|
|
|
| ECLI:NL:GHARL:2026:4169 | | | | | Datum uitspraak | : | 23-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 10-09-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | | Zaaknummers | : | 200.367.991 | | Rechtsgebied | : | Insolventierecht | | Indicatie | : | Verzoek schuldeisers tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling afgewezen (350 lid 1 Fw) | | Trefwoorden | : | koopovereenkomst | | | legitieme portie | | | testament | | | vaststellingsovereenkomst | | | wettelijke rente | | | woz waarde | | | woz-waarde | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.367.991
zaaknummer rechtbank Utrecht R. l6/26/1018
arrest van 23 juni 2026
in de zaak van
1 [appellant1] ( [appellant1] )
die woont in [woonplaats1] (Bulgarije)
2. [appellante2] ( [appellante2] )
die woont in [woonplaats2]
3. [appellant3] ( [appellant3] )
die woont in [woonplaats3]
4. [appellante4] ( [appellante4] )
die woont in [woonplaats2]
5. [appellante5] ( [appellante5] )
die woont in [woonplaats3]
6. [appellante6] ( [appellante6] )
die woont in [woonplaats3]
gezamenlijk te noemen: [appellanten]
advocaat: mr. T. Delmée
en
1 [geïntimeerde1] ( [geïntimeerde1] )
2. [geïntimeerde2] ( [geïntimeerde2] )
die beiden wonen in [woonplaats4]
advocaat: mr. J.P. den Besten
gezamenlijk te noemen: de sanieten
1De procedure bij de rechtbank
1.1.
De rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, (hierna: de rechtbank) heeft bij vonnissen van 20 januari 2026 ten aanzien van de sanieten de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken. Daarbij zijn M. van Dijk-Middelweerd en mr. D.A. van Poorten tot respectievelijk bewindvoerder en mede-bewindvoerder benoemd (hierna: de bewindvoerders).
1.2.
De rechtbank heeft bij vonnis van 17 april 2026 het verzoek van [appellanten] tot tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen.
2
2. De procedure bij het hof
2.1.
Bij op 24 april 2026 bij het hof binnengekomen beroepschrift hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 17 april 2026. Zij hebben het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en het verzoek tot beëindiging van de wsnp van de sanieten alsnog toe te wijzen, met veroordeling van de sanieten in de (proces)kosten van dit geding.
2.2.
Het hof heeft kennisgenomen van:
- het beroepschrift met bijlagen
- de brief van 18 mei 2026 van [appellanten] met aanvullende bijlagen
- de zienswijze van de bewindvoerders van 22 mei 2026 met bijlagen
- het verweerschrift van de sanieten
- de reactie naar aanleiding van ontvangen aantekeningen van de toelatingszitting van [appellanten] met productie
- de uitlating zittingsaantekeningen toelatingszitting WSNP van de sanieten.
Het hof merkt over de laatste twee stukken op dat het alleen de onderdelen daaruit die specifiek betrekking hebben op de aantekeningen van de toelatingszitting meeweegt voor de beoordeling van de zaak. De overige standpunten worden buiten beschouwing gelaten.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 juni 2026, waarbij [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] zijn verschenen, bijgestaan door mr. J.P. den Besten. Namens [appellanten] zijn verschenen mrs. T. Delmée en L.J.W. Godding. Verder zijn de bewindvoerders mw. M. Van Dijk-Middelweerd en mr. D.A. van Poorten verschenen. Als toehoorder is mr. P.M. Boiten, de huidige executeur van de nalatenschappen, verschenen. Op de zitting heeft mr. Godding spreekaantekeningen overgelegd. De sanieten hebben eveneens spreekaantekeningen overgelegd. Van de mondelinge behandeling is een verslag gemaakt (proces-verbaal) dat aan partijen is toegestuurd.
3De feiten
3.1.
[appellant1] en [geïntimeerde1] zijn broers. [appellant1] is de vader van [appellant3] , [appellante4] , [appellante5] en [appellante6] (hierna samen: de kinderen van [appellant1] ) en [geïntimeerde1] is hun oom.
3.2.
De vader van [appellant1] en [geïntimeerde1] is in 2014 overleden. In zijn testament heeft hij zijn echtgenote en [appellant1] ieder voor l/1000ste deel tot erfgenaam benoemd en [geïntimeerde1] voor 998/1000ste deel. Voorts heeft hij zijn deel van een chalet in Zwitserland (hierna: het chalet) aan de kinderen van [appellant1] gelegateerd.
