|
|
|
| ECLI:NL:RBOVE:2026:5107 | | | | | Datum uitspraak | : | 11-08-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 20-08-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Overijssel | | Zaaknummers | : | 12183177 EJ VERZ 26-62 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Deelgeschil. Eenzijdig verkeersongeval werknemer. Verzekering werkgever dekt geen affectieschade. Behoorlijke verzekering? | | Trefwoorden | : | burgerlijk wetboek | | | rittenregistratie | | | vaststellingsovereenkomst | | | | Uitspraak | RECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer / rekestnummer: 12183177 \ EJ VERZ 26-62
Beschikking van 11 augustus 2026
in de zaak van
[verzoekster] ,
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde: mr. J.C. Braanker,
tegen
[verweerster] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerster] ,
gemachtigde: mr. M.M. Nijhuis.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties ex art. 1019w Rv.
- het verweerschrift met producties
- de brief van 1 juli 2026 over wijziging (aanvulling) van partijnaam
- de mondelinge behandeling van 14 juli 2026.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen ingestemd met het voorstel [verweerster] aan te merken als verwerende partij in de ze procedure.
1.3.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2De feiten
2.1.
Op vrijdag 11 april 2025 omstreeks 01.20 uur is de heer [naam] dodelijk verongelukt op de N35, vanuit Zwolle, net voorbij Mariënheem. Het betrof een eenzijdig ongeval waarbij de auto (een Mercedes V-klasse personenauto) frontaal op een boom is gereden. De heer [naam] was in dienst bij [verweerster] als directiechauffeur. Na afloop van een diner op donderdag 10 april 2025 heeft de heer [naam] een directielid en diens echtgenote afgezet in Zwolle. Vervolgens is hij vertrokken richting zijn woning in [plaats] en tijdens deze terugreis heeft het noodlottige ongeval plaatsgevonden.
2.2.
[verzoekster] (hierna: [verzoekster] ) is de dochter van de heer [naam] uit diens eerste huwelijk. Zij is kort na het ongeval geïnformeerd over het overlijden van haar vader. Haar werd in eerste instantie meegedeeld dat zij in de navolgende dagen afscheid van hem kon nemen in het uitvaartcentrum maar zij werd nog diezelfde dag teruggebeld met de mededeling dat zij toch dezelfde dag nog moest komen voor het afscheid, omdat het ontbindingsproces sneller dan gebruikelijk tot stand kwam door de ernstige verwondingen. [verzoekster] heeft haar vader dezelfde dag bezocht en afscheid van hem genomen.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
[verzoekster] verzoekt de kantonrechter bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) vast te stellen dat [verweerster] aansprakelijk is voor (de gevolgen van) het ongeval van 11 april 2025 en dat [verweerster] gehouden is de daaruit voor [verzoekster] voortvloeiende materiele en immateriële schade, althans affectieschade, te vergoeden.
3.2.
Aan het verzoek heeft [verzoekster] ten grondslag gelegd dat het aanzien van haar vader die dag, in die toestand, bij haar heeft geleid tot psychische klachten, nachtmerries, herbelevingen, verhoogde prikkelbaarheid en energiegebrek.
[verzoekster] stelt zich op het standpunt dat [verweerster] aansprakelijk is voor de schade die zij lijdt als gevolg van het overlijden van haar vader. Bij aansprakelijkheid op grond van werkgeversaansprakelijkheid (art. 7:658 BW) heeft [verzoekster] recht op affectieschade en mogelijk op shockschade. Als alleen aansprakelijkheid op grond van goed werkgeverschap (art. 7:611 BW) wordt aangenomen dan wordt de vordering van [verzoekster] beperkt tot affectieschade. Het wettelijk recht op affectieschade bestaat sinds 1 januari 2019. [verzoekster] heeft [verweerster] (en diens verzekeraar TVM) aansprakelijk gesteld maar aansprakelijkheid wordt van de hand gewezen.
3.3.
Volgens [verzoekster] heeft [verweerster] niet voldaan aan de op haar rustende zorgplicht als bedoeld in art 7:658 BW. Het ongeval heeft plaatsgevonden in de uitoefening van de werkzaamheden die de heer [naam] voor [verweerster] verrichtte. Voor de invulling van de zorgplicht geldt dat voor een chauffeur de arbeids- en rusttijden van cruciaal belang zijn voor de veiligheid. De werkgever dient te waarborgen dat deze regels worden nageleefd en dient dit deugdelijk te registreren. Volgens [verzoekster] leidt de informatie die [verweerster] in dat verband heeft overgelegd tot de conclusie dat niet voldaan is aan de geldende (arbo-)normen en [verweerster] daarom is tekortgeschoten in haar zorgplicht.
