|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:24377 | | | | | Datum uitspraak | : | 27-08-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 27-08-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | NL26.46807 | | Rechtsgebied | : | Vreemdelingenrecht | | Indicatie | : | Bewaring – strafrechtelijk voortraject – evenredigheid – zicht op uitzetting – ongegrond – geen pkv. | | Trefwoorden | : | levensonderhoud | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.46807
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiserV-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. G. Cambier).
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 14 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw) en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft zijn gronden van beroep op 18 augustus 2026 ingediend. Verweerder heeft op 24 augustus 2026 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 26 augustus 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
1. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.Strafrechtelijk voortraject
2. Eiser voert aan dat hij ten onrechte vanuit het strafrecht is overgedragen aan de AVIM wegens een vermoeden van illegaal verblijf, omdat hiervan niet is gebleken. De enkele verwijzing naar de WID is hiertoe onvoldoende. Ook de vermelding van bestanden waar eiser in voorkomt is onvoldoende om daarmee het vermoeden van illegaal verblijf aannemelijk te maken.
3. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier voldoende duidelijk blijkt dat sprake was van een strafrechtelijke aanhouding. Uit het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van de aanhouding van 14 augustus 2026 blijkt het volgende. De verbalisanten hebben de werkbus waarin eiser als bijrijder zat gestopt omdat de bestuurder tijdens het rijden een telefoon in zijn hand had. Na een bevraging van de persoonsgegevens van de bestuurder is een mutatie uit 2023 aangetroffen dat mogelijk sprake was van illegaal arbeid. Omdat eiser als bijrijder dezelfde werkkleding droeg, is ook zijn geldige identiteitsbewijs gevorderd. Eiser toonde hier een papier in de Franse taal dat zou duiden op een voorlopige aanvraag voor regulier verblijf in Frankrijk van 6 augustus 2026. Na onderzoek van eisers gegevens in de politiesystemen werd duidelijk dat eiser mogelijk verwijderbaar is, omdat aan hem een inreisverbod is opgelegd. Eiser is aangehouden op grond van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht en artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht, omdat hij geen geldige identiteitsdocumenten bij zich had. Eiser is overgenomen en opgehouden aansluitend op strafrechtelijke heenzending. Anders dan eiser aanvoert is dit niet gebeurd vanwege een vermoeden van illegaal verblijf, maar omdat zijn identiteit onmiddellijk kon worden vastgesteld en bleek dat hij geen rechtmatig verblijf had. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat sprake was van een verkapte vreemdelingrechtelijke aanhouding en dat als gevolg daarom de bewaring onrechtmatig zou zijn.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In de maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
- b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
- h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;
- j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
- p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
- r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
- s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De rechtbank merkt op verzoek van eiser allereerst ambtshalve op dat de Oezbeekse vertaling van de maatregel van vreemdelingenbewaring, de beschikking van 6 mei 2025 waarin eisers asielaanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond en het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod van 27 mei 2023 aan het digitale dossier zijn toegevoegd.
6. Eiser betwist de gronden b, j, p en s. Hij voert aan dat hij zich mag onttrekken aan het toezicht. Hij was even weg uit Nederland en heeft hiermee aan zijn terugkeerverplichting voldaan. Eiser was onderweg naar Frankrijk om hier een bestaan op te bouwen en heeft daar rechtmatig verblijf. Aan een terugkeerbesluit kan daarom geen uitvoering worden gegeven. Een eerdere asielaanvraag is geen grond om op te nemen in de maatregel. Daarbij valt niet in te zien hoe zonder motivering hieruit een onttrekkingsrisico volgt en is van een nieuwe asielaanvraag niet gebleken. Eiser heeft zijn Franse aanvraag overgelegd en de ophouding heeft plaatsgevonden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw. hiermee heeft hij zich aan de verplichtingen in hoofdstuk 4 van het Vb gehouden. Ook is de € 1000,- waarover eiser beschikt voldoende om zijn reis te bekostigen.
