|
|
|
| ECLI:NL:OGEABES:2026:207 | | | | | Datum uitspraak | : | 20-08-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 24-08-2026 | | Instantie | : | Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba | | Zaaknummers | : | BON202600302 | | Rechtsgebied | : | Arbeidsrecht | | Indicatie | : | Medewerker is op staande voet ontslagen vanwege grensoverschrijdend gedrag en fraude met urenregistratie. Doordat de werknemer niet adequaat in de gelegenheid is gesteld om op de ontslagredenen te reageren heeft de werkgever onzorgvuldig gehandeld (hoor- en wederhoor). Gefixeerde schadevergoeding toegewezen (7A:1615r BW BES). Werknemer heeft onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag. Billijke schadevergoeding afgewezen (7A:1615s BW BES). De werkgever kan niet worden verplicht tipgeld (fooien) aan werknemer te betalen. Verrekeningsverweer van werkgever bij laatste loonbetaling afgewezen (6:136 BW BES). | | Trefwoorden | : | arbeidsovereenkomst | | | burgerlijk wetboek | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
zittingsplaats Bonaire
registratienummer: BON202600302
datum beslissing: 20 augustus 2026
BESCHIKKING
op het verzoek van
[verzoeker],
wonend op Bonaire,
verzoeker,
hierna: [verzoeker],
gemachtigde: mr. E.J. Winkel,
dat zich richt tegen
PLAZA BOAT CHARTERS B.V.,
gevestigd op Bonaire,
verweerster,
hierna: PBC,
gemachtigde: mr. L.F.F.M. Drissen.
1Het procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen, ingediend op 10 juni 2026;
het verweerschrift met bijlagen;
de aanvullende productie van [verzoeker], ingediend op 16 juli 2026;
de aanvullende producties van [verzoeker], ingediend op 21 juli 2026;
de aanvullende producties van Plaza, ingediend op 21 juli 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 juli 2026. [verzoeker] is verschenen, bijgestaan door mr. Winkel. Namens PBC zijn [bestuurder] (bestuurder, hierna: [bestuurder]), [operationeel directeur] (operationeel directeur, hierna: [operationeel directeur], via videoverbinding) en de [medewerker HR] (medewerker HR bij één van de aandeelhouders van PBC) verschenen, bijgestaan door mr. Drissen. De spreekaantekeningen die de gemachtigden hebben voorgelezen zijn aan het dossier toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat besproken is.
2De kern van de zaak
2.1.
PBC biedt onder meer boottours, snorkeltours en wateractiviteiten aan op Bonaire. [verzoeker] werkte als ‘captain/host’ voor PBC. Op 24 april 2026 is [verzoeker] op staande voet ontslagen vanwege grensoverschrijdend gedrag, belediging en intimidatie van medewerkers en fraude met overuren. [verzoeker] vindt dat hij onterecht ontslagen is. Hij eist betaling van een gefixeerde schadevergoeding, een billijke schadevergoeding, achterstallig loon, een vergoeding voor overuren en niet ontvangen tipgelden. De rechter komt tot de conclusie dat [verzoeker] niet rechtsgeldig op staande voet ontslagen is en recht heeft op een gefixeerde schadevergoeding en dat PBC achterstallig loon en een deel van de overuren moet betalen. De andere vorderingen van [verzoeker] worden afgewezen.
3De beoordeling
De achtergrond van het geschil
3.1.
Op 5 mei 2025 is [verzoeker] in dienst getreden bij PBC in de functie van ‘captain/host’. De arbeidsovereenkomst is voor bepaalde tijd aangegaan voor één jaar, eindigend op 4 mei 2026. Partijen zijn een brutosalaris van USD 20,00 per uur overeengekomen op basis van een werkweek van 32 uur. Verder is bepaald dat overwerk als salaris kan worden uitbetaald tegen 100% van het bruto uurloon.
3.2.
In de periode tussen januari 2026 en april 2026 waren [bestuurder] en [operationeel directeur], de leidinggevenden van PBC, niet op Bonaire aanwezig. Zij waren een oversteek van Europa naar Bonaire aan het maken met een nieuwe zeilboot van PBC. Tijdens de overtocht waren [bestuurder] en [operationeel directeur] slecht tot niet bereikbaar. Voor die periode heeft [verzoeker] van PBC extra taken toebedeeld gekregen. [verzoeker] was degene die het team van PBC zou aansturen. Bovendien moest [verzoeker] ervoor zorgen dat de boten bevoorraad werden, de fooien beheren en verwerken en schade van boten melden bij een herstelbedrijf. Halverwege de maand april zijn [bestuurder] en [operationeel directeur] op Bonaire teruggekomen.
