Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:OGEAC:2026:159 
 
Datum uitspraak:24-08-2026
Datum gepubliceerd:25-08-2026
Instantie:Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Zaaknummers:CUR202503891
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Veroordeling tot rectificatie uitlatingen op Facebook
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
wettelijke rente
 
Uitspraak
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202503891

Vonnis van 24 augustus 2026

in de zaak van


[EISER]

wonende in Curaçao, [eiser], gemachtigde: mr. M.F. Bonapart,

tegen


[GEDAAGDE],

wonende in Curaçao, [gedaagde], gemachtigde: mr. O.E. Kostrzewski.

Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.





1Het procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit:


het verzoekschrift van 22 september 2025,


de conclusie van antwoord van 9 februari 2026,


de producties van [gedaagde] van 10 juni 2026,


de e-mail met bijlagen van [eiser] van 15 juni 2026,


de e-mail met productie van [gedaagde] van 17 juni 2026,


de mondelinge behandeling van 18 juni 2026, waarbij [eiser] en [gedaagde] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden,


de akte ter comparitie van [eiser],


de pleitnotitie van [gedaagde].





1.2.
Vonnis is bepaald op vandaag.






2De feiten


2.1.      [
Eiser] is sinds maart 2015 werkzaam bij de Belastingdienst, laatstelijk als lid van het ondersteuningsteam.



2.2.      [
Gedaagde] is journalist, commentator en blogger.


2.3.      [
Gedaagde] heeft op zijn Facebookpagina berichten gepubliceerd die betrekking hebben op [eiser].



2.4.
In 2022 hebben [eiser] en [gedaagde] afspraken gemaakt over het staken en verwijderen van de publicaties.



2.5.
Vanaf maart 2024 heeft [gedaagde] zijn uitlatingen over [eiser] hervat. In totaal heeft hij 58 berichten op Facebook geplaatst. In deze berichten beschuldigt hij [eiser] ervan dan wel brengt hij [eiser] in verband met cliëntelisme, het kwijtschelden dan wel niet invorderen van (belasting)schulden, drugsgebruik, spionage voor Nederland, het bevoordelen van Nederlanders, het lekken van vertrouwelijke informatie, het initiëren en het profiteren van door de Belastingdienst gelegde beslagen en openbare verkopen (onder andere het Holiday Beach Hotel). Voorts bericht hij dat aangifte is gedaan tegen [eiser] bij de Landsrecherche en het Openbaar Ministerie. Het betreft onder meer de volgende berichten:

Op 26 maart 2024:

PRUEBA RIBA KOKAINA I MARIJUANA
Pero ta na su luga ku ora Parlamentu bini ku test di marijuana bini ku test riba kokaina tambe. Ta bon pa […] partisipa pa marijuna i [eiser] pa kokaina asina bo ta kibra tur duda. Paso pa bo ta pone beslag riba propriedat di hende anto bo mes ta afilia ku un makkelaars kantoor pa bende? Sea bo ta haltu of bo kabes no por ta bon. Asina tambe ta haña un aklarashon riba […] su komportashon riba su monkey movesnan kontra su propio partido PNP. Ya asina tur kos ta clear. No ta un akusashon pero mas bien un aklarashon. Bon trabou di Lider/Parlamentario pa Partido KEM.

Op 16 mei 2024:

Asina e benta di Holiday Beach Hotel (Coredon) i ku ela kobra su bon komishon.

Op 11 juni 2024:

Na december 2021 [eiser] a sòru pa laga akusa un trahado di Ontvanger di a komete fraude. A bisa ku e trahado a privelegia un negoshi dor di a laga kita un debe di belasting di nan sin tbt tin un base legal pa hasi esaki. (…)
E accountantnan di Soab sinembargo, enbes di sigi nan huramentashon profeshonal di mester karga semper ku e bèrdat, a prefera di keda partidario (…) (wiens brood men eet, diens woord men spreekt) i na e keho falsu di nan kolega [eiser] (…)
Tur hende a keda ketu ketu minister, ontvanger, i soab.

