Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNNE:2026:3544 
 
Datum uitspraak:20-08-2026
Datum gepubliceerd:03-09-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Nederland
Zaaknummers:25/4140
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Mijnbouwschade. Eiseres is het niet eens met de hoogte van een immateriële schadevergoeding. De rechtbank oordeelt dat het IMG de aanvraag op de juiste manier heeft beoordeeld. Geen reden om af te wijken aan de gestandaardiseerde methode van het IMG. Eiseres heeft ten onrechte gesteld dat de Hof-methodiek zou moeten worden toegepast.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
forfaitair
uitkering
 
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 25/4140

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. A.A. Westers),

en

Instituut Mijnbouwschade Groningen, het Instituut
(gemachtigden: mrs. C.L. Kuipers en R.L. Gritter).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de hoogte van de aan haar toegekende vergoeding van immateriële schade. Eiseres is het niet eens met de hoogte van de vergoeding. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Instituut het recht van eiseres op een immateriële schadevergoeding op de juiste manier heeft beoordeeld. Er is geen reden om van de gestandaardiseerde methode af te wijken. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Eiseres heeft op 14 januari 2025 een aanvraag ingediend tot vergoeding van immateriële schade. Het Instituut heeft deze aanvraag met het besluit van 18 februari 2025 afgewezen. Met het besluit van 12 september 2025 op het bezwaar van eiseres is het Instituut bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.


2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 12 september 2025.



2.2.
Hangende het beroep, heeft het Instituut eiseres bij het herziene besluit van 18 december 2025 alsnog een vergoeding van € 1.500,- terzake van immateriële schadevergoeding toegekend.



2.3.
Eiseres heeft de rechtbank op 29 december 2025 desgevraagd laten weten dat zij het beroep wenst voort te zetten. Het Instituut heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het Instituut.




Beoordeling door de rechtbank


Herziene beslissing op bezwaar

3. Met het besluit van 18 december 2025 heeft het Instituut het besluit op bezwaar van 12 september 2025 gewijzigd en het primaire besluit herroepen en daarvoor in de plaats een nieuw besluit genomen. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van eiseres van rechtswege ook betrekking op het besluit van 18 december 2025.


3.1.
Omdat het Instituut het besluit van 12 september 2025 heeft gewijzigd, heeft eiseres geen procesbelang meer bij een beoordeling van dat besluit. Haar beroep tegen het besluit van 12 september 2025 is daarom niet-ontvankelijk. Hierna beoordeelt de rechtbank haar beroep tegen het besluit van 18 december 2025.


Toetsingskader

4. Een vergoeding van immateriële schade ten gevolge van gaswinning is mede aan de orde geweest in een civiele procedure waarin prejudiciële vragen zijn gesteld. De Hoge Raad heeft daarin overwogen dat de rechter kan oordelen dat de aard en de ernst van de aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis met zich meebrengt dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor bewoners van een bepaald gebied boven het Groningenveld zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen en dat de rechter daarbij aannemelijk kan achten dat de door deze aantasting in de persoon geleden schade voor deze bewoners ten minste een bepaald bedrag beloopt. Daarbij kan de aard en de ernst van de aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis en de gevolgen daarvan worden aangemerkt als aantasting in de persoon op andere wijze in de zin van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Tevens is in die procedure overwogen dat om te kunnen aannemen dat de benadeelde op de in art. 6:106, onder b, van het BW bedoelde andere wijze in zijn persoon is aangetast, niet volstaat de enkele vaststelling dat de benadeelde woont in het gebied waar dikwijls aardbevingen worden gevoeld en schade wordt geleden, in combinatie met een persoonlijke verklaring van die benadeelde over zijn beleving van de invloed die de aardbevingen op hem hebben.



4.1.
Het Instituut heeft, gelet op het grote aantal aanvragen met betrekking tot immateriële schadevergoeding, een methode ontwikkeld waarbij de persoonsaantasting niet door de aanvrager hoeft te worden aangetoond, maar het Instituut dit op basis van objectieve en feitelijke omstandigheden en een vragenlijst (de PIA) vaststelt en een forfaitair bedrag toekent als op grond daarvan een persoonsaantasting kan worden aangenomen. Deze regeling is neergelegd in hoofdstuk 4 van de Procedure en werkwijze van het Instituut Mijnbouwschade Groningen.



