Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2025:28049 
 
Datum uitspraak:10-09-2025
Datum gepubliceerd:21-08-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:C/09/659133 / FA RK 23-95
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Echtscheiding met nevenvoorzieningen. Vaststellen hoofdverblijf bij de man, geen vaststelling zorgregeling met de vrouw vanwege gebrek aan draagvlak bij minderjarige. Vastleggen informatieregeling. Kinderalimentatie. Afwijzing verzoek tot partneralimentatie vanwege gebrek aan onderbouwing behoefte. Verdeling van de gemeenschap, geen gebruiksvergoeding.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
echtscheiding
huwelijkse voorwaarden
inkomstenbelasting
taxatie
 
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer
Rekestnummers: FA RK 23-9502 (echtscheiding) en FA RK 25-667 (verdeling)
Zaaknummers: C/09/659133 (echtscheiding) en C/09/679404 (verdeling)
Datum beschikking: 10 september 2025

Echtscheiding met nevenvoorzieningen



Beschikking op het op 21 december 2023 ingekomen verzoek van:




[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.S. Polat te Rijswijk.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:




[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.I. Dierkx te Amsterdam.



Procedure
Bij beschikking van 10 februari 2025 van deze rechtbank is aan de vrouw een verweertermijn tot en met 7 maart 2025 gegeven betreffende de verzoeken tot echtscheiding, kinderalimentatie, partneralimentatie, afwikkeling huwelijksvermogensregime en gebruiksvergoeding.

Partijen zijn in diezelfde beschikking doorververwezen naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling. De verzoeken met betrekking tot het hoofdverblijf en de zorgregeling van [minderjarige] zijn daartoe pro forma aangehouden.

De rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder thans ook:
- het F9-formulier van 7 maart 2025 van de man, met bijlage;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift van 7 maart 2025 van de vrouw, met bijlagen;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek van 2 april 2025 van de man, met bijlagen;
- het F9-formulier van 16 juli 2025 van de man, met bijlagen;
- het F9-formulier van 18 juli 2025 van de vrouw, met bijlagen;
- het F9-formulier van 29 juli 2025 van de vrouw, met bijlagen.

De minderjarige [minderjarige] heeft in raadkamer, tijdens een gesprek met de kinderrechter, haar mening kenbaar gemaakt.


Op 30 juli 2025 is de behandeling ter terechtzitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de man met zijn advocaat, de vrouw met haar advocaat en tolk J.C. Rijnfrank en namens de Raad voor de Kinderbescherming [naam] . Van de zijde van de man zijn nadere stukken overgelegd.



Feiten


Bij akte van 30 maart 2009 heeft de man erkend het uiteindelijk op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] geboren kind van partijen: [minderjarige] .


Partijen zijn gehuwd op [dag] 2013 te [plaats] .


De man en [minderjarige] hebben in ieder geval de Nederlandse nationaliteit en de vrouw de Braziliaanse nationaliteit.


Op 6 augustus 2024 heeft deze rechtbank voorlopige voorzieningen gewezen onder zaaknummer C/09/667025 en daarbij – kort gezegd – bepaald:


- dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [adres] ;
- dat [minderjarige] aan de man wordt toevertrouwd;
- dat de vrouw voorlopig gerechtigd is om [minderjarige] in het kader van een co-ouderschapsregeling bij zich te hebben week-op-week-af en de helft van de vakanties en feestdagen;
- dat de vrouw aan de man met ingang van de datum van deze beschikking voorlopig een partneralimentatie van € 212,- per maand zal betalen;
- dat de vrouw aan de man, met ingang van de datum van deze beschikking voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] zal betalen van € 309,- per maand.
- Partijen zijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen.



Verzoek en verweer
Het verzoek van de man, zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:
- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de man;
- vaststelling van kinderalimentatie van € 760,- per maand, door de vrouw aan de man te betalen, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van 1 januari 2024;
- indien de rechtbank een beslissing neemt die wijziging in de draagkracht van de vrouw teweegbrengt, dan verzoekt de man de rechtbank met ingang van 1 januari 2024 een bijdrage vast te stellen conform de beschikbare draagkrachtruimte van de vrouw voor partneralimentatie, althans met een zodanige ingangsdatum en bedrag als de rechtbank in goede justitie juist acht;
- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform
het voorstel van de man;
- voortgezet gebruik van de echtelijke woning met inboedel voor de duur van zes maanden na inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Bovendien heeft de vrouw na wijziging, zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:
- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] conform het advies van de Raad;
- vaststelling van een co-ouderschapsregeling waarbij [minderjarige] de ene week bij de vrouw zal verblijven en de andere week bij de man;
- vaststelling van kinderalimentatie van € 220,- per maand, door de man aan de vrouw te voldoen, bij vooruitbetaling te voldoen;
- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de vrouw;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.