Op 15 april 2025:

PELIGROSO!R&B NEWS ta sinta man krusa ta mira pariba i mira pabou despues di elekshon. Kon por ta posibel ku tin "outoridat" Hulandes aki na Koòrsou supuestamente ta investiga politikonan na Korsou i Gobiernu di Kòrsou mes no ta na altura? Ki rol RST tin pa asisti na e hendenan aki?
Un nomber ku ta keda bini dilanti ta [eiser]! [Eiser] ta informante di Hulanda?
[Eiser] ta inkriminando trahadornan publiko ku RST? Ta puntra R&B ta puntra!
Ora bo ta TAP telefon di hende bo por hasi esaki sin pone outoridat di Koòrsou na altura i sin tin un ordu di un fiskal? Algun kos hopi PELIGROSO ta tumando luga na Korsou! Ministerio Publiko i Landsrecherche mester wak hopi bon pa nan no keda husa i nan tin di para den nan sapatu! R&B a kansa mes mes di menshona e nomber di [[eiser]]! Ora [eiser] sera bosnan, bosnan ta sa! Anto [eiser] maske kuantu bo manda kobra ami of kobra hende serka dimi impuesto ku NO ta eksisti bo NO ta INTIMIDA MI! A jega ora pa kuminsa investiga abo!



2.6.
In het openbaar verslag in het faillissement van Den Holiday Curaçao B.V. staat over het Holiday Beach Hotel het volgende:

Het onroerend goed is onderhands verkocht door de FCIB, met toestemming van het gerecht, voor een verkoopprijs van $ 11.500.000. De volledige opbrengst kwam FCIB toe (...)



2.7.
Bij brief van 13 juni 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] [gedaagde] verzocht om de uitlatingen te verwijderen en een rectificatie te plaatsen.



2.8.
Bij brief van 16 juni 2025 heeft de heer […], managing director van Stichting Overheidsaccountantsbureau (SOAB), geschreven:

[[eiser]] werkt sinds 2012 voor SOAB en ik heb geen aanleiding om aan de integriteit en professionaliteit van [eiser] te twijfelen. SOAB kan zich dan ook niet vinden in de diverse ongefundeerde aantijgingen jegens [[eiser]] door [[gedaagde]].



2.9.
Bij brief van 30 juni 2025 heeft de Landsontvanger naar aanleiding van vragen van de Minister van Financiën, voor zover relevant, het volgende geschreven:

(i) Heeft [eiser] ooit deel uitgemaakt van het zogenoemde afpakteam? (…)
(ii) Is het mogelijk dat [eiser] door de deurwaarder in beslag genomen goederen tegen een lage prijs verkoopt aan bevriende partijen?
(iii) Is het mogelijk dat [eiser] onroerende zaken waarop door de Ontvanger beslag is gelegd, via bevriende makelaars verkoopt om daar persoonlijk van te profiteren?
(iv) Heeft [eiser] belastingschulden van Baoase, Kontiki en Van der Valk laten 'verdwijnen' (…)?
(v) Hoeveel onroerende zaken zijn er sinds maart 2015 - het moment waarop [eiser] ondersteuning is gaan verlenen binnen de Belastingdienst - door de Ontvanger openbaar geveild?
(vi) Heeft u ooit signalen ontvangen dat [eiser] betrokken is bij het bewust niet invorderen van vorderingen op specifieke belastingplichtigen, met name hooggeplaatste personen?


Met betrekking tot uw vraag (i), kan het volgende worden opgemerkt:

(…) De Ontvanger kan u bevestigen dat [eiser] op geen enkel moment betrokken is geweest bij dit team en in het bijzonder nimmer heeft opgetreden namens de Landsontvanger.


