Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:23988 
 
Datum uitspraak:19-08-2026
Datum gepubliceerd:08-09-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:C/09/700836
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Eiseres vordert terugbetaling van door haar verstrekte financiering aan een startup die zij samen met onder meer gedaagde sub 1 heeft opgericht. Volgens gedaagen is er geen sprake van een lening met terugbetalingsverplichting, maar van een informele kapitaalstorting. Als de financiering wel als lening wordt gekwalificeerd, dan is die volgens gedaagen nog niet opeisbaar. Gelet op de bedoeling van partijen bij het aangaan van de overeenkomst, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een lening. De rechtbank is echter van oordeel dat de lening nog niet opeisbaar is. De vordering van eiseres wordt daarom afgewezen. De reconventionele vorderingen van gedaagden tot opheffing van de door eiseres gelegde beslagen en een beslagverbod worden ook afgewezen.
Trefwoorden:levensonderhoud
schenking
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK Den Haag

Team Handel

Zaaknummer: C/09/700836 / HA ZA 26-234


Vonnis van 19 augustus 2026


in de zaak van


NOBLE-REBEL HOLDING B.V., te Den Haag,
eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,
advocaat: mr. L.V. van der Gun,

tegen




1TOOGWIJK HOLDING B.V., te Den Haag,2. [gedaagde] , te [woonplaats] ,
gedaagden in conventie, eisers in reconventie,
advocaat: mr. S.S. van Dam.

Partijen worden hierna Noble-Rebel, Toogwijk en [gedaagde] genoemd. Toogwijk en [gedaagde] worden tezamen aangeduid als Toogwijk c.s.





1Waar gaat de zaak over?


1.1.
Noble-Rebel vordert terugbetaling van door haar verstrekte financiering aan een startup die zij samen met onder meer Toogwijk heeft opgericht. Volgens Toogwijk c.s. is er geen sprake van een lening met terugbetalingsverplichting, maar van een informele kapitaalstorting. Als de financiering wel als lening wordt gekwalificeerd, dan is die volgens Toogwijk c.s. nog niet opeisbaar. Gelet op de bedoeling van partijen bij het aangaan van de overeenkomst, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een lening. De rechtbank is echter van oordeel dat de lening nog niet opeisbaar is. De vordering van Noble-Rebel wordt daarom afgewezen. De reconventionele vorderingen van Toogwijk c.s. tot opheffing van de door Noble-Rebel gelegde beslagen en een beslagverbod worden ook afgewezen.





2De procedure


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 26 februari 2026, met producties 1 tot en met 10;- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van 21 april 2026, met producties 1 tot en met 26;
- de akte van Noble-Rebel, met productie 11;- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties 12 tot en met 21;
- de mondelinge behandeling van 8 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.



2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten




3.1.
Noble-Rebel is de persoonlijke houdstermaatschappij van mevrouw [naam 1] (hierna: [naam 1] ). Toogwijk is de persoonlijke houdstermaatschappij van [gedaagde] .



3.2.

[naam 1] en [gedaagde] hebben van 2015 tot december 2024 een affectieve relatie gehad.



3.3.
Op 30 april 2021 hebben Noble-Rebel en Toogwijk samen met [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ) de vennootschappen A Great Holding B.V. (hierna: AGH) en haar dochter Great to Meet B.V. (hierna: GTM) opgericht. [bedrijf] is de persoonlijke houdstermaatschappij van de heer [naam 2] . Het doel van het oprichten van deze vennootschappen was het ontwikkelen van een zakelijke netwerkapp onder de naam ‘Great to Meet’. Noble-Rebel (47,5%), Toogwijk (47,5%) en [bedrijf] (5%) werden de aandeelhouders van AGH. Noble-Rebel, Toogwijk en [bedrijf] werden de bestuurders van AGH.



3.4.
Noble-Rebel heeft op of omstreeks 7 april 2021 een bedrag van € 200.000,- verstrekt aan AGH.



3.5.
Op 30 juli 2021 heeft zij een aanvullend bedrag van € 300.000,- verstrekt aan AGH.



3.6.
Naar aanleiding van deze betalingen van Noble-Rebel van in totaal € 500.000,- zijn Noble-Rebel (als partij 1) en AGH (als partij 2) een ‘rekening-courant overeenkomst’ aangegaan gedateerd 31 juli 2021 (hierna: de overeenkomst). In de overeenkomst is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 1


1.1
Partij 2 zal aan partij 1 een rente verschuldigd zijn gelijk aan de voor het jaar geldende gemiddelde Euribor +0,75%. Deze rente wordt (naar rato) berekend over het gemiddeld opgenomen saldo.