3.3.
[appellant1] is in 2016 in staat van faillissement verklaard. Op 17 juli 2025 is dit faillissement wegens gebrek aan baten opgeheven.
3.4.
De moeder van [appellant1] en [geïntimeerde1] is in 2017 overleden. In haar testament heeft zij [geïntimeerde1] tot enig erfgenaam benoemd en haar aandeel in het chalet gelegateerd aan de kinderen van [appellant1] .
3.5.
De curator in het faillissement van [appellant1] heeft namens [appellant1] een beroep gedaan op de legitieme portie in de nalatenschap van de moeder van [appellant1] en [geïntimeerde1] .
3.6.
In 2018 hebben [appellant1] , de curator, [geïntimeerde1] , de executeur-testamentair en de kinderen van [appellant1] een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin - kort samengevat - onder andere is verwoord dat de levering van het chalet aan de kinderen van [appellant1] uiterlijk binnen drie maanden na ondertekening van de overeenkomst zal plaatsvinden.
3.7.
[geïntimeerde1] is na de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst een gerechtelijke procedure begonnen bij de rechtbank Rotterdam waarin hij - kort samengevat - opheffing van de verbintenissen uit de legaten met betrekking tot het chalet heeft verzocht. De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 26 september 2019 het verzoek afgewezen. In hoger beroep heeft het gerechtshof Den Haag bij beschikking van 4 september 2020 het verzoek van [geïntimeerde1] alsnog toegewezen. Nadat de kinderen van [appellant1] beroep in cassatie hadden ingesteld heeft de Hoge Raad bij arrest van 24 december 2021 de beschikking van het gerechtshof Den Haag vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het gerechtshof Amsterdam. Bij beschikking van 8 augustus 2023 heeft het gerechtshof Amsterdam het verzoek van [geïntimeerde1] (alsnog) afgewezen, waardoor de verbintenissen uit de legaten met betrekking tot het chalet alsnog in stand bleven.
3.8.
Na voornoemde beschikking van het gerechtshof Den Haag (en vóór het arrest van de Hoge Raad) heeft [geïntimeerde1] het chalet geleverd gekregen op grond van een akte die (via een volmacht) is ondertekend door de voormalig executeur testamentair, [geïntimeerde1] en de curator namens [appellant1] . De kinderen van [appellant1] zijn een procedure gestart tegen [geïntimeerde1] waarin zij onder meer vergoeding van misgelopen huurinkomsten en overdracht van het chalet hebben gevorderd.
3.9.
Bij vonnis van 10 september 2025 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht - kort samengevat - [geïntimeerde1] veroordeeld tot betaling van een bedrag ad € 288.848,00 te vermeerderen met de wettelijke rente, [geïntimeerde1] verder veroordeeld tot betaling van een bedrag ad € 1.152,00 per week aan misgelopen huurinkomsten gedurende de zomerperiode (tot 1 september 2025) voor iedere week dat [geïntimeerde1] na 11 juni 2025 het chalet nog in eigendom heeft en is [geïntimeerde1] -op straffe van een dwangsom- veroordeeld om binnen zes maanden na betekening van het vonnis het chalet om niet in eigendom over te dragen aan de kinderen van [appellant1] . Voorts is [geïntimeerde1] veroordeeld tot vergoeding van alle schade die de kinderen van [appellant1] lijden doordat het chalet niet vanuit de nalatenschap aan hen is geleverd en is [geïntimeerde1] veroordeeld in de beslagkosten en de proceskosten.
3.10.
[geïntimeerde1] heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis van 10 september 2025.
3.11.
Na dit vonnis hebben [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] zich aangemeld voor schuldhulpverlening. De schuldhulpverleners hebben vervolgens bij brief van 25 november 2025 een verzoek voorlopige voorziening en een verzoek toelating wettelijke schuldsanering namens [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] ingediend bij de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht.
4De motivering van de beslissing in hoger beroep
Bevoegdheid Nederlandse rechter en toepasselijk recht
4.1.
