Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:OGHACMB:2026:235 
 
Datum uitspraak:18-08-2026
Datum gepubliceerd:21-08-2026
Instantie:Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Zaaknummers:CUR2025H00200
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Curaçao. Nalatenschap. Vaststellingsovereenkomst. Is een vordering van de nalatenschap overgedragen aan een van de erfgenamen? Schadevergoeding na beslag.
Trefwoorden:erfgenamen
herstructurering
schenking
testament
vaststellingsovereenkomst
wettelijke rente
 
Uitspraak
Burgerlijke zaken over 2026
Zaaknummers: CUR202003790 – CUR2025H00200
Uitspraak: 18 augustus 2026



GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba


V O N N I S

in de zaak van:


[DE VROUW],

wonende te [woonplaats], Denemarken,
in eerste aanleg eiseres in conventie,
gedaagde in reconventie,
thans appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
gemachtigden: mrs. M.F. Murray en K. Saleh-Rog,

tegen

de naamloze vennootschap

BLADI INTERNATIONAL N.V.,

gevestigd in Curaçao,
in eerste aanleg gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
thans geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
gemachtigde: mr. M.D. van den Brink.

Partijen worden hierna de vrouw en Bladi genoemd.





1De zaak in het kort

Dit geding heeft betrekking op een nalatenschap. In 2009 is een vaststellingsovereenkomst gesloten tussen rechthebbenden op de nalatenschap. Het voornaamste geschilpunt is de vraag of daarbij een vordering van de nalatenschap is overgedragen aan een van de erfgenamen.
In reconventie is een vordering aan de orde tot vergoeding van schade als gevolg van gelegde beslagen.
In dit hoger beroep bevestigt het Hof het vonnis van het Gerecht grotendeels. Alleen een door het Gerecht afgewezen vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt door het Hof alsnog toegewezen.





2Het verloop van de procedure


2.1
Bij op 21 juli 2025 ingekomen akte van appel is de vrouw in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 9 juni 2025 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht).



2.2
Bij op 29 augustus 2025 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft de vrouw zeven grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe (naar het Hof begrijpt) dat het Hof het vonnis zal vernietigen en haar vorderingen alsnog zal toewijzen en die van Bladi alsnog geheel zal afwijzen, met veroordeling van Bladi in de proceskosten in beide instanties, met nakosten en rente.



2.3
Op 21 oktober 2025 is ingekomen: een memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, met producties. Hierbij heeft Bladi de grieven van de vrouw bestreden, incidenteel hoger beroep ingesteld en twee grieven aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis gedeeltelijk zal vernietigen, en, uitvoerbaar bij voorraad, haar eis in reconventie alsnog voor een groter deel zal toewijzen, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten in eerste aanleg en in principaal en incidenteel hoger beroep, met nakosten en rente.



2.4
Bij op 10 december 2025 ingekomen memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep heeft de vrouw het incidenteel hoger beroep bestreden. Haar conclusie strekt tot afwijzing van het incidenteel hoger beroep, met veroordeling van Bladi in de kosten daarvan, met nakosten en rente.



2.5
Op 30 juni 20026 hebben mrs. Saleh-Rog en Van den Brink de zaak bepleit ten overstaan van het Hof. Vooraf heeft mr. Saleh-Rog producties 25-27 toegezonden. De gemachtigden hebben gebruik gemaakt van pleitnotities, waarvan zij exemplaren hebben overgelegd.



2.6
Vonnis is bepaald op vandaag.






3De beoordeling


Feiten



3.1
Het Hof gaat uit van de volgende feiten.


3.1.1 [
[de erflater] (geboren in 1925, hierna: de erflater) is tweemaal getrouwd geweest. Uit zijn eerste huwelijk zijn drie kinderen geboren: [kind 1] (geboren in 1956), [kind 2] (geboren in 1959) en [kind 3] (geboren in 1961, hierna: de man). Uit het tweede huwelijk van de erflater zijn twee kinderen geboren: [kind 4] (geboren in 1980) en [kind 5] (geboren in 1982).



3.1.2
In 1993 heeft de erflater een aantal ondernemingen bijeengebracht in een conglomeraat onder de vlag van een houdstervennootschap waarvan de naam later is gewijzigd in [naam] Holding B.V. (hierna: [naam] Holding). De erflater hield de certificaten van aandelen in [naam] Holding. Hij heeft deze voor NLG 20 miljoen verkocht aan [naam] Beheer B.V. (hierna: [naam] Beheer). Daardoor verkreeg de erflater een vordering op [naam] Beheer tot betaling van de koopsom. Bij akte van cessie van 16 oktober 1996 heeft de erflater deze vordering gecedeerd aan Bladi, met de bepaling dat Bladi de koopsom “schuldig blijft” aan de erflater.



3.1.3
De erflater hield alle aandelen in Bladi. Hij heeft bij leven deze aandelen overgedragen aan zijn vijf kinderen, die daardoor ieder (direct of indirect) 20% van de aandelen gingen houden.