7. De rechtbank constateert allereerst dat eiser gronden h en r niet heeft bestreden. Deze zijn feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat grond b zich feitelijk voordoet. Eiser heeft op 6 mei 2025 een meeromvattende asielbeschikking gekregen en is hierna met onbekende bestemming vertrokken. Eiser heeft daarbij verklaard dat hij de Europese Unie niet heeft verlaten. Voor zover eiser aanvoert dat hij in Frankrijk beschikt over rechtmatig verblijf, is dit niet nader onderbouwd. Uit het door eiser overgelegde Franse document volgt weliswaar dat eiser een aanvraag heeft ingediend, maar volgt ook dat dit document niet leidt tot rechtmatig verblijf, noch dat eiser rechtmatig de Franse grens mag oversteken. Grond j is ook feitelijk juist; eisers asielaanvraag is bij besluit van 6 mei 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond. Ook de gronden p en s zijn feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd. Eiser beschikt niet over identificerende documenten als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb en heeft geen melding gemaakt van zijn illegale verblijf. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat de € 150,- die eiser contant bezit en de € 1000,- die eiser op zijn bankpas heeft onvoldoende is om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien en de terugreis naar Oezbekistan of elders te kunnen bekostigen. Dit betekent dat de gronden voldoende zijn om de maatregel te dragen. Het risico op onderduiken is daarmee gegeven. Terugnameverzoek Frankrijk
8. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder bij de Franse autoriteiten een terugnameverzoek moet indienen. Eiser verwijst naar artikel 7, 8 en 9 van de Benelux-overeenkomst en stelt zich op het standpunt dat hij vanwege de ingediende aanvraag in Frankrijk een hoofdverblijf heeft in Frankrijk en niet in Nederland. Omdat verweerder dit heeft nagelaten is de maatregel onrechtmatig.
9. Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals de rechtbank hierboven heeft overwogen volgt uit het door eiser overgelegde Franse document slechts dat hij een aanvraag in Franrijk heeft ingediend. Niet is gebleken dat eisers verzoek is ingewilligd, noch dat eiser in Frankrijk zijn hoofdverblijf heeft. Ook heeft eiser dit niet met nadere stukken onderbouwd.Evenredigheid
10. De maatregel is niet evenredig, omdat eiser een bevel tot terugkeer naar Frankrijk had behoren te krijgen. Uit het dossier van eiser is niet gebleken dat op enig moment contact is opgenomen met de Franse autoriteiten. Verweerder heeft hiermee in strijd gehandeld met artikel 62a, derde lid, van de Vw. De maatregel is daarom onrechtmatig.
11. Anders dan eiser aanvoert was verweerder niet gehouden om contact op te nemen met de Franse autoriteiten. Artikel 62a, derde lid, van de Vw is op eiser niet van toepassing, omdat hij niet in het bezit is van een door Frankrijk afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf.Zicht op uitzetting
12. Eiser voert subsidiair aan dat niet is gebleken van zicht op uitzetting naar Oezbekistan.
12. De rechtbank stelt vast dat eiser deze grond niet nader heeft gemotiveerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het algemeen of in het geval van eiser te oordelen dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Oezbekistan ontbreekt. Verweerder heeft in de maatregel van vreemdelingenbewaring voldoende gemotiveerd dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Oezbekistan bestaat. Daarbij heeft eiser tijdens het vertrekgesprek van 20 augustus 2026 verklaard dat hij zo snel mogelijk terug wil naar Oezbekistan en een vriend heeft gevraagd zijn paspoort naar het detentiecentrum te laten sturen. DT&V heeft daarbij aangegeven met een geldig paspoort voor eiser een vlucht te kunnen aanvragen en anders een verzoek tot een vervangend reisdocument aan te vragen.
Ambtshalve toets
14. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 27 augustus 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.
Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.
Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
Op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw.
Zoals bedoeld in artikel 62a, eerste lid, onderdeel b, van de Vw.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|