[appellant1] woont in [woonplaats1] , Bulgarije. De zaak heeft daarmee een internationaal karakter. Gelet daarop dient het hof ook in hoger beroep ambtshalve te beoordelen of aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. Op grond van artikel 3 en artikel 6 van de herschikte Insolventieverordening is de Nederlandse rechter bevoegd, omdat het centrum van de voornaamste belangen van de sanieten gelegen is in Nederland en hun schuldsaneringsprocedure in Nederland is gevoerd. De rechtbank is in het vonnis uitgegaan van Nederlands recht en daar is geen klacht tegen gericht, zodat het hof daar ook vanuit gaat.
Het verzoek in hoger beroep
4.2.
De sanieten zijn bij vonnissen van 20 januari 2026 toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Op grond van artikel 350 lid 1 van de Faillissementswet (hierna: Fw) kan de rechter op verzoek van schuldeisers de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigen. Niet in geschil is dat [appellanten] schuldeisers zijn van de sanieten. Zij handhaven in hoger beroep hun verzoek om schuldsaneringsregeling ten aanzien van de sanieten te beëindigen.
4.3.
Volgens [appellanten] zijn de sanieten niet alleen in staat om hun betalingen te hervatten, maar hebben zij daarnaast ook getracht de schuldeisers te benadelen en zijn er feiten en omstandigheden bekend geworden die op het tijdstip van de indiening van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest om het verzoek af te wijzen. Het hof zal hierna nader op deze beëindigingsgronden ingaan.
Artikel 350 lid 3 sub b Fw: schuldenaar is in staat zijn betalingen te hervatten
4.4.
Volgens [appellanten] zijn de sanieten, gelet op hun vermogenspositie, in staat om de betalingen structureel te hervatten. Samengevat komen hun standpunten er op neer dat:
de WOZ-waarde van de woning van de sanieten hoger is dan waarvan werd uitgegaan in het toelatingsverzoek;
de belastingschulden minder hoog zijn dan door de sanieten is gepresenteerd;
er getwijfeld kan worden aan de juistheid van de lening die zou zijn verstrekt door Solofisa B.V., omdat de bestuurders daarvan familie van de sanieten zijn en dat de waarde van het chalet ten onrechte niet wordt genoemd in het schuldenoverzicht.
Als de financiële positie van de sanieten wel correct wordt gepresenteerd, kan worden geconcludeerd dat de bezittingen van de sanieten de schulden overstijgen en dat zij geen problematische schuldenpositie hebben, aldus [appellanten]
4.5.
Het hof volgt [appellanten] niet in dit betoog. Uit het door de bewindvoerders overgelegde schuldenoverzicht volgt dat de totale schuldenlast van de sanieten € 1.809.003,94 bedraagt. Deze schulden zijn inmiddels door de bewindvoerders in het kader van de voorlopige erkenning summierlijk gecontroleerd. Het hof sluit zich aan bij de zienswijze van de bewindvoerders dat zelfs als er sprake is van een substantiële overwaarde in de woning, dit niet betekent dat de sanieten in staat zijn hun betalingen structureel te hervatten. Als gevolg van de door [appellanten] gelegde beslagen op de bankrekening en de woning van de sanieten, beschikten zij niet langer over liquide middelen om de schuldeisers te voldoen en dat is niet veranderd. Het hof sluit zich eveneens aan bij het standpunt van de bewindvoerders dat de door [appellanten] gepresenteerde vermogensopstelling en betwisting van schulden, is gebaseerd op aannames die nog niet zijn vastgesteld. Dat de waarde van de woning hoger is, de schulden aan de belastingdienst lager zijn en dat vraagtekens kunnen worden gezet bij de schuld aan Solifisa B.V. omdat dit een lening is bij familie, is vooralsnog niet gebleken. Dat [geïntimeerde1] in een brief aan de Raad van Discipline zou hebben gezegd dat sprake zou zijn van tijdelijke betalingsproblemen en één schuldeiser, legt hier geen gewicht in de schaal. Uit het schuldenoverzicht van de bewindvoerders blijkt immers dat dit niet klopt.
Artikel 350 lid 3 sub e Fw: schuldenaar tracht zijn schuldeisers te benadelen
4.6.