Beoordeling
De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist.


Echtscheiding


Ontvankelijkheid

Partijen hebben geen ouderschapsplan ingediend zoals wettelijk is vereist. Toch zal de rechtbank het verzoek tot echtscheiding beoordelen, omdat het partijen niet gelukt is om op alle punten ten aanzien van de zorg voor [minderjarige] tot overeenstemming te komen.


Inhoudelijke beoordeling

Partijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en hebben beiden een verzoek tot echtscheiding gedaan. Deze verzoeken tot echtscheiding kunnen als op de wet gegrond worden toegewezen.


Hoofdverblijfplaats en zorgregeling

De man verzoekt de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen en stelt dat het nu onmogelijk is om een zorgregeling vast te leggen, gezien de ernstig verstoorde relatie tussen de vrouw en [minderjarige] en de voortdurende communicatieproblemen tussen de ouders. De man stelt dat een raadsonderzoek niet geïndiceerd is, omdat dit onnodig vertragend is en er nu voor wat betreft de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling bij [minderjarige] en partijen behoefte is aan duidelijkheid en stabiliteit. De vrouw voert verweer en verzoekt een raadsonderzoek te gelasten zodat de Raad kan onderzoeken wat ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en een zorgregeling in het belang van [minderjarige] is.

De rechtbank constateert het volgende. Partijen zijn doorverwezen naar een traject ouderschapsbemiddeling, maar dit traject is nog niet gestart. Momenteel geldt de voorlopige zorgregeling zoals bepaald in de voorlopige voorzieningenprocedure, maar uit de stukken (brief [hulpverlener 1] 7 maart 2025) blijkt dat hier geen uitvoering aan wordt gegeven. De vrouw heeft [minderjarige] sinds een incident in november 2024 niet meer gezien. [minderjarige] is boos op haar moeder en er lijkt geen ingang voor contactherstel te zijn. [minderjarige] wil geen contact met de vrouw en staat niet open voor gesprekken met hulpverlening. Zij staat niet open voor gesprekken met de betrokkenen van [hulpverlener 1] , waardoor het moeilijk is om de nodige ondersteuning te bieden die haar zou kunnen helpen.

Uit het Gezinsplan van [instelling] van 24 juni 2025 volgt dat [minderjarige] aangeeft dat een psycholoog haar zou kunnen helpen om de scheiding van haar ouders te verwerken en een plekje te geven. [minderjarige] heeft tijdens het kindgesprek – en de man op de zitting – aangegeven dat [minderjarige] nu inderdaad openstaat voor psychologische hulp en dat ze hiervoor op een wachtlijst staat.

De rechtbank constateert uit de stukken en het besprokene ter zitting verder dat er sinds de voorlopige voorzieningenprocedure niets is veranderd in de situatie tussen de ouders en [minderjarige] . [minderjarige] heeft ook tijdens het kindgesprek aangegeven geen contact te willen met haar moeder.

De rechtbank stelt voorop dat het in het belang is van kinderen, [minderjarige] nu in het bijzonder, dat zij contact hebben met beide ouders. Dit lijkt op dit moment niet mogelijk vanwege de weerstand van [minderjarige] . Het is de hulpverlening nog niet gelukt hier verandering in te brengen. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de wens van de vrouw om daar wel op korte termijn verandering in te brengen en contactherstel mogelijk te maken, ziet de rechtbank een uitvoering van een raadsonderzoek hiertoe niet als het aangewezen middel. Daartoe is redengevend dat de rechtbank nader onderzoek door de Raad niet noodzakelijk acht voor het nemen van een beslissing. Voorts is de rechtbank van oordeel dat een door de raad uit te voeren onderzoek partijen niet verder zal helpen met betrekking tot het contactherstel. Het is de rechtbank duidelijk dat daarvoor de juiste hulpverlening noodzakelijk is. [minderjarige] gaat hiertoe om te beginnen gesprekken voeren met een psycholoog. Daarnaast heeft de rechtbank de hoop dat beslissingen in de echtscheidingsprocedure voor meer duidelijkheid gaan zorgen en ruimte zullen creëren voor [minderjarige] om zich anders te gaan verhouden tot haar moeder.