1.2
Indien sprake is van een vordering van partij 2 op partij 1 zal partij 1 aan partij 2 een rente verschuldigd zijn, die bepaald wordt op de sub 5.1 beschreven wijze.


1.3
De rente moet jaarlijks worden voldaan, voor het eerst op 31 december 2021, doch wordt indien de rente niet is voldaan, na afloop van het jaar rentedragend bijgeschreven. […]


Artikel 3

De overeenkomst is aangegaan met ingang van heden en heeft een looptijd van maximaal 10 jaar.


Artikel 4

De hoofdsom plus bijgeschreven rente zal de desbetreffende partij kunnen worden opgeëist drie maanden na kennisgeving daartoe en onmiddellijk in de volgende gevallen:
- faillissement van de andere partij;
- beslaglegging op zaken van de andere partij;
- aanvraag surseance van betaling door de andere partij.”



3.7.
In augustus 2021 heeft GTM de app ‘Great to Meet’ gelanceerd.


3.8.
In het najaar van 2022 werd [naam 1] , [gedaagde] en [naam 2] duidelijk dat de app geen succes zou worden.



3.9.
Op 23 mei 2023 hebben [gedaagde] , [naam 1] en [naam 2] een garantstellingsovereenkomst opgesteld en ondertekend, waarin onder meer het volgende is bepaald:

“Overwegende dat:


Partijen op 30/04/2021 de vennootschappen ‘Great to Meet B.V.’ en ‘A Great Holding B.V.’ hebben opgericht ten einde de app Great to Meet te bouwen, onderhouden en te exploiteren en ook de spin-offs die uit deze ontwikkeling voortkomen te bouwen, onderhouden en exploiteren.


Partijen overeen zijn gekomen dat [gedaagde] zorgt voor de financiering van de vennootschappen als genoemd onder A.



[naam 1] tot op heden de vennootschappen zoals genoemd onder A heeft voorgefinancierd.


de door [naam 1] geïnvesteerde bedragen zijn vastgelegd in de door de aandeelhouders goedgekeurde jaarrekening per 31 december 2022. Het bedrag per die datum was € 500.000,-.



[gedaagde] en/of de aan hem gelieerde rechtspersonen zich via deze overeenkomst garant verklaren voor de door [naam 1] en de aan haar gelieerde rechtspersonen geïnvesteerde bedragen in de vennootschappen zoals genoemd onder A.”





3.10.
In een brief van 17 oktober 2024 aan [gedaagde] heeft [naam 1] onder meer het volgende geschreven:

“Gedurende de ontwikkeling van de app zijn er verschillende momenten geweest waarop ik twijfelde. Aan de app zelf maar ook over de verdeling van onze inbreng. Ik zou de start van de bouw inleggen, jij zou kort daarna ook mee gaan inleggen. Het was de bedoeling dat je op basis van de miljoenenwinsten die je zou maken een veel grotere inleg zou doen. In plaats daarvan werd in het voorjaar van 2022 duidelijk dat je spaargeld op was.”



3.11.
In een e-mail van 31 januari 2025 aan [gedaagde] en [naam 2] heeft [naam 1] onder meer het volgende geschreven:

“De afgelopen jaren heb ik verschillende keren de ‘hoe nu verder’- vraag gesteld. Een vraag die boven de markt bleef hangen met name door het feit dat ik weinig fiducie heb in een mogelijke doorstart en al meer geld aan de app ben kwijtgeraakt dan ik voor ogen had nu [gedaagde] en ik naar rato geld zouden investeren en dit niet is gebeurd. [gedaagde] heeft daarentegen nog wel geloof in een doorstart. Hij is echter in een diep ellendige situatie terechtgekomen waardoor hij én zijn betalingsverplichtingen naar mijn bv/mij niet kan nakomen én niet kan investeren in een mogelijke doorstart.”



3.12.
In een Whatsapp-bericht van 2 februari 2025 aan [naam 1] heeft [gedaagde] onder meer het volgende geschreven:

“Ik heb enige tijd geleden voorgesteld om op het moment dat bij mij het DDG geld binnen is jou direct de door jou geïnvesteerde 5 ton te vergoeden/terug te betalen. Vervolgens zou ik, indien haalbaar, door investeren in GTM/Soclose met mijn tijd en met mijn geld. Indien dat niet het geval is dan kon je alsnog afscheid nemen en zouden we liquideren. In dat scenario had je ook je geld teruggehad en verder financieel geen risico gelopen. Als het niets wordt geen schade maar als het wel aan mocht slaan dan ben je gewoon nog aandeelhouder en pluk je nog steeds de vruchten mee.”



