Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBAMS:2026:8292 
 
Datum uitspraak:21-08-2026
Datum gepubliceerd:25-08-2026
Instantie:Rechtbank Amsterdam
Zaaknummers:12200169 CV EXPL 26-5992
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:De kantonrechter wijst de door verhuurder gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning op dit moment af. Indachtig artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind wegen de belangen van de inwonende kinderen zwaarder dan het belang van de verhuurder. Hierbij weegt de kantonrechter nadrukkelijk mee dat huurder ter zitting heeft verklaard zich onder bewind te willen laten stellen en de kantonrechter gaat er vanuit dat hij deze toezegging gestand doet. Daarmee kan naar alle waarschijnlijkheid een structurele oplossing worden gevonden voor de huurachterstand en betaling van de lopende huur en worden daarmee de belangen van de kinderen van huurder, alsmede die van verhuurder afdoende beschermd.
Trefwoorden:bijstandsuitkering
huurovereenkomst
wettelijke rente
 
Uitspraak
vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 12200169 CV EXPL 26-5992
vonnis van: 21 augustus 2026
fno.: 70037

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

de besloten vennootschap Custodian Vesteda Fund I B.V.
gevestigd te Amsterdam
eisende partij
nader te noemen: Custodian
gemachtigde: Jongerius Gerechtsdeurwaarders/Juristen/Incasso B.V.

t e g e n


[gedaagde]

wonende te [woonplaats]
gedaagde partij
nader te noemen: [gedaagde]
procederend in persoon


VERLOOP VAN DE PROCEDURE

In het dossier bevinden zich de volgende processtukken:
- de dagvaarding van 20 april 2026 met producties;- proces-verbaal van het mondeling antwoord van 30 april 2026 met producties;- het instructievonnis;- de dagbepaling mondelinge behandeling;
- actuele specificatie van de huurschuld, 25 juni 2026.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 juli 2026. Custodian is verschenen in de persoon van [naam] van Jongerius Gerechtsdeurwaarders/Juristen/Incasso B.V. [gedaagde] is in persoon verschenen. Custodian heeft op voorhand een specificatie van de actuele huurachterstand ingestuurd. Partijen zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. Ten slotte is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.




GRONDEN VAN DE BESLISSING



Feiten

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast:

1.1.

[gedaagde] huurt vanaf 17 augustus 2018 van Custodian de woning aan [adres], [postcode] te [plaats];


1.2.

[gedaagde] woont daar met zijn vrouw en twee kinderen (12 en 7 jaar);


1.3.
Ondanks herhaalde aanmaningen en (een) betalingsregeling(en) heeft [gedaagde] tot en met juni 2026 een huurachterstand laten ontstaan ter hoogte van € 8.208,58;


1.4.
In mei 2026 heeft [gedaagde] eenmalig € 4.000,00 van zijn huurschuld ingelost;


1.5.
Custodian heeft de contactgegevens van [gedaagde] gemeld aan het college voor schuldhulpverlening.



Standpunten partijen
2. Custodian vordert – kort gezegd – betaling van de huurachterstand, evenals ontbinding van de huurovereenkomst tussen partijen en ontruiming van het gehuurde, met nevenvorderingen.
3. Aan deze vordering legt Custodian ten grondslag dat [gedaagde] zijn betalingsverplichting voortvloeiend uit de tussen partijen bestaande huurovereenkomst niet is nagekomen. De huurachterstand bedraagt € 8.208,58 tot en met juni 2026.
4. [gedaagde] erkent de hoogte van de huurachterstand. Hij voert aan dat zijn bedrijf sinds de COVID 19-periode te maken had met tegenvallende inkomsten en inmiddels met forse belastingschulden. Ook stelt hij privéschulden te hebben, mede veroorzaakt door bovengenoemde tegenvallende inkomsten, een inbraak en het stopzetten van de bijstandsuitkering van hemzelf en zijn vrouw sinds augustus 2026. Een eerdere betalingsregeling heeft hij niet kunnen nakomen. [gedaagde] wenst in de woning te blijven, ook omdat zijn twee kinderen in de woonplaats naar school gaan. Tijdens de zitting geeft [gedaagde] aan zijn bedrijf te willen liquideren en zich te willen melden voor onderbewindstelling.



Beoordeling
5. [gedaagde] erkent de genoemde huurachterstand. De kantonrechter wijst de hierop betrekking hebbende vordering van Custodian als hierna te noemen toe.

6. Gelet op de hoogte van de huurachterstand, evenals de lange periode waarop deze bestaat, is sprake van een zodanig ernstig tekortschieten dat toewijzing van de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst met ontruiming van de gehuurde woning in beginsel gerechtvaardigd is.

