|
|
|
| ECLI:NL:RBROT:2026:11098 | | | | | Datum uitspraak | : | 27-08-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 03-09-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Rotterdam | | Zaaknummers | : | NL:TZ:2616099:R-RK – NL NL:TZ:2616099:R-RK – NL | | Rechtsgebied | : | Insolventierecht | | Indicatie | : | Moratorium afgewezen. Geen sprake van een ontruimingsvonnis dat louter is gebaseerd op betalingsachterstanden. | | Trefwoorden | : | huurovereenkomst | | | uitkering | | | zorgtoeslag | | Wetreferenties | : | Faillissementswet 287b
| | | | Uitspraak | RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummer: [rekestnummers]
Uitspraak van 27 augustus 2026
In de zaak van
[verzoekster]
,
geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteland] ,
wonende te [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
verzoekster.
1De procedure
Verzoekster heeft op 17 juli 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 17 juli 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 20 augustus 2026.
Ter zitting van 20 augustus 2026 zijn verschenen en gehoord:
verzoekster;
mevrouw E. de Groot, werkzaam bij de Sociale Dienst Drechtsteden (hierna: schuldhulpverlening);
[persoon A] , verhuurder, (hierna: verweerder);
de heer mr. M.R. Drill, werkzaam bij Dordt Recht Advocaten (hierna: advocaat verweerder).
De advocaat van verweerder heeft op 29 juli 2026 voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerder te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 mei 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster heeft inkomen uit een Participatiewet-uitkering van € 1.401,50 (netto) per maand. Daarnaast ontvangt verzoekster huur- en zorgtoeslag van € 523,25 respectievelijk € 129,16 per maand. De huur bedraagt € 1.034,85 per maand. De lopende huurtermijnen zijn sinds het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 mei 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster betaald. Ter zitting heeft schuldhulpverlening verklaard dat het budgetplan van verzoekster positief is. Daarnaast zal aan het einde van de maand budgetbeheer worden opgestart, waardoor voldoende aannemelijk is dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan.
3Het verweer
Verweerder heeft zich – kort samengevat – en voorzover van belang op het volgende standpunt gesteld. Primair voert verweerder aan dat een schorsingsverzoek ex artikel 287b Fw alleen mogelijk is in de gevallen genoemd in artikel 305, tweede lid, Fw. In dit geval is daar geen sprake van. In haar vonnis van 7 mei 2026 heeft de kantonrechter, zie rechtsoverweging 2.8., bepaaald dat (1) de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen en (2) dat bovendien verzoekster herhaaldelijk heeft geweigerd mee te werken aan werkzaamheden in of aan de woning. Het vonnis van de kantonrechter is dus niet enkel op basis van de huurachterstand ontbonden. Het verzoek dient dan ook afgewezen te worden. Bovendien werkt verzoekster, tot grote frustratie van verweerder, nog steeds niet mee aan herstelwerkzaamheden aan de woning. Ook in het kader van de belangenafweging dient het verzoek te worden afgewezen.
4De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 mei 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 19 juni 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerder op 23 juli 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
Artikel 287b Fw geeft verzoekster de mogelijkheid om de rechtbank te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen indien sprake is van een bedreigende situatie. De voorziening is er op gericht om een adempauze te creëren die verzoekster in staat moet stellen het minnelijk traject voort te zetten om met haar schuldeisers een regeling voor haar schulden te bereiken, af te ronden, dan wel om de goede trouw meer gefundeerd te kunnen laten blijken. Deze voorlopige voorziening strekt zich volgens artikel 287b, vierde lid, Fw mede tot het van toepassing verklaren van artikel 305 Fw. In artikel 305, tweede lid, Fw is bepaald in welke situatie de tenuitvoerlegging van een ontruiminsvonnis niet mogelijk is in geval van een schuldsaneringsregeling. Hiervoor gelden twee voorwaarden. Tenuitvoerlegging van een ontruimingsvonnis is niet mogelijk indien: (1) het ontruimingsvonnis alleen gebaseerd is op huurachterstand én (2) de lopende huur steeds tijdig betaald wordt. De rechtbank leidt uit de samenhang van artikel 287b Fw met artikel 305, tweede lid, Fw af dat een moratorium slechts kan worden verleend indien aan deze twee voorwaarden wordt voldaan.
Ter zitting en uit de overgelegde stukken is gebleken dat in het ontruimingsvonnis van de kantonrechter van 7 mei 2026 is geoordeeld dat (1) de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen en (2) dat bovendien verzoekster herhaaldelijk heeft geweigerd mee te werken aan werkzaamheden in of aan de woning, zie rechtsoverweging 2.8. van dat vonnis. Dit betekent dat in dit geval geen sprake is van een ontruimingsvonnis dat gebaseerd is op louter een huurachterstand als bedoeld in artikel 305, tweede lid, Fw. Hieruit volgt dat een moratorium ex artikel 287b Fw niet kan worden verleend, omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarden ex artikel 305, tweede lid, Fw. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen. Aan een belangenafweging tussen het belang van verzoekster en van verweerder komt de rechtbank niet toe.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling indienen.
5De beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2026. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|