3.1.4
Op [datum] 1999 is de erflater overleden te [plaats].



3.1.5
Norak N.V. (hierna: Norak) is een vennootschap uit de nalatenschap van de erflater. Op 1 augustus 1999 verkreeg Bladi door een cessie van Norak een vordering op de gezamenlijke erfgenamen van de erflater.



3.1.6
Op 16 juni 2009 is een ‘dadingsovereenkomst’ gesloten tussen de vijf kinderen en de tweede echtgenote van de erflater (hierna: de vso 2009). Hierin staat onder meer:

PREAMBULE

I.
(...)

Bij zijn testament [van 31 maart 1994] heeft [de erflater] zijn 5 kinderen aangesteld als enige erfgenamen, ieder voor een gelijk deel in volle eigendom. (...).

(...)

Bij eigenhandig testament de dato 29 juni 1997 heeft [de erflater] [de tweede echtgenote] volledig onterfd (...).

(...)

Ondanks het deficitair karakter van de nalatenschap hebben [de vijf kinderen] de nalatenschap zuiver aanvaard. Voor zo veel als nodig wordt hier ook vermeld dat de legaten niet kunnen worden uitgekeerd gezien het deficitair karakter van de nalatenschap.


II.
(...)

III.
Ondermeer de diverse (...) aspecten hebben sinds het overlijden van [de erflater] geleid tot discussies (...) en tot de inleiding van een aantal procedures voor de rechtbank. (...)

Thans zijn de ondergetekenden, na gemeenschappelijk overleg en door wederzijdse toegevingen, tot een globaal en allesomvattend akkoord gekomen. Deze dading slaat niet enkel op voornoemde aspecten maar op alles wat rechtstreeks of onrechtstreeks met de nalatenschap van [de erflater] heeft te maken.

Middels huidige Dadingsovereenkomst, die wederzijdse toegevingen inhoudt, wensen ondergetekenden aldus zowel voor het verleden als voor de toekomst op een definitieve en onherroepelijke wijze een einde te stellen aan voornoemde procedures, alsook aan alle andere betwistingen en onenigheden die tussen hen bestaan. Door het sluiten van de Dadingsovereenkomst verbinden alle ondergetekenden er zich toe om tegen elkaar geen gerechtelijke procedures of geschillen meer te voeren met betrekking tot de nalatenschap en het vermogen van [de erflater] en meer in het algemeen met betrekking tot alle familiale vermogenskwesties die hun oorsprong in het verleden zouden vinden.

IN AANMERKING NEMENDE DAT:

(...)

WORDT OVEREENGEKOMEN DAT:

Artikel 1 - Dading

(...)

Aldus verklaren alle ondergetekenden dat deze Dadingsovereenkomst een definitieve regeling treft aangaande alle huidige en toekomstige geschilpunten die betrekking hebben op de gehele nalatenschap en meer in het algemeen op het gehele vermogen van [de erflater] en de gehele familiale vermogenssituatie die tussen [de kinderen uit het eerste huwelijk] enerzijds en [de kinderen uit het tweede huwelijk] anderzijds bestaat alsook tussen [de kinderen uit het eerste huwelijk] enerzijds en [de tweede echtgenote] anderzijds.

Artikel 2 - Toepasselijk recht

(...)

Artikel 3 - Voorwerp en voorwaarden van de overeenkomst

Teneinde elke mogelijke betwisting en onzekerheid te vermijden zijn ondergetekende het volgende overeengekomen:

a. Vermogensrechten jegens de vennootschap Bladi
[de twee kinderen uit het tweede huwelijk] dragen op heden alle vermogensrechten -die rechtstreeks of onrechtstreeks in hun handen zijn- met betrekking tot de vennootschap Bladi (aandelen, dividendrechten, vorderingen, etc.) en met betrekking tot vennootschappen die rechtstreeks of onrechtstreeks afhangen van Bladi, in volle eigendom én vrij en onbelast over aan [de man] voor het geheel in volle eigendom.

De voorwaarden van deze overdracht zijn opgenomen in bijlage 4 welke integraal deel uitmaakt van deze overeenkomst. (...)

b. Inboedel zich bevindend in villa [naam villa]

De inboedel (...) die thans (...) in onverdeeldheid toebehoort aan [de vijf kinderen], wordt voor het geheel overgedragen aan [de man], voor het geheel in volle eigendom, behoudens volgende goederen die worden toebedeeld als volgt:
(...)

c. Villa [naam villa]

(...)

d. Nalatenschap van [de erflater]

Onverminderd hetgeen werd overeen gekomen in de punten a tem c, komen ondergetekenden overeen dat de gehele (roerende) nalatenschap wordt toebedeeld aan [de man], met dien verstande dat ondergetekenden over en weer geen inbreng of inkorting van gedane schenkingen meer zullen vragen noch dat er sprake zal zijn van enige andere opleg dan deze voorzien door de Dadingsovereenkomst.
(...)

g. Dading voor slot van alle rekeningen

Ondergetekenden verklaren onderhavige dading te tekenen tot slot van alle rekeningen. (...)