7. De kantonrechter moet, zeker in een ingrijpende kwestie als huisontruiming, echter alle belangen afwegen. Zo vereist artikel 3 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) dat de rechter dient te waarborgen dat de belangen van het kind een eerste overweging vormen. Nu niet is gebleken dat er alternatieve huisvesting, of hulpverlening dienaangaande, beschikbaar is, dreigt bij ontruiming het reële gevaar dat de kinderen op straat belanden. Daarom stelt de kantonrechter op dit moment het belang van de kinderen op adequate huisvesting boven het belang van Custodian op ontbinding en ontruiming. Hierbij weegt de kantonrechter nadrukkelijk mee dat [gedaagde] ter zitting heeft verklaard zich onder bewind te willen laten stellen en de kantonrechter gaat er vanuit dat hij deze toezegging gestand doet. Daarmee kan naar alle waarschijnlijkheid een structurele oplossing worden gevonden voor de huurachterstand en de lopende huurverplichtingen en worden daarmee de belangen van de kinderen van [gedaagde] , alsmede die van Custodian afdoende beschermd. De kantonrechter wijst de vorderingen tot ontbinding en ontruiming daarom op dit moment af.


Ambtshalve toetsing


8. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet de kantonrechter uit zichzelf (ambtshalve) toetsen aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze vernietigen. De eisende partij mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68).

9. Het door partijen overeengekomen huurprijsbeding gaat uit van een jaarlijkse verhoging op basis van de wijziging van het maandprijs indexcijfer volgens de consumentenprijsindex (het CPI): het indexatiebeding. Daarbij kan het percentage van de wijziging dat hieruit voortvloeit, worden verhoogd met een opslag van maximaal 4: het opslagbeding.

10. De kantonrechter acht het indexatiebeding, dat de prijsontwikkeling van goederen en diensten in Nederland volgt, niet oneerlijk en laat het in stand.

11. Het opslagbeding acht de kantonrechter wel oneerlijk. Op het moment dat hij de huurovereenkomst sloot, was voor de huurder namelijk niet te voorzien in welke mate en in welke gevallen de verhuurder dat opslagbeding zou toepassen. Het is ook niet aannemelijk dat zo’n hoge opslag nodig is om de stijgingen van de kosten te compenseren die de huurder (boven de inflatie) maakt en/of om de huurprijs in de pas te laten lopen met de waardeontwikkeling van de woning. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 29 november 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1780) geoordeeld dat een opslagbeding van maximaal 3% niet oneerlijk is, maar dat geldt niet (zonder meer) voor een hoger maximumpercentage, zoals in deze zaak. De kantonrechter vernietigt de bepaling. Nu uit de opgave van de laatste huurschuld blijkt dat Custodian de huur jaarlijks met niet meer dan de CPI-index heeft verhoogd (en dus geen opslag heeft gerekend), kan de gevorderde huurachterstand in stand blijven.

12. In de huurovereenkomst staat ook een beding dat bepaalt dat de huurder 1% rente per maand over de verschuldigde hoofdsom moet betalen, wanneer hij een geldsom niet tijdig of volledig betaalt. Dat is een fors hogere rente dan de wettelijke rente van 2% per jaar die gold ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst. De kantonrechter beoordeelt dit rentebeding daarom als oneerlijk en vernietigt de bepaling, en wijst de gevorderde rente af.

13. Daarbij staat in de huurovereenkomst een beding dat bepaalt dat de huurder voor elke verplichting die hij niet nakomt of overtreedt, een direct opeisbare boete van € 25,00 per kalenderdag aan de verhuurder moet betalen. Deze boete kan (helemaal wanneer deze wordt opgelegd in combinatie met het hierboven genoemde rentebeding) veel hoger uitkomen dan de wettelijke rente die een consument normaliter is verschuldigd. De kantonrechter beoordeelt het beding daarom als oneerlijk en vernietigt de bepaling.

14. Het beding over de proceskosten is eveneens oneerlijk, omdat het de mogelijkheid biedt hogere proceskosten in rekening te brengen (“alle daaruit voortvloeiende kosten”) dan is voorzien bij wet, volgens het zogeheten liquidatietarief. De kantonrechter vernietigt de bepaling daarom. Omdat nog onduidelijk is (er wordt nog gewacht op antwoorden van het Hof van Justitie van de Europese Unie hieromtrent) of dit betekent dat een consument na vernietiging van een proceskostenbeding toch kan worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten, zal de kantonrechter deze volgens de geldende regels vaststellen.

15. Gezien de uitkomst van het geding oordeelt de kantonrechter dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen.

16. Ook het beding over buitengerechtelijke incassokosten (tenminste 15% van het verschuldigde bedrag met een minimum van € 125,00) is oneerlijk, omdat daarin niet (voldoende duidelijk) staat dat de wettelijke regeling (artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten) in het geval van een consument moet worden toegepast. Dit kan ertoe leiden dat aan de consument hogere kosten in rekening worden gebracht dan wettelijk toegestaan. De kantonrechter acht het beding daarom oneerlijk en vernietigt het, en wijst de gevorderde buitengerechtelijke kosten af.



BESLISSING

De kantonrechter:


veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 8.208,58 aan huurachterstand tot en met juni 2026;



bepaalt dat de proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt;



verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;



wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Link naar deze uitspraak