Met betrekking tot uw vraag (ii) kan het volgende worden opgemerkt:

(….) De Ontvanger kan derhalve bevestigen dat [eiser] op geen enkel moment roerende zaken aan bevriende partijen heeft verkocht, noch daartoe gemachtigd was. Van verkoop tegen een ongebruikelijk lage prijs kan dan ook nimmer sprake zijn geweest.


Met betrekking tot uw vraag (iii) kan het volgende worden opgemerkt:

(…) De Ontvanger kan derhalve bevestigen dat [eiser] op geen enkel moment betrokken kan zijn geweest bij de verkoop van onroerende zaken waarop door de Landsontvanger beslag is gelegd, noch via bevriende makelaars, noch met het oogmerk daar persoonlijk voordeel uit te halen.



Met betrekking tot uw vraag (iv) kan het volgende worden opgemerkt:

(…) Er zijn geen aanwijzingen dat [eiser] betrokken is geweest bij het doen laten verdwijnen van belastingschulden van de vennootschappen Baoase, Kontiki en Van der Valk (...) Tot slot wenst de Ontvanger te benadrukken dat [eiser] niet bevoegd is om namens de Ontvanger besluiten te nemen met betrekking tot (individuele) invorderingsdossiers.


Met betrekking tot uw vraag (v) kan het volgende worden opgemerkt:

In de periode van maart 2015 tot en met juni 2025 heeft de Landsontvanger slechts één executoriale verkoop van een onroerende zaak doen plaatsvinden. Deze verkoop geschiedde uitsluitend op verzoek van de Nederlandse belastingautoriteiten, krachtens de Belastingregeling tussen Nederland en Curaçao.


Met betrekking tot uw vraag (vi) kan het volgende worden opgemerkt:

De Ontvanger kan bevestigen dat hem nimmer signalen hebben bereikt waaruit blijkt dat [eiser] betrokken zou zijn geweest bij het verlenen van een voorkeursbehandeling aan specifieke belastingplichtigen, met name hooggeplaatste personen. (…)



2.10.
In de brief van 3 juli 2025 van de heer […], namens de Nationale Hervormingscommissie van de regering van Curaçao, gericht aan de Minister van Financiën, staat:

Op uw verzoek en mede in relatie tot de beweringen in de sociale media ten aanzien van de vermeende betrokkenheid van [eiser] bij de toenmalige onderhandelingen van het Land Curaçao met betrekking tot het voorstel voor de Rijkswet COHO en/of de Onderlinge Regeling Samenwerking bij Hervormingen (ter uitvoering van het Landspakket Curaçao) kan ik u bevestigen dat die beweringen niet op feiten zijn gebaseerd, althans niet juist zijn.

Voorts is, zoals u reeds bekend, [eiser] voornoemd geen lid van de Nationale Hervormingscommissie (NHC) van de regering van Curaçao, noch is hij op enig moment betrokken geweest bij de instelling daarvan. Ook bij de totstandkoming c.q. vaststelling van de periodieke Uitvoeringsagenda met betrekking tot de hervormingsmaatregelen het thema "belastingen" in het Landspakket Curaçao betreffende is [eiser] niet betrokken, omdat hij geen lid is van de NHC of de Tijdelijke Werkorganisatie (TWO) binnen het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). Voor zover bekend is [eiser] momenteel slechts als lid van het ondersteuningsteam van het management van de belastingdienst betrokken bij de uitvoering van de in genoemde Uitvoeringsagenda vastgestelde hervormingsmaatregelen met betrekking tot het thema "belastingen". Genoemde maatregelen hebben echter geen betrekking op individuele cliëntendossiers, maar zijn slechts gericht op een efficiënte en effectieve functionering van de organisatie van de Belastingdienst als geheel.