3.1.7
Uit hoofde van de vso 2009 hebben de twee kinderen uit het tweede huwelijk hun aandelen in Bladi overgedragen aan de man. In 2013 heeft de man deze aandelen overgedragen aan Bladi. Bladi heeft deze aandelen ingetrokken. Sindsdien houden de drie kinderen uit het eerste huwelijk ieder (direct of indirect) 33,3% van de aandelen in Bladi.



3.1.8
Op 22 mei 2013 hebben de drie kinderen uit het eerste huwelijk een settlement agreement gesloten (hierna: de vso 2013). Over de uitvoering hiervan zijn geschillen ontstaan. Die hebben geleid tot een arbitraal vonnis van 26 oktober 2017.



3.1.9
Op de (concept)balans van Bladi per 31 december 2017 staat onder de schulden van Bladi € 2.904.193 vermeld als loan from heirs of [erflater]. De toelichting op de balans verwijst naar de akte van cessie van 16 oktober 1996 en vermeldt dat deze schuld van Bladi deels is verrekend met haar vordering uit hoofde van de cessie van Norak.



3.1.10
Een akte van cessie van 18 juni 2020 strekt ertoe dat de man zijn vordering van € 2.904.193 op Bladi overdraagt aan de vrouw.



3.1.11
Op 31 augustus 2020 heeft (onder meer) de vrouw ten laste van Bladi conservatoir beslag doen leggen op de certificaten van aandelen in [naam] Holding.



3.1.12
Op 26 september 2020 is de man getrouwd met de vrouw. Voordien was zij al jarenlang zijn levenspartner.



3.1.13
Op 28 februari 2022 heeft de vrouw ten laste van Bladi conservatoir derdenbeslag doen leggen onder [naam] Holding en onder ING Bank.



3.1.14
Bij arrest in kort geding van 18 oktober 2022 heeft het gerechtshof Den Haag het beslag opgeheven dat in opdracht van de vrouw op de certificaten was gelegd.



3.1.15
In januari 2023 zijn de derdenbeslagen opgeheven.



3.1.16
Een procedure van [kind 1] en [kind 2] tegen de man heeft geleid tot een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, België, van 19 november 2021 en een arrest van het hof van beroep Antwerpen van 7 maart 2023.



3.1.17
Op 22 december 2022 heeft de rechtbank van Aalborg, Denemarken, de man in staat van faillissement verklaard.


Vorderingen





3.2
In dit geding vordert de vrouw betaling van € 2.904.193, met rente en kosten.



3.3
De vrouw legt aan die vordering het volgende betoog ten grondslag, verkort weergegeven. In 1996 heeft de erflater een vordering tot betaling van een koopsom op Bladi verkregen. Deze vordering valt in de nalatenschap van de erflater. In 2009 is de vordering ingevolge art. 3 sub a en d vso 2009 overgegaan op de man. In 2020 is de vordering bij wijze van cessie overgegaan op de vrouw. Daarbij is de vordering van Bladi op de erven uit hoofde van de cessie van Norak verrekend. Daarnaast heeft de vrouw last en volmacht van de man verkregen om de vordering op Bladi te innen. Subsidiair, indien geoordeeld wordt dat de vordering in 2009 niet rechtsgeldig op de man is overgegaan, is de vrouw als derde-verkrijger te goeder trouw beschermd tegen de beschikkingsonbevoegdheid van de man.



3.4
Bij conclusie van antwoord in conventie, eis in reconventie heeft Bladi in reconventie gevorderd: opheffing van het beslag op de certificaten en schadevergoeding, op te maken bij staat. Bij conclusie van dupliek in conventie, repliek in reconventie heeft Bladi de vordering tot opheffing van het beslag ingetrokken, omdat dat beslag inmiddels was opgeheven door het gerechtshof Den Haag. De vordering tot schadevergoeding heeft zij daarbij als volgt geconcretiseerd, verkort weergegeven:
a. betaling van € 148.264 aan advocaatkosten, met wettelijke rente;
b. vergoeding van € 10.906 aan negatieve rente die Bladi aan ING Bank heeft moeten betalen, met wettelijke rente;
c. verdere schadevergoeding, op te maken bij staat.



3.5
Aan deze vordering heeft Bladi het volgende betoog ten grondslag gelegd. Op de vrouw rust een risicoaansprakelijkheid voor schade van Bladi als gevolg van de ten onrechte gelegde beslagen. Verder heeft de vrouw onrechtmatig gehandeld en misbruik van procesrecht gemaakt in haar procedures tegen Bladi, onder meer door in procedures in Nederland over opheffing van de beslagen opzettelijk in strijd met de waarheid te verklaren. Bladi heeft aanzienlijke advocaatkosten moeten maken om de beslagen opgeheven te krijgen. Indien geen beslag was gelegd op het banksaldo bij ING Bank, had Bladi geld van de bankrekening afgehaald en geen negatieve rente over het banksaldo hoeven te betalen. De verdere schadeposten zien op misgelopen rente over dividend en verschillende schadeposten die zijn veroorzaakt doordat het beslag op de certificaten een voorgenomen herstructurering bij Bladi heeft vertraagd (die herstructurering is ook aan de orde geweest in GHvJ 25 maart 2025, CUR2023H00266 (Luckey/Bladi)).