3.4.
Op [verweerster] rust bovendien de verplichting zich als een goed werkgever te gedragen. Deze aansprakelijkheidsgrond geldt niet enkel voor werknemers maar ook voor hun nabestaanden. Voor werknemers die voor hun werk aan het verkeer deelnemen brengt dit met zich mee dat de werkgever een behoorlijke verzekering dient af te sluiten voor de risico’s die aan verkeersdeelname verbonden zijn. Dat is hier niet gebeurd, wat leidt tot aansprakelijkheid van [verweerster] . [verweerster] heeft een zogeheten Goed Werkgeverschap-verzekering afgesloten bij TVM. Uit hoofde van deze verzekering wordt de overlijdensschade vergoed, maar deze sluit de vergoeding van affectieschade expliciet uit. Een dergelijke verzekering kan niet (meer) als ‘behoorlijk’ worden aangemerkt. De invoering van de Wet vergoeding affectieschade per 1 januari 2019 markeert een cruciale verschuiving in de maatschappelijke opvattingen, die een rol spelen bij het bepalen van wat een behoorlijke verzekering is. Vanaf dat moment is affectieschade een wettelijk erkende schadepost, die daarmee onderdeel uitmaakt van de schade die naar heersende maatschappelijke opvattingen vergoed moet worden. Ook de omvang van de schadevergoeding is wettelijk verankerd. Voor meerderjarige niet-thuiswonende kinderen (als [verzoekster] ) bedraagt de vergoeding € 15.000,00 en deze schade had gedekt moeten en kunnen worden door een behoorlijke verzekering. Daarbij komt dat dekking voor (ook) deze schadepost kan worden verkregen tegen een premie waarvan betaling in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd. TVM bood tot 2020 onder de SVI (schadeverzekering inzittenden) voor bedrijven dekking voor affectieschade en affectieschade wordt nog steeds vergoed onder de particuliere SVI van TVM. Bij andere schadeverzekeringen van bijvoorbeeld Centraal Beheer en ASR maakt affectieschade wel onderdeel uit van de dekking. De verzekering bij TVM was niet langer passend en [verweerster] had daarom een andere verzekering moeten afsluiten.
3.5.
Nijhof-Wassink verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe het volgende aan. Er is sprake geweest van een noodlottig verkeersongeval, waarbij de heer [naam] de controle over het voertuig verloor en tegen een boom botste. Het ongeval is niet het gevolg van een tekortschieten in de nakoming van de op Nijhof Wassing rustende zorgplicht als bedoeld in art. 7:658 BW en er is evenmin sprake van handelen in strijd met goed werkgeverschap als bedoeld in art. 7:611 BW.
3.6.
De suggestie dat [verweerster] de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden ten aanzien van de rij- en rusttijden is ongegrond. Onder verwijzing naar de overgelegde rittenregistratie stelt [verweerster] dat een nachtdienst maximaal tien uur mag duren en dat van overschrijding van die norm geen sprake is geweest.
3.7.
Ook het standpunt dat [verweerster] heeft gehandeld in strijd met goed werkgeverschap door geen toereikende verzekering te hebben afgesloten wordt uitdrukkelijk betwist. [verweerster] heeft bij TVM een Goed Werkgeverschap-verzekering afgesloten gericht op het beschermen van de werknemer tegen schade bij verkeersongevallen ongeacht de aansprakelijkheid. Dit is een behoorlijke verzekering in de zin van art. 7:611 BW. Het enkele feit dat affectieschade op grond van deze verzekering niet voor vergoeding in aanmerking komt, brengt niet mee dat geen sprake is van een behoorlijke verzekering als bedoeld in art. 7:611 BW en de jurisprudentie van de Hoge Raad daarover. De door de Hoge Raad ontwikkelde verzekeringsplicht strekt in de eerste plaats tot bescherming van de werknemer zelf en niet tot het verzekeren van zelfstandige aanspraken van nabestaanden zoals affectieschade.
3.8.
