Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RVS:2026:5329 
 
Datum uitspraak:09-09-2026
Datum gepubliceerd:09-09-2026
Instantie:Raad van State
Zaaknummers:202600316/1/A2
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Bij besluit van 6 september 2024 heeft de Dienst Toeslagen, voor zover hier van belang, de hoogte van de huurtoeslag van [appellant] over het jaar 2021 definitief berekend op nihil. De Dienst Toeslagen heeft aan het besluit van 6 september 2024 ten grondslag gelegd dat [appellant] op de peildatum van 1 januari 2021 een geregistreerd vermogen van € 84.117,00 had en dat dit hoger is dan de vermogensgrens van € 31.340,00 voor het recht op huurtoeslag in het jaar 2021. Met het besluit van 16 december 2024 heeft de Dienst Toeslagen daaraan toegevoegd dat hij moet uitgaan van de vermogensvaststelling door de inspecteur van de Belastingdienst en dat de vermogensgrens dwingend recht is. Van de vermogensgrens mag enkel worden afgeweken bij omstandigheden die niet of niet volledig zijn meegenomen bij het vaststellen van de wet en die zo erg in strijd komen met het evenredigheidsbeginsel dat de toepassing van de regels achterwege moet blijven. Van dit soort omstandigheden is volgens de Dienst Toeslagen in dit geval niet gebleken.
Trefwoorden:box 1
box 3
inkomstenbelasting
 
Uitspraak
202600316/1/A2.
Datum uitspraak: 9 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­-Nederland van 30 december 2025 in zaak nr. 25/398 in het geding tussen:
[appellant]
en
de Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 6 september 2024 heeft de Dienst Toeslagen, voor zover hier van belang, de hoogte van de huurtoeslag van [appellant] over het jaar 2021 definitief berekend op nihil.
Bij besluit van 16 december 2024 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 30 december 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 25 augustus 2026, waar de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], is verschenen.
Overwegingen
1.       De Dienst Toeslagen heeft aan het besluit van 6 september 2024 ten grondslag gelegd dat [appellant] op de peildatum van 1 januari 2021 een geregistreerd vermogen van € 84.117,00 had en dat dit hoger is dan de vermogensgrens van € 31.340,00 voor het recht op huurtoeslag in het jaar 2021. Met het besluit van 16 december 2024 heeft de Dienst Toeslagen daaraan toegevoegd dat hij moet uitgaan van de vermogensvaststelling door de inspecteur van de Belastingdienst en dat de vermogensgrens dwingend recht is. Van de vermogensgrens mag enkel worden afgeweken bij omstandigheden die niet of niet volledig zijn meegenomen bij het vaststellen van de wet en die zo erg in strijd komen met het evenredigheidsbeginsel dat de toepassing van de regels achterwege moet blijven. Van dit soort omstandigheden is volgens de Dienst Toeslagen in dit geval niet gebleken.
Uitspraak van de rechtbank
2.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de Dienst Toeslagen terecht heeft vastgesteld dat het vermogen van [appellant] de vermogensgrens overschrijdt. De hoogte van het vermogen heeft de Dienst Toeslagen afgeleid uit de gegevens die zijn vastgesteld door de inspecteur van de Belastingdienst. De Dienst Toeslagen heeft geen ruimte om hiervan af te wijken door uit te gaan van de door [appellant] gestelde netto vermogenswaarde. Evenmin heeft de Dienst Toeslagen onzorgvuldig gehandeld door, zoals [appellant] heeft gesteld, onvoldoende in te gaan op de overgelegde documenten over de gedwongen verkoop van zijn woning en de daarna resterende hypotheekschuld. Deze stukken kunnen niet maken dat de Dienst Toeslagen van een ander inkomen moet uitgaan dan het inkomen dat door de inspecteur is vastgesteld. De Dienst Toeslagen heeft de huurtoeslag van [appellant] terecht op nihil vastgesteld. Indien de waarde van de woning van [appellant] bij de aanslag inkomstenbelasting ten onrechte in box 3 in plaats van box 1 is ondergebracht, moet hij zich tot de inspecteur wenden. Indien deze aanslag gewijzigd wordt vastgesteld, kan dit, volgens de Dienst Toeslagen, gevolgen hebben voor de vaststelling van de hoogte van de huurtoeslag.
Hoger beroep
3.       [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de vaststelling van het vermogen niet juist is. De vaststelling van het vermogen is immers gebaseerd op de belastingaanslag over het jaar 2021, terwijl de Belastingdienst heeft erkend dat, gelet op de rechtspraak van de Hoge Raad over box 3, die aanslag mogelijk materieel onjuist is. Onder deze omstandigheden kon de Dienst Toeslagen niet zonder nader onderzoek aansluiten bij deze aanslag. Verder heeft de Dienst Toeslagen nagelaten de feiten volledig en zorgvuldig vast te stellen door geen rekening te houden met de omvang van de hypotheekschuld, geen onderzoek te doen naar de daadwerkelijke economische waarde van het pand en onvoldoende gewicht toe te kennen aan de gedwongen verkoop met verlies.
3.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, moet de Dienst Toeslagen de aanslag inkomstenbelasting over het betreffende jaar, zoals deze is vastgesteld door de inspecteur, volgen. Indien de betrokkene het niet eens is met het door de inspecteur vastgestelde vermogen, moet hij zich tot de inspecteur wenden. Hierbij is van belang dat indien een rechtsmiddel slaagt en het vermogen wordt gewijzigd, de Dienst Toeslagen op grond van artikel 20, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) verplicht is om de tegemoetkoming met inachtneming van die wijziging te herzien. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 4 augustus 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1729), onder 3.3. De Dienst Toeslagen heeft geen ruimte om van het door de inspecteur vastgestelde vermogen af te wijken. Dat hij de door [appellant] genoemde omstandigheden niet heeft onderzocht bij de besluitvorming, maakt niet dat dit strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) oplevert, aangezien hij verplicht is om de aanslag inkomstenbelasting over dat jaar te volgen.
3.2.    Het betoog slaagt niet.
4.       [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft verzuimd een volledige en indringende evenredigheidstoets uit te voeren, omdat het besluit heeft geleid tot het volledig onthouden van huurtoeslag bij een zeer laag inkomen, terwijl er feitelijk geen vermogen is. Gelet op de gedwongen verkoop met verlies en de onzekerheid over de fiscale vermogensgrondslag, zijn deze gevolgen volgens [appellant] onevenredig zwaar in verhouding tot het doel van de vermogensregeling. Aldus heeft de Dienst Toeslagen in strijd gehandeld met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb.
4.1.    De Dienst Toeslagen heeft zich in het besluit van 16 december 2024 terecht op het standpunt gesteld dat artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag en artikel 7, derde lid, van de Awir dwingend zijn geformuleerd. Dit betekent dat het de Dienst Toeslagen niet vrijstaat om bij de berekening van de huurtoeslag belangen af te wegen. Hierdoor kan de toepassing van deze artikelen niet worden getoetst aan artikel 3:4, tweede lid, van de Awb.
4.2.    Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6.       De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hazen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026
452-1197
Link naar deze uitspraak