Beslissingen van het Gerecht




3.6
Bij het bestreden vonnis heeft het Gerecht de vordering van de vrouw afgewezen. Hiertoe heeft het Gerecht overwogen, verkort weergegeven:
(4.2) De vso 2009 had primair tot doel de kinderen uit het tweede huwelijk uit te kopen. De bedoeling van de kinderen uit het eerste huwelijk was dat de nalatenschap daarna verder tussen hen zou worden verdeeld.
(4.3) In verschillende procedures is geoordeeld dat de vso 2009 geen grond vormt voor de stelling dat de nalatenschap aan de man is toebedeeld.
(4.4) De vordering valt in de gemeenschap. De deelgenoten kunnen er uitsluitend gezamenlijk over beschikken. De man was niet bevoegd om de vordering aan de vrouw te cederen. De vrouw mocht ook niet vertrouwen op het bestaan van die bevoegdheid.



3.7
In reconventie heeft het Gerecht de vorderingen a en c afgewezen en vordering b toegewezen. Hiertoe heeft het Gerecht overwogen, verkort weergegeven:
(4.8) De advocaatkosten in verband met procedures in Nederland hadden in die procedures aan de orde kunnen worden gesteld. De omstandigheid dat het beslag op de certificaten pas is opgeheven na sommaties en extra gemaakte kosten, is reden om de vrouw te veroordelen in de proceskosten in reconventie.
(4.9) De betaalde negatieve rente is het gevolg van de ten onrechte gelegde beslagen.
(4.10) De mogelijkheid van verdere schade is onvoldoende gebleken.


Beoordeling door het Hof



De vordering op Bladi




3.8
De vraag of de vordering op Bladi in 2009 rechtsgeldig is overgegaan op de man, moet worden beantwoord door uitleg van de vso 2009, in het bijzonder door uitleg van art. 3 sub a en d vso 2009. De vso 2009 moet blijkens art. 2 worden uitgelegd aan de hand van Belgische uitlegregels. In het arrest van het hof van beroep Antwerpen van 7 maart 2023 is een uitleg van de vso 2009 gegeven. Aangenomen moet worden dat dit naar Belgische uitlegregels is gebeurd. Het hof van beroep heeft bij die uitleg mede verwezen naar (onder meer) de volgende overwegingen uit het arbitrale vonnis van 26 oktober 2017 (waarbij SA staat voor settlement agreement):



7.4 (...)
The 2009 SA essentially provided, amongst others, for the children out of [erflater]’s second marriage and his second wife to be bought out of the inheritance, leaving only the underlying relationship amongst the children out of [erflater]’s first marriage to be further settled.

8.103 [de man] has more than once and once more in the 2013 SA confirmed that, when negotiating the 2009 SA with [kind 4] and [kind 5], he acted for himself and for Respondents. It is also not disputed that Parties are each equally (for 1/3) entitled to the assets acquired from their half-siblings (i.e. the Bladi-shares, (....)) and are (or were) debtor to 1/3 of the outstanding acquisition debts.



3.9
Na deze verwijzing naar het arbitrale vonnis heeft het hof van beroep in het arrest van 7 maart 2023 (op p. 10-17) overwegingen gegeven die als volgt kunnen worden samengevat:

(p. 10) Zowel uit de tekst van de vso 2009 als uit de latere verklaringen en gedragingen van de kinderen uit het eerste huwelijk blijkt dat de overeenkomst bedoeld was om de kinderen uit het tweede huwelijk uit te kopen en niet om een volledige regeling van de nalatenschap te treffen (of eigendom over te dragen) in de verhouding tussen de kinderen uit het eerste huwelijk.

(p. 10-11) Dit blijkt duidelijk uit de tekst van art. 1 vso 2009.
Art. 3 sub d vso 2009 doet er niet aan af en gaat duidelijk uitsluitend over de rechten van de kinderen uit het tweede huwelijk.

(p. 12) Na het sluiten van de vso 2009 is verder onderhandeld over de afwikkeling van de nalatenschap in de onderlinge verhouding tussen de kinderen uit het eerste huwelijk. Dit volgt uit verslagen van 10 september 2009 en 3 september 2012. De onderhandelingen hebben geleid tot de vso 2013. Het past ook bij een uitlating van de man op 13 september 2016 in de arbitrageprocedure.
Art. 8 vso 2009 betreft de uitkoop van de kinderen uit het tweede huwelijk.

(p. 13) De argumenten van de man nemen niet weg dat de vso 2009 duidelijk niet bedoeld was om tot een volledige vereffening en verdeling van de nalatenschap tussen alle deelgenoten te komen.