De vordering is bovendien niet toewijsbaar omdat in dit geval toewijzing van de vordering voor affectieschade in strijd komt met de eisen van de redelijkheid en billijkheid. De feitelijke situatie tussen familieleden bij de beoordeling van een vordering tot affectieschade kan van belang zijn. Volgens [verweerster] was de persoonlijke band tussen vader en dochter al geruime tijd voor het ongeval verbroken; er was geen zodanige nauwe affectieve relatie dat vergoeding van affectieschade gerechtvaardigd zou zijn. Daarbij komt dat de weduwe en de dochter uit het tweede huwelijk van de heer [naam] , met wie hij tot aan zijn overlijden wel een hechte en persoonlijke band onderhield, geen aanspraak hebben gemaakt op vergoeding van affectieschade.
3.9.
[verweerster] betwist tot slot de (omvang van de) gestelde buitengerechtelijke kosten.
4De beoordeling
4.1.
[verzoekster] heeft zich tot de kantonrechter gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De kantonrechter moet beoordelen of er sprake is van schade die wordt geleden door dood of letsel. Ook moet de kantonrechter beoordelen of er sprake is van een geschil omtrent een deel van wat partijen verdeeld houdt.
4.2.
De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de kantonrechter eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).
4.3.
In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening over de vraag of [verweerster] aansprakelijk is voor schade omdat zij haar zorgplicht jegens de heer [naam] heeft geschonden als bedoeld in art. 7:658 BW dan wel omdat [verweerster] voor hem geen behoorlijke verzekering heeft afgesloten op grond van art. 7:611 BW. Met een oordeel over de aansprakelijkheidsvraag kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken. Dit betekent dat de kantonrechter het verzoek inhoudelijk zal beoordelen.
Schending zorgplicht art. 7:658 BW
4.4.
Volgens [verzoekster] leidt de informatie die [verweerster] heeft overgelegd tot de conclusie dat niet voldaan is aan de geldende (arbo-)normen en [verweerster] daarom is tekortgeschoten in haar zorgplicht. [verzoekster] wijst erop dat sprake is geweest van een nachtdienst en dat nachtdiensten maximaal tien uur mogen duren. Uit de rittenregistratie van [verweerster] blijkt dat niet is voldaan aan de Arbeidstijdenwet. Arbeidstijd is de tijd dat de werknemer onder gezag van de werkgever arbeid verricht, ook als de werknemer op de arbeidsplaats moet blijven om te wachten op een oproep om aan het werk te gaan sprake is van arbeidstijd. De diensttijd van een chauffeur bestaat uit rijtijd, wachttijd en pauze. De onderbrekingen tussen de ritten van de heer [naam] , inclusief de periode op afroep, moeten als arbeidstijd worden gekwalificeerd aangezien hij niet vrijelijk over zijn tijd kon beschikken maar paraat moest staan voor een volgende opdracht, aldus [verzoekster] . [verzoekster] stelt ook dat het overleggen van de rittenregistratie van één voertuig nog niet betekent dat de heer [verzoekster] niet (toch) meer heeft gewerkt dan uit deze ene rittenregistratie blijkt.
4.5.
[verweerster] heeft het standpunt van [verzoekster] weersproken onder verwijzing naar de volgende rittenregistratie:
[afbeelding]
Volgens [verweerster] begon de diensttijd van de heer [naam] op 10 april 2025 pas om 15.06 uur. De ritten daarvóór, vanaf 12.12 uur, waren privéritten in de buurt van zijn woning. Voor de heer [naam] stonden de werktijden van te voren vast. Hij had van 20.08 tot 22.20 pauze thuis en als deze tijd in mindering wordt gebracht is er geen sprake van overschrijding van een nachtdienst van maximaal 10 uur.
4.6.
De kantonrechter overweegt dat het gelet op de rittenregistratie en het ontbreken van andere aanwijzingen niet voor de hand ligt dat de heer [naam] op 10 april 2025 meer ritten (in een ander voertuig) heeft gemaakt dan zichtbaar is in de rittenregistratie, zoals [verzoekster] suggereert. Ook zijn er geen aanwijzingen dat de ritten die de heer [naam] heeft gemaakt vóór 15.06 uur een zakelijk karakter hadden, mede gelet op de adressen in [plaats] , terwijl in [plaats] geen directieleden of commissarissen van [verweerster] wonen waar de heer [naam] voor reed, en het feit dat de heer [naam] ook privé reed en mocht rijden met de auto. De kantonrechter gaat daarom uit van een begin van de dienst om 15.06 uur. Verder is voldoende gebleken dat de auto van 20.08 uur tot 22.20 uur aan de [locatie] in [plaats] stond, in de buurt van de woning van de heer [naam] en dat de heer [naam] toen thuis was althans vrijelijk over zijn tijd kon beschikken. [verweerster] heeft immers gemotiveerd gesteld dat de heer [naam] in die tijd geen rekening hoefde te houden met een oproep: zijn ritten waren van tevoren bekend. De tijd tussen 20.08 uur en 22.20 uur merkt de kantonrechter niet aan als diensttijd en dat leidt tot de conclusie dat er op die dag (en nacht) geen sprake is geweest van overschrijding van de maximale diensttijd van 10 uur per dag. Andere gronden die moeten leiden tot schending van de zorgplicht door [verweerster] zijn niet aangevoerd zodat aansprakelijkheid op deze grond moet worden afgewezen.