3.13.
In een e-mail van 11 maart 2025 aan [naam 1] en [naam 2] heeft [gedaagde] onder meer het volgende geschreven:

“Je bent duidelijk geweest over een doorstart en dat dat in elk geval zonder jou is. Ik ben altijd duidelijk geweest dat of er nou wel of niet een doorstart komt eerst de schulden aan jou volledig moeten zijn terugbetaald. […] Ik verwacht zelf dat die in ieder geval goed genoeg moet zijn om met de opbrengsten uit die procedure jou af te kunnen lossen. Dat is mijn eerste prioriteit. De termijn waarop is nog even koffiedik kijken. Mocht er onverhoopt toch een teleurstellende uitslag komen op die procedure dan is mijn huidige verdiencapaciteit dusdanig dat ik de schuld, weliswaar op een iets langere termijn toch helemaal in kan lopen.”



3.14.
Op 28 mei 2025 vond een bespreking plaats tussen [naam 1] , [gedaagde] en [naam 2] . In het verslag van dit gesprek is onder meer het volgende opgenomen:

“ [naam 1] : Ik bedoel, rente loopt ook door.

[gedaagde] : Nee maar weet je, het wordt minder want de rente is niet 50 per jaar

[naam 2] : Dat is wel een ander punt. En dat gaat wellicht een lastig punt worden. Ik denk wel dat er een afspraak tussen jullie op de een of andere manier moet komen van wat is nou in concreto die schuld. En wat is in concreto de rente die daar maandelijks slash per jaar bijkomt. Want zolang daar geen helderheid over is.

[naam 1] : Die ligt vast in de leningovereenkomst en dat is Euribor + 0,75%.

[naam 2] : Oke, 1 maands euribor?

[naam 1] : nee jaarlijks

[naam 2] : 12-maands Euribor, dat scheelt namelijk ook nogal rente maar goed dat is techniek. En daar zijn jullie het over eens?

[gedaagde] : Ja”



3.15.
Nadien heeft Toogwijk een bedrag van € 10.000,- overgemaakt aan AGH, wat zij vervolgens heeft overgemaakt aan Noble-Rebel.



3.16.
Bij brieven van 31 oktober 2025 en 2 februari 2026 heeft de advocaat van Noble-Rebel Toogwijk c.s. gesommeerd het openstaande bedrag van € 490.000,- plus rente te betalen. Toogwijk c.s. hebben aan dit verzoek niet voldaan.



3.17.
In een verklaring van 15 april 2026 heeft [naam 2] , voor zover hier van belang, onder meer het volgende verklaard:

“Voor zover het gaat om mijn eigen beleving en herinnering kan ik bevestigen dat bij
mij de indruk bestond dat Toogwijk Holding pas tot betaling zou overgaan zodra vanuit de DDG-projecten middelen beschikbaar zouden komen. Ik was niet betrokken bij het opstellen van de leningsovereenkomst en ik kan niet uit eigen kennis verklaren dat hierover een afzonderlijke juridisch bindende afspraak is gemaakt. Die indruk sluit aan bij wat mij in de loop van de tijd daarover is bijgebleven en bij de omstandigheid dat voor mij ook later de indruk bestond dat de mogelijkheid van spoedige betaling samenhing met de uitkomst van de DDG-projecten. […]
Ik herinner mij niet dat Noble-Rebel of [naam 1] vóór 28 mei 2025 tegenover mij
heeft gezegd dat zij de lening wilde opeisen of dat zij daartoe gerechtigd was ongeacht
de stand van de DDG-projecten. Tijdens de bespreking van 28 mei 2025 gaf [naam 1]
naar mijn herinnering wel duidelijk aan dat zij haar geld zo spoedig mogelijk
terug wilde. Voor zover ik mij herinner is daarbij niet gesproken over een formele opeising. […] Bij mij bestond de indruk dat de mogelijkheid van spoedige terugbetaling samenhing met de uitkomst daarvan. Tijdens dit gesprek of op enig ander moment waar ik bij was zijn
geen harde toezeggingen gedaan over het moment van volledige terugbetaling.”