3.10
Noch de vrouw, noch Bladi zijn procespartij bij het arrest van 7 maart 2023 van het hof van beroep. Daarom zijn zij niet gebonden aan de inhoud ervan. Niettemin komt betekenis en een zeker gezag (geen gezag van gewijsde in deze procedure) toe aan deze uitleg van de vso 2009, aangezien het een gemotiveerde uitleg naar het toepasselijke Belgische recht is, gegeven door de Belgische rechter in hoger beroep. In het licht daarvan mag van de vrouw worden verwacht dat zij nader motiveert waarom de door de Belgische rechter gegeven uitleg (die in overeenstemming is met de uitleg van het scheidsgerecht) niet juist is.



3.11
De vrouw doet een beroep op de eerste helft van de laatste volzin van art. 1 vso 2009 (zie 3.1.6 hiervoor), maar die volzin moet als geheel gelezen worden. De tweede helft van die volzin geeft juist steun aan de uitleg die het hof van beroep heeft gegeven, zoals het hof van beroep ook overwogen heeft.



3.12
De vrouw heeft onvoldoende gesteld om aan te nemen dat de inhoud van de vso 2013 enige aanwijzing bevat dat de uitleg van het hof van beroep van de vso 2009 onjuist is.



3.13
De vrouw heeft erop gewezen dat [kind 1] en [kind 2] in een procedure in Denemarken (waarin de rechtbank van Aalborg op 7 juli 2021 vonnis heeft gewezen) aanvankelijk geen aanspraak hebben gemaakt op betaling van 2/3 van de vordering op Bladi. Volgens de vrouw blijkt uit die omstandigheid dat [kind 1] en [kind 2] de toedeling aan de man als finaal erkenden (memorie van grieven onder 9).
Bladi heeft hiertegen aangevoerd dat [kind 1] en [kind 2] in de Deense procedure schadevergoeding vorderden vanwege fraude die de man volgens [kind 1] en [kind 2] had gepleegd door ten onrechte activa weg te laten en schulden op te voeren in de estate asset list bij de vso 2009. In die estate asset list had de man de vordering op Bladi echter niet weggelaten. Daarom hebben [kind 1] en [kind 2] in de Deense procedure aanvankelijk geen aanspraak gemaakt op betaling van 2/3 van de vordering op Bladi, aldus Bladi.
Gelet op deze toelichting van Bladi kan uit de door de vrouw genoemde omstandigheid niet worden afgeleid dat [kind 1] en [kind 2] de toedeling van de vordering op Bladi aan de man als finaal hebben erkend.
Ook uit hetgeen [advocaat] op 22 juni 2021 blijkens een proces-verbaal in de zaken CUR2020H00349 en CUR2020H090350 heeft verklaard, kan geen erkenning worden afgeleid. Evenmin kan die worden afgeleid uit een op 8 december 2009 verleende kwijting. Ook overigens kan uit de gestelde omstandigheden niet worden afgeleid dat de vso 2009 anders moet worden uitgelegd dan hiervoor is gedaan of dat Bladi het recht zou hebben verwerkt om zich op die uitleg te beroepen.



3.14
De omstandigheid dat het arrest van het hof van beroep dateert van vele jaren na de totstandkoming van de vso 2009, doet niet af aan de betekenis van dat arrest voor de uitleg van deze overeenkomst. Reeds ten tijde van de totstandkoming van de vso 2009 moest de man redelijkerwijs begrijpen wat de werkelijke betekenis ervan was.



3.15
Het is niet van belang of [kind 1] en [kind 2] volledig op de hoogte waren van de inhoud van de vso 2009 en ermee instemden. Zij mochten immers van aanvang af aan de vso 2009 de uitleg geven die het hof van beroep jaren later eraan gegeven heeft.



3.16
De omstandigheid dat Bladi jarenlang een schuld in de boeken heeft opgenomen, baat de vrouw ook niet. Bladi heeft die schuld niet geboekt als schuld aan de man of aan de vrouw, maar als schuld aan de gezamenlijke erven.



3.17
De vrouw heeft niet toegelicht waarom [kind 1] en [kind 2] ermee akkoord zouden gaan dat hun rechten op de vordering op Bladi (art. 3 sub a vso 2009) of zelfs al hun rechten op de nalatenschap (art. 3 sub d vso 2009) voor hen verloren zouden gaan, of waarom de man in 2009 mocht begrijpen dat [kind 1] en [kind 2] daarmee akkoord gingen. Dat mocht wel van haar worden verwacht.



3.18
In het inleidend verzoekschrift heeft de vrouw onder 2.4.5 zelf gesteld dat de kinderen uit het eerste huwelijk hadden afgesproken dat zij na de vso 2009 zouden onderhandelen over de verdere verdeling van de nalatenschap.