De ouders zullen daarnaast bij het traject ouderschapsbemiddeling gaan werken aan hun onderlinge communicatie en hun eigen rol in het in stand houden van de situatie waarin [minderjarige] geen contact wil met haar moeder. Gesproken zal worden over de wijze waarop de ouders daar verandering in kunnen brengen. De rechtbank wijst erop dat de man aan zet is om [minderjarige] actief positief te blijven stimuleren in het contactherstel met haar moeder. Hoewel de man op de zitting heeft aangegeven dat hij nu rust ervaart in de thuissituatie met hem en [minderjarige] , heeft de Raad hiervan op de zitting aangegeven dat dit vaak ‘schijnrust’ betreft. De Raad heeft aan de man meegegeven om zich tot [hulpverlener 2] te wenden als begeleiding voor hem en [minderjarige] . Door de Raad is daarnaast op de zitting naar voren gebracht dat de vrouw een brief, of meerdere brieven, zou kunnen schrijven aan [minderjarige] en een dagboek zou kunnen bijhouden over [minderjarige] . Op die wijze weet [minderjarige] , als zij weer met elkaar in contact komen, dat de vrouw al die tijd bezig is gebleven en betrokken is gebleven bij [minderjarige] . Dit is het in belang van toekomstig contact.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is om haar hoofdverblijfplaats bij de man te bepalen en geen zorgregeling vast te stellen. Dit neemt niet weg dat de rechtbank contact tussen [minderjarige] en de vrouw in het belang van [minderjarige] acht. Hoewel er momenteel geen draagvlak is bij [minderjarige] voor contactherstel, gaat de rechtbank ervan uit dat hieraan gewerkt zal worden met behulp van de betrokken hulpverlening. De rechtbank zal een eindbeschikking wijzen en ziet daarom geen aanleiding voor het opnemen van een lus naar de Raad. Dit neemt niet weg dat als het niet goed gaat met [minderjarige] en/of als het traject ouderschapsbemiddeling mislukt, de rechtbank ervan uitgaat dat de betrokken hulpverleners zich zullen melden bij de Raad.


Informatieregeling

De Raad heeft op de zitting het belang benadrukt van het verstrekken van informatie over [minderjarige] door de man aan de vrouw. Dit belang hebben beide ouders onderschreven. De man heeft toegezegd een keer per maand de vrouw per e-mail te zullen informeren over de belangrijke aangelegenheden en ontwikkelingen aangaande [minderjarige] . Zo blijft de vrouw op de hoogte van het leven en de ontwikkeling van [minderjarige] , zodat zij op het moment van contactherstel kan aansluiten bij haar behoeften en wensen. De rechtbank zal deze informatieregeling vastleggen.

Kinderalimentatie

Bij de berekening en vaststelling van de kinder- en partneralimentatie neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: de expertgroep) opgenomen in het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.


Behoefte

Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [minderjarige] in 2024 € 868,- per maand bedraagt. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt deze behoefte afgerond € 924,- per maand.

De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden gedragen.


Draagkracht vrouw

De man verzoekt voor de draagkracht van de vrouw rekening te houden met een gemiddeld loon en winst uit onderneming van de vrouw van de jaren 2022 tot en met 2024. Op de zitting heeft de advocaat van de man een berekening overgelegd waaruit blijkt dat de man het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw berekent op € 3.806,- per maand. De vrouw stelt dat zij vanwege haar psychische gesteldheid niet in staat is zoveel te werken als zij in de afgelopen jaren heeft gedaan. Daarnaast is zij ZZP’er en zal het aantal opdrachtgevers afnemen vanwege nieuwe wetgeving. Daarom moet volgens de vrouw uitgegaan worden van haar paar recente facturen in 2025, op basis waarvan zij een netto-inkomen van € 1.660,- per maand heeft.

De rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat dat de vrouw in 2022 een winst uit onderneming van € 26.347,- had, in 2023 van € 40.319,- en in 2024 van € 75.831,-. Op de zitting heeft de vrouw gemotiveerd bepleit dat het jaar 2024 een uitzonderlijk jaar was waarin de winst uit onderneming hoger was dan de andere jaren. Het is niet te verwachten dat dit de komende jaren ook zo hoog zal zijn, vanwege haar persoonlijke situatie en de verwachte afname van ZZP-opdrachten. Het is daarom te verwachten dat de vrouw ook in loondienst zal moeten gaan, eventueel naast het uitvoeren van ZZP-werkzaamheden. De rechtbank is, gelet op hetgeen de vrouw daaromtrent heeft gesteld, van oordeel dat het redelijk is om het jaar 2024 niet mee te nemen in de draagkrachtberekening van de vrouw. Wel is de rechtbank van oordeel dat verwacht kan worden dat de vrouw een gemiddelde winst uit onderneming en inkomen uit loondienst kan genereren ongeveer gelijk aan de bedragen die zij in de jaren 2022 en 2023 ontving. Daarom zal de rechtbank uitgaan van de gemiddelde winst uit onderneming en het gemiddelde inkomen in deze twee jaren. De rechtbank is van oordeel dat daarmee recht wordt gedaan aan de te verwachten draagkracht van de vrouw in 2025. Dit betekent dat de rechtbank het gemiddelde loon van de vrouw afgerond op € 26.756,- per jaar berekent. Haar gemiddelde winst uit onderneming was over de jaren 2022 en 2023 € 33.333,-.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 3.762,- per maand.