3.18.
In een ongedateerd Whatsapp-gesprek met [gedaagde] stuurt accountant [naam 3] onder meer het volgende bericht:

“Bij de start van de ondernemingen was de lening bedoeld als een soort voorschot. Jij zou de financiering overnemen als de projectopbrengsten uit Downtown ontvangen zouden worden.”





4Het geschil


In conventie



4.1.
Noble-Rebel vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Toogwijk en [gedaagde] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan Noble-Rebel van € 490.000,-, te vermeerderen met € 6.492,34 aan rente tot en met 2025 en € 1.259,98 aan rente voor januari 2026, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente, althans de gemiddelde 12-maands Euribor + 0,75% rente vanaf 1 februari 2026, althans 3 februari 2026 tot de dag van algehele voldoening, met hoofdelijke veroordeling van Toogwijk en [gedaagde] in de proceskosten (inclusief nakosten) en beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.



4.2.
Noble-Rebel legt aan haar vorderingen – samengevat – het volgende ten grondslag.
Noble-Rebel heeft een bedrag van € 500.000,- geleend aan AGH. [gedaagde] heeft zich, samen met onder meer Toogwijk, garant gesteld voor de bedragen die AGH aan haar moet betalen. Deze lening is opeisbaar drie maanden na kennisgeving. Noble-Rebel heeft de lening opgeëist, maar AGH heeft niet betaald. Daarom roept Noble-Rebel bij Toogwijk de garantstelling in, door te vorderen dat zij het geïnvesteerde bedrag van € 500.000,- plus de bij de overeenkomst verschuldigde rente betaald krijgt.



4.3.
Toogwijk c.s. voeren verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen met Noble-Rebel met veroordeling van Noble-Rebel in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.



4.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.


In reconventie




4.5.
Toogwijk c.s. vorderen – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:


Voorwaardelijk, namelijk indien de vorderingen van Noble-Rebel in conventie geheel of gedeeltelijk worden toegewezen én de rechtbank het beroep op verrekening passeert: Noble-Rebel veroordeelt tot betaling aan Toogwijk c.s. van € 250.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van betaling, te betalen op het moment waarop Toogwijk c.s. de veroordeling in conventie moet betalen;


Noble-Rebel gebiedt om binnen twee werkdagen na de vonnisdatum de conservatoire beslagen op te (laten) heffen, althans de hoogte van de vorderingen waarvoor de beslagen zijn gelegd te verminderen tot € 312.000,-, althans € 618.000,-, met bevel tot doorhaling van de beslagen in de desbetreffende registers;


Noble-Rebel verbiedt om opnieuw conservatoir beslag te leggen ten laste van Toogwijk c.s. met betrekking tot de in conventie ingestelde vorderingen;


Noble-Rebel veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 7.500,-, voor ieder(e) dag(deel) dat zij niet volledig aan het onder 2. en 3. gevorderde voldoet, met een maximum van € 100.000,-.





4.6.
Toogwijk c.s. leggen hieraan – samengevat – het volgende ten grondslag. Indien de rechtbank de vordering van Noble-Rebel in conventie toewijst en het verrekeningsverweer van Toogwijk c.s. passeert, hebben Toogwijk c.s. een vordering van € 250.000,- op Noble-Rebel, omdat partijen ieder de helft van de financiering in AGH zouden dragen. De door Noble-Rebel gelegde beslagen zijn onrechtmatig en moeten worden opgeheven. De beslagen zijn gelegd voor een te hoog bedrag en zijn buitenproportioneel bezwarend.



4.7.
Noble-Rebel voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van Toogwijk c.s., met veroordeling van Toogwijk c.s. in de proceskosten (inclusief beslagkosten) te vermeerderen met de wettelijke rente.



4.8.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





5De beoordeling


In conventie



De overeenkomst kwalificeert als een lening en niet als informele kapitaalstorting



5.1.
Volgens Noble-Rebel heeft zij het bedrag van in totaal € 500.000,- aan AGH geleend. Toogwijk c.s. hebben betoogd dat het om een informele kapitaalstorting gaat, zodat geen recht op terugbetaling bestaat en de garantie niet kan worden ingeroepen. Volgens Toogwijk c.s. was het de bedoeling dat Toogwijk en Noble-Rebel voor gelijke delen aan vermogen zouden inbrengen. Van het bedrag van € 500.000,- heeft Noble-Rebel een bedrag van € 250.000,- voorgeschoten voor Toogwijk. De enige reden dat partijen een ‘rekening-courant-overeenkomst’ hebben opgesteld is volgens Toogwijk c.s. om te voorkomen dat de fiscus de door Noble-Rebel overgemaakte bedragen als schenking zou beschouwen.



