Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHAMS:2026:2453 
 
Datum uitspraak:01-09-2026
Datum gepubliceerd:04-09-2026
Instantie:Gerechtshof Amsterdam
Zaaknummers:200.359.755/01
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:kinderalimentatie, geen sprake van een wijziging van omstandigheden in de zin van art. 1:401 lid 1 BW.
Trefwoorden:belastingrecht
burgerlijk wetboek
levensonderhoud
uitkering
 
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.359.755/01
zaaknummer rechtbank: C/13/754452 FA RK 24/4967

beschikking van de meervoudige kamer van 1 september 2026 in de zaak van



[de moeder]
,
wonende te [plaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. Z. Taspinar te Amsterdam,

en



[de vader] ,

wonende te [plaats] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. R.H. Wormhoudt te Ruinerwold.





1De zaak in het kort

De zaak gaat over de kinderalimentatie voor [minderjarige] (3 jaar). De rechtbank heeft de door de vader te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 juli 2024 op zijn verzoek op nihil gesteld. De moeder is het daar niet mee eens. Zij wil dat het verzoek van de vader tot nihilstelling alsnog wordt afgewezen, zodat de vader de eerder vastgestelde bijdrage van € 100,- per maand weer moet gaan betalen. De vader is het wel eens met de beslissing van de rechtbank.





2De procedure in hoger beroep


2.1
De moeder is op 30 september 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 1 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking).



2.2
De vader heeft op 18 december 2025 een verweerschrift ingediend.



2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 10 februari 2026, met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de moeder van 10 februari 2026, met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de moeder van 11 februari 2026, met bijlage;
- een bericht van de zijde van de vader van 16 februari 2026, met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de vader van 5 juni 2026, met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de moeder van 8 juni 2026, met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de moeder van 9 juni 2026, met bijlagen.



2.4
De zitting heeft op 18 juni 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk in de Arabische taal, S. Elsayed.






3De feiten


3.1
De vader en de moeder zijn getrouwd geweest. Hun huwelijk is op 17 april 2024 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 13 februari 2024 in de registers van de burgerlijke stand. Uit het huwelijk is [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ) geboren [in] 2023 te [plaats] . [minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder.



3.2
De moeder heeft (in ieder geval) de Nederlandse nationaliteit. De vader heeft de Egyptische nationaliteit en [minderjarige] heeft (in ieder geval) de Nederlandse nationaliteit.



3.3
De rechtbank heeft in de echtscheidingsbeschikking van 13 februari 2024 bepaald dat de vader een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna: kinderalimentatie) van € 100,- per maand aan de moeder moet betalen, met ingang van 1 februari 2024.






4De omvang van het hoger beroep


4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, met wijziging van de echtscheidingsbeschikking van 13 februari 2024 in zoverre, de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 juli 2024 op nihil gesteld en bepaald dat, voor zover de vader over de periode vanaf 1 juli 2024 tot de datum van de beschikking meer kinderalimentatie heeft betaald dan waartoe hij gehouden was, de moeder het meerdere niet hoeft terug te betalen. Deze beslissing is genomen op verzoek van de vader.



4.2
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het inleidend verzoek van de vader tot nihilstelling van de kinderalimentatie alsnog af te wijzen en te bepalen dat de echtscheidingsbeschikking, waarbij is bepaald dat de vader met ingang van 1 juli 2024 een kinderalimentatie van € 100,- per maand voor [minderjarige] dient te betalen, in stand blijft, althans een zodanige kinderalimentatie vast te stellen als het hof juist acht.



4.3
De vader verzoekt het door de moeder ingestelde hoger beroep ongegrond te verklaren, dan wel de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken dan wel deze af te wijzen, kosten rechtens.






5De motivering van de beslissing


Bevoegdheid en toepasselijk recht



5.1
Zoals de rechtbank juist heeft geoordeeld, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek van de vader. De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast, hetgeen niet in geschil is, zodat ook het hof hiervan zal uitgaan.

Juridisch kader




5.2
Op grond van artikel 1:401, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.


Standpunten




5.3
De moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte de in de echtscheidingsbeschikking van 13 februari 2024 vastgestelde kinderalimentatie van € 100,- per maand heeft gewijzigd naar nihil. Zij voert hiertoe aan dat geen sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 BW. De vader had en heeft nog steeds voldoende inkomsten uit arbeid om de vastgestelde bijdrage te voldoen. Hij heeft in ieder geval onvoldoende met stukken onderbouwd dat hij vanaf 1 juli 2024 geen inkomsten uit arbeid meer zou hebben. De vader heeft nagelaten inzage te geven in zijn volledige financiële situatie, maar uit de stukken die hij wel heeft overgelegd blijkt dat de vader ook na 1 juli 2024 voldoende draagkracht had om een bijdrage van € 100,- per maand te voldoen. Dat de verblijfsvergunning van de vader mogelijk is ingetrokken, maakt dat volgens de moeder niet anders. Niet gebleken is dat hij in Nederland niet kan werken. Bovendien kan de vader ook in Egypte werken en daarmee een inkomen genereren om de vastgestelde bijdrage te voldoen.



