Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBROT:2026:10724 
 
Datum uitspraak:14-08-2026
Datum gepubliceerd:27-08-2026
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:ROT 25/6275
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De aanvraag van eiseres om compensatie is afgewezen. Eiseres voert aan dat de Dienst Toeslagen onzorgvuldig heeft gehandeld bij de automatische continuering van haar kinderopvangtoeslag en dat een hoge toeslag/hoog risico (HOT/HOR)-signalering tot extra controles heeft geleid. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van institutionele vooringenomenheid of van hardheid van het wettelijke systeem. Het beroep is ongegrond.
Trefwoorden:kinderopvangtoeslag
 
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/6275

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

en

Dienst Toeslagen
(gemachtigde: [gemachtigde] ).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres voert aan dat de Dienst Toeslagen onzorgvuldig heeft gehandeld bij de automatische continuering van haar kinderopvangtoeslag en dat een hoge toeslag/hoog risico (HOT/HOR)-signalering tot extra controles heeft geleid. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van institutionele vooringenomenheid of van hardheid van het wettelijke systeem. Het beroep is ongegrond.



Procesverloop

2. Met het besluit van 4 oktober 2023 heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie op grond de Wht afgewezen.


2.1.
Met het besluit van 12 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 4 oktober 2023 ongegrond verklaard.



2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.




Beoordeling door de rechtbank

3. Eiseres heeft een aanvraag gedaan om compensatie op grond van de Wht voor de toeslagjaren 2015 tot en met 2019. Met het besluit van 4 oktober 2023 heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat eiseres geen recht heeft op compensatie als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid en artikel 2.6 van de Wht. Met het bestreden besluit is de Dienst Toeslagen daarbij gebleven.

4. Eiseres stelt dat de Dienst Toeslagen ten onrechte geen compensatie aan haar heeft toegekend. Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen onzorgvuldig heeft gehandeld bij de automatische continuering van haar aanvragen. Hoewel automatische continuering toegestaan is, meent eiseres dat de Dienst Toeslagen zorg had moeten dragen voor tijdige communicatie bij inkomenswijzigingen. Door dit na te laten heeft eiseres te maken gekregen met hoge terugvorderingen van kinderopvangtoeslag. Voorts voert eiseres aan dat een HOT/HOR-signalering vanaf 2018 ertoe heeft geleid dat ze te maken kreeg met extra controles waardoor ze vooringenomen is behandeld. Ten slotte stelt eiseres dat het bestreden besluit gebrekkig is gemotiveerd omdat de Dienst Toeslagen niet is ingegaan op haar individuele omstandigheden.

5. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen, of de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.

6. In de beoordeelde toeslagjaren hebben de volgende neerwaartse correcties in het recht op kinderopvangtoeslag van eiseres plaatsgevonden:


6.1.
In het toeslagjaar 2015 zijn er geen neerwaartse correcties geweest.



6.2.
In het toeslagjaar 2016 hebben er twee neerwaartse correcties plaatsgevonden. De eerste verlaging bedraagt € 785,- als gevolg van een stijging van het toetsingsinkomen van € 30.000,- naar € 37.000,-. De tweede verlaging bedraagt € 525,- als gevolg van een stijging van het toetsingsinkomen van € 36.000,- naar € 40.522,-.



6.3.
In het toeslagjaar 2017 hebben er twee neerwaartse correcties plaatsgevonden. De eerste verlaging bedraagt € 2.415,- als gevolg van een stijging van het toetsingsinkomen van € 3.548,- naar € 41.000,-. De tweede verlaging bedraagt € 14.450,- omdat twee kinderen per 14 maart 2017,- van 230 uur naar 109 uur opvang per maand gingen.



6.4.
In het toeslagjaar 2018 is de kinderopvangtoeslag met € 905,- verlaagd omdat twee kinderen per 1 januari 2018 van 109 uur naar 98 uur opvang per maand gingen.



6.5.
In het toeslagjaar 2019 hebben er twee neerwaartse correcties plaatsgevonden. De eerste verlaging bedraagt € 1.714,- omdat twee kinderen per 24 juli 2019 van 85 uur naar 60 uur opvang per maand gingen. De tweede verlaging bedraagt € 204,- als gevolg van een stijging van het toetsingsinkomen van € 30.000,- naar € 31.278,-.

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen terecht geconcludeerd dat eiseres geen recht heeft op compensatie op grond van de Wht. Uit de hierboven beschreven correcties volgt dat de verlagingen van de kinderopvangtoeslag het gevolg waren van wijzigingen in het toetsingsinkomen dan wel in het aantal opvanguren. Niet is gebleken dat deze wijzigingen onjuist zijn verwerkt of dat daarbij sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid. Dat eiseres stelt dat de automatische continuering van haar toeslag en de communicatie over inkomenswijzigingen zorgvuldiger hadden gekund, leidt daarom niet tot de conclusie dat sprake was van institutionele vooringenomenheid of hardheid van het wettelijke systeem.

8. Ten aanzien van het betoog over de HOT/HOR-signalering oordeelt de rechtbank het volgende. De Dienst Toeslagen heeft ter zitting toegelicht dat een HOT/HOR-signalering automatisch van toepassing is wanneer bij een aanvraag of wijziging het toe te kennen bedrag een bepaald normbedrag overschrijdt. Dit criterium is niet discriminerend en strekt ter bescherming tegen onnodig hoge terugvorderingen. Uit het dossier blijkt dat de neerwaartse correcties reguliere wijzigingen betreffen. Niet is gebleken dat de HOT/HOR-signalering tot vooringenomen handelen of hardheid heeft geleid.

9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen ook het motiveringsbeginsel niet geschonden. Met het bestreden besluit en het daarbij behorende advies van de bezwaarschriftenadviescommissie heeft de Dienst Toeslagen de toekenning en hoogte van de compensatie uitvoerig toegelicht. Eiseres heeft niet toegelicht waarom deze motivering ondeugdelijk is.

10. De rechtbank begrijpt uit wat eiseres in beroep en ter zitting heeft aangevoerd dat de wijze waarop zij destijds met de Dienst Toeslagen te maken heeft gehad, voor haar ingrijpend is geweest. Zij heeft verklaard dat zij als gevolg van de terugvorderingen veel stress heeft ervaren en dat zij uiteindelijk met hulp van haar werkgever en haar omgeving heeft geprobeerd de gevolgen daarvan op te vangen. Ook heeft zij naar voren gebracht dat zij tijdens een telefoongesprek met de Dienst Toeslagen is uitgelachen. De rechtbank kan zich voorstellen dat een dergelijke ervaring, in combinatie met de financiële gevolgen van de terugvorderingen, voor eiseres belastend en pijnlijk is geweest. De Dienst Toeslagen heeft ter zitting voor dit telefoongesprek zijn excuses aangeboden. Dat de ervaringen van eiseres voor haar ingrijpend zijn geweest, maakt echter niet dat zij aanspraak heeft op compensatie op grond van de Wht, zoals hiervoor is overwogen. De Dienst Toeslagen heeft daarom, hoe begrijpelijk de gevoelens van eiseres over haar ervaringen ook zijn, terecht geen grond gezien om aan haar op grond van de Wht compensatie toe te kennen.




Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.




Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Spengen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Huisman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.
Link naar deze uitspraak