5.2.
De rechtbank is van oordeel dat het dossier geen aanknopingspunten biedt voor het standpunt dat sprake is van een informele kapitaalstorting. In de door partijen overgelegde correspondentie spreken alle betrokkenen steeds over een lening en niet over een (informele) kapitaalstorting. Zo spreken [gedaagde] en de accountant in een Whatsapp-gesprek (dat door Toogwijk c.s. is overgelegd) over een lening en de leningsovereenkomst, spreekt [naam 2] in een e-mail van 1 november 2020 (die eveneens door Toogwijk c.s. is overgelegd) over financiering met een lening vanuit Noble-Rebel en Toogwijk, en tijdens de bespreking van 28 mei 2025 hebben [naam 1] en [gedaagde] het ook over de leningsovereenkomst en aflossing van de lening. Bovendien stellen Toogwijk c.s. zelf dat partijen voor een leningsconstructie hebben gekozen om te voorkomen dat de door Noble-Rebel overgemaakte bedragen door de fiscus als schenking worden gezien. Daaruit maakt de rechtbank op dat partijen bewust voor een lening hebben gekozen. Ook valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien waarom partijen op 23 mei 2023 een garantstelling zijn overeengekomen voor terugbetaling, als sprake zou zijn geweest van een kapitaalstorting en er dus geen recht op terugbetaling zou bestaan. In de garantstelling, die nota bene door [gedaagde] is opgesteld, staat bovendien dat [gedaagde] zorgdraagt voor de financiering van de opgerichte ondernemingen, en niet dat Toogwijk en Noble-Rebel ieder voor 50% kapitaal zouden storten. Tot slot wijst ook het feit dat partijen afspraken hebben gemaakt over rentebetalingen er volgens de rechtbank op dat sprake is van een lening.



5.3.
De conclusie van het voorgaande is dat Toogwijk c.s. onvoldoende hebben onderbouwd dat de door Noble-Rebel aan AGH overgemaakte bedragen kwalificeren als een informele kapitaalstorting. De rechtbank gaat er dus vanuit dat de overeenkomst een lening is.


De lening is nog niet opeisbaar




5.4.
Tussen partijen is in geschil of de lening opeisbaar is. Volgens Noble-Rebel is de tekst van artikel 4 van de overeenkomst duidelijk en is de lening opeisbaar drie maanden na kennisgeving daartoe.



5.5.
Toogwijk c.s. betwisten dat de lening opeisbaar is. Volgens Toogwijk c.s. moet de overeenkomst zo worden uitgelegd dat de lening pas opeisbaar is als Toogwijk geld uit andere projecten waarin zij deelneemt heeft ontvangen. Verder hebben Toogwijk c.s. betoogd dat het opeisen van de overeenkomst, zonder dat Noble-Rebel onderzoek heeft gedaan naar alternatieve betalingsmogelijkheden, onaanvaardbaar is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.



5.6.
Wanneer partijen het niet eens zijn over de uitleg van bepaalde afspraken, moet de rechtbank deze afspraken uitleggen. Volgens vaste rechtspraak moet de rechtbank daarbij letten op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan elkaars gedragingen mochten toekennen en op wat zij in het licht van alle omstandigheden van het geval redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de ‘Haviltex-maatstaf’).



5.7.
De rechtbank overweegt dat de tekst van artikel 4 van de overeenkomst op zichzelf duidelijk is. Hierin staat dat de hoofdsom plus bijgeschreven rente drie maanden na kennisgeving daartoe kunnen worden opgeëist. De rechtbank is echter van oordeel dat Toogwijk c.s. voldoende hebben onderbouwd dat de bedoeling van partijen was dat de lening pas opeisbaar is als Toogwijk inkomsten uit andere projecten ontving. Zij licht dit oordeel als volgt toe.



5.8.
Noble-Rebel heeft ter zitting bevestigd dat de overeenkomst tot stand is gekomen op basis van een modelovereenkomst van accountant [naam 3] en dat partijen niet hebben gesproken over de voorwaarden. De clausule van artikel 4, waarin staat dat de overeenkomst kan worden opgeëist drie maanden na kennisgeving daartoe, is dus een standaardoverweging uit het model van de accountant waar partijen niet over hebben gesproken of aandacht aan hebben besteed. De rechtbank merkt daarbij op dat de overeenkomst tot stand is gekomen terwijl [naam 1] en [gedaagde] een affectieve relatie hadden. Deze omstandigheden laten zich naar het oordeel van de rechtbank moeilijk verenigen met de zakelijke, strikt tekstuele lezing die Noble-Rebel aan artikel 4 van de overeenkomst geeft.