3.3.
Op 24 april 2026 is een op 23 april 2026 gedateerde ontslagbrief aan [verzoeker] overhandigd. In die brief staat dat [verzoeker] op staande voet ontslagen is vanwege seksueel grensoverschrijdend gedrag, het kleineren en beledigen van collega’s en fraude met het registreren van overuren.
3.4.
De gemachtigde van [verzoeker] heeft op 7 mei 2026 bezwaar gemaakt tegen het ontslag op staande voet.
[verzoeker] is ontvankelijk in zijn vorderingen
3.5.
PBC voert aan dat [verzoeker] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vorderingen. Volgens PBC is sprake van een arbeidsovereenkomst tussen een rederij en een schipper en zijn de bepalingen uit titel 7a BW BES op grond van artikel 7A:1613x BW BES daarom niet van toepassing op de arbeidsverhouding tussen [verzoeker] en PBC. Daarin wordt PBC niet gevolgd. PBC verzorgt toeristische (snorkel)tours op een boot rondom Bonaire en [verzoeker] is als captain/host werkzaam tijdens die tours. Het enkele feit dat PBC eigenaar is van een schip en dat [verzoeker] zijn werkzaamheden deels verrichtte op dat schip maakt niet dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen een rederij en een schipper. Van een arbeidsovereenkomst tussen een rederij en een schipper zoals in artikel 7A:1613x BW BES is bedoeld is daarom geen sprake. Dat betekent dat [verzoeker] ontvankelijk is in zijn vorderingen.
PBC moet [verzoeker] schadevergoeding betalen vanwege een onregelmatig ontslag
3.6. [
verzoeker] verzoekt dat PBC wordt veroordeeld om schadevergoeding te betalen, omdat hij vindt dat hij onterecht op staande voet ontslagen is en de beëindiging van zijn dienstverband daarom heeft plaatsgevonden zonder dat een opzegtermijn in acht genomen is. [verzoeker] heeft ervoor gekozen om aanspraak te maken op de gefixeerde schadevergoeding uit artikel 7A:1615r BW BES. Volgens [verzoeker] bedraagt die schadevergoeding één maand loon.
3.7.
Een werkgever kan een arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang beëindigen (‘ontslag op staande voet’) als sprake is van een dringende reden. Het ontslag op staande voet is een uiterst middel om een arbeidsovereenkomst te ontbinden waarbij van een werkgever niet verwacht kan worden dat de arbeidsovereenkomst nog langer voortduurt. Aan het ontslag op staande voet worden daarom hoge eisen gesteld. Als komt vast te staan dat [verzoeker] niet rechtsgeldig op staande voet is ontslagen, dan heeft [verzoeker] recht op schadevergoeding. Omdat [verzoeker] ervoor heeft gekozen aanspraak te maken op de gefixeerde schadevergoeding, bedraagt die schadevergoeding het loon over de tijd dat de dienstbetrekking bij een rechtsgeldige beëindiging had behoren voort te duren.
3.8.
Als meest verstrekkend verweer heeft PBC aangevoerd dat [verzoeker] in zijn verzoekschrift heeft geschreven dat hij zich niet op de nietigheid van het gegeven ontslag beroept. Daarmee ontbreekt volgens PBC de grondslag van de vordering van [verzoeker]. Dat verweer slaagt niet. Uit het verzoekschrift en de vorderingen die [verzoeker] heeft ingesteld blijkt duidelijk dat [verzoeker] vindt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig gegeven is. Het Gerecht begrijpt dat [verzoeker] bedoeld heeft te zeggen dat hij berust in het einde van zijn arbeidsovereenkomst en geen voortzetting van zijn dienstverband vordert. Dat is te begrijpen, omdat het dienstverband van [verzoeker] vanwege zijn arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd hoe dan ook zou eindigen op 4 mei 2026.
3.9.