[appellanten] handhaven daarnaast hun standpunt dat de sanieten trachten de schuldeisers te benadelen. Volgens [appellanten] gaat het daarbij niet alleen om gedragingen tijdens de wsnp, maar ook om gedragingen daarvóór, althans in aanloop ernaartoe. [appellanten] stellen dat zij worden benadeeld doordat het chalet in de wsnp-boedel valt. Als de overwaarde van de woning onvoldoende is om alle schulden te voldoen, zal het chalet worden verkocht en de opbrengst worden verdeeld onder de schuldeisers. Dit zou volgens [appellanten] . concreet betekenen dat zij geen reële levering van het chalet meer kunnen ontvangen. Hierdoor worden zij benadeeld. De sanieten hebben daarnaast informatie achtergehouden over goederen die tot de boedel behoren. Het chalet is niet als vermogensbestanddeel opgegeven. Ook het achterhouden van de gedragsmatige context achter de schulden, de onrechtmatige levering van het chalet aan [geïntimeerde1] , de verhaalsfrustratie en het alsmaar laten oplopen van de schade zijn omstandigheden die maken dat [appellanten] als schuldeisers zijn benadeeld, aldus [appellanten] De sanieten hebben verder door het achterhouden van deze informatie ervoor gezorgd dat zij ten onrechte zijn toegelaten tot de wnsp en hebben ook daarmee [appellanten] benadeeld.
4.7.
Het hof stelt voorop dat de schuldsaneringsregeling tussentijds kan worden beëindigd als de schuldenaar tracht zijn schuldeisers te benadelen. Het gaat hierbij om gedrag dat als niet te goeder trouw beschouwd kan worden. Van benadeling van schuldeisers kan bijvoorbeeld sprake zijn als de schuldenaar informatie achterhoudt over bepaalde goederen die tot de boedel behoren, informatie achterhoudt over de (aard van) bepaalde schulden, als de schuldenaar boedelgoederen vernielt of inkomen dan wel een vordering op een derde verzwijgt. Van belang is dat het hierbij gaat om benadeling van de gezamenlijke schuldeisers.
4.8.
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat niet gebleken is dat de sanieten hebben getracht hun schuldeisers te benadelen. Uit de zittingsaantekeningen van de toelatingszitting volgt dat is besproken dat er sprake was van een chalet in Zwitserland met een waarde van € 318.000,-. De bewindvoerders hebben eveneens aangegeven dat het chalet vanaf de aanvang in de wnsp is betrokken en door hen als boedelactief is onderkend. Ook verder is niet, dan wel onvoldoende, gebleken dat er informatie over het chalet bij aanvang van de wnsp is verzwegen. Dat het chalet in de boedel valt en dat daardoor mogelijk - als blijkt dat het chalet moet worden verkocht om de schulden te voldoen - een reële levering aan de kinderen van [appellant1] niet meer mogelijk is, is een omstandigheid die (begrijpelijk) voor [appellanten] nadelig is, maar dat brengt geen benadeling van de gezamenlijke schuldeisers mee.
4.9.
Voor zover [appellanten] in de stukken hebben aangevoerd dat de sanieten het chalet laten verloederen en dat het chalet mogelijk niet verzekerd is, waarmee zij naar het hof begrijpt een beroep doen op het “vernielen” van een boedelgoed, hebben zij hun standpunt onvoldoende onderbouwd. Zij hebben namelijk geen stukken overgelegd waaruit dit kan worden opgemaakt. De bewindvoerders hebben bovendien aangevoerd dat de sanieten meewerken aan het beheer van de activa en het veiligstellen van het chalet. Zij hebben inmiddels ook de sleutels van het chalet aan de bewindvoerders afgegeven.
4.10.
De overige door [appellanten] genoemde omstandigheden die betrekking hebben op het achterhouden van de gedragsmatige context achter de schulden, de onrechtmatige levering van het chalet aan [geïntimeerde1] , de verhaalsfrustratie en het alsmaar laten oplopen van de schade, zijn omstandigheden die zullen worden meegewogen bij de beoordeling van de beëindigingsgrond die is geregeld in artikel 350 lid 3 sub f Fw.
Artikel 350 lid 3 sub f Fw: feiten en omstandigheden worden bekend die op het tijdstip van de indiening van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen overeenkomstig artikel 288 lid 1 en 2 Fw
-- met betrekking tot [geïntimeerde2]
4.11.