5.9.
Toogwijk c.s. hebben Whatsapp-gesprekken in het geding gebracht, waarin de accountant aangeeft dat het de bedoeling was dat Toogwijk c.s. de financiering van AGH op zich zouden nemen als de projectopbrengsten uit de andere projecten ontvangen zouden zijn. Ook [naam 2] geeft in zijn verklaring aan dat Toogwijk pas tot betaling zou overgaan zodra de opbrengsten uit de andere projecten zouden zijn gerealiseerd. En ook [naam 1] zelf heeft in correspondentie en ter zitting bevestigd dat zij ervan uitging dat Toogwijk, nog meer dan Noble-Rebel, in AGH zou investeren als er geld uit de andere projecten beschikbaar zou zijn. Daarbij merkt de rechtbank op dat Noble-Rebel wist dat het geld werd verstrekt ten behoeve van een startup (GTM) waarvan op korte termijn nog niet kon worden verwacht dat deze inkomsten zou genereren. Zij had immers bijna de helft van de aandelen in AGH en was zelf dagelijks bij GTM betrokken, zodat zij precies van de (financiële) situatie van GTM op de hoogte was. Noble-Rebel mocht naar het oordeel van de rechtbank daarom ook niet verwachten dat zij op ieder mogelijk moment, met inachtneming van een termijn van drie maanden, haar geld terug zou krijgen.



5.10.
Noble-Rebel verwijst naar een e-mail van [gedaagde] van 11 maart 2025 (zie randnummer 3.13) en het verslag van het gesprek van 28 mei 2025, waarin [gedaagde] volgens haar heeft erkend dat de lening opeisbaar is. De rechtbank gaat hier niet in mee. Uit die e-mail en het gespreksverslag volgt, kort gezegd, dat [naam 1] zo snel mogelijk haar geld terug wil, dat de terugbetaling voor [gedaagde] zijn eerste prioriteit is en dat partijen hebben gesproken over een terugbetalingsregeling inclusief rente. Nergens wordt echter gesproken over de mogelijkheid van directe opeisbaarheid van de lening, terwijl ook [naam 2] heeft verklaard dat partijen nooit hebben gesproken over directe opeising van de lening. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook uit de contacten over de terugbetaling niet volgt dat Noble-Rebel mocht verwachten dat de lening direct opeisbaar is.



5.11.
De conclusie van het voorgaande is dat partijen niet hebben mogen verwachten dat Noble-Rebel de lening op elk willekeurig moment met een kennisgeving van drie maanden kon opeisen. Op basis van hun gedragingen en verklaringen naar elkaar mochten Noble-Rebel en Toogwijk redelijkerwijs verwachten dat Toogwijk geld aan AGH beschikbaar zou stellen voor de terugbetaling van de lening aan Noble-Rebel als Toogwijk de door haar verwachte miljoenenwinsten uit haar andere projecten zou verkrijgen. Dat de verkrijging van die miljoenenwinsten door Toogwijk nog altijd op zich laat wachten, doet aan die bedoeling van partijen niet af. Dat betekent dat de vordering van Noble-Rebel zal worden afgewezen.




De proceskosten in conventie




5.12.
Noble-Rebel is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in conventie betalen. De proceskosten van Toogwijk c.s. worden begroot op:









- griffierecht





7.062,00







- salaris advocaat





7.446,00


(2 punten á tarief VII × € 3.723,00)




- nakosten





189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal





14.697,00











5.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen op de wijze zoals vermeld in de beslissing.


In reconventie



Voorwaardelijke vordering in reconventie tot betaling van € 250.000,-




5.14.
Toogwijk c.s. hebben een voorwaardelijke vordering in reconventie ingesteld tot betaling van € 250.000,-, voor het geval de rechtbank de vorderingen van Noble-Rebel in conventie geheel of gedeeltelijk toewijst en de rechtbank het beroep van Toogwijk c.s. op verrekening passeert. Nu de rechtbank de vorderingen van Noble-Rebel in conventie afwijst, komt zij aan de bespreking van de voorwaardelijke vordering in reconventie niet toe.