4.2.
Een aanvraag voor vergoeding van immateriële schade wordt door het Instituut op grond van de hiervoor genoemde regeling in beginsel via de standaardprocedure afgedaan waarbij wordt getoetst aan vier bouwstenen, te weten (1) de locatie, (2) de veiligheidssituatie, (3) de omvang van de fysieke schade en (4) de duur van de schadeafhandeling. Deze bouwstenen worden vervolgens onderverdeeld in situaties waaraan punten (ook wel ‘aanwijzingen’) zijn verbonden van nul tot en met vier (bij locatie is het maximaal aantal punten twee). Hoe meer punten aan een aanvrager worden toegekend, hoe hoger de uitkering per persoon wordt, mits aan bepaalde drempelvoorwaarden wordt voldaan. Naast deze bouwstenen kan een aanvrager ervoor kiezen de PIA in te vullen, waarvan de uitkomst kan leiden tot een vergoeding uit een hogere categorie. Dit is een vragenlijst om de persoonlijke ervaring en beleving van een persoon mee te kunnen wegen. Profiel 1 = tot licht ervaren leed; profiel 2 = enigszins ernstig ervaren leed; profiel 3 = ernstig ervaren leed; profiel 4 = bijzonder ernstig ervaren leed. De toegekende vergoeding op basis van deze vier bouwstenen en de PIA leiden kunnen leiden tot een schadevergoeding van € 0, € 1.500,-, € 3.000,- of maximaal € 5.000,- per persoon. In sommige gevallen kan de uitkomst van de PIA het toe te kennen bedrag aan schadevergoeding naar boven corrigeren, met dien verstande dat het maximumbedrag ingevolge de standaardregeling € 5.000,- blijft. Het voorgaande laat zich vertalen in onderstaande tabel.












Cumulatieve gewicht aanwijzingen bouwstenen




Profiel Persoonlijke Impact Analyse




Categorie




Persoonsaantasting




Vergoeding





0 t/m 2


1, 2, 3 of 4


A


Geen persoonsaantasting


-




3


1


A


Geen persoonsaantasting


-




3


2, 3 of 4


B


Persoonsaantasting


€ 1.500




4


1, 2, 3 of 4


B


Persoonsaantasting


€ 1.500




5 t/m 6


1 of 2


B


Persoonsaantasting


€ 1.500




5 t/m 6


3 of 4


C


Ernstige persoonsaantasting


€ 3.000




7


1, 2, 3 of 4


C


Ernstige persoonsaantasting


€ 3.000




8 t/m 9


1, 2 of 3


C


Ernstige persoonsaantasting


€ 3.000




8 t/m 9


4


D


Bijzonder ernstige persoonsaantasting


€ 5.000




10 t/m 14


1, 2, 3 of 4


D


Bijzonder ernstige persoonsaantasting


€ 5.000








4.3.
Het Instituut beoordeelt, in afwijking van de gestandaardiseerde methode, een aanvraag aan de hand van de individuele omstandigheden van het geval, als de aanvrager in zijn aanvraag of later onderbouwt dat een correcte toepassing van de gestandaardiseerde methode naar zijn oordeel tot onvoldoende schadevergoeding zou leiden.



4.4.
In de uitspraak van 20 april 2023 heeft deze rechtbank geoordeeld dat het puntensysteem dat het Instituut hanteert, in beginsel passend is om in een groot aantal zaken de immateriële schade te beoordelen.



Totstandkoming van het bestreden besluit

5. Eiseres woonde tot 2 juli 2020 bij haar ouders aan [adres], te [woonplaats]. Vervolgens heeft zij vier jaren in [woonplaats] gewoond. Van 19 april 2024 tot 1 augustus 2025 woonde zij aan [adres], te [woonplaats]. Vanaf 1 augustus 2025 woont eiseres aan [adres], te [woonplaats].



5.1.
Op 14 januari 2025 heeft eiseres een aanvraag gedaan voor een immateriële schadevergoeding. Eiseres heeft bij haar aanvraag de PIA ingevuld. Uit de door eiseres ingevulde PIA komt naar voren dat zij bijzonder ernstig leed heeft ervaren (profiel 4).



5.2.
Met het besluit van 18 februari 2025 is de aanvraag afgewezen, omdat toepassing van de gehanteerde methode leidde tot één punt in combinatie met een PIA-profiel 4 (zie 3.2.).



5.3.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Op 10 juli 2025 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden.



5.4.
Met de beslissing op bezwaar van 12 september 2025 heeft het Instituut vanwege de afschaffing van het onderscheid tussen eigenaren en niet-eigenaren binnen de gestandaardiseerde methode, bij de beoordeling van de bouwstenen één punt meer toegekend. Omdat dit tot 2 punten in combinatie met een PIA-profiel 4 leidde (zie 3.2.), heeft het Instituut het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.



5.5.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 12 september 2025.