PBC heeft op de mondelinge behandeling het standpunt ingenomen dat onderhavige procedure een kennelijk onredelijk ontslagprocedure is en geen procedure over de rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet. Daarom hoeft volgens PBC niet beoordeeld te worden of sprake is van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet. Daarin wordt PBC niet gevolgd. [verzoeker] heeft meerdere vorderingen ingesteld, waaronder een vordering tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding en een vordering tot betaling van een billijke schadevergoeding in verband met een kennelijk onredelijk ontslag. De ene vordering sluit de andere vordering niet uit. Een ten onrechte gegeven ontslag op staande voet kan ook kennelijk onredelijk zijn. De toewijsbaarheid van het verzoek om een gefixeerde schadevergoeding is afhankelijk van de vraag of [verzoeker] al dan niet rechtsgeldig op staande voet is ontslagen. Die vraag zal hierna worden beantwoord.
3.10.
Een werkgever moet bij een ontslag op staande voet zorgvuldig handelen. Dit betekent dat van een werkgever verwacht mag worden dat een werknemer eerst gehoord wordt voordat tot het ontslag wordt overgegaan. Dat is in het onderhavige geval niet gebeurd. De ontslagbrief is tijdens een gesprek met [verzoeker] op 24 april 2026 aan hem overhandigd. Hoewel PBC stelt dat zij [verzoeker] tijdens dat gesprek in de gelegenheid heeft gesteld om op de ontslaggronden te reageren, is geen sprake van redelijke eerbiediging van het recht van [verzoeker] om zich tegen het ontslag op staande voet te verdedigen. Het is te begrijpen dat [verzoeker] zich door het ontslag op staande voet overvallen viel. Dit geldt te meer vanwege de ernstige verwijten waarvan hij wordt beschuldigd. Niet eerder dan in de onderhavige procedure heeft PBC verschillende verklaringen van haar medewerkers in het geding gebracht waarin het gestelde grensoverschrijdend gedrag en de intimidatie van [verzoeker] wordt beschreven. [verzoeker] heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat hij pas op dat moment wist waar de ontslaggronden uit de brief van 24 april 2026 concreet op zagen en waartegen hij zich zou kunnen verdedigen.
3.11.
Uit de schriftelijke verklaring van [bestuurder] volgt dat hij meent dat vanwege de ernstige beschuldigingen aan het adres van [verzoeker] een andere mogelijkheid dan het ontslag op staande voet niet aan de orde was. Het is te begrijpen dat PBC haar medewerkers in bescherming wilde nemen nadat de bestuurders van PBC op de hoogte raakten van de beschuldigingen aan het adres van [verzoeker]. Maar PBC wordt niet gevolgd dat het ontslag op staande voet in de gegeven omstandigheden de enige mogelijkheid was. PBC had [verzoeker] ook kunnen schorsen door hem op non-actief te stellen. Zo zou PBC duidelijk hebben gemaakt dat zij de beschuldigingen aan zijn adres als dringende redenen beschouwt die het ontslag op staande voet rechtvaardigen, haar medewerkers in bescherming hebben genomen door hen niet meer met [verzoeker] te laten werken en [verzoeker] de mogelijkheid hebben gegeven om zich tegen de beschuldigingen te verdedigen. Dat heeft PBC niet gedaan. Zij heeft direct gegrepen naar het uiterste middel om de arbeidsovereenkomst per direct te beëindigen. Ook de omstandigheid dat de arbeidsovereenkomst nog maar 2 weken door zou lopen, bood voor PBC mogelijkheden om haar medewerkers te beschermen en tegelijkertijd de belangen van [verzoeker] in het oog te houden.
3.12.
Door [verzoeker] niet in de gelegenheid te stellen adequaat op de voorgenomen ontslagredenen – in het bijzonder de beschuldigingen van grensoverschrijdend gedrag – te reageren, heeft PBC niet zorgvuldig gehandeld. Daarom is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig gegeven.
3.13.
PBC is daarom schadeplichtig. [verzoeker] vordert de gefixeerde schadevergoeding. Die is gelijk aan het bedrag van het loon voor de tijd dat de dienstbetrekking bij regelmatige beëindiging had behoren voort te duren. [verzoeker] wordt niet gevolgd in zijn stelling dat die termijn één maand loon bedraagt. Zijn arbeidsovereenkomst zou namelijk van rechtswege eindigen op 4 mei 2026. Daarom heeft [verzoeker] recht op schadevergoeding ter hoogte van het bedrag van zijn loon van 24 april 2026 tot en met 4 mei 2026. Dat zal worden toegewezen. Ook de gevorderde wettelijke rente over dat bedrag kan worden toegewezen, te weten met ingang van 24 april 2026.