3.19
Voor zover de vrouw in de verklaringen van haarzelf en de man die voorafgaand aan het pleidooi in hoger beroep zijn overgelegd, nieuwe argumenten heeft aangevoerd, is dat te laat. Die verklaringen zijn bovendien te onduidelijk voor het Hof en voor Bladi.



3.20
Gelet op het voorgaande komt het Hof (zelfstandig oordelend) tot het oordeel dat in 2009 niet de gehele vordering uit de nalatenschap op Bladi is overgegaan op de man, maar dat toen (slechts) het aandeel dat de twee kinderen uit het tweede huwelijk in die vordering hadden, is overgegaan op de drie kinderen uit het eerste huwelijk gezamenlijk. Dat brengt mee dat de man in 2020 niet bevoegd was om over de gepretendeerde vordering te beschikken en dus ook niet om de vordering te cederen aan de vrouw.



3.21
Het beroep van de vrouw op art. 3:88 BW faalt. De vraag of de vrouw, indien zij de vordering op Bladi te goeder trouw heeft verkregen, aan die goede trouw bescherming tegen beschikkingsonbevoegdheid van de man kan ontlenen, wordt in elk geval niet beheerst door het recht van Curaçao. Mogelijk wordt die vraag beheerst door het recht van Europees Nederland (zie het beslagrekest van 31 augustus 2020 onder 3.4). De vrouw heeft in dit geding zowel aangevoerd dat de cessie aan de vrouw beheerst wordt door Deens recht (memorie van grieven onder 33), als dat die beheerst wordt door Nederlands recht, zonder laatstgenoemd standpunt uit te werken (memorie van grieven onder 38). Wat daarvan zij, de vso 2009 houdt in het geheel geen titel voor overdracht van de vordering uit de nalatenschap op Bladi aan de man in. Die vordering is ook in het geheel niet aan de man geleverd. Er heeft dus in het geheel geen overdracht van die vordering aan de man plaatsgehad. Er is geen overdracht geweest die als ongeldig moet worden aangemerkt wegens een titel- of leveringsgebrek, en daarmee geen ongeldige vroegere overdracht als bedoeld in art. 3:88 BW (vergelijk: HR 17 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0168, 3.4.2). Goede trouw bij de vrouw doet dus niet ter zake.



3.22
Bovendien kan goede trouw van de vrouw niet worden aangenomen. De man moest reeds ten tijde van de totstandkoming van de vso 2009 redelijkerwijs begrijpen dat de vordering op Bladi niet aan hem alleen werd overgedragen. De akte van cessie van 18 juni 2020 is op 8 augustus 2020 gevolgd door een beslagrekest en op 31 augustus 2020 door een aangepast beslagrekest, waarin melding wordt gemaakt van diverse geschillen tussen de man en zijn zusters ([kind 1] en [kind 2]). Gelet op die omstandigheden mocht van de vrouw, die zich op goede trouw beroept, worden verwacht dat zij (tijdig en voldoende duidelijk) nader zou motiveren waarom zij meende en redelijkerwijs mocht menen dat haar toenmalige levenspartner en latere echtgenoot de vordering op Bladi rechtsgeldig aan haar had overgedragen. Dat heeft zij onvoldoende gedaan. Zij heeft ook niet toegelicht waarom de man de vordering op Bladi aan haar wenste te cederen of waarom zij daaraan meewerkte.



3.23
Aangezien niet kan worden aangenomen dat de man de vordering op Bladi heeft verkregen, kan de door hem gestelde last en volmacht aan de vrouw evenmin leiden tot toewijzing van de vordering van de vrouw.



3.24
Hetgeen de vrouw heeft aangevoerd over “ontoelaatbare financiële en procedurele intimidatietactieken van Bladi en [kind 1] en [kind 2]” kan niet leiden tot toewijzing van de vordering. Het Hof kan uit de stellingen en de onderbouwing ervan niet afleiden dat Bladi misbruik van procesrecht heeft gemaakt of onrechtmatig heeft geprocedeerd of heeft bewerkstelligd dat deze procedure niet kan worden aangemerkt als een eerlijk proces. Ook kan er niet uit worden afgeleid dat het Hof de zaak zou moeten aanhouden of verwijzen wegens litispendentie. De stellingen van de vrouw maken slechts duidelijk dat partijen over en weer veel en scherp tegen elkaar procederen. Zij kunnen voor het overige onbesproken blijven.


Het beslag op de certificaten




3.25
Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 18 oktober 2022 niet bevolen dat de vrouw (en Quinault) het beslag op de certificaten opheffen, maar het heeft zelf dat beslag opgeheven. De stelling van de vrouw dat het gerechtshof de opheffing heeft bevolen is dus onjuist. Haar stelling dat zij dit bevel niet heeft opgevolgd (en niet behoefde op te volgen), kan het Hof in dat licht niet plaatsen.