4.7.
Dit leidt ook tot de conclusie dat [verweerster] geen verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van het ontstaan van het ongeval. Zij is dus niet aansprakelijk op grond van artikel 7:658 BW.
Behoorlijke verzekering in de zin van art. 7:611 BW
4.8.
[verzoekster] stelt dat [verweerster] in strijd met goed werkgeverschap heeft gehandeld door geen behoorlijke verzekering te hebben afgesloten voor haar werknemers. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad hierover van 1 februari 2008 (Kooiker-Taxicentrale Nijverdal, ECLI:NL:HR:2008:BB4767) stelt zij dat een werkgever voor werknemers die voor hun werk aan het verkeer deelnemen een behoorlijke verzekering dient af te sluiten voor de risico’s die aan verkeersdeelname verbonden zijn. Dat is hier niet gebeurd, aldus [verzoekster] .
4.9.
In het arrest heeft de Hoge Raad onder meer geoordeeld:
‘De aan het gemotoriseerde verkeer verbonden, door velen met grote regelmaat gelopen, risico’s van ongevallen hebben mettertijd geleid tot een goede verzekerbaarheid van deze risico’s tegen betaalbare premies. In het licht hiervan moet, in het verlengde van hetgeen is overwogen in de arresten van 2001 en 2002, worden geoordeeld dat de werkgever uit hoofde van zijn verplichting zich als een goed werkgever te gedragen, gehouden is zorg te dragen voor een behoorlijke verzekering van werknemers wier werkzaamheden ertoe kunnen leiden dat zij als bestuurder van een motorvoertuig betrokken raken bij een verkeersongeval.
De omvang van deze verplichting zal van geval tot geval nader vastgesteld moeten worden met inachtneming van alle omstandigheden, waarbij in het bijzonder betekenis toekomt aan de in de betrokken tijd bestaande verzekeringsmogelijkheden -waarbij mede van belang is of de verzekering kan worden verkregen tegen een premie waarvan betaling in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd- en de heersende maatschappelijke opvattingen omtrent de vraag voor welke schade (zowel naar aard als naar omvang) een behoorlijke verzekering dekking dient te verlenen. De verzekering behoeft in elk geval geen dekking te verlenen voor schade die het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.
…
Indien de werkgever is tekortgeschoten in zijn verplichting zorg te dragen voor een behoorlijke verzekering als hiervoor bedoeld, is hij jegens de werknemer aansprakelijk voorzover deze door die tekortkoming schade heeft geleden.’
4.10.
[verweerster] heeft een first party-verzekering, een zogeheten Goed Werkgeverschap-verzekering, afgesloten bij TVM. In de polisvoorwaarden staat in artikel 17 waarvoor verzekerd is:
[afbeelding]
[afbeelding]
4.11.
[verzoekster] heeft op deze verzekering inhoudelijk niet meer kritiek dan dat het feit dat affectieschade voor nabestaanden niet verzekerd is, ertoe leidt dat de verzekering niet behoorlijk is als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad.
4.12.
De kantonrechter stelt bij de beoordeling voorop dat de verzekeringsplicht voortvloeit uit de zorgplicht die werkgevers jegens hun werknemers hebben en dat die verzekering niet alle mogelijke schade van een werknemer hoeft te dekken. Verder moet de verzekering in zijn geheel worden beoordeeld, niet op afzonderlijke onderdelen.