Geen opheffing van de beslagen




5.15.
Toogwijk c.s. vorderen dat de rechtbank Noble-Rebel gebiedt om het conservatoire beslag op de woning van [gedaagde] en de bankrekening van Toogwijk op te heffen, op straffe van een dwangsom. Toogwijk c.s. betogen dat deze beslagen buitenproportioneel bezwarend zijn. Volgens Noble-Rebel moet er bij de opheffing van conservatoire beslagen een belangenafweging plaatsvinden. Daarbij weegt haar belang zwaarder, omdat er geen alternatieve zekerheden zijn en de beslagen juist op de minst bezwaarlijke goederen zijn gelegd. De rechtbank overweegt hierover als volgt.



5.16.
Artikel 704 lid 2 Wetboek van Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat het beslag van rechtswege vervalt als de eis in de hoofdzaak is afgewezen, indien de afwijzing in kracht van gewijsde is gegaan. Toogwijk c.s. vorderen opheffing van het beslag vóórdat sprake is van kracht van gewijsde.



5.17.
Uit artikel 705 lid 2 Rv volgt dat opheffing van een conservatoir beslag onder meer kan worden bevolen, als summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht. De enkele omstandigheid dat de vorderingen in conventie waarvoor de beslagen zijn gelegd worden afgewezen in dit vonnis, rechtvaardigt niet zonder meer het oordeel dat deze vorderingen ondeugdelijk zijn, nu tegen dit vonnis nog hoger beroep openstaat. In een zodanig geval moeten de wederzijdse belangen van partijen worden afgewogen, waarbij in aanmerking moet worden genomen dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt te waarborgen dat verhaal mogelijk zal zijn in het geval een vooralsnog niet vaststaande vordering wordt toegewezen, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering voor de door het beslag ontstane schade kan worden aangesproken (zie onder meer Hoge Raad 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1074). Beoordeeld moet dus worden of het belang van Toogwijk c.s. bij opheffing van het beslag zwaarder weegt dan het belang van Noble-Rebel bij handhaving daarvan.



5.18.
Volgens Toogwijk c.s. treft het beslag op de woning van [gedaagde] hem in zijn meest wezenlijke privévermogensbestanddeel en maakt het hem onmogelijk over zijn woning te beschikken. Gesteld noch gebleken is echter dat [gedaagde] zijn woning binnen afzienbare tijd wenst te verkopen of te bezwaren en dat het beslag daaraan in de weg staat. In zoverre ‘knelt’ het beslag naar het oordeel van de rechtbank dus niet, terwijl de woning wel een aanzienlijke waarde vertegenwoordigt waarop Noble-Rebel, bij een eventuele toewijzing van haar vordering in hoger beroep, zich zou kunnen verhalen.



5.19.
Het beslag op de bankrekening van Toogwijk raakt volgens Toogwijk c.s. de dagelijkse bedrijfsvoering van de vennootschap en beperkt [gedaagde] in zijn verweer in deze procedure en in lopende procedures tegen de heer [naam 4] en de vennootschap Novaform. De rechtbank gaat hier niet in mee. [gedaagde] heeft weliswaar ter zitting gezegd dat in Toogwijk zijn bedrijfsvoering zit en dat hij zijn werkzaamheden als projectleider voor de gemeente Voorschoten factureert via deze holding, maar Noble-Rebel heeft onweersproken gesteld dat deze (huidige en toekomstige) inkomsten niet door het eerder gelegde beslag worden geraakt. Daarbij overweegt de rechtbank dat de procedures tegen [naam 4] en Novaform zich al in een vergevorderd stadium bevinden, zodat deze inkomsten voldoende moeten zijn om de eventueel nog te maken juridische kosten te dekken.