De verwijten die de sanieten worden gemaakt in het kader van de toetsing van artikel 350 lid 3 sub f Fw, hebben vrijwel uitsluitend te maken met gedragingen van [geïntimeerde1] . [appellanten] hebben onvoldoende gesteld dat er ten aanzien van [geïntimeerde1] sprake is van feiten en omstandigheden die - als ze bekend waren geweest op het tijdstip van de indiening van het toelatingsverzoek - reden zouden zijn geweest om het verzoek af te wijzen. [appellanten] hebben onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die tot de conclusie leiden dat [geïntimeerde2] niet te goeder trouw zou zijn geweest bij het ontstaan of onbetaald laten van de schulden. Het hof zal in het navolgende dan ook alleen ingaan op de verwijten die [geïntimeerde1] worden gemaakt. Omdat evenmin is gebleken dat [geïntimeerde2] in staat is om haar betalingen te hervatten of dat zij heeft getracht de schuldeisers te benadelen, zal het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [geïntimeerde2] worden afgewezen.
-- met betrekking tot [geïntimeerde1]
4.12.
Op grond van artikel 350 lid 3, aanhef en onder f, Fw wordt de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd indien feiten en omstandigheden bekend worden die op het tijdstip van de indiening van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen overeenkomstig artikel 288 lid 1 en 2 Fw. In artikel 288 lid 1, aanhef en onder b, Fw is bepaald dat een toelatingsverzoek slechts wordt toegewezen indien de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, te goeder trouw is geweest. Feiten en omstandigheden die aan de rechter bekend waren ten tijde van zijn uitspraak tot toelating tot de schuldsaneringsregeling worden geacht bij die uitspraak in aanmerking te zijn genomen en een herbeoordeling van de toen verrichte beoordeling is in strijd met de uitsluiting van rechtsmiddelen tegen die uitspraak (art. 292 lid 2 Fw). De goede trouw in de zin van artikel 288 lid 1, onder b, Fw is een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol: de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties van zijn zijde om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.
4.13.
Als onderbouwing van hun standpunt dat het toelatingsverzoek van [geïntimeerde1] zou zijn afgewezen, hebben [appellanten] de hiernavolgende punten aangevoerd. Het hof zal deze punten eerst afzonderlijk en daarna in onderlinge samenhang bespreken.
4.14.
a) [geïntimeerde1] heeft de vordering van [appellanten] slechts neutraal gemeld. Indien de context achter de verstrekte gegevens bekend zou zijn geweest, zou de toelatingsrechter niet hebben geoordeeld dat [geïntimeerde1] te goeder trouw was.
- Het vonnis 10 september 2025
4.14.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat het vonnis van de rechtbank van 10 september 2025 bij het toelatingsverzoek is overgelegd. Uit de weergave van de feiten en rechtsoverweging 4.13 en verder in dat vonnis blijkt ook van de achtergronden van het geschil tussen partijen. Daar was de toelatingsrechter dus mee bekend. Dat uit de zittingsaantekeningen volgt dat het vonnis op de toelatingszitting slechts summier is besproken, maakt dit niet anders. Het vonnis is overgelegd en wordt daarmee geacht bij de uitspraak van de toelatingsrechter in aanmerking te zijn genomen. Wat [appellanten] aanvoeren inzake het gedrag van [geïntimeerde1] dat heeft geleid tot de schuld die uit het vonnis voortvloeit en de context van de erfrechtelijke procedures, wordt hierna besproken.
- Het arrest hof Amsterdam van 8 augustus 2023 en de achtergrond daarvan
4.14.2.
Het arrest van het hof Amsterdam van 8 augustus 2023 is bij het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling niet overgelegd. In dit arrest wordt de context van het achterliggende geschil (nog) meer uitgediept dan in het vonnis van 10 september 2025, dat wel is overgelegd. Zo blijkt uit de overwegingen 2.4.1 tot en met 2.4.7 dat ook de handelwijze van [geïntimeerde1] , zijn advocaat en de executeur een vlotte uitvoering van de gemaakte afspraken (in de vaststellingsovereenkomst) hebben belemmerd en dat op grond van die vaststellingsovereenkomst het legaat van het chalet nog altijd dient te worden afgegeven aan de legatarissen. Niet gebleken is dat deze informatie bij de toelatingszitting bekend was en ook niet dat dit is meegewogen door de rechter. Daarom moet de vraag worden beantwoord of de toelatingsrechter het toelatingsverzoek had afgewezen als hem deze informatie wel bekend was geweest.
4.14.3.
