve bestaat recht op een vergoeding van immateriële schade van € 500. Aangezien de onderhavige zaak gezamenlijk is behandeld met de zaak van de [D] B.V. met nummer BK-24/119 en beide zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, bestaat aanleiding de wegens schending van de redelijke termijn toe te kennen schadevergoeding te matigen. Belanghebbende heeft wat betreft de navorderingsaanslagen en de rentebeschikkingen in hoger beroep – bovenop de door de Rechtbank reeds toegekende vergoeding van € 1.250 – recht op een aanvullende vergoeding van immateriële schade van 1/2 van € 500, oftewel € 250.


5.18.1.
Wat betreft de vergrijpboete geldt het volgende. De vergrijpboete bedroeg meer dan € 1.000 en belanghebbende heeft in eerste aanleg en in hoger beroep verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. In een dergelijk geval kan compensatie voor de vorenbedoelde verdragsschending worden verleend met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb in de vorm van een vergoeding van immateriële schade op eenzelfde wijze als voor de navorderingsaanslag en de rentebeschikking (vgl. HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1337, r.o. 5.3.1, HR 9 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:216, r.o. 6.4, en HR 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1142, r.o. 2.4.3).



5.18.2.
Voor de procedure in eerste aanleg geldt dat de in aanmerking te nemen termijn is aangevangen op 14 september 2017, toen de boete is aangekondigd (zie 2.18), en is geëindigd toen de Rechtbank op 19 december 2023 uitspraak deed, zodat de in aanmerking te nemen termijn 6 jaar en afgerond 4 maanden (76 maanden) bedraagt. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is geweest van bijzondere omstandigheden die aanleiding zijn om de redelijke termijn van twee jaar voor deze fase van de procedure met één jaar en zes maanden te verlengen. In deze fase is de redelijke termijn daarom overschreden met 2 jaar en afgerond 10 maanden (34 maanden) (te weten: 76 maanden minus 42 maanden). In verband met deze overschrijding heeft belanghebbende recht op een vergoeding van € 3.000 (34 maanden vormen afgerond zes keer een half jaar à € 500). Van het tijdsverloop in eerste aanleg kan de periode vanaf de uitspraak op bezwaar (3 juni 2021) tot de uitspraak van de Rechtbank op 19 december 2023, derhalve een tijdsverloop van afgerond 31 maanden, worden toegerekend aan de beroepsfase. Een tijdsverloop van afgerond (76 – 31 =) 45 moet worden toegerekend aan de bezwaarfase. Van de overschrijding van de redelijke termijn moet – gelet op de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden – een periode van (45 – 24 =) 21 maanden aan de Inspecteur worden toegerekend en een periode van (31 – 18 =) 13 maanden aan de Staat. De Inspecteur dient daarom van de schadevergoeding voor deze fase van de procedure 21/34 deel van € 3.000 te betalen (€ 1.853) en de Staat 13/34 deel (€ 1.147).




5.19.
Gelet op het vorenoverwogene zal de Inspecteur worden veroordeeld tot het vergoeden van immateriële schade van € 1.853 en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot het vergoeden van immateriële schade van € 1.397.


Slotsom




5.21.
Het incidentele hoger beroep van belanghebbende is gegrond.





Proceskosten en griffierecht


6.1.
De beslissingen van de Rechtbank omtrent de proceskosten en het griffierecht worden in stand gelaten. De Rechtbank heeft terecht en naar het juiste bedrag proceskosten toegekend naar de tarieven die golden op het moment van doen van uitspraak door de Rechtbank.



6.2.
Verder bestaat aanleiding in het incidentele hoger beroep de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in hoger beroep, waarbij, gelet op de inhoud van de dossiers, de onderhavige zaak en de zaak van de medevennoot van belanghebbende, [D] B.V. met het nummer BK-24/119, worden aangemerkt als met elkaar samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Deze kosten worden, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het vorenbedoelde Besluit en de daarbij behorende bijlage, vastgesteld op € 2.802 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (2 punten (voor het indienen van het incidentele hogerberoepschrift en voor het verschijnen ter zitting) met een waarde per punt van € 934 x 1,5 (gewicht van de zaak)), waarvan de helft (€ 1.401) aan belanghebbende toekomt. Voorts wordt aanleiding gezien om dit bedrag te verminderen tot € 934 met toepassing van artikel 2, lid 2, van het vorenbedoelde Besluit, omdat belanghebbende gedeeltelijk in het gelijk is gesteld en een veroordeling van de Inspecteur tot vergoeding van het volledige bedrag onredelijk zou zijn bezien in het licht van het gewicht van het geschilpunt waarop belanghebbende in het gelijk is gesteld (zie HR 20 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:283).



6.3.
Voor het incidentele hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd (artikel 8:111, lid 2, Awb). Nu de Inspecteur het door hem ingestelde hoger beroep heeft ingetrokken, wordt van hem geen griffierecht geheven.





Beslissing

Het Gerechtshof:


verklaart het incidentele hoger beroep gegrond;


vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover daarin geen aanvullende vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de procedure tegen de vergrijpboete is toegekend;


veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.853;


veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.397; en


veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 934.




Deze uitspraak is vastgesteld door P.J.J. Vonk, R.A. Bosman en C. Maas, in tegenwoordigheid van de griffier A.S.H.M. Strik.


De griffier, de voorzitter,










A.S.H.M. Strik P.J.J. Vonk


De beslissing is op 16 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.


Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.


Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.


Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.


Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).



Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;


b. - de dagtekening;


c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


d. - de gronden van het beroep in cassatie.



Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Link naar deze uitspraak