5.20.
Tegenover het belang van Toogwijk c.s. staat het belang van Noble-Rebel bij het behouden van haar verhaalsmogelijkheden. De vorderingen van Noble-Rebel in conventie worden weliswaar afgewezen, maar ook voor in eerste aanleg niet toegewezen vorderingen bestaat belang bij het behouden van een verhaalsmogelijkheid voor het geval deze in hoger beroep alsnog zullen worden toegewezen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat Noble-Rebel gemotiveerd heeft gesteld dat er geen minder bezwarende verhaalsmogelijkheden bij Toogwijk en [gedaagde] zijn. Toogwijk c.s. hebben dat onvoldoende weersproken. Zij hebben namelijk slechts globaal verwezen naar de mogelijkheid van conservatoir beslag op het intellectueel eigendom van AGH en de aandelen van Toogwijk. De rechtbank overweegt echter dat de app die partijen hebben gelanceerd in september 2022 door hen als mislukt is beschouwd. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is dan ook niet duidelijk waarom het intellectueel eigendom van die app in 2026 nog (aanzienlijke) waarde vertegenwoordigt. Ook het beslag op aandelen van Toogwijk biedt onvoldoende zekerheid. Toogwijk is immers een onderneming die al jaren wacht op miljoenenwinsten, maar nog altijd geen zekerheid heeft dat zij die winsten daadwerkelijk zal ontvangen. Namens Noble-Rebel is ter zitting bovendien aangevoerd dat er bewust geen beslag is gelegd onder de huidige opdrachtgever van [gedaagde] en op zijn privérekening, zodat [gedaagde] in zijn levensonderhoud kan blijven voorzien. Gelet op deze feiten en omstandigheden leidt de afweging van de wederzijdse belangen niet tot opheffing van de beslagen. De reconventionele vordering daartoe zal dan ook worden afgewezen.



5.21.
Toogwijk c.s. hebben subsidiair aangevoerd dat de hoogte van het beslag moet worden verminderd. Het beslagverlof is verleend voor een bedrag van € 625.790,- inclusief rente en kosten, terwijl de garantstelling van Toogwijk c.s. volgens hen uitsluitend ziet op de daadwerkelijk door Noble-Rebel geïnvesteerde hoofdsom van thans € 490.000,-, en niet op rente en kosten. Volgens Noble-Rebel is de garantstelling bedoeld als schulderkenning voor alles wat AGH aan haar moet betalen, zodat de garantstellingsovereenkomst zo moet worden uitgelegd dat Toogwijk c.s. zich ook voor de rente en kosten hebben garant gesteld.



5.22.
De rechtbank overweegt als volgt. Evenals bij de overeenkomst komt het ook bij de garantstellingsovereenkomst aan op een uitleg daarvan (zie randnummer 5.6). In de garantstellingsovereenkomst staat dat [gedaagde] garant staat voor de geïnvesteerde bedragen. Tegenover die letterlijke tekst staan echter de gedragingen en verklaringen van partijen over en weer. Zo heeft [gedaagde] het in de bespreking van 28 mei 2025 zelf over schulderkenning voor het gehele bedrag, weerspreekt hij vervolgens niet dat daarover rente moet worden betaald, maar denkt hij juist mee over het maken van afspraken over de betaling daarvan. Hieruit maakt de rechtbank op dat partijen er gezamenlijk vanuit gingen dat ook in het kader van de garantstelling rente is verschuldigd. Daarom legt de rechtbank de garantstellingsovereenkomst zo uit dat Toogwijk c.s. zich garant hebben gesteld voor het volledig geleende bedrag inclusief rente. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de hoogte van de gelegde beslagen aan te passen.


Geen verbod tot het leggen van beslag




5.23.
Toogwijk c.s. hebben gevorderd dat Noble-Rebel wordt verboden om opnieuw conservatoir beslag te leggen ten laste van Toogwijk c.s. met betrekking tot de in conventie ingestelde vorderingen. De rechtbank komt aan deze vordering niet toe omdat de gelegde beslagen in stand blijven.


De proceskosten in reconventie




5.24.
Toogwijk c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in reconventie betalen. De samenhang tussen conventie en reconventie is zodanig dat dit moet leiden tot toepassing van een factor 0,5. De proceskosten van Noble-Rebel worden begroot op:









- salaris advocaat





653,00


(2,0 punten x tarief II á € 653,00 x factor 0,5)




- nakosten





189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal





842,00











5.25.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen op de wijze zoals vermeld in de beslissing.





6De beslissing

De rechtbank


In conventie



6.1.
wijst de vorderingen van Noble-Rebel af,



6.2.
veroordeelt Noble-Rebel in de proceskosten van € 14.697, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Noble-Rebel niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



6.3.
veroordeelt Noble-Rebel tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,


In reconventie




6.4.
wijst de vorderingen van Toogwijk c.s. af,



6.5.
veroordeelt Toogwijk c.s. in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Toogwijk c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,



6.6.
veroordeelt Toogwijk c.s. tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,


In conventie en reconventie




6.7.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordelingen met wettelijke rente daarover uitvoerbaar bij voorraad.









Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.J. Doornink en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.












































3516



Hoge Raad 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158.
Link naar deze uitspraak