Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:9181 
 
Datum uitspraak:29-07-2026
Datum gepubliceerd:21-08-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:ROT 26/5383
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Sv, vovo, bijstand, verrekening. Verrekening openstaande schuld met vakantietoeslag. De uitkeringsspecificatie is hier geen besluit, want niet op rechtsgevolg gericht. De verrekening volgt uit een eerder besluit. Daarom geen bezwaar mogelijk, Sprake van ontbreken connexiteit. Verzoek niet-ontvankelijk.
Trefwoorden:bijstandsuitkering
uitkering
 
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/5383

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 juli 2026 in de zaak tussen



[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. R. Moghni),

en



het college van burgemeester en wethouders van Schiedam, het college
(gemachtigde: [gemachtigde] ).




Inleiding

1. Verzoeker ontvangt een bijstandsuitkering. Op 26 juni 2026 heeft hij bezwaar gemaakt tegen het niet uitbetaald krijgen van zijn vakantiegeld. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

2. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.



Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Een verzoek om een voorlopige voorziening is alleen ontvankelijk als er bezwaar, administratief beroep of beroep aanhangig is tegen een besluit van een bestuursorgaan. Dit is het zogenaamde formele connexiteitsvereiste. De voorzieningenrechter beoordeelt daarom of een bezwaar aanhangig is.

4. Verzoeker voert aan dat de verrekening van de vakantietoeslag voor hem leidt tot onevenredige financiële gevolgen.

5. Verzoeker heeft de rechtbank laten weten niet te beschikken over het besluit dat de grondslag vormt van de verrekening van de vakantietoeslag. Hij heeft een uitkeringsspecificatie overgelegd van zijn bijstandsuitkering over de maand juni 2026. Hierop is aangegeven “Totaal inhouding t.b.v. vorderingen dienst”, met een bedrag van € 70,08 dat op de netto uitkering van € 1401,50 in mindering is gebracht.

6. Het college heeft het besluit van 5 februari 2026 overgelegd waarmee het heeft besloten een schuld van verzoeker aan het college per 30 oktober 2025 te verrekenen met de bijstandsuitkering van verzoeker en daartoe 5% van de bijstandsnorm in te houden. Deze verrekening vindt plaats door middel van inhouding van de gereserveerde vakantietoeslag (5%). In het besluit van 5 februari 2026 merkt het college op dat verzoeker geen vakantiegeld krijgt totdat de schuld is afbetaald. Verzoeker heeft bij brief van 22 april 2026 bezwaar ingediend tegen dit verrekeningsbesluit. Het college heeft dit bezwaar bij besluit van 1 juli 2026 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat verzoeker niet-verschoonbaar te laat bezwaar heeft ingediend.

7. Het bezwaar van verzoeker tegen “het niet uitbetalen van zijn vakantiegeld” dateert van 26 juni 2026. Voor zover dit bezwaar gericht is tegen de uitkeringsspecificatie van mei 2026, is dit bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk omdat de uitkeringsspecificaties voor wat betreft het niet uitbetalen van het vakantiegeld geen voor bezwaar en beroep vatbare besluiten zijn. Immers, het rechtsgevolg van het niet-ontvangen van vakantiegeld volgt uit het verrekeningsbesluit van 5 februari 2026. Omdat daarmee geen bezwaar aanhangig is, is niet voldaan aan het formele connexiteitsvereiste.


7.1.
Voor zover dit bezwaar tegen “het niet uitbetalen van zijn vakantiegeld” zou moeten worden geacht te zijn gericht tegen het verrekeningsbesluit van 5 februari 2026, treft het geen doel, omdat verzoeker tegen dat besluit al een bezwaar had ingediend. Het verzoek om een voorlopige voorziening stuit hier ook op af.





Conclusie en gevolgen

8. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk zal beoordelen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026.













griffier


voorzieningenrechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:



Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Dit volgt uit artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Dit betekent dat verzoeker nog steeds maandelijks beschikt over 95% van de voor hem toepasselijke bijstandsnorm (beslagvrije voet).


Besluit in de zin van artikel 4:93, tweede lid, van de Awb en artikel 60, derde lid, van de Participatiewet.


CRvB 12 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW8313.
Link naar deze uitspraak