3De vordering en de standpunten van partijen


3.1.      [
Eiser] vordert dat het gerecht bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:



voor recht verklaart dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] en tot rectificatie en verwijdering van de betreffende berichten van zijn Facebookpagina is gehouden alsmede tot een schadevergoeding;


[gedaagde] beveelt om binnen 24 uur na het vonnis, althans binnen 24 uur na de betekening van het vonnis, tot rectificatie over te gaan door deze op zijn Facebookpagina te plaatsen en daarnaast in de lokaal verschijnende dagbladen Extra, Vigilante, Amigoe en het Antilliaans Dagblad te plaatsen, alles op kosten van [gedaagde];


[gedaagde] gebiedt om gedurende een periode van 30 dagen een rectificatie op zijn Facebookpagina te plaatsen, en deze te pinnen als eerste post, waarbij deze pin gedurende de voornoemde periode voor het publiek zichtbaar en leesbaar moet blijven;


[gedaagde] gebiedt tot verwijdering van alle [eiser] betreffende uitlatingen op zijn Facebookaccount;


aan voorgaande vorderingen een dwangsom te verbinden van Cg 1.000 per dag;


te bepalen dat [gedaagde] aan [eiser] een schadevergoeding van Cg 5.000 is verschuldigd;


[gedaagde] veroordeelt in de kosten van het geding en de correspondentie die buitengerechtelijk aan de procedure voorafging.





3.2.      [
Eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] door zijn uitlatingen op Facebook zijn eer en goede naam heeft geschaad.



3.3.      [
Gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Hij stelt dat geen sprake is van onrechtmatige uitlatingen. Hij beroept zich op de vrijheid van meningsuiting, in het kader van een publiek debat over vermeende misstanden. De uitlatingen vallen onder de journalistieke vrijheid, inclusief het gebruik van scherpe bewoordingen en waardeoordelen, en zijn gebaseerd op eigen onderzoek. Daarbij geldt dat [eiser] als publiek persoon meer kritiek moet dulden. Subsidiair stelt [gedaagde] dat geen concrete schade is aangetoond en dat de publicaties ieder op zichzelf moeten worden beoordeeld. Een eventuele rectificatie kan voorts uitsluitend plaatsvinden via hetzelfde medium (Facebook). Dit is echter niet meer mogelijk omdat de Facebookpagina inmiddels niet meer actief is. Verder acht [gedaagde] de rectificatietekst en een rectificatie in meerdere talen te verstrekkend.






4De beoordeling


4.1.
De vraag die voorligt is of de publicaties van [gedaagde] op zijn Facebookpagina als onrechtmatig zijn aan te merken jegens [eiser].



4.2.
Uitgangspunt daarbij is enerzijds dat eenieder op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) het recht heeft op bescherming van zijn eer en goede naam. Anderzijds geldt dat eenieder op grond van artikel 10 lid 1 EVRM recht heeft op vrijheid van meningsuiting.



4.3.
Het recht op vrijheid van meningsuiting en van persvrijheid kan slechts worden begrensd op grond van artikel 10 lid 2 EVRM indien dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen. Van een beperking die bij de wet is voorzien, is sprake wanneer de betreffende uitlatingen onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW), in dat geval kan degene die de uitlatingen heeft gedaan op grond van artikel 6:167 BW tot rectificatie worden veroordeeld.



4.4.
Het belang van een journalist is dat hij zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moet kunnen uitlaten over misstanden die de samenleving raken. Het belang van degene over wie wordt gepubliceerd is erin gelegen dat hij niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan voor hem ongewenste negatieve publiciteit en mogelijke schade aan zijn eer en goede naam als gevolg daarvan.