Op grond van artikel 288 lid 1 Fw wordt een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar en aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, te goeder trouw is geweest. Het verzoek van [geïntimeerde1] is gedateerd op 25 november 2025, zodat het hier gaat om de periode van 25 november 2022 tot en met 25 november 2025.
4.14.4.
Volgens [appellanten] hebben de sanieten de achtergrond van de genoemde procedures ten onrechte niet bij het toelatingsverzoek meegedeeld. Daaruit volgt volgens hen dat de schuld het resultaat is van de niet naleving van de vaststellingsovereenkomst, de onrechtmatige levering van het chalet aan [geïntimeerde1] en een daaropvolgende constante verhaalsfrustratie door hem. Deze handelingen van [geïntimeerde1] , zoals de levering van het chalet aan zichzelf, hebben grotendeels plaatsgevonden vóór 25 november 2022 en vallen dus buiten de driejaarstermijn. Het hof acht hierbij eveneens van belang dat de levering heeft plaatsgevonden na het arrest van het hof Den Haag van 4 september 2020 waarbij het verzoek van [geïntimeerde1] tot opheffing van de verbintenissen uit de legaten was toegewezen. Pas met het arrest van het hof Amsterdam van 8 augustus 2023 stond het voor [geïntimeerde1] vast dat de legaten in stand bleven en dat de vaststellingsovereenkomst alsnog diende te worden nagekomen. In rechtsoverweging 2.7 heeft het hof Amsterdam geoordeeld dat het legaat van het chalet op grond van de vaststellingsovereenkomst dient te worden afgegeven aan de legatarissen. De gedragingen van [geïntimeerde1] na dit arrest van het hof Amsterdam vallen wel binnen de driejaarstermijn.
- Gedragingen na het arrest van het hof Amsterdam
4.14.5.
Uit het vonnis van 10 september 2025 volgt dat partijen na het arrest van het hof Amsterdam van 8 augustus 2023 hebben getracht het chalet alsnog via de nalatenschap van de (groot)ouders geleverd te krijgen. Dit had ook de voorkeur van [appellanten] De betrokken Zwitserse notaris heeft op 14 mei 2024 aangegeven dat dit op grond van het Zwitsers recht niet mogelijk was en dat de overdracht op basis van een koopovereenkomst moest plaatsvinden. In een poging om het chalet alsnog via de nalatenschap van de (groot)ouders geleverd te krijgen, hebben partijen op suggestie van de Zwitserse notaris gezamenlijk de kantonrechter verzocht om voor recht te verklaren dat op [geïntimeerde1] als executeur de verplichting rust om het legaat op de voorwaarden zoals vermeld in de vaststellingsovereenkomst af te geven, ofwel het chalet vanuit de nalatenschappen van de (groot)ouders aan de kinderen van [appellant1] over te dragen. De kantonrechter heeft de verzochte verklaring voor recht op 30 december 2024 afgegeven. De Zwitserse notaris heeft vervolgens in een e-mail van 25 februari 2025 wederom bericht dat levering van het chalet niet meer via de nalatenschap kan plaatsvinden. Tegen de achtergrond dat de kinderen van [appellant1] zelf levering via de nalatenschap wilden en de daartoe ondernomen acties van partijen, hebben [appellanten] onvoldoende onderbouwd dat [geïntimeerde1] ook nog na het arrest van het hof Amsterdam van 8 augustus 2023 de naleving van de VSO en de levering van het chalet heeft gefrustreerd en daarmee de schuld aan [appellanten] heeft laten oplopen. [geïntimeerde1] heeft voldoende gemotiveerd aangevoerd dat hij na het vonnis van 10 september 2025 niet kon voldoen aan de veroordeling het chalet om niet over te dragen omdat hij de kosten van deze overdracht (door de gelegde beslagen en zijn financiële situatie) niet meer kon betalen.
4.14.6.
Uit het voorgaande volgt dat voldoende aannemelijk is dat de toelatingsrechter, zou hij bekend zijn geweest met de achtergrond die heeft geleid tot het arrest van het hof Amsterdam van 3 augustus 2023 en het vonnis van 10 september 2025, ook zou hebben geoordeeld dat [geïntimeerde1] in de periode van de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, te goeder trouw is geweest ten aanzien van het onbetaald laten en het laten oplopen van de schuld aan [appellanten]
4.15.
b) [geïntimeerde1] heeft als executeur selectieve betalingen gedaan aan zichzelf en zijn kinderen en is ontslagen als executeur
4.15.1.