PBC hoeft geen billijke schadevergoeding te betalen
3.14. [
verzoeker] verzoekt dat PBC wordt veroordeeld om een billijke schadevergoeding aan hem te betalen, omdat hij vindt dat zijn dienstbetrekking kennelijk onredelijk beëindigd is. [verzoeker] legt aan die stelling ten grondslag dat de beschuldigingen aan zijn adres niet met bewijs zijn gestaafd, er geen deugdelijke hoor- en wederhoorprocedure heeft plaatsgevonden en hij tijdens zijn dienstverband geen waarschuwing heeft gekregen. Bovendien vindt [verzoeker] dat de gevolgen van de beëindiging van zijn dienstverband te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij beëindiging daarvan.
3.15.
In artikel 7A:1615s lid 1 BW BES is bepaald dat de rechter de werknemer een billijke schadevergoeding kan toekennen als de werkgever de dienstbetrekking kennelijk onredelijk doet eindigen. In het tweede lid van dit artikel staat een niet limitatieve opsomming van vier voorbeelden wanneer sprake kan zijn van een kennelijke onredelijke beëindiging. De stelplicht en bewijslast dat sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag rust op de werknemer. Het enkele feit dat sprake is van een niet rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet betekent nog niet dat daarmee de dienstbetrekking kennelijk onredelijk is geëindigd.
3.16.
PBC heeft twee schriftelijke en ondertekende verklaringen van haar medewerkers in het geding gebracht waarin gedetailleerd verklaard wordt over stelselmatig grensoverschrijdend gedrag van [verzoeker]. In het kader van de hiervoor weergegeven bewijslastverdeling is het aan [verzoeker] om te stellen, te onderbouwen en zo nodig te bewijzen dat deze beschuldigingen onjuist zijn geweest. Dit heeft hij onvoldoende gedaan. Dat [verzoeker], zoals hij stelt, de werkelijkheid anders heeft beleefd is onvoldoende.
3.17.
Weliswaar heeft – zoals hiervoor overwogen - geen adequate hoor- en wederhoorprocedure plaatsgevonden bij het ontslag op staande voet, maar dat betekent niet het dienstverband daarmee kennelijk onredelijk is geëindigd. [verzoeker] heeft in deze procedure de aantijgingen aan zijn adres kunnen weerspreken, maar zoals hiervoor is overwogen heeft hij dat onvoldoende gedaan. Dat hij tijdens zijn dienstverband niet eerder een waarschuwing heeft ontvangen en dat hij tijdens de afwezigheid van de bestuurders van PBC een uitgebreider takenpakket heeft ontvangen maakt dat niet anders. De uitbreiding van het takenpakket vond plaats voordat de bestuurders van PBC op de hoogte raakten van de beschuldigingen aan het adres van [verzoeker] en de beschuldigingen zijn van dien aard dat een waarschuwing niet zou volstaan.
3.18.
De stelling van [verzoeker] dat PBC de aantijgingen aan zijn adres richting derden heeft geuit is door PBC betwist. [verzoeker] heeft zijn collega’s zelf per Whatsapp in een groepsgesprek medegedeeld dat hij ontslagen is in verband met grensoverschrijdend gedrag. Dat PBC de beschuldigingen aan het adres van [verzoeker] met derden heeft gedeeld blijkt nergens uit. [verzoeker] stelt dat hij op dit moment nog geen werk heeft en het in de toeristenbranche op Bonaire moeilijk is om werk te vinden. Maar dat [verzoeker] op dit moment geen werk heeft is op zichzelf geen gevolg van het ontslag op 24 april 2026. Zijn arbeidsovereenkomst zou immers per 4 mei 2026, elf dagen na de beëindiging van het dienstverband door PBC, van rechtswege geëindigd zijn. Van een situatie dat de nadelige gevolgen van de beëindiging van het dienstverband geheel of gedeeltelijk voor rekening van PBC moeten komen is daarom geen sprake.
3.19. [
verzoeker] heeft al met al onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag. Zijn vordering tot betaling van een billijke schadevergoeding zal daarom worden afgewezen.
PBC moet achterstallig loon betalen
3.20. [
verzoeker] verzoekt dat PBC wordt veroordeeld zijn loon over de periode 1 april tot en met 23 april 2026 te betalen. Op de mondelinge behandeling is gebleken dat PBC op 12 mei 2026 een bedrag van USD 1.308,74 aan [verzoeker] heeft betaald ten behoeve van zijn salaris over de maand april 2026. PBC stelt dat daarmee het loon van [verzoeker] is overgemaakt onder aftrek van een bedrag van USD 1.450,00 in verband met een schuld van [verzoeker] aan PBC voor het privégebruik van twee boten.