5.6.
Hangende het beroep, heeft het Instituut de situatie van eiseres opnieuw beoordeeld. Omdat eiseres sinds 1 augustus 2025 in [woonplaats] woont, is dit adres ook meegenomen in de beoordeling. Toepassing van de door het Instituut gehanteerde methode levert in de situatie van eiseres het volgende op. Het Instituut heeft voor bouwsteen 1 (locatie) één punt en voor bouwsteen 3 (omvang van de fysieke schade), twee punten toegekend. Voor bouwstenen 2 (veiligheidssituatie) en 4 (duur schadeafhandeling), zijn geen punten toegekend. Uit de door eiseres ingevulde PIA komt naar voren dat eiseres bijzonder ernstig leed heeft ervaren (profiel 4). Dit levert een combinatie van 3 punten voor de bouwstenen en een PIA-profiel 4 op. Het Instituut heeft het bezwaar van eiseres daarom met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 18 december 2025 gegrond verklaard en aan eiseres een immateriële schadevergoeding van € 1.500,- toegekend.



5.7.
Eiseres heeft aangegeven dat zij het beroep wenst voort te zetten.


Heeft eiseres recht op een hogere vergoeding?

6. Eiseres meent dat zij recht heeft op een hogere schadevergoeding. Artikel 2, zesde lid, van de TwG bepaalt namelijk dat het Instituut haar taken en bevoegdheden met toepassing van het Burgerlijk Wetboek uitvoert. Het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft in het arrest van 17 december 2019, het volgende overwogen:

“Uit wat in het vorige punt is vermeld, volgt dat in een situatie waarin een woning meer dan eenmaal schade (…) heeft opgelopen kan worden aangenomen dat de bewoners van die woning op andere wijze in hun persoon zijn aangetast en om die reden aanspraak hebben op immateriële schade. (…) Al met al is naar het oordeel van het hof in dit geval een minimumbedrag van € 2.500,- redelijk.”

Eiser wijst erop dat de Hoge Raad deze ‘Hof-methodiek’ heeft bevestigd. Zij stelt dat zij meer dan eenmaal vastgestelde fysieke schade aan de woning aan [adres], te [woonplaats] heeft meegemaakt. Er zijn twee schadevergoedingen toegekend. De ondergrens voor een vergoeding van immateriële schade is daarvoor, gelet op de Hof-methodiek, volgens eiseres € 2.500,-. In vergelijkbare gevallen werd dat bedrag ook toegekend. De vergoeding die het Instituut aan eiseres heeft toegekend, is met € 1.500,- echter lager dan de schadevergoeding die in het civiele recht kan worden verkregen. Daarmee is hoofdstuk 4 van de Procedure en werkwijze is in strijd met artikel 2, zesde lid, van de TwG. Eiseres is daarom van mening dat het Instituut de door haar gehanteerde methode buiten toepassing zou moeten laten, en aansluiting dient te zoeken bij de Hof-methodiek.



6.1.
De rechtbank volgt eisers niet in haar standpunt en overweegt hiertoe als volgt.



6.2.
De gestandaardiseerde methode die het Instituut hanteert, is eerder door de rechtbank Noord-Nederland geschikt en passend geacht. De methode zorgt ervoor dat het Instituut het grote aantal aanvragen om immateriële schadevergoeding aan de hand van dezelfde maatstaven op een uitvoerbare manier kan beoordelen, waarbij het Instituut de benadeelden tegemoet komt in hun bewijslast. Daarbij is het in het geacht belang van diegenen die door de mijnbouwactiviteiten in hun persoon zijn aangetast, dat hun immaterieel geleden schade binnen afzienbare termijn wordt begroot en uitgekeerd. Een methode die én grote aantallen kan verwerken én middels bouwstenen rekening houdt met locatie, veiligheid, fysieke schade, schadeafhandeling en (middels een PIA met) het ervaren leed is daartoe door de rechtbank een geschikte en passende methode geacht. De keuzes die het Instituut heeft gemaakt bij de gestandaardiseerde methode zijn eveneens redelijk en aanvaardbaar bevonden.



6.3.
De stelling van eiseres dat zij meer dan eenmaal fysieke schade aan een woning heeft meegemaakt, en dat daarom de Hof-methodiek moet worden gevolgd, is door het Instituut niet gevolgd. Het Instituut heeft deze methodiek in voornoemde regeling niet overgenomen. Het Instituut heeft hier in het verweerschrift de volgende nadere uitleg over gegeven:


“In de eerste plaats leert de praktijk dat het antwoord op de vraag of sprake is van één of meerdere schadegevallen in het overgrote deel van de gevallen afhankelijk is van (procedurele) toevalligheden. Zo zijn er bewoners die lang wachten met het melden van fysieke schade. Zij sparen fysieke schades als het ware op en doen hier eenmaal melding van. Dit zou dan niet als meervoudige fysieke schade gelden omdat niet het aantal afzonderlijke schades beslissend is, maar het aantal afzonderlijke meldingen (zie § 7.4 van bijlage A). Andere bewoners melden wel elke fysieke schade direct. Bij hen zou dan formeel gezien wel sprake zijn van meervoudige fysieke schade. In de praktijk vergelijkbare gevallen zouden dan ten onrechte anders moeten worden gekwalificeerd, wat tot andere uitkomsten zou leiden. Het Instituut wijst er voorts op dat ook in het gebied waar slechts als gevolg van één specifieke beving (die van Huizinge van 12 augustus 2012) schade kan zijn ontstaan, niettemin met grote regelmaat méérdere, achtereenvolgende schademeldingen voor één woning worden gedaan. Het Instituut is daarom van oordeel dat minder betekenis aan de


omstandigheid van meerdere schademeldingen moet worden gehecht, dan het hof heeft gedaan. Volgens het Instituut is het aantal schademeldingen géén (voldoende)betrouwbare indicator om de aard en de ernst van de persoonsaantasting in te schatten.



In de tweede plaats wordt de problematiek van immateriële schade als gevolg van de gaswinning in Groningen naar het oordeel van het Instituut gekenmerkt door veel méér dan alleen fysieke schade, zoals ook de Commissie Verheij constateert. De Commissie Verheij wijst erop dat niet alleen wonen, maar ook gezondheid en welzijn een rol spelen. In de methodiek van het hof komt daaraan geen eigenstandige betekenis toe.



De methodiek van het hof leidt er bijvoorbeeld toe dat een woningeigenaar in Friesland (dat voor een deel ook nog binnen het effectgebied valt) die meermaals schade meldt, wél aanspraak heeft op vergoeding van immateriële schade, terwijl een woningeigenaar in Loppersum die zo vaak bevingen ondervindt dat zij haar schade heeft opgespaard tot één melding, of dat doet in afwachting van de versterkingsoperatie, geen aanspraak heeft. Dit simpele voorbeeld laat zien dat de methodiek van het hof te grofmazig is om op basis daarvan de publiekrechtelijke taak van het Instituut zorgvuldig uit te voeren.”



De rechtbank Noord-Nederland heeft in de uitspraak waar hiervoor ook naar is verwezen, geoordeeld dat het Instituut genoegzaam heeft gemotiveerd waarom de Hof-methodiek niet is toegepast. De rechtbank heeft daarbij ook geen aanleiding gezien om over te gaan tot aanpassing van de door het Instituut gehanteerde methode op dit punt.



6.4.
Eiseres heeft vervolgens geen argumenten of onderbouwingen aangedragen waaruit afgeleid kan worden dat het Instituut het aantal punten per bouwsteen niet juist heeft vastgesteld, of die zo zwaarwegend zijn, dat het Instituut in dit geval had moeten afwijken van de gestandaardiseerde methode. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Instituut het recht van eiseres op een immateriële schadevergoeding dan ook op de juiste manier beoordeeld en op juiste gronden geconcludeerd dat sprake is van een persoonsaantasting, die aanspraak geeft op toekenning van een immateriële schadevergoeding van € 1.500,-. Er is alles overziende, geen reden om af te wijken van de gehanteerde methode.



6.5.
Het beroep slaagt niet.




Conclusie en gevolgen

7. Het beroep van eiseres tegen het besluit van 12 september 2025 is niet-ontvankelijk.

8. Het beroep tegen het besluit op bezwaar van 18 december 2025 is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.

9. Het Instituut heeft ter zitting toegezegd het griffierecht van € 194,- aan eiseres te willen vergoeden. Daarom zal de rechtbank bepalen dat het griffierecht door het Instituut wordt vergoed. Voor het overige krijgt eiseres geen vergoeding van haar proceskosten.



Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 12 september 2025 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 18 december 2025 ongegrond;
- bepaalt dat het Instituut het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden.




Deze uitspraak is gedaan door mr. D.M. Schuiling, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Huizenga-Bergsma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



In het bestreden besluit van 18 december 2025 “herroepen” genoemd.


Hoge Raad, 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278.


Artikel 4.1a, tweede lid, van de Procedure en werkwijze.


ECLI:NL:RBNNE:2023:1585.


Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 december 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10717, r.o. 7.36-7.37.


HR 15 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1534, r.o. 3.3.4.


Hof Arnhem-Leeuwarden 17 december 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10717.


Rechtbank Noord-Nederland 8 november 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:4941, r.o. 7.2.


Rechtbank Noord-Nederland, 20 april 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:1585, r.o. 6.5 en 8.


Alinea 7.8 en 7.9 van bijlage A bij het verweerschrift van het Instituut van 23 januari 2026.


Rechtbank Noord-Nederland 8 november 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:4941, r.o. 7.1 en 7.2.
Link naar deze uitspraak