3.26
De opheffing van het beslag door het gerechtshof Den Haag heeft ertoe geleid dat Bladi de vordering tot opheffing van het beslag heeft ingetrokken. Niettemin heeft het Gerecht met deze vordering rekening gehouden bij de proceskostenveroordeling. Het Hof verenigt zich daarmee. Als een vordering wordt ingetrokken op de grond dat hetgeen gevorderd was, inmiddels is bereikt, behoeft de omstandigheid dat die vordering niet meer zal worden toegewezen er niet aan in de weg te staan dat gedaagde in de proceskosten wordt veroordeeld.



3.27
Het beslag op de certificaten is gelegd voor een vordering die het Gerecht terecht geheel ongegrond heeft bevonden. Naar vaste rechtspraak bestaat ingeval beslag wordt gelegd voor een vordering die achteraf geheel ongegrond blijkt, een risicoaansprakelijkheid van de beslaglegger (HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1110, 3.2). De vrouw is daarom aansprakelijk voor de schade die Bladi door de beslaglegging heeft geleden, ongeacht de vraag of haar schuld treft. Hierbij past dat de opheffing van de beslagen het Gerecht aanleiding heeft gegeven Bladi te veroordelen in de proceskosten in reconventie.


Negatieve rente




3.28
Ook de derdenbeslagen zijn gelegd voor een vordering die het Gerecht terecht geheel ongegrond heeft bevonden. De vrouw is daarom ook aansprakelijk voor de schade die Bladi door deze beslagleggingen heeft geleden, ongeacht de vraag of haar schuld treft.



3.29
Bladi heeft met een productie onderbouwd dat ING Bank negatieve rente bij haar in rekening heeft gebracht. De hoogte van het beslagen banksaldo heeft zij onderbouwd met de derdenverklaring van ING Bank. De hoogte van het gevorderde bedrag aan negatieve rente heeft zij toegelicht met een berekening (conclusie van dupliek in conventie, repliek in reconventie onder 7.3). Hiertegenover is de betwisting door de vrouw onvoldoende. De vrouw heeft verder betwist dat het beslag op het banksaldo verhinderde dat Bladi geld van het banksaldo afhaalde en dat Bladi, als zij wel geld van het banksaldo had kunnen afhalen, had kunnen voorkomen dat zij negatieve rente moest betalen. Deze betwistingen zijn echter onvoldoende gemotiveerd, zodat het Hof ze passeert. Daarom moet als onvoldoende gemotiveerd betwist worden aangenomen dat Bladi de schadepost van € 10.906 heeft geleden als gevolg van het beslag, zodat de vrouw gehouden is deze schade te vergoeden.



3.30
De vrouw heeft verweer gevoerd tegen de toewijsbaarheid van wettelijke rente. Zij heeft daartoe een beroep gedaan op HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1823. Dit beroep gaat niet op. In die zaak begrootte eiser zijn schade wegens onrechtmatig gelegd beslag primair op de wettelijke rente over de koopprijs van aandelen. In dit geval wordt de schade echter begroot op een daadwerkelijk door Bladi betaald bedrag aan contractuele negatieve rente op haar banksaldo. Indien de vrouw niet tijdig heeft voldaan aan de veroordeling tot betaling van dat bedrag, is er vertraging ontstaan in de voldoening van een geldsom. Daardoor is zij dan wettelijke rente verschuldigd geworden.


Advocatenkosten




3.31
Bladi heeft te kennen gegeven dat haar incidenteel hoger beroep niet is gericht tegen de afwijzing van vordering a, voor zover die betrekking heeft op advocatenkosten in verband met het beslag op de certificaten, maar wel voor zover die betrekking heeft op advocatenkosten in verband met de derdenbeslagen. Deze kosten begroot Bladi in hoger beroep op € 26.367,50 (in eerste aanleg begrootte zij deze kosten kennelijk abusievelijk op € 28.213,23).



3.32
Zoals Bladi onderkent, volgt uit de regel dat beslaglegging voor een ongegronde vordering tot risicoaansprakelijkheid leidt, op zichzelf niet dat advocaatkosten die gemaakt zijn om opheffing van het beslag te bewerkstelligen, vergoedbaar zijn voor een hoger bedrag dan het liquidatietarief (vergelijk: HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1600).



3.33
Voor een veroordeling tot vergoeding van in werkelijkheid in het kader van een procedure gemaakte advocatenkosten kan alleen plaats zijn in buitengewone omstandigheden, waarbij dient te worden gedacht aan misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen als grond voor een dergelijke veroordeling past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter, dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM.



3.34
Onder 6.2 van het beslagrekest van 24 februari 2022 heeft de vrouw doen aanvoeren dat Bladi in het opheffingskortgeding geen verweer voert omtrent de deugdelijkheid van de vordering. Deze uitlating moet worden gelezen in het licht van het volgende. In het vonnis van 29 oktober 2020 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam onder 4.20 en 4.21 overwogen dat Bladi pas ter zitting in de tweede termijn heeft aangevoerd dat de vorderingen niet onbetwist zijn en dat Bladi daar wel in een heel laat stadium mee komt. In het arrest van 18 oktober 2022 heeft het gerechtshof Den Haag onder 6.7 overwogen dat Bladi aan haar opheffingsvordering niet ten grondslag legt dat summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering. Gelet hierop is de uitlating onder 6.2 van het beslagrekest van 24 februari 2022 veel minder ernstig dan Bladi wil doen voorkomen.