Tussen partijen is voorts in geschil of voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw (en de man) moet worden uitgegaan van hun werkelijke woonlasten in plaats van het gebruikelijke woonbudget.

Zoals hierna bij de draagkrachtvergelijking zal blijken, bestaat er geen tekort aan gezamenlijke draagkracht om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. Daarnaast bedraagt het woonbudget van de vrouw € 1.129,-, wat ongeveer gelijk is aan haar werkelijke woonlasten. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om bij partijen van het woonbudget af te wijken.

Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan € 926,- per maand.


Draagkracht man

Met betrekking tot de draagkracht van de man is tussen partijen niet in geschil dat uitgegaan moet worden van zijn gemiddelde winst uit onderneming van de jaren 2022 tot en met 2024. De rechtbank ziet echter aanleiding om net als bij de vrouw uit te gaan van een gemiddelde van twee jaren. In het geval van de man zal de rechtbank het gemiddelde van de jaren 2023 en 2024 in de berekening betrekken, omdat de rechtbank op basis van de gewisselde stellingen van oordeel is dat deze jaren representatief zijn voor de verdiencapaciteit van de man. De rechtbank volgt niet het standpunt van de vrouw dat de man meer zou kunnen werken en meer zou kunnen verdienen. Er is daarom onvoldoende reden om ervan uit te gaan dat de man per jaar € 74.000 aan bruto-inkomen kan genereren. De gemiddelde winst uit onderneming van de jaren 2023 en 2024 berekent de rechtbank op € 42.934,- per jaar.

Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 3.583,- per maand.

Net zoals voor de draagkracht van de vrouw zal de rechtbank voor de draagkracht van de man geen rekening houden met zijn werkelijke woonlasten. Er is geen draagkrachttekort om in de kosten van [minderjarige] te voorzien, waardoor de rechtbank geen aanleiding ziet om af te wijken van het woonbudget.

Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan € 839,- per maand.


Draagkrachtvergelijking

De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.765,- per maand (€ 926,- + € 839,-). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 839 / 1.765 x 924 = € 439
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 926 / 1.765 x 924 = € 485
samen € 924

Van de totale behoefte van [minderjarige] komt een gedeelte van € 439,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 485,- per maand komt voor rekening van de vrouw.

De rechtbank zal gelet op de huidige situatie van de zorgverdeling een zorgkortingspercentage van 5% in aanmerking nemen. De zorgkorting bedraagt dan € 46,- per maand (5% van € 924). De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de vrouw te betalen bijdrage bedraagt dan € 439,- per maand (€ 485 -/- € 46). Partijen zijn het erover eens dat de ingangsdatum de datum van deze beschikking zal zijn.


Partneralimentatie

Hoewel uit de berekening van kinderalimentatie volgt dat de vrouw draagkracht over heeft voor partneralimentatie, zal de rechtbank geen bijdrage aan partneralimentatie vaststellen. De rechtbank overweegt in dit verband dat de verplichting aan de zijde van de man, als verzoekende partij, ligt om zijn behoefte en aanvullende behoefte te onderbouwen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man daar, gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw, niet althans niet voldoende aan voldaan. De rechtbank zal daarom dit (voorwaardelijke) verzoek van de man afwijzen.


Verdeling huwelijksgemeenschap

Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt.
Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW) – zoals deze artikelen golden tot 1 januari 2018 – moet worden aangenomen dat tussen de echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen bestond. Het uitgangspunt is dan dat de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap (op grond van artikel 1:100 BW (zoals dat gold tot 1 januari 2018)) bij helfte tussen de echtgenoten moet worden verdeeld.


Peildatum omvang en verdeling

Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum 21 december 2023, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling.


Omvang

Door partijen zijn de volgende bestanddelen en schulden van de gemeenschap naar voren gebracht:


de echtelijke woning aan de [adres] , met de daaraan gekoppelde hypothecaire geldleningen bij Lloyds Bank met kenmerken [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 3] , en polissen met nummers [nummer 4] en [nummer 5] ;


de inboedel;


de bankrekening op naam van de man met nummer [rekeningnummer 1] en de bankrekening op naam van de vrouw met nummer [rekeningnummer 2] , met de daarbij horende spaarrekening;


e ondernemingen van partijen: eenmanszaak [bedrijf 1] van de man en eenmanszaak [bedrijf 2] van de vrouw;


de schuld bij de ING-bank;


de schuld met betrekking tot teveel ontvangen kindgebonden budget in 2021 en 2022;


de DUO schuld van de vrouw;


de schuld van de vrouw ten aanzien van de gemeentelijke belastingen van 2025.


Daarnaast dient de rechtbank een oordeel te geven over:
i. de gebruiksvergoeding.