4.5.
Of het belang van [eiser] op bescherming van zijn eer en goede naam of het belang van [gedaagde] op zijn vrijheid van meningsuiting en persvrijheid zwaarder weegt, hangt af van de omstandigheden van het geval, in onderlinge samenhang beschouwd. Daarbij is onder meer relevant (i) de aard van de gepubliceerde verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die verdenkingen betrekking hebben, (ii) de ernst – bezien vanuit het algemeen belang – van de misstand die de publicatie aan de kaak beoogt te stellen, (iii) de mate waarin ten tijde van de publicatie de verdenkingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal, (iv) de totstandkoming en inkleding van de verdenkingen, bezien in verhouding tot de onder (i) tot en met (iii) bedoelde omstandigheden, (v) het gezag dat het medium geniet en (vi) de maatschappelijke positie van de betrokken persoon. Genoemde omstandigheden wegen niet alle even zwaar. Welke omstandigheden van toepassing zijn en welk gewicht aan toepasselijke omstandigheden moet worden gehecht hangt af van het concrete geval.



4.6.
Vaststaat dat [eiser] in de publicaties in verband wordt gebracht met onder meer cliëntelisme, cocaïnegebruik, spionage voor Nederland en corruptie. Het gerecht is, met inachtneming van het voorgaande beoordelingskader, van oordeel dat [gedaagde] met deze uitlatingen jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW. De uitlatingen overschrijden de grenzen van de vrijheid van meningsuiting en vormen een ongerechtvaardigde aantasting van de eer en goede naam van [eiser].



4.7.
De uitlatingen, in onderling verband en in samenhang bezien, schetsen een consistent en ernstig negatief beeld van [eiser]. Van [gedaagde] had daarom een hoge mate van zorgvuldigheid mogen worden verwacht. Niet is echter gebleken dat de uitlatingen steun vinden in objectieve verifieerbare bronnen en vaststaat dat geen wederhoor is toegepast, terwijl [eiser] de beschuldigingen gemotiveerd en onderbouwd heeft weersproken. Het beroep van [gedaagde] op satire of humoristisch bedoelde overdrijving wordt in dit verband verworpen. De uitlatingen zijn gepresenteerd als feitelijke beschuldigingen en niet als satire of humor. Ook het verweer van [gedaagde] dat slechts kritische vragen zijn gesteld wordt niet gevolgd. De stelling dat [eiser] als publiek persoon meer kritiek dient te dulden slaagt evenmin. De functie van [eiser] brengt op zichzelf niet mee dat hij een zodanige publieke bekendheid geniet, of zich vrijwillig aan het publieke debat heeft blootgesteld, dat een verdergaande inbreuk op zijn eer en goede naam gerechtvaardigd is. Bovendien hebben ook publieke personen recht op bescherming tegen ongefundeerde en ernstig reputatieschadende beschuldigingen. Daarbij neemt het gerecht in aanmerking dat de uitlatingen zijn gedaan via Facebook, een medium met een groot bereik en in de Curaçaose samenleving een belangrijk en veelgebruikt communicatiemiddel, hetgeen meebrengt dat aan de publicaties een aanzienlijke potentiële verspreiding en reputatieschade is verbonden.



4.8.
De vordering tot rectificatie zal daarom worden toegewezen. Het gerecht zal [gedaagde] veroordelen om de rectificatie op zijn Facebookpagina te plaatsen. Voor zover [gedaagde] geen Facebookpagina (meer) heeft, wordt hij veroordeeld om de rectificatie te plaatsen in de kranten Extra en het Antilliaans Dagblad. Bij een verdergaande rectificatieverplichting bestaat onvoldoende belang. De termijn waarbinnen moet worden gerectificeerd wordt bepaald op een week na de betekening van dit vonnis. De gevorderde dwangsom wordt eveneens toegewezen, als prikkel tot nakoming, met dien verstande dat deze wordt gematigd en aan een maximum wordt gebonden.



4.9.
Nu alle publicaties over [eiser] in essentie dezelfde strekking hebben en hetzelfde verwijtende en reputatieschadende beeld van [eiser] oproepen, dienen deze – voor zover dit nog niet is gebeurd – alle te worden verwijderd.



4.10.
De gevorderde verklaring voor recht zal gelet op hetgeen hiervoor is overwogen worden afgewezen nu daarbij geen belang meer bestaat.