3.35
Onder 7.3 van het beslagrekest van 24 februari 2022 heeft de vrouw doen aanvoeren dat de bodemzaak op verzoek van Bladi op de parkeerrol staat in afwachting van een uitspraak in hoger beroep in kort geding. In werkelijkheid stond de bodemzaak op verzoek van Bladi op de parkeerrol in afwachting van de uitkomst van de procedure in België. Het Hof acht onvoldoende zeker dat de onjuiste uitlating in het beslagrekest ingegeven is door de wens de beslagrechter te misleiden door geen melding te maken van de procedure in België.



3.36
Ook voor het overige is onvoldoende gebleken dat de advocaten van de vrouw met de uitingen in het beslagrekest hebben geprobeerd de beslagrechter te misleiden.



3.37
Niet is gebleken dat de vrouw de derdenbeslagen heeft doen leggen voor een vordering die gebaseerd was op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. De enkele omstandigheid dat goede trouw van de vrouw niet kan worden aangenomen (zie hiervoor onder 3.22) is onvoldoende basis voor een ander oordeel.



3.38
Ook de omstandigheid dat het gerechtshof Den Haag het beslag op de certificaten heeft opgeheven “mede gelet op de aard en ernst van de schending van de waarheids- en mededelingsplicht en de overige omstandigheden van het geval” is onvoldoende basis voor een ander oordeel. De procedure bij het gerechtshof Den Haag had betrekking op het verzoek om verlof voor beslag op de certificaten en niet op het verzoek om verlof voor derdenbeslagen. Ook overigens is er geen voldoende basis voor een ander oordeel.



3.39
Op grond van het voorgaande verenigt het Hof zich met de afwijzing door het Gerecht van de vordering tot vergoeding van werkelijke advocatenkosten (voor zover in dit hoger beroep nog aan de orde).



3.40
De werkzaamheden van de advocaten strekten tot voorbereiding van een kort geding. Het kort geding is niet doorgegaan, omdat de vrouw de beslagen zonder tussenkomst van de rechter heeft opgeheven en Bladi daarom het kort geding heeft ingetrokken. Bladi had het kort geding echter kunnen laten doorgaan met het enkele doel om vergoeding van (wellicht primair werkelijke advocaatkosten, maar in elk geval subsidiair) proceskosten volgens het liquidatietarief te vorderen bij de voorzieningenrechter (vergelijk: HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1087, rov. 3.4.1-3.5.4). Nu zij dat niet heeft gedaan, is in deze procedure geen plaats voor beoordeling alsnog van die mogelijke vordering tot vergoeding volgens het (in Nederland gehanteerde) liquidatietarief.



3.41
Het hof zal dus niet alsnog advocatenkosten toewijzen.


Schadestaatprocedure




3.42
Bladi heeft als schade als gevolg van beslaglegging genoemd dat zij rente over dividend is misgelopen en dat een voorgenomen herstructurering is vertraagd.



3.43
De mogelijkheid dat Bladi schade in deze vorm heeft geleden is voldoende aannemelijk voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure. De verweren van de vrouw daartegen kunnen daar aan de orde komen. Het Hof zal de zaak alsnog verwijzen, met vernietiging van het bestreden vonnis in zoverre.


Slotsom




3.44
Het principaal hoger beroep faalt. Het incidenteel hoger beroep slaagt gedeeltelijk. Het vonnis moet gedeeltelijk worden vernietigd. Het Gerecht heeft de vrouw terecht veroordeeld in de proceskosten in conventie en in reconventie. Daarbij is mede van belang dat in reconventie de vordering tot vergoeding van negatieve rente is toegewezen. De vrouw zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het principaal hoger beroep. De kosten van het incidenteel hoger beroep zullen worden gecompenseerd, omdat partijen daarin over en weer op enige punten in het ongelijk zijn gesteld.


B E S L I S S I N G

Het Hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, maar slechts voor zover daarbij de vordering van Bladi tot verwijzing naar de schadestaat is afgewezen;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de vrouw tot vergoeding van de schade van Bladi als gevolg van het beslag op de certificaten of als gevolg van de twee derdenbeslagen,
voor zover bestaande uit door de beslagen misgelopen rente over dividend of veroorzaakt doordat de in deze procedure bedoelde voorgenomen herstructurering door de beslagen is vertraagd, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

veroordeelt de vrouw in de kosten van het principaal hoger beroep, aan de zijde van Bladi gevallen en tot op heden begroot op Cg 529,50 aan verschotten en Cg 27.000,00 aan salaris voor de gemachtigde en in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de dag van uitspraak van dit vonnis tot aan de dag van de voldoening;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het incidenteel hoger beroep zo dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.


Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, E.W.A. Vonk en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 18 augustus 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Link naar deze uitspraak