Ad. a – de echtelijke woning

Partijen zijn het erover eens dat de man de echtelijke woning zal overnemen, maar tussen hen is in geschil de waarde van de woning en de te volgen procedure. De man stelt dat de woning na een gezamenlijke opdracht in december 2023 is getaxeerd voor € 245.000,- en dat deze waarde gehanteerd moet worden bij de verdeling. De vrouw stelt dat de woning opnieuw getaxeerd moet worden, omdat deze waarde gedateerd is en de woning nu meer waard is.

De rechtbank zal gelet op het voorgaande ten aanzien van de echtelijke woning, de daaraan gekoppelde polissen en hypothecaire geldleningen de wijze van verdeling vaststellen conform het in het dictum vermelde spoorboekje. Hoewel partijen in december 2023 gezamenlijk de woning hebben laten taxeren, kan niet gerekend worden met deze getaxeerde waarde omdat dit niet representatief is voor de huidige waarde van de woning. Zoals hiervoor is overwogen, moet bij de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen, waaronder ook de woning, gekeken worden naar de datum van feitelijke verdeling. Het is in het belang van [minderjarige] dat de man de woning kan overnemen, zodat hij daar met [minderjarige] kan blijven wonen. De rechtbank zal daarom in het spoorboekje korte termijnen hanteren, zodat de woning zo snel mogelijk kan worden getaxeerd en hier zo spoedig mogelijk duidelijkheid over kan ontstaan.


Ad. b – de inboedel

Beide partijen hebben aanvankelijk inboedellijsten overgelegd. De man heeft op de zitting verteld dat hij had aangegeven aan de vrouw dat zij haar spullen kan komen ophalen. De vrouw heeft op zitting verzocht haar een bedrag van € 4.000/€ 5.000 toe te kennen als wijze van verdeling van de inboedel, waarbij de vrouw dan geen goederen meer uit de woning krijgt. De rechtbank leidt daaruit af dat zij de waarde van de inboedel schat op € 8.000/€ 10.000. De man heeft aangegeven dit teveel te vinden. Nu partijen de door hen gestelde waardes verder niet hebben onderbouwd, ziet de rechtbank aanleiding om de waarde van de inboedel te schatten. De echtelijke woning van partijen betreft een appartement en geen van partijen heeft onderbouwd of betoogd dat de inboedel een bijzondere waarde vertegenwoordigt. Rekening houdend met de waarde van een normale inboedel voor een appartement stelt de rechtbank de waarde van de inboedel daarom redelijkerwijs vast op € 4.000,-, zodat de man aan de vrouw nog € 2.000,- moet voldoen. De rechtbank geeft partijen in overweging om dit bedrag te verrekenen ten tijde van de verdeling van de echtelijke woning.


Ad. c – de bankrekeningen

Partijen zijn het erover eens dat ieder van hen zijn of haar eigen bankrekeningen zal houden en dat zij de saldi van die rekeningen per peildatum – 21 december 2023 – met elkaar zullen delen. Op de zitting hebben partijen met elkaar afgesproken elkaar daar de nodige informatie over te verstrekken en dit onderling met behulp van de advocaten te regelen. De rechtbank overweegt in dit verband dat de zakelijke bank- en spaarrekeningen van partijen ook tot de algehele gemeenschap van goederen behoren en geen afgescheiden vermogen vormen, omdat partijen beiden een eenmanszaak hebben. Dit betekent dat de saldi van de zakelijke bankrekeningen van partijen ook per peildatum met elkaar verdeeld moeten worden.



Ad. d – de ondernemingen

Partijen zijn het erover eens dat ieder zijn/haar eigen eenmanszaak houdt. Eenmanszaken behoren tot de huwelijksgemeenschap van partijen, inclusief de aan de eenmanszaak verbonden (zakelijke) rekeningen. Zoals hiervoor overwogen, moeten die rekeningen ook betrokken worden bij de verrekening van de bankrekeningen. Net als de liquide middelen van de eenmanszaken behoren ook de andere activa (en schulden) tot de gemeenschap van goederen. De rechtbank heeft niet de beschikking over de balansen van de ondernemingen van partijen op de peildatum c.q. op 31 december 2023, zodat bij de rechtbank niet bekend is wat toen de waarde van de activa van de ondernemingen was. Gelet op de aangiften Inkomstenbelasting van 2023 van partijen en de daarin opgenomen gegevens van de ondernemingen, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat de eenmanszaken meer waarde vertegenwoordigen dan de liquide middelen die op de bankrekeningen staan. De rechtbank is daarmee van oordeel dat naast de verrekeningen van de saldi van de bankrekeningen van de ondernemingen per peildatum er geen aanleiding bestaat om bij de toedeling van de eenmanszaken aan ieder van partijen nog een nadere onderlinge verrekening vast te stellen.