4.11.
De gevorderde immateriële schadevergoeding van Cg 5.000 wordt afgewezen. Met de rectificatie wordt [eiser] naar het oordeel van het gerecht voldoende genoegdoening gegeven.



4.12.
De verzochte vergoeding voor buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen omdat deze niet zijn gespecificeerd (vgl. HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6690).



4.13.
Omdat [gedaagde] (grotendeels) in het ongelijk wordt gesteld zal hij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten van [eiser] worden tot aan deze uitspraak begroot op Cg 450 aan griffierecht, Cg 346,18 aan oproepingskosten en
Cg 2.500 aan gemachtigdensalaris (2 punten, tarief 5), in totaal Cg 3.296,18.



4.14.
De veroordelingen in deze uitspraak gaan meteen in en kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van de partijen deze beslissing voorlegt aan het Hof.













5De beslissing

Het gerecht:


5.1
veroordeelt [gedaagde] om binnen een week na betekening van dit vonnis de volgende tekst – zowel in het Papiamentu als in het Engels – op zijn Facebookpagina te plaatsen en gedurende dertig dagen geplaatst en als eerste post gepind te houden, op straffe van een dwangsom van Cg 150 voor iedere dag dat hij in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van Cg 15.000:


RECTIFICATIE



Rektifikashon - publikashonan tokante mener [[eiser]] [eiser]


Den e último tempu mi a publiká diferente notisia riba e mi pagina di Facebook tokante mener [eiser].

Mi ta deklará ku e akusashonnan i publikashonnan tokante mener [eiser] no tabata basa riba investigashon, e akusashonnan i publikashonnan tabata falta un base korekto, i ku mi no a hasi use di derecho di palabranan di e otra persona (hoor y wederhoor) prome ku mi a publika mi akusashonnan.

Mi no tin prueba faktual ni otro hustifikashon pa sostene e akusashonnan i mi opinión ku a wordu ekspresá den e publikashonnan riba mi Facebook account. E publikashonnan a duna un imagen negativo i dano no meresé riba mener [eiser].

Mi ta publiká e rektifikashon aki riba orden di Hues di Kòrsou.

[gedaagde]



Rectification - publications concerning Mr. [eiser]


In recent times, I have posted several messages on my Facebook page concerning Mr. Wilhelmus [eiser].

I hereby declare that the allegations and the framing in these posts were not based on proper investigation and that I did not offer Mr. [eiser] the opportunity to respond moreover, no right of due care prior to publication or reply was observed.

I do not have any factual basis nor other justification to support the accusations and personal statements made against Mr. [eiser] on my Facebook account. As a result, these posts have created an unjust and damaging impression of him.

This rectification is published by order of the Court of First Instance of Curaçao.

[gedaagde]



5.2.
veroordeelt [gedaagde] voorwaardelijk, voor zover hij geen Facebookpagina heeft, om binnen een week na betekening van dit vonnis de bevolen rectificatie te doen plaatsen in de kranten Extra en het Antilliaans Dagblad, op straffe van een dwangsom van Cg 150 voor iedere dag dat hij in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van Cg 15.000;



5.3.
beveelt [gedaagde] alle op [eiser] betrekking hebbende uitlatingen op zijn Facebookaccount te verwijderen;



5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van [eiser] ten bedrage van
Cg 3.296,18, te vermeerderen met Cg 250 aan nakosten zonder betekening, verhoogd met Cg 150 in geval van betekening;



5.5.
bepaalt dat de proceskosten moeten worden betaald binnen veertien dagen en dat die kosten worden verhoogd met de wettelijke rente als niet op tijd wordt betaald;



5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;


5.7.
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.W.J. Vinkes, rechter, bijgestaan door
mr. H. Semerci, griffier, en in het openbaar uitgesproken.
Link naar deze uitspraak