3.21.
De rechter begrijpt dat PBC een beroep doet op verrekening. Een beroep op verrekening kan niet worden gehonoreerd als de gegrondheid van het verrekeningsverweer niet eenvoudig is vast te stellen. Dit geldt te meer bij een betaling van loon.
3.22. [
verzoeker] is het er niet mee eens dat PBC een bedrag van USD 1.450,00 heeft verrekend met zijn salaris. Op de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] verklaard dat afgesproken zou zijn dat hij de twee boten gratis mocht gebruiken. [bestuurder] heeft dat weersproken en verklaard dat hij als bestuurder van PBC ook moet betalen als hij een boot in privé wil gebruiken. Omdat de stellingen van partijen over het gebruik van boten in privétijd lijnrecht tegenover elkaar staan, is de gegrondheid van het beroep van PBC op verrekening niet eenvoudig vast te stellen. Het verrekeningsverweer slaagt niet.
3.23.
PBC zal daarom worden veroordeeld om het loon van [verzoeker] over de periode 1 april tot en met 23 april 2026 te betalen voor zo ver zij dat nog niet heeft gedaan. De gevorderde wettelijke rente over het toegewezen bedrag zal worden toegewezen met ingang van 24 april 2026.
PBC moet overuren van [verzoeker] betalen
3.24. [
verzoeker] verzoekt dat PBC wordt veroordeeld om een bedrag van USD 805,00 aan hem te betalen in verband met overuren die hij niet betaald heeft gekregen.
3.25.
PBC voert aan dat de opgegeven overuren van [verzoeker] niet zijn overeengekomen, niet door de directie zijn goedgekeurd en niet controleerbaar zijn. PBC heeft een overzicht overgelegd waarin zij specificeert welke overuren zij betwist (productie 16 bij het verweerschrift). Zij betwist de winkel- en kantooruren, uren voor het beheren van de fooien, uren voor het voorraadbeheer, uren in verband met onderhoud van schepen en overuren vanwege een ziekenhuisbezoek.
3.26.
Uit de schriftelijke verklaring van [bestuurder] blijkt dat [verzoeker] tijdens de afwezigheid van de bestuurder van PBC in verband met de zeilovertocht extra taken toebedeeld heeft gekregen. [bestuurder] verklaart dat [verzoeker] defecte of kapotte zaken moest melden bij een hersteller, de fooien moest verwerken en ervoor moest zorgen dat de voorraad op de boten kwam. Het valt daarom niet in te zien waarom de overuren in verband met het uitrekenen en verdelen van de fooien, het doen van boodschappen en aanvullen van de voorraad en de onderhoud of reparatie van boten niet betaald zouden moeten worden. Het is te begrijpen dat [verzoeker] door deze extra werkzaamheden meer uren heeft moeten werken. Dat [verzoeker] een reparatie aan een boot niet via het protocol heeft uitgevoerd betekent niet dat hij zijn recht op loon daarmee verliest. Evenmin valt in te zien waarom de directie van PBC deze overuren zou moeten goedkeuren terwijl [bestuurder] [verzoeker] deze taken heeft toebedeeld. Bovendien was de directie vanwege de zeilovertocht niet of slecht bereikbaar.
3.27.
Uit het overzicht van [verzoeker] blijkt dat hij 8,25 overuren heeft gemaakt in verband zijn aanwezigheid bij een ziekenhuisbezoek van één van de gasten van PBC. [verzoeker] vordert deze overuren tegen een tarief van 200% (dus in totaal 16,50 overuren). Hiertegen heeft PBC aangevoerd dat het ziekenhuisbezoek slechts één uur heeft geduurd en niet duidelijk is waarom [verzoeker] voor het ziekenhuisbezoek overuren tegen een tarief van 200% eist. In het licht van deze gemotiveerde betwisting van PBC heeft [verzoeker] onvoldoende onderbouwd dat hij recht heeft op betaling van deze overuren tegen een tarief van 200%. Eén overuur in verband met het ziekenhuisbezoek wordt toegewezen. Het meerdere wordt afgewezen.
3.28.