Ad. e, f, g & h – de schulden

De rechtbank stelt voorop dat schulden niet voor verdeling in aanmerking komen, omdat een schuld geen goed is zoals bedoeld in artikel 3:182 BW. Verder is het niet mogelijk om wijzigingen aan te brengen in de aansprakelijkheid van beide (ex-)echtgenoten tegenover schuldeisers zoals dat is bepaald in artikel 1:102 BW.

In de onderlinge verhouding tussen de echtgenoten geldt op grond van artikel 1:100 BW het volgende. Voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, worden deze schulden door beide (ex)echtgenoten voor een gelijk deel gedragen, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden – een andere draagplicht voortvloeit. Als één van de (ex)echtgenoten wordt aangesproken door een schuldeiser en hierdoor meer heeft bijgedragen in de schuld dan het gedeelte dat hem of haar aangaat, dan heeft hij of zij voor dit meerdere op grond van artikel 6:10 BW een regresrecht op de andere (ex)echtgenoot.

De man en de vrouw zijn het erover eens dat de schuld bij de ING, het teveel ontvangen kindgebonden budget en de DUO schuld van de vrouw tot de gemeenschap behoren. Nu zij geen andere afspraken hebben gemaakt, gelden in hun onderlinge verhouding de hiervoor genoemde uitgangspunten. De rechtbank zal vastleggen dat in hun onderlinge verhouding de man en de vrouw beiden de helft van de schuld aan de ING, het teveel ontvangen kindgebonden budget en de DUO schuld aan de voor zijn/haar rekening dienen te nemen. Voor het kindgebonden budget geldt dit te meer nu in de voorlopige voorzieningenprocedure de maandelijkse aflossing van dit teveel ontvangen bedrag is meegenomen als extra last bij de vrouw voor de berekening van haar draagkracht voor kinderalimentatie.

Ten aanzien van de door de vrouw in het geding gebrachte schuld voor de gemeentelijke belastingen overweegt de rechtbank dat deze schuld na de peildatum is ontstaan. Deze schuld valt daarom niet in de gemeenschap van goederen, zodat de man niet bij helfte draagplichtig is voor deze schuld. Dit verzoek van de vrouw zal de rechtbank afwijzen.



Ad. i – gebruiksvergoeding

De vrouw verzoekt haar een gebruiksvergoeding toe te kennen van € 750,- per maand, vanaf 1 juni 2024. Dit was de datum dat de man bij beschikking het uitsluitend gebruik toegekend heeft gekregen. De vrouw heeft sindsdien een andere woning moeten zoeken, waarvan de huur € 1.500,- per maand bedraagt. Het is daarom redelijk dat de man haar € 750,- per maand betaalt. De man voert verweer en stelt dat hij alle woonlasten van de echtelijke woning draagt, zowel de eigenaarslasten als de gebruikerslasten. Deze lasten moet weggestreept worden tegen een eventuele gebruiksvergoeding.

De rechtbank overweegt als volgt. Ten aanzien van de periode vóór de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking gelden nog immer de artikelen 1:81 BW en 1:84 BW, waaruit volgt dat zolang het huwelijk nog niet is ontbonden, echtgenoten gehouden zijn elkaar het nodige te verschaffen en verplicht zijn om ten behoeve van de kosten van de huishouding bij te dragen naar evenredigheid van hun inkomen/vermogen. De rechtbank stelt vast dat de vrouw gehouden was om – gelet op het feit dat de echtelijke woning in de gemeenschap valt – in ieder geval de helft van de eigenaarslasten van de woning te voldoen. De rechtbank stelt eveneens vast dat beide partijen kosten hebben gemaakt in verband met huisvesting, maar heeft onvoldoende gegevens om vast te stellen in welke verhouding zij daaraan moeten bijdragen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de kosten van de man kunnen worden weggestreept tegen de kosten van de vrouw. De rechtbank zal het verzoek met betrekking tot een gebruiksvergoeding daarom voor deze periode afwijzen.

Ten aanzien van de periode na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking ziet de rechtbank ook geen aanleiding om een gebruiksvergoeding vast te stellen. De rechtbank zal voor deze situatie de hypotheeklasten en de gebruiksvergoeding tegen elkaar wegstrepen.
Volgens artikel 3:172 BW dienen partijen na de inschrijving van de echtscheiding de eigenaarslasten bij helfte te voldoen. Op grond van artikel 3:169 BW mag de partij die het voortgezet gebruik van de woning niet heeft een gebruiksvergoeding vorderen. Artikel 3:169 BW bepaalt dat iedere deelgenoot, tenzij een regeling anders bepaalt, bevoegd is tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is. De deelgenoot die het goed met uitsluiting van de andere deelgenoot gebruikt moet die andere deelgenoot, die aldus verstoken is gebleven van het gebruik en genot, schadeloos stellen, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding. Daarbij dienen de redelijkheid en de billijkheid die de rechtsbetrekkingen tussen deelgenoten beheersen (artikel 3:166 lid 3 BW) tot maatstaf. Op de zitting heeft de man aangegeven dat hij de volledige hypotheeklasten verbonden aan de echtelijke woning voldoet en zal blijven voldoen. Uit de redelijkheid en billijkheid vloeit voort dat de man de vrouw dan een gebruiksvergoeding zou moeten betalen die qua omvang gelijk is aan de bijdrage van de vrouw die de vrouw moet doen in de hypotheeklasten die nu volledig door de man worden gedragen. Deze bijdrage in de hypotheeklasten van de vrouw kan dus worden weggestreept tegen de door de man aan de vrouw te betalen gebruiksvergoeding, zodat zij over en weer in dit kader niets van elkaar te vorderen hebben, te meer vanwege het feit dat de man bijdraagt aan de vermogensopbouw voor de vrouw door de hypotheeklasten volledig voor zijn rekening te nemen. Daarom is een gebruiksvergoeding naar het oordeel van de rechtbank niet aangewezen.