Met betrekking tot het ontslag door de kantonrechter van [geïntimeerde1] als executeur op 14 juli 2025 geldt dat de beschikking van de kantonrechter bij de het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling is overgelegd. Dit ontslag wordt dus geacht te zijn meegenomen door de toelatingsrechter bij zijn beslissing.
4.15.2.
Voor zover [appellanten] hebben aangevoerd dat [geïntimeerde1] als executeur selectieve betalingen heeft uitgevoerd aan hemzelf en zijn eigen gezin, hebben zij onvoldoende gesteld welke schulden daaruit zijn ontstaan. Daarnaast is niet gebleken dat deze gedragingen zich hebben afgespeeld binnen de driejaarstermijn. Uit de brief van de huidige executeur mr. Boiten van 31 december 2025 volgt dat [geïntimeerde1] op 2 juli 2018 een deel van de opbrengst van de verkoop van de woning van zijn ouders aan zichzelf heeft uitgekeerd, terwijl ook een deel aan de curator van [appellant1] is voldaan. Dit valt ruim buiten de driejaarstermijn. Ook het verwijt dat hij als executeur sinds 2016 structureel informatie heeft onthouden kan - zonder nadere toelichting - niet leiden tot het oordeel dat [geïntimeerde1] in de driejaarstermijn ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest. Dit brengt ook mee dat onvoldoende is onderbouwd dat [geïntimeerde1] niet was toegelaten tot de schuldsaneringsregeling als de toelatingsrechter de genoemde brief van de huidige executeur wel had gekend.
4.16.
c) het niet overleggen van de brief aan de Raad van Discipline van 8 januari 2026
4.16.1.
Het hof begrijpt dat [appellanten] [geïntimeerde1] verwijten zijn brief aan de Raad van Discipline van 8 januari 2026 niet bij het toelatingsverzoek te hebben overgelegd, omdat hij in deze brief een tegenstrijdig standpunt inneemt met betrekking tot het aantal schuldeisers en of hij in staat is om aan zijn lopende verplichtingen te voldoen. Nog daargelaten wat de waarde is van deze bij de tuchtrechter overgelegde brief, geldt dat uit het schuldenoverzicht in het toelatingsverzoek blijkt dat dit niet klopt. Inmiddels blijkt dit ook uit het schuldenoverzicht van de bewindvoerder.
4.16.2.
Tegen die achtergrond hebben [appellanten] onvoldoende aangevoerd dat als deze brief bij de toelatingsrechter bekend zou zijn geweest, deze tot het oordeel zou zijn gekomen dat [geïntimeerde1] niet te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden.
4.17.
d) Het laten ontstaan en oplopen van schulden door het voeren van langdurige procedures met hoge advocaatkosten en beslagleggingen. Daarnaast het in het zicht van de wsnp instellen van hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank van 10 september 2025.
4.17.1.
Met betrekking tot dit punt is onvoldoende gebleken dat hier sprake is van een feit of een omstandigheid dat niet bekend was bij de toelatingsrechter. De toelatingsrechter had de beschikking over het vonnis van 10 september 2025. Daarin is vrij uitgebreid weergegeven welke procedures tussen partijen zijn gevoerd. Daarnaast blijkt uit de zittingsaantekeningen dat de mogelijkheid van het instellen van hoger beroep op de toelatingszitting is besproken.
Conclusie
4.18.
Gelet op het hiervoor overwogene komt het hof tot de conclusie dat de door [appellanten] aangevoerde omstandigheden, elk voor zich maar ook in samenhang bezien, niet tot het oordeel kunnen leiden dat er nieuwe feiten en omstandigheden bekend zijn geworden die op het tijdstip van de indiening van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen (artikel 350 lid 3 sub f Fw).
4.19.
Het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [geïntimeerde1] moet daarom worden afgewezen.
De slotsom
4.20.
Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat er geen grond is voor tussentijdse beëindiging van de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling van de sanieten. Het hof zal het bestreden vonnis daarom bekrachtigen.
5De beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 17 april 2026.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.P.M. Hennekens, G.J. Meijer en N.M. Brouwer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.
Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (herschikking), Pb 2015 L 141/19.
Vergelijk Hoge Raad 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:753, ro. 3.1.2. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|