PBC heeft ook verweer gevoerd tegen de winkel- en kantooruren. Het is uit de overzichten niet duidelijk hoeveel overuren PBC hiermee concreet betwist. Bovendien geldt dat deze overuren kennelijk conform de gebruikelijke wijze in het systeem van PBC zijn geregistreerd; in beginsel moet daarvan daarom worden uitgegaan. Daarom heeft PBC haar betwisting van het verzoek tot betaling van die overuren onvoldoende gemotiveerd.
3.29.
Dit brengt met zich dat PBC zal worden veroordeeld om 40,25 minus 15,50 = 24,75 overuren aan [verzoeker] te betalen. Dat komt neer op een bedrag van 20 x 24,75 = USD 495,00. De gevorderde wettelijke rente over het toegewezen bedrag zal worden toegewezen met ingang van 24 april 2026.
PBC kan niet worden verplicht om tipgeld te betalen
3.30. [
verzoeker] verzoekt dat PBC wordt veroordeeld om zijn aandeel in het tipgeld over de periode januari tot en met april 2026 aan hem te betalen.
3.31.
Sinds januari 2026 heeft [verzoeker] de verwerking en verdeling van de fooien overgenomen van [operationeel directeur]. Op de mondelinge behandeling heeft hij verklaard dat hij de fooien mee naar huis nam, de fooien in een kluis bewaarde, Excel overzichten maakte voor berekeningen van de verdeling daarvan en ervoor zorgde dat de medewerkers hun fooi ontvingen. Kortom, PBC was niet betrokken bij de feitelijke verdeling aan van fooi.
3.32. [
verzoeker] heeft op de mondelinge behandeling gesteld dat zijn aanspraak op het tipgeld volgt uit de interne bedrijfspraktijk van PBC. Uit de interne bedrijfspraktijk van PBC volgt dat de fooien eerlijk onder de medewerkers moeten worden verdeeld. Daaruit kan een inspanningsverplichting van PBC worden afgeleid om daarop toe te zien. Maar dat betekent nog niet dat [verzoeker] een vorderingsrecht heeft op PBC tot uitbetaling van zijn tipgeld. Niet gesteld of gebleken is dat PBC aan de (huidige) beheerder van het tipgeld heeft opgedragen om geen fooi aan [verzoeker] uit te betalen. Omdat de grondslag voor de vordering van [verzoeker] ontbreekt, zal zijn vordering tot uitbetaling van het tipgeld worden afgewezen.
3.33.
Voor zo ver [verzoeker] zijn tipgeld nog niet uitbetaald heeft gekregen en de huidige beheerder van het tipgeld van PBC dat nog onder zich heeft, gaat de rechter ervan uit dat PBC zich zal inspannen om ervoor te zorgen dat [verzoeker] het tipgeld waar hij recht op heeft alsnog zal ontvangen.
De beslissingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.34.
De beslissingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [verzoeker] dit verzoekt en PBC daartegen geen verweer heeft gevoerd. Dit betekent dat de beslissingen in deze uitspraak moeten worden gevolgd, ook als hoger beroep wordt ingesteld tegen deze uitspraak. De beslissingen in deze uitspraak gelden in dat geval tot de rechter in hoger beroep tot een andere beslissing komt.
De proceskosten worden gecompenseerd
3.35.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Daarbij heeft de rechter meegewogen dat een groter aantal verzoeken van [verzoeker] zijn toegewezen, maar het verzoek dat de hoogste waarde vertegenwoordigt is afgewezen.
4De beslissing
Het Gerecht:
4.1.
veroordeelt PBC tot betaling van schadevergoeding aan [verzoeker] ter hoogte van zijn loon over de periode 24 april 2026 tot en met 4 mei 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 24 april 2026 tot de dag van volledige betaling daarvan;
4.2.
veroordeelt PBC tot betaling aan [verzoeker] van zijn loon over de periode 1 april tot en met 23 april 2026 voor zo ver hij dat nog niet uitbetaald heeft gekregen, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 24 april 2026 tot de dag van volledige betaling daarvan;
4.3.
veroordeelt PBC tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag van USD 495,00, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 24 april 2026 tot de dag van volledige betaling daarvan;
4.4.
verklaart de beslissingen tot zo ver uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
4.6.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Artikel 7A:1615o lid 1 van het Burgerlijk Wetboek BES.
Artikel 7A:1615r lid 1 BW BES.
Artikel 6:136 BW BES. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|