Voortgezet gebruik van de echtelijke woning

De man heeft verzocht hem het voortgezet gebruik van de echtelijke woning toe te kennen tot zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. De vrouw heeft op de zitting aangegeven akkoord te zijn met de wettelijke termijn van zes maanden, maar niet langer. De rechtbank zal daarom de man voor zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking het voortgezet gebruik van de echtelijke woning toekennen, ook gelet op de termijnen gegeven in het spoorboekje voor overname of verkoop aan een derde van de echtelijke woning. Nadat duidelijk is geworden of de man wel of niet de woning kan overnemen, moet daarna nog de overname worden gerealiseerd ofwel moet de woning nog worden verkocht. Een termijn van zes maanden is daarom naar het oordeel van de rechtbank redelijk.


Brief aan [minderjarige]

De rechtbank heeft [minderjarige] een brief geschreven om haar te laten weten wat de beslissing is. Volledigheidshalve neemt de rechtbank hieronder de inhoud van de brief aan [minderjarige] op, zodat beide ouders daarvan op de hoogte zijn.


Beste [minderjarige] ,



Wij hebben elkaar een paar weken geleden gesproken op de rechtbank. Ik was blij dat je er was en met mij wilde praten. Ik zei het toen al: het is altijd goed om met een kind te kunnen praten als ik een beslissing moet nemen die voor dat kind belangrijk is. Ik vond het gesprek met jou prettig en ik vond het mooi om te horen hoe goed jij over alles had nagedacht.



Je hebt verteld hoe het met je gaat en duidelijk gezegd welke dingen belangrijk voor jou zijn. Het was goed dat je daar voor ons gesprek al over nagedacht had en dat je aantekeningen had als geheugensteuntje. Het was duidelijk dat jou een hele hoop dwars zit over het contact met je moeder in het verleden en het was ook duidelijk dat je daarom op dit moment geen contact met haar wil.



De dag na ons gesprek heb ik tijdens een zitting gesproken met je ouders en hun advocaten en iemand van de Raad voor de Kinderbescherming. Ik heb gesproken over de situatie tussen je ouders en het feit dat er nu geen contact is tussen jou en je moeder. Ik heb een beslissing genomen over de echtscheiding en de onderwerpen waarover je ouders het niet eens konden worden. Ik heb ook beslist over een aantal dingen die invloed hebben op jou. Ik schrijf je deze brief om je daarover te vertellen.



Op basis van alle informatie die ik heb gekregen heb ik besloten dat je officieel bij je vader blijft wonen (dat je dus ook ingeschreven staat op hetzelfde adres als hij) en dat er op dit moment geen contactregeling komt met je moeder. Ik heb daarnaast beslist dat er een informatieregeling komt. Dat betekent dat je vader af en toe aan je moeder een bericht zal sturen over hoe het met jou gaat. De wet zegt dat je vader dat moet doen en je ouders hebben ook afgesproken dat je vader dat zal doen. Ik heb het daarom vastgelegd in de beslissing. Omdat je vader belangrijke beslissingen over jou moet nemen samen met je moeder, is het ook belangrijk dat zij op de hoogte is van hoe het met je gaat.



Je vader en jij vertelden dat je binnenkort gaat praten met een psycholoog. Ik hoop dat die gesprekken je gaan helpen om om te gaan met de dingen die je dwars zitten en dat het daardoor makkelijker wordt om te denken aan je moeder. En ik hoop dat er daardoor op termijn toch een bepaalde vorm van contact kan zijn. Dat hoop ik namelijk voor elk kind: een fijn contact met beide ouders, in welke vorm dan ook.



Het is me duidelijk geworden dat de beslissing dat er op dit moment geen contactregeling is, heel moeilijk zal zijn voor je moeder. Zij wil heel graag contact met je en wil graag een rol wil spelen in je leven. Ik denk daarom dat haar deur altijd open zal staan voor je als je in de toekomst misschien wel contact zou willen.