5.4
De vader voert verweer. Hij stelt dat partijen in het kader van de echtscheidingsprocedure overeengekomen zijn dat de vader € 100,- per maand aan kinderalimentatie aan de moeder zou voldoen, ook al overschreed dat bedrag de financiële mogelijkheden van de vader. De bijdrage voldeed volgens hem dus al vanaf het begin af aan niet aan de wettelijke maatstaven. Vervolgens is de verblijfsvergunning van de vader ingetrokken in verband met de beëindiging van het huwelijk van partijen, waardoor het de vader niet meer was toegestaan om in Nederland werkzaamheden (in loondienst) te verrichten. De vader kon nog korte tijd aanspraak maken op een WW-uitkering, maar sinds de beëindiging van deze uitkering heeft de vader geen inkomsten meer en leeft hij op kosten van familie en vrienden. De vader heeft een nieuwe verblijfsvergunning aangevraagd (op basis van de uitspraak van het Europese Hof van Justitie in de zaak [X] ) en hoopt dat het hem weer wordt toegestaan legaal in Nederland te verblijven en te werken.


Beoordeling door het hof




5.5
Het hof stelt voorop dat waar de moeder mogelijke fouten en omissies in de behandeling van de procedure bij de rechtbank aan de orde stelt, het hoger beroep mede ertoe dient deze te herstellen. De moeder heeft in deze procedure in hoger beroep de gelegenheid gehad haar standpunt naar voren te brengen en te reageren op het standpunt van de vader. Haar stelling dat de rechtbank is voorbijgegaan aan het door haar ingediende verweerschrift, de door haar ingediende stukken en haar verweer ter zitting behoeft dan ook geen verdere bespreking.



5.6
Aan de orde is de vraag of na de echtscheidingsbeschikking van 13 februari 2024, waarbij de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie van € 100,- per maand is vastgesteld, een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401, eerste lid, BW heeft plaatsgevonden.


De vader stelt dat de wijziging van omstandigheden is gelegen in het gegeven dat zijn verblijfsvergunning is ingetrokken, waardoor hij niet meer mocht en mag werken in Nederland en daardoor sinds 1 juli 2024 geen inkomsten meer heeft. Het hof volgt dit standpunt niet. Gebleken is dat de verblijfsvergunning van de vader pas op 28 mei 2025 is ingetrokken en dat hij tussen 1 juli 2024 en 28 mei 2025 diverse inkomsten heeft verworven. Zo heeft hij een UWV-uitkering ontvangen over (in ieder geval) de maanden augustus en september 2024 en had hij in de periode januari tot en met mei 2025 inkomsten uit werkzaamheden voor verschillende bedrijven, waaronder 24/7 Hotelservice, Makka Hotelservices en Timing Flexgroep B.V. Verder is ter zitting in hoger beroep gebleken dat de vader, hoewel zijn verblijfsvergunning is ingetrokken, nog wel in Nederland mag werken. Dit volgt uit de verblijfsstickers in het paspoort van de vader. De vader heeft een nieuwe verblijfsvergunning aangevraagd en is nog in afwachting van de beslissing van de IND hierover. In de tussentijd heeft hij rechtmatig verblijf in Nederland en mag hij werken op grond van de door de IND afgegeven verblijfsstickers. Dat deze stickers steeds maar voor vier maanden worden afgegeven en het voor de vader daardoor niet mogelijk is om werk te vinden, heeft de vader niet, althans onvoldoende onderbouwd. Niet gebleken is dat de vader geen flexwerk of uitzendwerk zou kunnen verrichten, zoals hij eerder ook heeft gedaan. Bovendien heeft de vader ter zitting in hoger beroep verklaard na 28 mei 2025 nog te hebben gewerkt en een gemiddeld inkomen van € 1000,- tot € 1.500.- netto per maand te hebben. Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat de vader niet, althans onvoldoende heeft aangetoond dat de wijziging van zijn verblijfsstatus ertoe heeft geleid dat hij niet meer in staat is de kinderalimentatie van € 100,- per maand te voldoen of dat anderszins sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401, eerste lid1 BW. Het had op de weg van de vader gelegen zijn inkomensgegevens, zoals opgesomd in artikel 2.1.2 van het ‘Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven’ te overleggen, hetgeen hij heeft nagelaten.
Voor zover de vader een beroep doet op artikel 1:401, vierde lid BW, waarin is bepaald dat een rechterlijke uitspraak kan worden gewijzigd indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, overweegt het hof als volgt. In zijn verweerschrift in hoger beroep stelt de vader dat partijen in het kader van de echtscheidingsprocedure zijn overeengekomen dat hij € 100,- per maand zou bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Ook de moeder heeft te kennen gegeven dat sprake was van een overeenkomst tussen partijen. De wijzigingsgrond van artikel 1:401, vierde lid BW geldt niet voor hetgeen partijen met betrekking tot de onderhoudsverplichting zijn overeengekomen, zodat het beroep van de vader op deze bepaling niet slaagt.
Op grond van het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking vernietigen voor zover het de kinderalimentatie betreft en het inleidend verzoek van de vader tot nihilstelling van de door hem aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (alsnog) afwijzen.



5.7
Dit leidt tot de volgende beslissing.







6De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] betreft, en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst af het inleidend verzoek van de vader tot nihilstelling van de door hem aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] ;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.


Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. J.F. Miedema en mr. J.W. Brunt, in tegenwoordigheid van mr. A. Paats als griffier en is op 1 september 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.
Link naar deze uitspraak