De omstandigheden ten tijde van het ongeval, waaronder de op dat moment heersende maatschappelijke opvattingen, bepalen voor welke schade, naar zijn aard en omvang, de verzekering dekking dient te verlenen. Daarbij moet in het bijzonder ook worden gekeken naar welke verzekeringen er op dat moment al bestonden. Dit alles tegen de achtergrond dat hier gaat om een uitzondering op de regel van artikel 7:658 BW dat de werkgever alleen voor arbeidsongevallen aansprakelijk is indien hij is tekortgeschoten in zijn zorgplicht ter voorkoming van ongevallen.
4.13.
De kantonrechter is met [verweerster] van oordeel dat uit de door partijen genoemde literatuur, onderzoeken en polissen niet kan worden afgeleid dat naar maatschappelijke opvattingen dekking voor affectieschade in kwestie inmiddels de norm is geworden. Er zijn (ook grote) verzekeraars die dekking aanbieden voor affectieschade van nabestaanden van werknemers, maar niet gebleken is dat een grote meerderheid die dekking biedt. Daarbij komt dat affectieschade anders van aard is dan schade bij een ongeval van werknemers zelf. Het wettelijke recht op vergoeding van affectieschade is daarvan een afgeleide en heeft in de eerste plaats tot doel erkenning te verschaffen van het door naasten ondervonden leed en in de tweede plaats om naasten een zekere genoegdoening te verschaffen in die zin dat hun geschokte rechtsgevoel wordt verzacht doordat van de aansprakelijke persoon een opoffering wordt verlangd (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 2014/15, nr. 34 257, 3 p. 3). Het feit dat affectieschade sinds 2019 (onder voorwaarden) een wettelijke schadepost is geworden, en er verzekeraars zijn die thans affectieschade in de dekking hebben opgenomen (en affectieschade dus op zich verzekerbaar is), is niet voldoende om te concluderen dat de huidige maatschappelijke opvattingen maken dat werkgevers per definitie (ook) verzekerd moeten zijn voor affectieschade van nabestaanden. Het enkele feit dat die affectieschade niet gedekt is, rechtvaardigt niet om de verzekering als niet behoorlijk te kwalificeren. Als elk onderdeel van een verzekering als deze wordt beoordeeld los van de verdere inhoud van die verzekering, zou dat al snel leiden tot de conclusie dat elke verzekering die niet voor alle risico’s volledige dekking verleent geen behoorlijke verzekering is.
[verweerster] is met haar Goed Werkgeverschap-verzekering, tegen de inhoud waarvan verder geen bezwaar is gemaakt, dus niet tekortgeschoten in haar verplichting zorg te dragen voor een behoorlijke verzekering. Bij dit oordeel acht de kantonrechter ook van belang dat in dit geval, waar [verweerster] ten aanzien van het ongeval geen verwijt treft, de doelen van erkenning en genoegdoening een minder prominente rol spelen.
Conclusie
4.14.
De conclusie is dat het verzoek moet worden afgewezen.
Kosten deelgeschil
4.15.
De kantonrechter moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is geen sprake.
4.16.
Bij de begroting van de kosten moet de kantonrechter de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de kantonrechter de dubbele redelijkheidstoets hanteren: zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.
4.17.
[verzoekster] begroot de kosten op € 8.082,80 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht. [verweerster] voert aan dat het aantal bestede uren onredelijk is en dat het uurtarief bovenmatig is.
4.18.
De kantonrechter ziet geen goede gronden om het door de advocaten van [verzoekster] aan de zaak gehanteerde uurtarief onredelijk te achten. Mede met het oog op die uurtarieven van € 265,00 voor mr. Braanker en € 320,00 voor haar kantoorgenoot acht de kantonrechter het aantal uren dat zij aan de zaak hebben besteed wel te hoog en dus onredelijk. Wel redelijk is een totaal aantal uren van 20, bestaande uit 10 (waarvan 1 door de kantoorgenoot) voor het verzoekschrift, 4 voor bestudering verweerschrift en voorbereiding zitting en 6 voor reistijd en zitting.
De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de kantonrechter dan ook worden begroot op 19 uren × € 265,00 plus 1 uur x € 320,00, dus op € 5.355,00 exclusief btw, dat wil zeggen € 6.479,55 inclusief btw, te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 93,00. Omdat de aansprakelijkheid niet is komen vast te staan, zal de kantonrechter de kosten alleen begroten en [verweerster] niet veroordelen tot betaling daarvan.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
wijst het verzoek van [verzoekster] af,
5.2.
begroot de kosten van dit deelgeschil op € 6.479.55 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht van € 93,00.
Deze beschikking is gegeven door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op
11 augustus 2026. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|