Ik wil je als laatste nog laten weten dat ik de inhoud van deze brief in de beslissing voor je ouders heb opgenomen, zodat zij allebei weten wat ik jou heb geschreven. Nogmaals bedankt voor ons prettige gesprek en veel succes met je nieuwe opleiding!



Met vriendelijke groet,


de kinderrechter




Beslissing
De rechtbank:

*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen gehuwd op [dag] 2013 te [plaats] ;

*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de man;

*
bepaalt dat de man met ingang van heden de vrouw eenmaal per maand per e-mail informatie zal verschaffen over de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige] en daarbij zal voegen een kopie van het laatste schoolrapport en een goed gelijkende recente kleurenfoto van [minderjarige] ;

*
bepaalt dat de vrouw aan de man, met ingang van heden een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 439,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*
stelt de verdeling van de algehele gemeenschap van goederen als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:

a. met betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres] te ’s-Gravenhage en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldleningen bij Lloyds Bank met kenmerken [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 3] , en polissen met nummers [nummer 4] en [nummer 5] :
1. de woning wordt toebedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) voor zover partijen het niet eens worden over de keuze voor een onafhankelijke makelaar-taxateur dient de vrouw aan de man binnen één week na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voor te stellen die bereid en in staat zijn de woning te taxeren, waaruit de man er vervolgens binnen één week één kiest. Partijen verstrekken vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht aan deze makelaar-taxateur tot taxatie van de woning. Deze makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen de man de woning zal overnemen;
b) de man dient binnen twee maanden na de taxatie aan de vrouw aan te tonen dat hij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen;
c) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde, te vermeerderen met de waarde van de aan de woning gekoppelde polissen ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur;
d) de kosten van de notariële overdracht worden door de man, als kosten koper, voldaan;
e) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;

2) indien de man de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen dienen binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de man kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan de onder 1) genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, te vermeerderen met de waarde van de aan de woning gekoppelde polissen ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;

met betrekking tot de inboedel:
de inboedel wordt toebedeeld aan de man, onder verrekening van de waarde met de vrouw, zodat de man uit hoofde van overbedeling nog € 2.000,- aan de vrouw dient te voldoen;

met betrekking tot de bankrekeningen:
ieder behoudt zijn/haar eigen persoonlijke en zakelijke bank- en spaarrekeningen, onder verrekening van de saldi bij helfte van deze rekeningen per peildatum;

met betrekking tot de eenmanszaken van partijen:
aan de man wordt toebedeeld de activa van de eenmanszaak van de man (met de naam “ [bedrijf 1] ”), waarbij de man de schulden van deze eenmanszaak als eigen schuld voor zijn rekening neemt, zonder nadere verrekening;

aan de vrouw wordt toebedeeld de activa van de eenmanszaak van de vrouw (met de naam “ [bedrijf 2] ”), waarbij de vrouw de schulden van deze eenmanszaak als eigen schuld voor haar rekening neemt, zonder nadere verrekening;
met betrekking tot de schuld van de ING:
beide partijen dienen in hun onderlinge verhouding de helft van deze schuld voor zijn/haar rekening nemen, uit hoofde waarvan de man een regresvordering op de vrouw heeft ter waarde van de helft van de schuld, te weten € 1.474,40, zodat de vrouw gehouden is dit bedrag aan de man te voldoen;

met betrekking tot de schuld aan teveel ontvangen kindgebonden budget:
beide partijen dienen in hun onderlinge verhouding de helft van deze schuld voor zijn/haar rekening nemen, uit hoofde waarvan de man een regresvordering op de vrouw heeft ter waarde van de helft van de schuld, te weten € 222,50, zodat de vrouw gehouden is dit aan de man te voldoen;

met betrekking tot de DUO schuld op naam van de vrouw:
beide partijen dienen in hun onderlinge verhouding de helft van deze schuld – zoals deze op de peildatum bedroeg – voor zijn/haar rekening nemen, uit hoofde waarvan de vrouw een regresvordering op de man heeft ter waarde van de helft van de schuld. De vrouw dient de man inzage te verstrekken in de hoogte van de schuld op de peildatum minus eventuele kwijtscheldingen die daarna hebben plaatsgevonden;

wijst af het verzoek van de vrouw met betrekking tot de schuld aan gemeentelijke belastingen;

i. wijst af het verzoek van de vrouw ten aanzien van de gebruiksvergoeding;

*
bepaalt dat de man jegens de vrouw bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning te [adres] , en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking, onder de voorwaarde dat de man deze woning op het moment van die inschrijving bewoont en aan de vrouw uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt;

*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van de echtscheiding – tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*
wijst af het meer of anders verzochte.


Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. L.E. Meisters als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 10 september 2025.
Link naar deze uitspraak